Menu

Bhagavata Parampara - Sri Nityananda Prabhu

Gepubliceerd 2017
Herzien 21 juni 2022


śrī śrī guru gaurāṅgau jayataḥ!

Bhakti Lezingen

Uit: Sri Prabandhavali, Chapter 8 "Nityananda Trayodasi"
Gaudiya Vedanta Publications 2003

nitya-līlā praviṣṭa oṁ viṣṇupāda

Śrī Śrīmad Bhaktivedānta Nārāyaṇa Gosvāmī Mahārāja




Nityananda Trayodasi


Nityananda Er was eens een barbier (kapper), die hier en daar uitnodigingen uitreikte. In vroeger tijden deden barbieren dit voor huisgezinnen. Als er een huwelijk of een festival was, gingen ze iedereen uitnodigingen rondbrengen en daarmee konden ze een beetje extra geld verdienen. Maar deze barbier ging nooit weg zonder zijn gereedschap, zoals een scheermes,, scharen en een kam.

Toen hij onderweg was, kwam hij door een oerwoud, waar hij een leeuw op het pad zal liggen. De leeuw viel hem niet aan. Hij tilde alleen zijn poot op en likte eraan. Eerst was de barbier bang, maar daarna dacht hij, "Het lijkt wel, alsof hij iets aan zijn poot heeft, waardoor hij me niet aanvalt." Dus de barbier ging een beetje dichterbij kijken en zag, dat er een lange doorn in zijn poot zat, waardoor de leeuw erg te lijden had. Met behulp van zijn instrumenten bewoog hij de doorn een beetje en haalde hem er voorzichtig uit. Er was wat bloed uit de wond gelopen, dus hij gebruikte ook wat jodium, verbond de poot van de leeuw in een paar medicinale bladeren en wandelde verder.

Er gingen drie of vier jaren overheen. Toen op zekere dag werd diezelfde barbier per abuis gearresteerd voor een ernstig misdrijf, zoals moord. Zijn zaak werd voor de koning gebracht, die zei, "Een aantal dagen geleden hebben we in het oerwoud een leeuw gevangen. Gooi die misdadiger in het hok van de leeuw. De leeuw eet hem op - klaar. Voor hem is geen andere straf denkbaar. Gooi hem voor de leeuw!"

De barbier werd in de kooi van de leeuw gegooid en meteen stond de leeuw op. Maar toen hij bij de barbier in de buurt kwam, begon hij te spinnen en ging naast hem zitten. Dit was dezelfde leeuw, bij wie de barbier een doorn uit zijn poot had verwijderd. Na zoveel jaren kon de leeuw de barbier nog herkennen en daarom viel hij hem niet aan. De koning zei, "Dit wrede dier valt hem niet aan? Hoe kan dat?" Toen dacht hij, "Nu begrijp ik het. Omdat ik een fout heb gemaakt door deze man te arresteren, doodt de leeuw hem niet. Als de leeuw deze straf niet uitvoert, zou ik hem ook niet moeten straffen." De koning liet de barbier vrij, betoonde hem zijn respect en vroeg om vergeving.

Zelfs in een dier is zoveel dankbaarheid aanwezig en Krsnadasa Kaviraja Gosvami zegt, dat de dankbaarheid van Nityananda Prabhu dezelfde is. In één minuut verwijderde de barbier een doorn uit de poot van de leeuw en zoveel jaren lang bleef de leeuw hem dankbaar. Het dier, dat zo wreed is, dat ontelbaar veel andere dieren doodt en ook mensen eet, bleef zijn hele leven dankbaar en we zien dezelfde eigenschap in het leven van Nityananda Prabhu.

In Sri Caitanya-caritamrta geeft Krsnadasa Kaviraja Gosvami een voorbeeld van de manier, waarop Nityananda Prabhu, die Bhagavan Zelf is, iemand dankbaar is. Hij zegt, dat er bij gelegenheid gedurende dag en nacht constant een festival met kirtana werd uitgevoerd. Vaisnava's, die zowel dichtbij als veraf woonden, waren uitgenodigd en iedereen kwam er naartoe. Onder hen was een eeuwige metgezel van Nityananda Prabhu genaamd Minaketana Ramadasa. Zijn karakter was dusdanig, dat zijn genade niet gemakkelijk kon worden herkend, maar degenen, die hem begrepen, konden het zien. Als een geliefd persoon komt, bied je hem over het algemeen pranama aan. Maar in plaats daarvan sloeg hij iemand met de fluit, die hij altijd in zijn hand had. De persoon, die een tik kreeg, ervoer dat als een grote zegen. Wanneer hij zijn voet op iemands hoofd zetten, namen ze aan, dat zich vanaf die dag groot geluk in hun leven zou aandienen. Soms gaf hij iemand een dreun en zei dan, "Waar heb jij al die tijd gezeten?" Maar degenen, die het begrepen, wisten, "Wie hij ook vandaag te pakken heeft gehad, ontvangt rechtstreeks de genade van Nityananda Prabhu."

Dus de kirtana was gaande en wanneer Minaketana Ramadasa eraan kwam, stond iedereen op, bood zijn pranama aan en verwelkomde hem. Hij kon op de schouders klimmen van de ene persoon, hij kon de ander met zijn fluit slaan en weer iemand anders op zijn rug timmeren. De tranen rolden hem altijd over de wangen en hij brulde voortdurend, "Nityananda Prabhu ki jaya !"

De pujari daar was min of meer gestudeerd en wanneer Minaketana Ramadasa binnenkwam, stond deze pujari niet op en sprak ook niet tegen hem, terwijl iedereen was gaan staan en pranama aanbood. Dus Minaketana Ramadasa zei lachend tegen hem, "Hier hebben we de tweede Romaharsana!" [zie Voetnoot 1], waarna hij geabsorbeerd raakte in het bezingen van de glorie van Nityananda Prabhu.

_________________________

Voetnoot 1 - Romaharsana is een persoonlijkheid, die Baladeva Prabhu beledigde bij een vuuroffer, dat werd uitgevoerd in Naimisaranya, zoals wordt beschreven in Hoofdstuk 78 van Canto Tien in Srimad-Bhagavatam


Iedereen was keihard kirtana aan het zingen en toen het was beëindigd, zei de broer van Kaviraja Gosvami, "Jullie zingen altijd over de glorie van Nityananda Prabhu, maar waarom bezingen jullie niet de glorie van Caitanya Mahaprabhu?" Toen Minaketana Ramadasa dit hoorde, werd hij ongemakkelijk.

De man dacht, dat er enig verschil was tussen Nityananda Prabhu en Caitanya Mahaprabhu. Er zijn zoveel glorieuze verhalen over Nityananda Prabhu, die allemaal zijn geerelateerd aan Caitanya Mahaprabhu. Als de glorie van Srimati Radhika wordt bezongen, wordt dan niet tevens de glorie van Krsna bezongen? Voor Krsna is Radhika de liefste van iedereen en Haar dienstverlening is de beste van allemaal. Door de glorie van Radhika te bezingen, wordt onmiskenbaar de glorie van Krsna geprezen. En op dezelfde manier kun je niet anders dan Sri Radha en Krsna eren in de beschrijving van de glorie van Caitanya Mahaprabhu.

De broer van Kaviraja Gosvami ging door, "Jij bent er ook een, hoor, altijd maar chanten 'Nityananda, Nityananda' en niet Mahaprabhu verheerlijken. Altijd 'Nityananda, Nityananda' terwijl Hij ging trouwen en Mahaprabhu sannyasa nam en Zijn huis en familie achterliet."

Toen Minaketana Ramadasa dit hoorde, brak hij zijn fluit in tweeën en verliet de plek. Hij was zo ongelukkig, dat hij zijn dierbaarste bezit kapot maakte en vertrok. Op dat moment dacht Kaviraja Gosvami bij zichzelf, "Nu gaat er zeker iets ongunstigs met mijn broer gebeuren. Hoe kan er na dit incident nog iets gunstigs in zijn leven gebeuren?"

Geleidelijk ging alles van zijn broer te gronde. Wat bedoelen we met 'te gronde'? Zijn bhakti verdween. Door de genade van heiligen krijg je bhakti, maar als je die heiligen ongenoegen bezorgt, kan onze belangstelling voor bhakti dan blijven bestaan? Nee. Alles werd voor hem teniet gedaan en hij werd een atheïst, dus Kaviraja Gosvami dacht, "Ik blijf niet omgaan met een atheïst. Ik kan hem niet langer als mijn broer beschouwen. Als men krsna-bhakti niet is toegenegen, is een vriend geen vriend, een moeder geen moeder, een vader geen vader en een familielid geen familie. Ik wil helemaal geen contact meer met hem hebben." Later in diezelfde nacht òm drie of vier uur nam hij de beslissing om te vertrekken en ging daar heel ontstemd vandaan.

Toen hij in het dorp Jhamatpur aankwam, ging Kaviraja Gosvami zitten om te rusten en begon te peinzen, "Ik kan hier niet blijven. Waar moet ik naartoe?" Terwijl hij over zijn situatie zat na te denken, dommelde hij in slaap. Toen verscheen Nityananda Prabhu in zijn droom. In zijn hand had hij een gouden stok. Zijn gedaante was heel groot en had een donkere glans. Hij had in één oor een oorring en zijn schoonheid was verblindend, zoals die van Baladeva in krsna-lila. Hij zei, "Waarom zit je te huilen? Waarom ben je bedroefd? Sta op, sta op! Ga naar Vrndavana! En plaats daar de voeten van Rupa en Sanatana op jouw hoofd. Ga! Heb je jouw broer voor Mij verlaten? Ik ben zeer tevreden met jou. Een ware broer is iemand, die bhakti kan geven, een vader is iemand, die instructies voor bhakti kan geven en een moeder is iemand, die inspiratie geeft voor krsna-bhakti. Jouw broer heeft Mij enigzins beledigd en daarvoor heb je hem voor altijd verlaten? Ik ben zeer tevreden. Ga naar Vrndavana. Daar krijg je darsana van Govinda, Madana-mohana en Gopinatha. Je krijgt daar de genade van Rupa en Sanatana en ook de genade van Vrndavana-dhama zelf. Ga!"

En zo schreef Kaviraja Gosvami, "Alles dat ik deed, was mijn broer verlaten en daarvoor heeft Nityananda Prabhu me immense genade gegeven! Door die genade heb ik darsana van Vrndavana-dhama gekregen."

Welke soort darsana kreeg hij - zoals wij? Dit is de soort darsana die hij kreeg: hij zag Krsna de koeien meenemen om te grazen, de gopis, die met dorstige ogen naar Krsna zochten en de lila van Sri Radha en Krsna. En wat is de betekenis van de genade van Rupa en Sanatana? Door de genade van Sanatana kreeg Kaviraja Gosvami sambandha-jnana en schriftuurlijke kennis, maar zelfs al beschikt men over de kennis, hoeft er nog geen rasa te zijn. Door de genade van Rupa Gosvami kreeg hij kennis van rasa en toen kon hij zulke boeken componeren als Sri Caitanya-caritamrta en Govinda-lilamrta, waarin zoveel rasa wordt beschreven. De genade van Rupa Gosvami heeft dit allemaal mogelijk gemaakt.

In deze wereld blijft zelfs een dier zijn leven lang dank verschuldigd aan iemand, die een doorn uit zijn poot haalt. Op dezelfde manier zijn wij verschuldigd aan onze guru en de Vaisnava's. Hoe kunnen we ondankbaar zijn jegens degenen, die hebben getracht de doorn van materiële gehechtheid uit ons te verwijderen en hebben geprobeerd ons te verleiden om bhakti-rasa te drinken? Dergelijke gurus en Vaisnava's moeten we altijd dankbaar zijn. Als we een dag merken, dat gurudeva een beetje streng tegen ons is en we worden binnen een minuut ondankbaar en denken, "Oh, hij heeft voor mij geen genegenheid meer", welk miserabel levenslot is dat? We blijven altijd schuldig aan gurudeva en de Vaisnava's en we kunnen deze schuld nooit aflossen. Als men deze uitspraak van Krsnadasa Kaviraja niet begrijpt, is dat zijn grote ongeluk, maar iemand, die dit wel begrijpt, zal zijn schuldenlast zijn hele leven niet meer vergeten. Zelfs wanneer hij sterft, vergeet hij het niet en in zijn volgende leven zal hij het zich herinneren.

Deze dankbaarheid is een van de belangrijkste eigenschappen van Bhagavan Zelf. Hoewel Nityananda Prabhu Bhagaan Zelf is, raakt hij op dezelfde manier aan iemand verschuldigd zoals Krsna aan de gopis verschuldigd raakte.

na paraye 'ham niravadya-samyujam
    sva-sadhu-krtyam vibudhayusapi vah
ya mabhajan durjara-geha srnkhalah
    samvrscya tad vah pratiyatu sadhuna

Srimad-Bhagavatam (10.32.22)

Zelfs in een lange levensduur als die van de halfgoden ben Ik niet in staat jullie te compenseren, want jullie hebben allemaal huis en haard verlaten om Mij te dienen. Laat daarom jullie eigen glorieuze daden jullie ter compensatie dienen.

Op dezelfde manier zegt Nityananda Prabhu, "Hij heeft de ketenen van materiële gehechtheid verbroken en is gekomen om in Mijn dienst betrekking te nemen. Hij geeft niets om het wereldse leven. Kan ik ooit degenen achterlaten, die hun gezin, geld en bezittingen hebben opgegeven om bhajana te gaan doen? Daartoe zal Ik nooit in staat zijn."

Kaviraja Gosvami heeft ook het volgende geschreven,

sankarsanah karana-toya-sayi
garbhoda-sayi ca payobdhi-sayi
sesas ca yasyamsa-kalah sa nitya
nandakhya-ramah saranam mamastu

Sri Caitanya-caritamrta (Adi-lila 5.7)

Mag Sri Nityananda Prabhu mijn toevlucht zijn. Sankarsana, Sesanaga, Karanodakasayi Visnu, Garbhodakasayi Visnu en Ksirodakasayi Visnu zijn Zijn volkomen delen en de delen van Zijn volkomen delen.

In Vaikuntha bestaan verschillende secties op hetzelfde niveau en andere secties liggen op hogere niveau's. Incarnaties, zoals Nrsimha, Kalki en Vamana bevinden zich in Vaikuntha-dhama op hetzelfde niveau. Ze delen dezelfde 'vloer', maar beschikken wel over hun eigen specifieke ruimten. Het laagste punt is de Viraja, daarboven is Siddhaloka, dat wordt gekend als het buitenste gedeelte van Vaikuntha. Aan de vijanden, die worden gedood door Bhagavan, wordt die bestemming toegekend. Siddhaloka is ook voor degenen, die aham brahmasmi chanten, waarbij ze denken, dat de jiva uiteindelijk met Brahman één wordt. Maar de jivas kunnen hun individualiteit niet verliezen. Dat ze uiteindelijk één worden is een grote leugen.

Ja, ze komen bij elkaar, zoals toegewijden elkaar ontmoeten en hari-katha delen. Zoals Krsna samenkomt met de gopis, de gopas, Yasoda en Nanda Baba en zoals Ramacandra samenkomt met Hanuman - deze ontmoetingen en samenkomsten hebben plaats, maar is het ontmoeten een éénwording? Nergens wordt een dergelijk voorbeeld aangetroffen. Samenkomen, ja - maar ze blijven individueel. De jiva wordt nimmer Brahman. Veel befaamde panditas en geleerden steunen deze theorie en duizenden mensen komen naar hun lezingen luisteren. Ze zeggen, dat er niets gelijk is aan krsna-bhakti en dat de bhakti van de gopis de beste is en dat iedereen, die toewijding bereikt, zoals die van de gopis, één wordt met Brahman. Deze soort hari-katha is volkomen onzin. Ze misleiden de mensen en daarom moeten we zulke lezingen niet bijwonen, waar ze zeggen, dat we één worden met Radha-Krsna.

Boven Siddhaloka ligt Sadasivaloka en daarboven bevindt zich Narayana-dhama, waar de bevrijde vierarmige toegewijden resideren. De toegewijden daar beschikken over de vier typen bevrijding - salokya, samipya, sarupya en sarsti. Ze blijven dichtbij Narayana om Hem in aisvarya-bhava, het sentiment van rijkdom en vermogen, te dienen. Daar dichtbij zijn miljoenen speciale ruimten, waar Varaha, Nrsimha, Kalki en alle andere incarnaties verblijven. Zodra de noodzaak daar is, komen ze naar deze wereld. Anders blijven ze daar en aanvaarden de diensten van hun toegewijden. Daarboven is de wereld van Ramacandra en daarboven bevindt zich de wereld van Krsna, die we kennen als Goloka. Door dit Goloka te noemen, kan verwarring ontstaan, dus ik zal proberen dit enigszins op te helderen.

Toen Indra de abhiseka van Krsna uitvoerde, bracht hij Surabhi daar naartoe. Dus de woonplaats van Surabhi is Goloka, nietwaar? Maar denk niet, dat Indra haar uit Goloka Vrndavan haalde. In deze brahmanda en in iedere brahmanda is Hariloka, de residentie van Ksirodakasayi Visnu. De halfgoden kunnen geen rechtstreekse darsana van Visnu krijgen, maar soms krijgt Brahma in zijn meditatie zijn darsana en ontvangt de kracht om te scheppen en de wereld te beschermen. Op die manier heeft iedere brahmanda zijn eigen Goloka en dit wordt ook Surabhiloka of Svetadvipa genoemd. Indra kan alleen tot daar gaan en hij haalde Surabhi daar vandaan en zei, "Jij bent gomata, dus bid alsjeblieft voor mij tot Krsna."

Daarom zijn deze Goloka en Goloka Vrndavana niet één en dezelfde. En zo is de Navadvipa-dhama in de geestelijke wereld ook bekend als Svetadvipa, maar is afgescheiden van de Svetadvipa binnen deze brahmanda, waarin Ksirodakayayi Visnu resideert.

De lagere sectie van Goloka-dhama beneden Dvaraka is svakiya-bhava. Er hebben daar spel en vermaak van Radha-Krsna plaats, maar daar zijn Radha-Krsna als een uitbreiding van Laksmi-Narayana in het sentiment van grote vermogens en rijkdom. Dit is de bestemming van degenen, die arcana van Radha-Krsna uitvoeren in vaidhi-bhakti. Degenen, die arcana van Radha-Krsna uitvoeren in vaidhi-bhakti gecombineerd met raganuga gevoelens, gaan ofwel naar Mathura of naar Dvaraka. En degenen, die 'gretig' zijn en raganuga volkomen in haar zuivere vorm volgen gaan naar Goloka Vrndavana.

Dat gebied heeft de vorm van een lotusbloem en het centrum van die lotus is het Huis van Nanda. Toegewijden, die volkomen zijn geabsorbeerd in raganuga-bhakti, krijgen daar een positie in het spel van Krsna, hetzij als gezelschap van Krsna, wanneer Hij de koeien mee uit neemt om te grazen, of als vriendin van Radhika. Dit is de hoogste bestemming.

Daar wordt Krsna gekend als Vrndavana-bihari, Govinda, Syamasundara en Gopinatha. Zijn eerste extentie is Baladeva. Krsna's stok, de pauweveer in Krsna's kroon, alle attributen van Krsna, alle attributen van de gopis, Vrndavana-dhama - al deze zaken worden gemanifesteerd door sandhini-sakti en de belichaming van dat vermogen is Baladeva Prabhu. De belichaming van hladini-sakti is Radhika. Krsna is de eigenaar van cit-sakti. Deze drie tesamen zijn sac-cid-ananda, de complete gedaante van Krsna. Radhika noch Baladeva zijn van Hem afgescheiden; samen zijn ze één.

Alleen uit Baladeva Prabhu worden de eeuwig perfecte toegewijden van Krsna manifest. Wanneer Krsna naar Dvaraka gaat, wordt Hij Vasudeva, de zoon van Vasudeva. En in Dvaraka voelt ook Baladeva, dat hij de zoon is van Devaki, maar in zijn oorspronkelijke identiteit is hij de zoon van Rohini en in hoogste instantie is Nanda Baba de vader van Baladeva. Dit betekent niet, dat iemand ooit de vader van Baladeva kan zijn, zoals in deze wereld vaders en zonen zijn, maar Nanda Baba heeft de identiteit om zijn vader te zijn. Nanda Baba heeft de sterkste identiteit om de vader te zijn van zowel Krsna als Baladeva. Gewone wereldse geleerden kunnen dit feit niet aanvaarden. Ze kunnen niet begrijpen, dat de persoon, in wie de identiteit om Krsna's vader te zijn het meest intens is, uiteindelijk als zijn vader wordt beschouwd. Meestal wordt door hen geopperd, dat Krsna de zoon is van Vasudeva. Echter zeer weinigen van hen aanvaarden, dat Hij werkelijk Nanda-nandana is.

Dus Baladeva Prabhu is de vaibhava-prakasa van Krsna en hij verleent constant dienst aan Krsna. Dienstverlening aan Krsna is alles voor hem, of het nu in Vrndavana is, of in Mathura of Dvaraka. Wanneer ze naar Mathura en Dvaraka gaan, waarbij ze identieke gedaanten aannemen, worden ze de primaire catur-vyuha: Vasudeva, Sankarsana, Pradyumna en Aniruddha.

Dan is er een tweede catur-vyuha en uit de stam van Sankarsana komt Maha-Sankarsana voort. Uit Maha-Sankarsana komt Karanodakasayi Visnu voort, van Karanodakasayi Visnu komt Garbhodakasayi Visnu en Garbhodakasayi Visnu wordt Ksirodakasayi Visnu. Daarna expandeert Ksirodakasayi Visnu in ontelbaar veel gedaanten als getuige in het hart van alle levende wezens, Paramatma. Diezelfde Baladeva is in ons hart aanwezig als getuige in zijn vyasti (uitbreiding) van de antaryami Ksirodakasayi. 'Ksira' betekent melk en zoals onze moeder ons voedt door melk te geven, zo ondersteunt en voedt hij ons ook.

Vlakbij Ksirodakasayi Visnu zijn Brahma en Sankara aanwezig en vanwege zijn vermogen en verlangen hebben schepping en destructie van de materiële universa plaats. Evenals Sesanaga beschikt hij over miljoenen en miljoenen hoofden en hij heeft miljoenen en miljoenen universa op zijn hoofden als mosterdzaden, terwijl hij tevens de vorm aanneemt van de bedden, waarop de drie purusa-avataras liggen.

De zes soorten expansies van Baladeva Prabhu zijn dus alsvolgt. Van zijn oorspronkelijke gedaante in Vrndavana komt de stam van Sankarsana in Mathura en Dvaraka voort, daarna Maha-Sankarsana in Vaikuntha, daarna Karanodakasayi Visnu, Garbhodakasayi Visnu, Ksirodakasayi Visnu en tenslotte Sesa. Iemand, die deze diepe waarheden kent, hoeft nooit meer de kringloop van geboorte en dood binnen te gaan.

De purusa-avatara wordt 'purusa' genoemd, omdat hij betrokken is bij de schepping van de materiële wereld. Hij komt indirect in contact met maya ten behoeve van schepping en bestuur, maar hijzelf blijft ervan afgescheiden. Ja, hij is aanwezig in alle zielen, maar tegelijkertijd is hij in niemand aanwezig. Hij doet alles en hij inspireert anderen om alles te doen, maar tegelijkertijd doet hij niets. Daarom wordt hij purusa-avatara genoemd. Uit deze purusa-avatara komen de manvantara-avataras, yuga-avataras en zoveel andere incarnaties voort. Ze komen voort uit Karanodakasayi Visnu of uit Garbhodakasayi Visnu, die ook avatari kunnen worden genoemd, hetgeen betekent, dat er avataras uit hen voortkomen.

Wanneer Krsna in een van Zijn gedaanten naar deze wereld gaat, komt Baladeva Prabhu in de vorm van de dhama en de eeuwige metgezellen ook mee. Voordat Krsna afdaalt om spel in Vrndavana uit te voeren, gaat Baladeva het hart van Devaki binnen en is in de gedaante van Sankarsana in haar baarmoeder aanwezig en dan pas kan Krsna Zich manifesteren. Daarom komt Baladeva eerst in de vorm van de dhama en verleent op die manier een dienst aan Krsna.

Hier en daar treffen we verwarrende beschrijvingen aan, waarin de ene zegt, dat Krsna een incarnatie is van Karanodakasayi en waarin de ander zegt, dat Hij een incarnatie is van Garbhodakasayi. Soms wordt Krsna beschreven als te zijn geboren uit het haar van Nara-Narayana - Kesa-avatara, een incarnatie van Nara-Narayana. We kunnen deze uitspraken tegenkomen, maar de Bhagavatam zegt het volgende.

ete camsa kalah pumsah / krsnas tu bhagavan svayam

Srimad-Bhagavatam (1.3.28)

Alle incarnaties van Bhagavan zijn hetzij volkomen delen of delen van volkomen delen van de purusa-avataras. Maar Krsna is Svayam Bhagavan Zelf.

Als wordt gezegd, dat Krsna Zelf een incarnatie is, is dat hetzelfde als wanneer een oude dame de zegen geeft aan Minister President door te zeggen, "Mijn jongen, opdat jij op zekere dag Commissaris van Politie mag worden." Voor zover haar kennis reikt, is dat de hoogste functie van allemaal. De dame heeft dat met liefde gezegd, maar ze weet niet welke positie hoger is. Op dezelfde manier zeggen sommigen, dat Krsna een incarnatie is van Garbhodakasayi of Ksirodakasayi Visnu.

Toen Sri Ramacandra neerdaalde, kwam Baladeva als Laksmana. Het spel van Ramacandra is zo vol afgescheidenheid en zelfopoffering, dat het iedereen aan het huilen maakt. Schijnbbaar zonder reden verliet hij Sita-devi, niet één keer, maar twee keer. Laksmana had niet gewild, dat Rama het oerwoud introk en daarom, terwijl ze in ballingschap waren, zei hij tegen Rama, "Ik beschouw Maharaja Dasaratha niet langer als onze vader. Hij is buitengewoon mannelijk en wordt beheerst door een vrouw; en op zijn oudedag is zijn intelligentie afgenomen. Ik zou hem eigenlijk moeten ombrengen! Kijk - daar komt iemand aan! Als het Bharata is, zal ik hem ook vermoorden!"

Bharata was gekomen om Rama gerust te stellen, maar toen Laksmana in een boom was geklommen en al die legers zag, werd hij ontzettend boos. Hij pakte zijn pijl en boog en legde aan. "Wat ga jij doen?" vroeg Rama. "Tegen wie ga je vechten?"

Laksmana zei, "Bharata komt hier met opgestreken zeil naartoe. Hij wil jou uit de weg ruimen, zodat er voor zijn koningschap geen obstakel meer is! Daarom ga ik er naartoe en met één pijl leg ik hen allemaal om!"

Maar Rama dacht, dat dit berustte op een misverstand, dus hij vertelde Laksmana een verhaal. Er was eens een vrouw, die een mangoeste (soort civetkat, roofdier) groot bracht met het doel om haar huishouding tegen slangen te beschermen. Ze bracht iedere dag haar kinderen op het bed in slaap en zette de grote kat erbij, voordat ze de deur uitging. Op een dag, toen ze weg was, kwam een slang naar het huis, die zin had de kinderen te bijten. De kat had een duchtig gevecht met de slang en kon hem met grote moeite doodbijten om de kinderen te beschermen. De kat was daarna zeer met zichzelf ingenomen en ging buiten zitten wachten op zijn baas, terwijl er nog wat bloed van het gevecht aan zijn bek hing. De vrouw kwam terug en de kat ging voor haar staan en zei, "ku-ku-ku". De vrouw zei, "Waar komt dat bloed vandaan? Heb je de kinderen aangevallen en pijn gedaan?" Met grote spoed pakte ze een stok en sloeg de kat dood. Toen ging ze het huis binnen en zag de kinderen zitten spelen; de dode slang lag er niet ver vandaan. Toen ze haar stommiteit inzag, begon ze te treuren.

Dus Rama zei tegen Laksmana, "Jouw toestand is precies dezelfde. Wacht eerst af en kijk hoe de zaken erbij staan; laat Bharata maar komen. Zelfs de Aarde zelf kan zelfzuchtig zijn, maar Bharata is nooit zelfzuchtig. Er is nergens in deze wereld een voorbeeld van liefde, zoals dat van Bharata. Dus laat hem maar komen."

Toen Bharata was aangekomen, viel hij aan de voeten van Rama en begon hem gerust te stellen. Toen hij Bharata pranama aan Rama zag aanbieden, realiseerde Laksmana zijn vergissing. Toen Bharata weer vertrok, benaderde Laksmana hem onder vier ogen en viel aan zijn voeten. Toen Bharata hem optilde en hem omhelsde, zei Laksmana, "Ik heb een grote overtreding tegen jouw voeten begaan. Ik was niet in staat om jou aardig te vinden, om van jou te houden" en hij begon bitter te huilen.

Een andere keer tijdens hun ballingschap in het oerwoud droeg Rama Laksmana op om hout te halen, toen Sita het vuur wilde binnengaan. Laksmana werd vreselijk boos, maar Rama zei, "Een dienst verlenen in het oerwoud is de hoogste dienstverlening. Jij bent altijd de dienaar." Laksmana aanvaardde de opdracht van Rama, maar hij dacht, "Ik maak een fout door zijn opdracht op te volgen." Niettemin bracht hij hout en Sita-devi ging het vuur binnen. Dit was natuurlijk een voorwendsel, waarbij de ware Sita eruit kwam en de onechte Sita verdween. Maar toch, op het eind legde Laksmana een gelofte af, "Ik kom nooit meer terug als jouw jongere broertje, maar alleen nog als jouw oudere broer. Dan liggen de verhoudingen anders en dan ben jij niet langer in staat om mij op deze manier te behandelen."

En zo verscheen hij in het spel van Krsna als Baladeva en in het spel van Mahaprabhu als Nityananda Prabhu, beide keren als de oudere broer. Zoveel spel en vermaak kon worden uitgevoerd alleen als oudere broer, die in de positie van een jongere broer niet mogelijk zouden zijn geweest. Indien Nityananda Prabhu niet aanwezig was geweest, zou zoveel spel en tijdverdrijf van Mahaprabhu verborgen zijn gebleven.

Hij was Mahaprabhu's dienaar, Zijn broer en ook Zijn guru. Hoe werd hij de guru van Mahaprabhu? De guru van Mahaprabhu was Isvara Puri, de guru van Isvara Puri was Madhavendra Puri en de guru van Madhavendra Puri was Laksmipati Tirtha. Nityananda Prabhu was ook een leerling van Laksmipati Tirtha, maar omdat zijn guru deze wereld verliet, toen hij nog jong was, kreeg Nityananda Prabhu praktisch alle instructie van Madhavendra Puri. Een ieder, die instructie geeft met betrekking tot bhakti, is de vertegenwoordiger van Bhagavan en daarom heeft Nityananda Prabhu Madhavendra Puri altijd als zijn primaire guru beschouwd. Toen Madhavendra Puri zijn guru werd, werd Isvara Puri zijn godbroeder en sinds die tijd stond Nityananda Prabhu op het niveau van de guru van Mahaprabhu en Mahaprabhu gaf hem overeenkomstig respect.

Hoewel we zien, dat Nityananda Prabhu drie relaties met Mahaprabhu had - als dienaar, als broer en als guru - beschouwde Nityananda Prabhu zichzelf desondanks altijd alleen als dienaar.

Op momenten, dat Mahaprabhu was verzonken in kirtana, was het meestal Nityananda Prabhu, die Hem beschermde. Als Mahaprabhu op Zijn gebruikelijke wijze aan het dansen was, ving Nityananda Prabhu Hem op voor Zijn eigen bescherming. Alleen wanneer Mahaprabhu verzonken raakte in radha-bhava, kon Nityananda Prabhu Hem niet aanraken.

Nityananda Prabhu verleende allerlei soorten diensten en volgde altijd de opdrachten van Mahaprabhu. Mahaprabhu zei tegen hem, "Ga alsjeblieft naar Bengalen! De brahmanas daar zijn ontzettend arrogant en voeren geen bhajana van Bhagavan uit. Predik iets onder de brahmaanse klassen, maar predik het meeste tegen degenen, die in de samenleving als gevallen worden beschouwd, want deze lieden zijn niet echt gevallen. Iedere ziel heeft het recht om bhagavad-bhajana uit te voeren. Ga alsjeblieft." Dus Nityananda Prabhu ging er naarto, predikte van dorp tot dorp en maakte van iedereen een discipel.

Nityananda Prabhu ging eens met een groep predikers langs de weg, waarbij ze in een dorp kwamen, waar een rijke grootgrondbezitter genaamd Ramacandra Khan woonde. Nityananda Prabhu liep het landgoed van de man op en ging op het altaar van de durga-mandapa zitten. Vroeger hadden de rijken in Bengalen dergelijke mandapas (baldakijnen voor ceremoniële doeleinden) voor Candi of Durga. Hij dacht, "De avond valt en waar kunnen we nu nog naartoe gaan? Morgenochtend zetten we onze tocht voort."

In die tussentijd zond Ramacandra Khan een van zijn dienaren om Nityananda Prabhu te spreken. Op sarcastische wijze zei de man, "Er is hier in huis niet voldoende ruimte voor jou, maar we hebben een gosala, een hele zuivere plek vanwege de aanwezigheid van koeien en koemest. Heiligen en sadhus dienen daar te verblijven, dus ga maar naar de gosala."

Toen Nityananda Prabhu dit hoorde, werd hij boos en zei, "Ja, je hebt gelijk. Deze plek is niet geschikt voor mij. Dit hier is bestemd voor rundermoordenaars en vleeseters." Nadat hij dit had gezegd, verliet hij die plek. De volgende dag vielen moslims Ramacandra Khan en zijn familie aan en arresteerden hen. Ze slachtten ook een koe, gingen het vlees braden en consumeerden het op precies dezelfde plek. Het hele dorp werd vernield.

Nityananda Prabhu heeft twee aspecten evenals een moederleeuw. Tegen haar pups is de leeuwin ontzettend lief, maar voor anderen is ze ontzettend gevaarlijk. Op dezelfde manier is Nityananda Prabhu supergenadig voor de toegewijden en hij is de onderwerper van atheïsten. Zoals Baladeva Prabhu een handploeg en een knots vasthoudt en Dvivida, de gorilla en anderen ombracht, die vijandig gezind waren jegens Krsna, zo onderwerpt Nityananda Prabhu atheïsten en vergroot gaura-prema in toegewijden.

We mogen nooit denken, dat er enig verschil bestaat tussen Caitanya Mahaprabhu en Nityananda Prabhu; er is alleen een verschil in hun lichaam. Nityananda Prabhu is de complete guru-tattva en waar de guru aanwezig is, is Nityananda Prabhu aanwezig. Waar de activiteiten van guru ook worden uitgevoerd, wordt aan de jivas de boodschap van Krsna gegeven, dat alleen door bhakti de ware voorspoed kan worden bereikt. Dit wordt allemaal door Nityananda Prabhu gemanifesteerd. Op deze dag bieden we daarom pranama aan hem, die de meest genadevolle en complete guru-tattva is en we bidden, dat hij ons altijd genadig mag zijn.



CC DIT ESSAY VALT ONDER CREATIVE COMMONS NAAMSVERMELDING-GEENAFGELEIDEWERKEN (CC BY-ND 4.0) INTERNATIONALE PUBLIEKE LICENTIE. GEBRUIK IN ZIJN GEHEEL EN ONGEWIJZIGD ONDER VERMELDING VAN AUTEUR, VERTALER, LICENTIE EN UITGEVERS ZOALS AANGEGEVEN ONDER REFERENTIES.

Referenties
Licentie overzicht: https://creativecommons.org/licenses/by-nd/4.0/legalcode.nl
Auteur Engels: Sri Srimad Bhaktivedanta Narayana Gosvami Maharaja
Uitgever India: 2003 Gaudiya Vedanta Publications, Uit: Sri Prabandhavali, Chapter 8 "Nityananda Trayodasi"
Vertaling Nederlands: Jaya Radhe / Bhagavata Parampara, "Sri Nityananda Prabhu"
Vertaler Nederlands: © 2017 Indira dasi CC BY-ND 4.0 Enkele rechten voorbehouden
Uitgever Nederland: Pro Deo Uitgever Jaya Radhe





DIT DOCUMENT IS BESCHIKBAAR IN PDF
Vorige <= Sri Advaita Acarya
Volgende => Sri Caitanya Mahaprabhu

TOP

title=""