Home

Guru Parampara



Sri Vyasadeva

Sri Srimad Bhaktisiddhanta
Sarasvati Thakura Gosvami Prabhupada

Bhakti_Siddhanta Geliefd object van mijn genegenheid,


Het woord jaya (zege) wordt uitgeroepen om de overtuiging van uitmuntendheid uit te drukken. We zijn in staat de natuur van de verering van Sri Vyasadeva te begrijpen, wanneer we de uitmuntendheid van Sri Vyasadeva in ogenschouw nemen.


­Srila Vyasadeva schrijft ons voor te mediteren op de Absolute Waarheid, die altijd alle waanideeën door Zijn eigen krachtige uitstraling verdrijft. Wanneer we in het voetspoor van Sri Vyasadeva volgen, krijgen we de Goddelijke Entiteit te zien. Het woord dhama betekent 'licht' of 'ontvanger'. Met behulp van licht wordt duisternis verdreven; dat betekent, indien we de juiste ontvanger actualiseren, wordt ons de bekwaamheid gegeven om meditatie uit te voeren. De faculteit van de herinnering zal worden gereanimeerd – de herinnering, die uit ons geheugen is gevallen.


Onvergetelheid van beide lotusvoeten van Sri Krsna reduceert het niet-goede en vergroot het positieve welzijn. Dat gebeurt door zuivering van de entiteit aan te moedigen, toewijding aan de Allerhoogste Ziel en Kennis begiftigd met een begrip van de realiteit en een niet-hunkeren naar het wereldse.

Alleen wanneer we in een situatie zijn, waarin we onafgebroken aan die Entiteit kunnen denken, de Superziel in het hart, komt dat welzijn. Horen wordt mogelijk gemaakt door chanten (kirtana); en als het horen op de beste manier wordt onderhouden, verschijnt het ware welzijn. In afwezigheid van horen en chanten (sravana en kirtana) is de substantiële manifestatie niet mogelijk.

Neem bijvoorbeeld de volgende standpunten van de atheïsten. Ze denken, dat de Goddelijke Entiteit geen lichaam en geen schoonheid heeft; dat Hij niet transcendentaal is; dat het noodzakelijk is om afhankelijk te zijn van kennis uit zintuiglijke waarneming om Zijn aanwezigheid te bereiken, zoals Ravana, enzovoort. Maar sruti (gehoorde transcendentie) zegt dat niet.

De Goddelijke Entiteit is de lotusvoeten van sri guru in de spirituele opvolging van Sri Vyasa – hij, wiens chanten in feite onze herinnering van de goddelijkheid wakker maakt door er gewoon naar te luisteren. Ieder van ons is Zijn dienaar. Het verlangen om te chanten wordt opgewekt door luisteren. Door middel van kirtana, of zingen, wordt de geconditioneerde neiging verdreven. Als het Woord, of dat land – dat ongelimiteerde gebied (Vaikuntha), waar ieder woord een lied is [...] – ons oor bereikt door eenvoudig naar dat lied te luisteren, manifesteert zich ons eeuwige welzijn door de eliminatie van al het kwaad.

"Vaikuntha", of aprakrta-sabda (transcendentaal woord), kan worden weergegeven als "transcendentaal geluid". Het woord "transcenderen" duidt op "ascentie", "ascentie" van de geconditioneerde geneigdheid. Hier blijven is hetzelfde als te zijn beperkt tot de wereldse ervaring, om zijn mannelijke egoïsme te beoefenen, of haar ijdelheid over  haar meester zijn. Maar er kan geen werkelijk welzijn bestaan, als men verstrengeld blijft in dergelijk dominerend egoïsme. De reden is, dat het alleen die personen zijn, die besmet zijn met het gevoel van hun eigen superieuriteit, die genegen zijn in de boeien te lopen van een dergelijk dominerend egoïsme.

De persoon, wiens ziel is besmet met dominerend egoïsme, ziet zichzelf als zijn eigen meester.

Dit is de getuigenis van de Gita en alle sruti.

De individuele ziel zit op dezelfde boom (als de Godheid) en ondergaat ellende door zijn ongoddelijkheid [...]  Wanneer hij tijdens zijn dienst ziet, dat zijn metgezel de Goddelijkheid is, is hij vrij van verdriet in de realisatie van de glorie van zijn metgezel.  

Wanneer de waarnemende entiteit de Meester ziet – de Allerhoogste Godheid, de persoon, die de oorzaak van Brahman is, die een gouden uitstraling heeft – is hij geheel van zijn deugden en ondeugden verschoond en is hij bevrijd van de belemmering van wereldsheid. Hij krijgt ware verlichting, hij krijgt de conditie van allerhoogste gelijkmoedigheid.

In de slokas hierboven wordt de allerhoogste gelijkmoedigheid genoemd, die totaal iets anders is dan de gelijkheid, die door het zintuigelijke oordeel wordt gepostuleerd. De gelijkheid van beperkte entiteiten is niet absoluut. De kalme rust met betrekking tot de Grote Ene is een andere entiteit.

Er wordt gesproken over de ontmoeting met de persoon met de gouden uitstraling en over zonde en rechtvaardigheid. Maar alleen wanneer we zijn verlost van al die condities, zijn we in een positie om te weten, dat we geen niet-sprituele entiteiten zijn, en dat het niet de functie van onze ware natuur is om in beslag te worden genomen door de niet-spirituele entiteit. Zolang we met ons geperverteerde zelf verstrengeld blijven door het pad naar de ziel te verlaten, is het voor ons niet mogelijk te mediteren op het ware Object van onze meditatie. Meditatie op beperkte entiteiten heeft ons gereduceerd tot de conditie van de kikker in de put.

[Aangepast van The Gaudiya, Jaargang 5, Nr. 2 & 3 door het Rays of The Harmonist team]

Deel Twee

Ik ben een wezen, dat wordt gedomineerd door de kennis van de vijf wereldse categorieën. Ik zit gevngen in de functies van nietigheid door af te zien van de gedachten van de Ene Grote. En omdat ik de voorkeur gaf aan de functies van mijn nietigheid, is het egoïstische gevoel in mij verschenen, dat ik de meester van mezelf en van alle wezens ben. Het is noodzakelijk geworden dat ik dit verlangen naar overheersing kwijtraak. Als men zich laat overheersen door een dergelijke zinloze ambitie en probeert zijn 'eenheid' met de Goddelijkheid te realiseren, blokkeert een dergelijk egoïstische ijdelheid op effectieve wijze alle ware welzijn.


Wanneer we in de staat van kwaad worden gegooid door de hallucinatie te koesteren, dat we gelijken van de Godheid zijn, verschijnen tegelijkertijd, (1) een conditie, die wordt ervaren als men verdriet heeft, (2) de staat van waanzin wegens 'vergetelheid' van onze ware natuur en (3) angst. Met andere woorden, we klagen omdat we onszelf identiek beschouwen met onze grove en subtiele lichamen en worden betoverd door de beperkende energie (maya) van de Godheid. Het kwaad doet zijn intrede, wanneer ik op valse gronden ga denken, dat Godheid, Zijn toegewijde (Vaisnava), de spiritueel gids en ikzelf op gelijk voet staan en dat ik aan hen superieur ben.

Van de miserabele gedachte, dat ik de gelijke van de spirituele gids en de Vaisnava's ben, of dat zijn minder zijn dan ikzelf, neemt de vreselijke overtreding van afkeer van zijn superieuren in kracht toe. Dit is de ware afkeurenswaardige arrogantie. De tekst van de Bhagavatam, "Iemand die, terwijl hij Govinda vereert, principieel afziet van het vereren van Zijn toegewijden, wordt 'arrogant' genoemd," spreekt van deze arrogantie, die zich manifesteert in iemand, die de verering van de toegewijden van God veronachtzaamt. Zodra de overtuiging zich in ons hart aandient, dat alle wezens in relatie tot God objecten van mijn verering zijn, zo goed als God Zelf, zijn we bevrijd van de ketenen van verdriet, begoocheling en angst. De enige methode om dit desideratum te realiseren is dienst aan de Godheid.

Juist dit principe werd door Sri Vyasadeva gezonden in Srimad-Bhagavatam, "Door met overgave te luisteren naar het verhaal van de Bhagavatam wordt de aanleg voor de dienst van de Allerhoogste Goddelijke Persoon, Sri Krsna, opgewekt. Deze dienstbare bereidwilligheid lost alle verdriet, begoocheling en angst op." Het komt alleen omdat we de service aan de lotusvoeten van Krsna zijn kwijtgeraakt, dat we onderhevig zijn aan verdriet, begoocheling en angst.

In het vers, "The 'kenner' schreef deze thesaurus van de principes van devotie, waarvan de mensheid zo weinig afweet", wordt Sri Vyasadeva aangemerkt als de 'kenner'. Met andere woorden, de rest behalve Vyasa is onwetend verklaard. Ik ben onwetend. Waarom heb ik mezelf overgegeven aan de verleiding van macht uitoefenen? Ik ben in geen geval de meester. In tegendeel, ik ben immers de slaaf van verdriet, begoocheling en angst.

Ik ben geschikt om niets meer te lezen dan de Mahabharata.

Laat deze de Scruti vereren, die de Smrti en anderen de Mahabharata vanwege de angst voor de zorgen van dit wereldse bestaan. Hier ben ik bezig Nanda te vereren, in wiens gangen de Allerhoogste Heer speelt als zijn lieve zoon. In een geest, die volkomen zuiver en geconcentreerd was door het verbindende proces van bovenzinnelikjke service, kreeg hij de visie van de volkomen Goddelijke Persoonlijkheid. En ook van het beperkende, misleidende vermogen, dat een vervloekte positie van afhankelijkheid van Hem inneemt. Een vermogen, dat de individuele ziel, die volkomen begoocheld is, zijn essentie voorspiegelt als gemaakt van de drievoudige aardse kwaliteiten [goedheid, harstocht, onwetendheid], terwijl zijn natuur waarlijk transcendentaal is. En door wie de individuele ziel wordt opgezadeld met al die onnodige en schadelijke benodigheden, die de producten zijn van de materiële energie. Hij had ook een visie van de aard van de rechtstreekse dienst aan de Transcendente, die deze onnodige moeilijkheden automatisch beëindigen.

Hier is de fout. Ik had nooit gedacht, dat Nanda Maharaja de lotusvoeten is van mijn sri guru, omdat ik zo druk ben met het beramen van de destructie van Krsna. Als het hiervoor niet was, waarom bevind ik me dan in mijn huidige ellende?

De hele periode, waarin we blijven doorgaan om anti-toegewijden te zijn, worden we overrompeld door een flink aantal calamiteiten. De enige manier om van dat kwaad te worden verlicht is bhakti, of het dienen van de Godheid door de natuurlijke neiging van de ziel. Dit was hetgeen, dat de 'wijze' Vyasadeva in staat werd gebracht te weten.

Deel Drie

[Dit is het derde en laatste deel in de reeks. De aangemerkte secties werden aangetroffen in een eerdere versie dan die welke we voorheen hebben gepubliceerd. De vergelijking is fascinerend in zijn eigen recht en misschien suggereert het dat vroeger sommige discipelen het niet over hun hart konden krijgen om bepaalde passages uit bescheidenheid en diepe adoratie voor Sri Gurudeva te publieren.]

We zullen in staat zijn ons blijvend goed te realiseren, indien we ons geheel onder leiding stellen van Sri Vyasadeva. Merk vooral een vers op uit een van de Upanishaden, dat zegt een visie te hebben van de Gouden Heer, "yada pasyah pasyate rukma-varnam – De Allerhoogste Peroonlijkheid Gods, Sri Krsna, verschijnt in een gedaante met de kleur van gesmolten goud" (Mundaka Upanisad 3.1.3). Ons blijvend goed is de weerslag van het leren zien van die ongelimiteerde Entitiet door middel van transcendentale service te verlenen, die ons aan Hem verbindt; door onze gedachten met Hem te laten bezighouden en door te proberen kennis over Hem te krijgen krachtens de leringen van Sri Vyasa.


Door het luisteren naar gesprekken over het transcendental wezen strekt zich de faculteit van het horen uit en krijgt nieuwe vermogens. Het bovenzinnelijke woord, dat werd gezonden door Devasi Narada, zocht Zijn weg naar de holte in het oor van Sri Vyasadeva. Daardoor werd hij in staat gesteld een visie van de Absolute Persoonlijheid te hebben. Onder invloed van de dominerende neiging, die in deze wereld heerst, lopen we de culten na van heldenverering en apotheose aan de de kant, of we worden antropomorfisten, zoömorfisten en dergelijke.* [voetnoot] Door te zijn geïnfecteerd met deze respectievelijke denkvormen, zal de Godheid Zich zeker aan ons openbaren op de manier, die wij kiezen om Hem te verfraaien.

[Aangepast van The Gaudiya Volume 5, Number 2 & 3 en Volume 47 door het Rays of The Harmonist team]

"Sri Vuasadeva – Part One of Three"
door Srila Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakura Prabhupada
Avidyaharan Natya-mandira, Sridhama Mayapura,
15 februari 1933
Gepubliceerd: 17 januari 2017
Rays of The Harmonist (Year 9, Issue 12)

http://www.purebhakti.com/resources/harmonist-monthly/
96-year-9/1590-jan2017.html

Nederlandse vertaling: 2017 Indira dasi
Publicatie: www.jayaradhe.nl


__________________________________________


 

* [Voetnoot] – Apotheose is het verklaren van een sterfelijk mens als God of een god, en omgekeerd, antropomorfose duidt in deze context op de tendens om God aan te zien als een sterfelijk wezen (of dier, zoals met zoömorfisme).

Als we het voordeel van het mens zijn misbruiken, als we erviir kiezen om onszelf op gelijke voet te zien met Sri Krsna, vallen we in de valstrik van begoocheling en worden aangewezen op verderf. De consequentie van het bedriegelijke veronderstellen van zichzelf als een meester in zijn eigen recht werd door Sri Vyasadeva geanalyseerd in de verzen "ye 'nye 'ravindaksa – degenen, die het platform van bevrijding op egoïstische manier benaderen, beweren te zijn bevrijd, maar ze vallen opnieuw door de lotusvoeten van de Heer te veronachtzamen" (Srimad-Bhagavatam 10.2.32), "jnane prayasam – men dient de poging om God te kennen via het empirische proces op te geven" (Srimad-Bhagavatam 10.14.3), en "sreyah-srtim bhaktim – de poging om kennis te cultiveren, waarin geen bhakti aanwezig is, is even zinloos als het dorsen van kaf" (Srimad-Bhagavatam 10.14.4). We hebben zeker voordeel bij het aandachtig luisteren naar deze gesprekken van hem.

"Zonder uitstel komt de Godheid het hart binnen van iemand, die constant en vol vertrouwen de vertellingen van Zijn bovenzinnelijke activiteiten bezingt en hoort." Ons ware goed is verzekerd, als we het grote fortuin hebben om het woord van God te horen aan de lotusvoeten van sri guru. De goddelijke meester chant onafgebroken het woord van Godheid. Hij heeft geen andere taak.

Het is een plicht dat we luisteren naar het woord en het woord aanvaarden, dt door sri guru wordt gechant en toch, zefs nadat we in staat werden gestled om het woord te ontvangen, dat van de lotuslippen van sri guru komt, kunnen we Hem not niet zien, want Hij heeft de neiging te worden overschaduwd, als Hij niet naar anderen wordt gezongen. Als we onszelf druk maken voor de onnodige jacht door af te zien van het chanten van het woord, dat we ontvingen van sri gurudeva, verliezen we onze verbinding met het eeuwige wezen en maken we onszelf geschikt om verdriet te verwelkomen.

tat te 'nukampam su-samiksamano
bhunjana evatma-krtam vipakam
hrd-vag vapurbhir vidadhan namas te
jiveta yo mukti-pade sa daya-bhak

                                              Srimad-Bhagavatam (10.14.8)

Iemand is gerechtigd tot de schat van het dienen van de lotusvoeten van de Godheid, die ons bevrijdt uit onze wereldse gebondenheid, indien hij met zijn hart leeft, zijn spraak en lichaam aan Hem heeft overgegeven en als hij, door zijn goede visie, waarlijk ziet de Genade van Godheid in het lijden dat hij ontmoet, dat door zijn eigen toedoen werd veroorzaakt.

Deze sloka wordt aangetroffen in de Bhagavatam. Mogen jullie allemaal verheugd zijn om naar de samadhi van de lotusvoeten van mijn sri guru te komen op de oever van Sri Radha-kunda, waar we kunnen luisteren naar de betekenis van deze sloka.

[De spreker/auteur werd gevolgd door het publiek en ging naar de samadhi. Nadat hij er drie keer omheen was gelopen en zijn pranama had aangeboden, ging hij door met de lezing alsvolgt.]

Er is geen andere manier om van deze wereld te worden bevrijd. Wat God ook doet, is altijd voor onze bestwil. We kunnen worden teruggehaald, indien we Zijn genade zien in iedere gebeurtenis en in iedere activiteit. Maar als we een defect in Zijn werk opmerken, of we realiseren er wreedheid in, zal dat zeker resulteren in kwaad en moeilijkheden.

Al mijn problemen komen voort uit het feit, dat ik druk ben met activiteiten anders dan het dienen van Sri Krsna. Als mijn smaak voor het dienen van Sri Krsna werkelijk toeneemt van dag tot dag, word ik zowaar gezegend. Hij die ons betrekt in activiteiten van deze aard is zeker sri gurudeva. De lijn van echte gurus bestaat alleen uit personen, die Sri Vyasadeva trouw volgen.

Mogen jullie allemaal, die de orde van mijn gurus vormen, om deze reden je genade aan me schenken, opdat ik onwrikbare toewijding kan hebben aan de lotusvoeten van mijn sri gurudeva.

Vandaag is de dag van de verering van de lotusvoeten van mijn sri gurudeva. Ik ben een uiterst abominabel persoon, maar hij heeft mij zowaar geaccepteerd. Gedurende de periode, dat hij in deze wereld manifest was, heb ik niet de kledij van de verzakende orde aangenomen; ik droeg de gebruikelijke kleding van deze wereld. Ik maak niemand mijn discipel.

Jullie zijn allemaal de orde van mijn gurus. Ik heb jullie aanvaard als mijn gurus. Door te zijn aangeraakt door de lotusvoeten van mijn srila gurudeva ben ik het hele gevoel van deze externe wereld verloren. Ik weet niet, of er een transcendentale agent gelijk aan hem in grootheid ooit eerder in deze wereld is verschenen. Hoe kunnen degenen, die druk zijn met de leuke dingen van lust en woede, die in deze wereld aanwezig zijn, Hem ooit kennen?

Jullie mogen de volmaakte betekenis van de slokas aanvaarden, "asasaktasya..." en "prapancikataya..."(Bhakti-rasamrta-sindhu 1.2.255-6). Mogen jullie ook deze woorden van de grote persoon in overweging nemen, "Empirische kennis en vruchtdragend werk zijn beiden oplichting. Ze verzoeken me en gooien me op het eind in de diepe wateren van de zee."

Mogen jullie nadenken over de verzen "jnanavalambakah kecit kecit karmavalambakah – Sommigen zijn geneigd tot speculatieve kennis en anderen zijn geneigd tot baatzucht werk (Padyavali 58). En "neha yat krma..." (Srimad-Bhagavatam 3.23.56).


__________________________________________


Terug: Parampara



Top

© 2017 Jayaradhe.nl