Home

Guru Parampara



Het leven van
Sri Caitanya Mahaprabhu

Srila Saccidananda Bhaktivinoda Thakura

Caitanya Chaitanya Mahaprabhu werd geboren in Nadia, Mayapura, vlakna zonsondergang op de avond van de 23ste Falgun, 1407 Komst van Sakabda overeenkomstig met 18 februari 1486 in de christelijke jaartelling. Er was op het moment van Zijn geboorte een maansverduistering en de mensen van Nadia namen, zoals gebruikelijk bij dergelijke gelegenheden, een bad in de Bhagirathi onder luid roepen van Haribol. Zijn vader, Jagannatha Misra, was een arme Brahmaan in de Vedische orde en Zijn moeder, Sachi Devi, was een voorbeeldige vrouw. Beiden waren afkomstig van Brahmaanse families, die oorspronkelijk in Sylhet woonden. Mahaprabhu was een prachtig Kind en de dames van de stad kwamen Hem met presentjes bezoeken. Zijn moeders vader, Pandit Nilambar Chakravarti, een vermaard astroloog, had voorspeld, dat het Kind een grote Persoonlijkheid zou worden, en daarom gaf hij Hem de naam Visvambhar. De dames in de buurt kenschetsten Hem als Gaur Hari vanwege Zijn gouden gelaatskleur, en Zijn moeder noemde Hem Nimai naar de Neem-boom, waar Hij vlakbij was geboren. Zo mooi als Hij was wilde iedereen Hem van harte iedere dag zien. Toen Hij opgroeide, werd Hij een wispelturige en vrolijke Jongen. Na Zijn vijfde jaar werd Hij toegelaten tot een Pathsala, waar Hij in korte tijd Bengaals leerde.


Vroege anecdotes

De meeste biografen uit Zijn tijd hebben bepaalde anecdotes met betrekking tot Sri Chaitanya aangehaald, die eenvoudig Zijn vroege wonderen beschrijven. Er wordt gezegd, dat Hij als kind in de armen van Zijn moeder onafgebroken zat te huilen en dat Hij ermee stopte, wanneer de dames uit de buurt en Zijn moeder Haribol zongen. Dus er heerste in huis een onafgebroken gemompel van Haribol, hetgeen een reflectie van de toekomstige missie van de Held vooruit wierp. Er wordt ook verteld, dat Hij liever klei at in plaats van voedsel, toen Zijn moeder Hem eens een burfi wilde geven. Toen Zijn moeder naar de reden vroeg, stelde Hij vast, dat als iedere burfi niets anders was dan klei, Hij evengoed klei kon eten.

Zijn moeder, de echtgenote van een Pandit, legde uit, dat ieder artikel in een bijzondere staat was aangepast aan een speciaal gebruik. Aarde, in de staat van pot, kan worden gebruikt als een waterkruik, maar in de staat van baksteen was een dergelijk gebruik niet mogelijk. Daarom was klei in de staat van burfi geschikt als voedsel, maar klei in zijn andere staten niet. De Knul was overtuigd en gaf Zijn domheid van het eten van klei toe en beloofde deze fout in de toekomst te vermijden.

Hiermee staat nog een andere wonderlijke daad in verband. Er wordt verteld, dat een Brahmaan op pelgrimstocht was en gast werd in Zijn huis, zijn voedsel kookte en zijn gratie las met meditatie op Krishna. Intussen kwam de Jongen eraan en at de gekookte rijst op. De Brahmaan was stom verbaasd over het gedrag van die Jongen en kookte op verzoek van Jagannath Misra opnieuw rijst. De Jongen at de gekookte rijst weer op, terwijl de Brahmaan de rijst met meditatie aan Krishna offerde. De Brahmaan werd overgehaald om voor de derde keer te koken. Tegen die tijd waren alle bewoners in huis in slaap gevallen en toonde de Jongen Zich aan de reiziger als Krishna en zegende hem. De Brahmaan verloor zichzelf in extase bij de verschijning van het Object van zijn verering. Er wordt ook gezegd, dat twee dieven de Jongen uit de deur van Zijn vader ontvoerden met het oogpunt Zijn juwelen te roven en Hem onderweg burfis te geven. De Jongen oefende Zijn illusiore energie uit en leidde de dieven terug naar Zijn Eigen huis. Uit angst voor ontdekking lieten de dieven de Jongen achter en gingen er vandoor.

Een andere wonderlijke daad is beschreven, waarbij de Jongen alle offergaven van Hiranya en Jagadisha kreeg, die door Hiranya en Jagadisha waren verzameld voor de verering van Krishna op Ekadasi. Toen Hij nog maar vier jaar was, zat Hij op een berg afgedankte keukenpotten, die door Zijn moeder onheilig waren verklaard. Hij legde Zijn moeder uit, dat er geen sprake was van heiligheid en onheiligheid van aarden potten, die waren weggegooid, nadat erin was gekookt. Deze anecdotes refereren naar de prille leeftijd tot vijf jaar.

Scholastische carrière

Op Zijn achtste jaar werd Hij toegelaten in de Tol van Gangadas Pandit in Ganganagar, vlakbij het dorp Mayapur. In twee jaar tijd raakte Hij goed belezen in de Sanskriete grammatica en de Retoriek (sprekerskunst). Daarna kregen Zijn lezingen het karakter van zelfstudie in Zijn Eigen huis, waar Hij alle belangrijke boeken van Zijn vader had gevonden, die zelf een Pandit was. Het ziet ernaar uit, dat Hij de Smriti Zelf heeft gelezen, en de Nyaya ook in competitie met Zijn vrienden, die toen onder de gevierde Pandit, Raghunath Siromani, studeerden.

Na Zijn tiende studeerde Chaitanya af in Grammatica, Retoriek, de Smrti en Nyaya (logica). Hierna verliet Zijn oudere broer, Vishvarup, het huis om de asram (status) van sannyasi (asceet) te aanvaarden. Caitanya, die nog een hele jonge jongen was, troostte Zijn ouders door te zeggen, dat Hij hen zou dienen met het oogpunt om God te dienen. Vlak daarna verliet Zijn vader deze wereld. Zijn moeder had ontzettend veel verdriet en Mahaprabhu – met Zijn gebruikelijke vergenoegde verschijning – troostte Zijn moeder, die weduwe was geworden.

Op de leeftijd van veertien of vijftien werd Mahaprabhu met Laksmi Devi gehuwd, de dochter van Ballabha Acharya, ook uit Nadia. Op die leeftijd werd Hij beschouwd als een van de beste geleerden in Nadia, de vermaarde zetel van Nyaya filosofie en Sanskriet onderwijs. Om niet te spreken van de smarta pandits, alle naiyaiks waren bang om Hem in literaire discussies te confronteren. Als getrouwede man ging Hij naar Oost-Bengalen naar de oevers van de Padma om geld te verdienen. Hij toonde Zijn kennis en ontving een flinke som geld. In die tijd predikte Hij Vaishnavisme met tussenpozen. Nadat Hij hem de principes van het Vaishnavisme had bijgebracht, gaf Hij Tapan Misra de opdracht om in Benares [Varanasi] te gaan wonen. Tijdens Zijn verblijf in Oost-Bengalen verliet Zijn vrouw, Laksmi Devi, deze wereld als gevolg van een slangenbeet. Bij Zijn thuiskomst trof Hij Zijn moeder aan in diepe treurnis. Hij troostte haar met een uiteenzetting over de onzekerheid van menselijke aangelegenheden. Op verzoek van Zijn moeder trouwde Hij met Vishnupriya, de dochter van Rakj pandit Sanatan Misra. Zijn kameraden voegden zich bij Hem, toen Hij terugkeerde van pravas, of reizen. Hij was nu zo bekend, dat Hij als beste pandit van Nadia werd beschouwd. Keshab Misra van Kashmere, die zichzelf de Grote Digvijayi noemde, kwam naar Nadia met het doel om met de pandits van die plaats in discussie te gaan. Uit vrees voor de wedijverende pandit verlieten de tol professoren van Nadia hun stad onder het voorwendsel van een uitnodiging. Keshab ontmoette Mahaprabhu bij de Barokonaghat in Mayapura en na een heel kort gesprek met Hem werd hij verslagen door de Jongen en versterving noodzaakte hem te ontbinden. Nimai pandit was nu de belangrijkste Pandit van Zijn tijd.

Op de leeftijd van zestien of zeventien reisde Hij met een stoet studenten naar Gaya en daar nam Hij Zijn spirituele initiatie van Iswar Puri, een Vaishnava sannyasi en discipel van de befaamde Madhavendra Puri. Toen Hij naar Nadia was teruggekeerd, bleek Nimai Pandit een religieus prediker te zijn en Zijn religieuze natuur werd zo sterk vertegenwoordigd, dat Advaita Prabhu, Sribas en de anderen, die vóór de geboorte van Chaitanya het Vaishnavisme al hadden geaccepteerd, verbaasd stonden van de transformatie van de jongeman. Hij was toen niet langer een argumenterende naiyaika, een worstelende smarta en een bekritiserende retoricus. Hij viel in katzwijm bij de naam Krishna en gedroeg zich onder invloed van Zijn religieuze sentiment als een geïnspireerd man. Murari Gupta, een ooggetuige, heeft geschreven, dat Hij Zijn hemelse vermogens toonde in het huis van Srivas Pandit in aanwezigheid van honderden volgelingen, die voor het merendeel bestonden uit goed belezen geleerden. In die periode opende Hij een avondschool voor Kirtan met Zijn oprechte volgelingen op het terrein van Srivas Pandit. Daar predikte Hij, daar zong Hij, daar danste Hij en daar bracht Hij allerlei religieuze gevoelen tot uitdrukking. Nityananda Prabhu, die toen prediker van Vaishnavisme was en zijn reizen door India had beëindigd, sloot zich in die tijd aan bij Mahaprabhu. Er kwam in feite een stoet Pandit predikers van Vaishnavisme, die een oprecht hart hadden, naar Hem toe om zich vanuit verschillende delen van Bengalen aan te sluiten. Nu werd Nadia de zetel van een groep Vaishnava Acharyas, wier missie het was om de mensheid te spiritualiseren met de hoogste invloed van de Vaishnava overtuiging.

Predikwerk en Sankirtan

Het eerste mandaat, dat Hij uitvaardigde aan Prabhu Nityananda en Haridas was dit, "Ga vrienden, ga prediken en ga door de straten van de stad, ontmoet iedere man aan zijn deur en vraag hem de Naam van Hari te zingen met een heilig leven en dan komen jullie aan Mij alle resultaten van je predikwerk vertellen." Aldus opgedragen gingen de twee predikers op pad en kwamen Jagai en Madhai tegen, de twee meest abominabele karakters. Ze beledigden de predikers bij het horen van Mahaprabhu's mandaat, maar ze waren snel bekeerd onder invloed van Bhakti ingeprent door hun Heer. De mensen van Nadia waren nu verbaasd. Ze zeiden, "Nimai Pandit is niet alleen een gigantisch genie, maar Hij is zeker een Zendeling van God Almachtig." Vanaf deze tijd tot zijn 23ste predikte Mahaprabhu Zijn principes niet alleen in Nadia, maar in alle belangrijke steden en dorpen rond Zijn stad. In huis bij Zijn volgelingen vertoonde Hij wonderen, onderwees de esoterische principes van Bhakti en zong Zijn Sankirtan met andere Bhaktas. Zijn volgelingen uit Nadia begonnen de Heilige Naam van Hari op straat en in bazars te zingen. Dit veroorzaakte een sensatie en gaf in verschillende wijken aanleiding tot verschillende gevoelens. De Bhaktas waren zeer tevreden.

De Smarta Brahmanen werden jaloers op het succes van Nimai Pandit en gingen bij Chand Kazi [moslim bestuurder] klagen over het onhindoeïstische karakter van Caitanya. De Kazi kwam naar het huis van Srivas Pandit en brak een Mrdanga [dhol] en verklaarde, dat hij genoodzaakt zou zijn om Nimai Pandit en Zijn volgelingen te dwingen om Moslim te worden, tenzij Nimai zou ophouden met herrie maken over Zijn eigenaardige religie. Dit kwam ter attentie van Mahaprabhu. Hij zei de stadsbevolking 's avonds te verschijnen met ieder een toorts in de hand. Dat deden ze en Nimai marcheerde uit met Zijn Sankirtan verdeeld in veertien groepen. Bij aankomst in het huis van de Kazi hield Hij een lange conversatie met hem en bracht op het eind Zijn Vaishnava invloed op hem over door zijn lichaam aan te raken. De Kazi begon te huilen en gaf toe, dat hij een duidelijke spirituele invloed had gevoeld, die zijn twijfels had weggenomen en een religieus gevoel in hem had geproduceerd, dat hem de hoogste extase gaf. Toen sloot de Kazi zich aan bij de Sankirtan partij. De wereld stond versteld van het spirituele vermogen van de Grote Heer en na deze affaire bekeerden honderden en honderden heidenen zich en sloten zich aan onder het banier van Visvambhara.

Sannyasa

Na deze gebeurtenis veroorzaakte een paar jaloerse Brahmanen van Kulia een ruzie met Mahaprabhu en creëerde een partij om zich tegen Hem te verzetten. Nimai Pandit had een zacht hart, maar was ook sterk in Zijn principes. Hij verklaarde, dat partijgevoel en sectarisme de twee grote vijanden zijn van vooruitgang. Maar zolang Hij een inwoner van Nadia bleef, die tot een bepaalde familie behoorde, kon Zijn missie geen volkomen succes worden. Toen besloot Hij een wereldburger te worden door al Zijn verbindingen met een bepaalde familie, kaste en traditie te verbreken. Met dit besluit omarmde Hij de positie van een Sannyasi in Katoa onder leiding van Keshav Bharati uit die stad, op 24 jarige leeftijd. Zijn moeder en Zijn vrouw huilden bitter om Zijn afscheid, maar onze Held had niet alleen een zacht gemoed, maar hield Zich ook aan Zijn principes. Hij verliet Zijn kleine wereld in Zijn huis voor de onbeperkte spirituele wereld van Krishna.

Na Zijn Sannyas werd Hij geleid om het huis van Sri Advaita Prabhu in Santipur te bezoeken. Sri Advaita zorgde, dat al zijn vrienden en bewonderaars uit Nadia er waren en haalde Sachi Devi erbij om Haar Zoon te zien. Zowel vreugde als pijn stormden haar hart binnen, toen ze haar Zoon in de kleding van Sannyasa zag. Als Sannyasi, droeg Sri Krishna Chaitanya niets anders dan een kaupin en een bahirvas (overdoek). Zijn hoofd was zonder haar en in Zijn handen droeg Hij een danda (stok) en een kamadalu (de waterkan van de kluizenaar). De Heilige Zoon viel aan de voeten van Zijn geliefde moeder en zei, "Moeder! Dit lichaam is van jou en Ik moet jouw commando's volgen. Sta Me toe om voor Mijn spirituele vooruitgang naar Vrndavana te gaan." De Moeder overlegde met Sri Advaita en anderen en vroeg haar Zoon om in Puri (stad van Sri Jagannatha) te gaan wonen, zodat ze af en toe informatie over Hem kon ontvangen.

Mahaprabhu stemde in met het voorstel en na een paar dagen liet Hij Santipur achter voor Orissa. Sri Krishna Chaitanya was de naam, die Hij kreeg na Zijn Sannyas. Zijn biografen hebben de reis van Santipur naar Puri in groot detail beschreven.

Hij trok langs de Bhagirathi tot Chatrabhog, dat nu in Thana Mathurapur Diamond Harbour, 24 Parganas ligt. Daar nam Hij de boot en ging naar Prayag Ghat in het District Midnapore. Van daaruit liep hij door Balasore en Cuttack naar Puri en zag onderweg de tempel van Bhubanesvar. Bij Zijn aankomst in Puri zag Hij Sri Jagannatha in de tempel en trok op met Sarvabhauma, op verzoek van de laatste.

Sarvabhauma en Vedanta

Sarvabhauma was een gigantische Pandit van zijn tijd. Zijn lezingen kenden geen grenzen. Hij was de beste Naiyaik van die tijd en stond bekend als de meerst erudiete geleerde van Vedanta filosofie uit de school van Sankaracharya. Hij was in Nadia geboren (Vidyanagar) en onderwees ontelbaar veel leerlingen in de Nyaya filosofie in zijn Tol daar. Hij had Nadia verlaten en was ergens vóór de geboorte van Nimai Pandit naar Puri gegaan. Zijn zwager, Gopinath Misra, stelde onze nieuwe Sannyasi voor aan Sarvabhauma. Sarvabhauma was verbijsterd over Zijn persoonlijke schoonheid en vreesde, dat het moeilijk voor de jonge Man zou zijn om Sannyas-dharma tijdens het lange termijn van Zijn leven te blijven vasthouden. Gopinath, die Mahaprabhu uit Nadia kende, had groot respect voor Hem en vertelde tegen iedereen, dat de Sannyasi geen gewoon mens was. Over dit punt hadden Gopinath en Sarvabhauma een hete discussie. Sarvabhauma verzocht toen Mahaprabhu zijn recitatie van de Vedanta Sutras te horen, waaraan de laatste Zich op strategische wijze had onderworpen. Sri Chaitanya hoorde in stilte aan, wat de grote Sarvabhauma zeven dagen lang op ernstige toon uitsprak, waarna de laatste zei, "Krishna Chaitanya! Ik geloof, dat je de Vedanta niet begrijpt, want je zegt helemaal niets na mijn recitaties en uiteenzettingen." Het antwoord van Sri Chaitanya was, dat Hij de Sutras heel goed begreep, maar dat Hem niet duidelijk was, wat Sankaracharya met zijn commentaren bedoelde. Sarvabhauma was verbaasd en zei, "Hoe kun je de betekenis van de Sutras begrijpen en niet de commentaren, die de Sutras verklaren? Maar goed! Als jij de Sutras begrijpt, vertel me dan jouw interpretaties."

Daarop verklaarde Mahaprabhu alle Sutras op Zijn Eigen manier zonder het pantheïstische commentaar van Sankara aan te raken. Het heldere begrip van Sarvabhauma zag de waarheid, de schoonheid en de harmonie van de argumenten in de uitleg door Sri Chaitanya en dwong hem te zeggen, dat het de eerste keer was, dat hij er Eén vond, Die de Brahma-Sutras op een dergelijke simpele manier had kunnen uitleggen. Hij gaf ook toe, dat de commentaren van Sankara lang niet zulke natuurlijke verklaringen van de Vedanta-sutras gaven als hij van Mahaprabhu had gekregen. Daarna gaf hij zich over als een pleitbezorger en volgeling. Na enkele dagen bleek Sarvabhauma een van de beste Vaishnava's van zijn tijd te zijn. Het nieuws werd verspreid en heel Orissa zong de lofzang op Krishna Chaitanya en honderden kwamen naar Hem toe en werden Zijn volgelingen.

In die tussentijd dacht Mahaprabhu erover om Zuid-India te bezoeken en Hij begon met één Krishnadas Brahmaan voor de reis.

Reis door Zuid-India

Zijn biografen hebben ons een detail van de reis gegeven. Hij ging eerst naar Kurmakshetra, waar Hij een wonder uitvoerde door een lepralijder genaamd Vasudeva te genezen. Hij ontmoette Ramananda Raya, de Gouverneur van Vidyanagar, op de oevers van de Godavari en had met hem een filosofische conversatie over het onderwerp Prem-bhakti. Hij verrichtte nog een wonder door de zeven Tal-bomen aan te raken (waardoor ze onmiddellijk verdwenen), waar Ram Chandra, de Zoon van Dasarath, Zijn pijlen doorheen had geschoten en de grote Bali Raj had gedood.

Op Zijn hele trip predikte Hij Vaishnavisme en Nama Sankirtan. In Rangakshetra bleef Hij vier maanden logeren in het huis van ene Venkata Bhatta om het regenseizoen door te brengen. Daar bekeerde Hij de hele familie van Venkata van Ramanuja Vaishnavisme in Krishna-bhakti, alsmede de zoon van Venkata, een jongen van tien jaar genaamd Gopal, die later naar Vrndavana kwam en één van de Zes Gosvamis of Profeten werd, die dienden onder hun Leider Sri Krishna Chaitanya. Gopal was opgeleid in Sanskriet door zijn oom, Prabodhananda Sarasvati, en scheef verscheidene boeken over Vaishnavisme.

Sri Chaitanya bezocht talloze plaatsen in Zuid-India helemaal tot Cape Comorin en keerde na twee jaar terug naar Puri via Pandarpur op de Bhima. In de laatste plaats spiritualiseerde Hij ene Tukaram, die vanaf die tijd zelf een religieus prediker werd. Dit feit is bevestigd in zijn Abhangas, die zijn verzameld in een uitgave door Mr. Satyendranatha Tagore van de Bombay Civil Service.

Tijdens Zijn reis had Hij op diverse plaatsen gesprekken met Boeddhisten, Jains en Mayavadis en bekeerde Zijn tegenstanders in Vaishnavas.

Dabir Khas en Sakar Mallik herwonnen

Bij Zijn terugkeer naar Puri sloten Raja Prataparudra Dev en verscheidene Pandit Brahmanen zich aan onder het banier van Chaitanya Mahaprabhu. Hij was nu zevenentwintig jaar oud. Op zijn 28ste ging Hij naar Bengalen en helemaal naar Gaud in Maldah.

Daar pikte Hij twee nog grotere persoonlijkheden op, genaamd Rupa en Sanatan. Ofschoon ze uit de lijnen van Karnatik Brahmanen stamden, bleken deze twee broers half-moslims te zijn door hun constante interactie met Hussain Shah, de Keizer van Gaud in die tijd. Hun namen waren door de Keizer gewijzigd in Dabir Khas en Sakar Mallik en hun meester hield van harte van hen, aangezien beiden Persisch, Arabisch en Sanskriet beheersten en trouwe dienaren van de staat waren. De twee heren zagen geen kans om terug te keren naar hun status van gewone Hindu en hadden Mahaprabhu schriftelijk om spirituele hulp gevraagd. Mahaprabhu had teruggeschreven, dat Hij zou komen om hen uit hun spirituele misère te halen. Nu Hij naar Gaud was gekomen, verschenen beide broers met hun lange gebed voor Hem. Mahaprabhu gaf hen opdracht naar Vrndavana te gaan en Hem daar te ontmoeten.

Instructies aan Rupa en Sanatana

Chaitanya keerde naar Puri terug via Santipur, waar Hij Zijn lieve moeder weer terugzag. Na een kort verblijf in Puri ging Hij naar Vrndavan. Deze keer werd Hij vergezeld door ene Balabhadra Bhattacharya. Hij ging naar Vrndavana via Prayag (Allahabad), waar Hij een groot aantal moslims bekeerde – niet via de geschriften van het Vaishnavisme maar met argumenten uit de Qur'an. De nakomelingen van die bekeerlingen heten tot vandaag de dag Pathan Vaishnavas. Rupa Gosvami ontmoette Hem in Allahabad. Sri Chaitanya leidde hem in tien dagen tijd spiritueel op en zei hem op missie in Vrndavana te gaan. Zijn eerste missie was het schrijven van theologische werken, die zuivere Bhakti en Prem op een wetenschappelijke wijze uitleggen. De tweede missie was nieuw leven in te blazen in de plaatsen, waar Krishna Chandra Zijn spirituele Lila had uitgevoerd ten behoeve van de religieuze wereld op het eind van Dvapara yuga. Rupa Gosvami verliet Allahabad en ging naar Vrndavana en Mahaprabhu kwam terug naar Benares. Daar trok Hij in het huis van Chandrasekhar en aanvaardde Zijn dagelijks bhiksha (maaltijd) in het huis van Tapan Misra. Hier sloot Sanatana Gosvami zich bij Hem aan en nam gedurende twee maanden instructies aan over spirituele zaken.

De biografen, vooral Krsnadas Kaviraja, hebben ons details gegeven van de lessen van Sri Caitanya aan Rupa en Sanatan. Krishnadas was geen tijdgenoot, maar hij verzamelde zijn informatie van de Gosvamis zelf, de rechtstreekse discipelen van Mahaprabhu. Jiva Gosvami, een neef van Sanatan en Rupa, die ons zijn waardevolle werk heeft nagelaten, de Sat-sandarbha, heeft gefilosofeerd op basis van de leringen van deze grote Leider. We hebben de leringen van Sri Chaitanya uit de boeken van die grote schrijvers samengevat.

Prakashananda Sarasvati

Toen Sri Chaitanya in Benares was, had een conversatie plaats met de geleerde Sannyasis van die stad in het huis van een Maharatta Brahmaan, die alle sannyasis voor het amusement had uitgenodigd. Tijdens dit interview toonde Chaitanya een wonder, dat alle sannyasis naar Hem toetrok. Daarna ontwikkelde zich een wederzijdse conversatie. De Sannyasis werden aangevoerd door hun meest geleerde leider, Prakasananda Sarasvati. Na een korte controverse gaven ze zich over aan Mahaprabhu en gaven toe, dat ze door de commentaren van Sankaracharya waren misleid. Het was voor een lange tijd zelfs voor geleerden onmogelijk om Sri Chaitanya Mahaprabhu te weerstaan, want Hij beschikte over een of andere betovering, die hun hart raakte en hen ten behoeve van hun spirituele vooruitgang liet huilen. De Sannyasis van Benares vielen aan de voeten van Sri Chaitanya en vroegen Zijn genade (kripa).

Sri Chaitanya predikte toen zuivere Bhakti en gaf zuivere spirituele liefde voor Krsihna in hun hart, die hen noodzaakte om sectarische gevoelens op te geven. Na deze wonderbaarlijke conversatie met de Sannyasis bleek heel Benares Vaishnava te zijn geworden en ze voerden een meester Sankirtan met hun nieuwe Godheid uit. Nadat Hij Sanatan naar Vrndavana had gestuurd, ging Hij weer met Zijn kamaraad Balabhadra door de jungles terug naar Puri. Balabhadra rapporteerde, dat Mahaprabhu op weg naar Puri een aantal wonderen had verricht, zoals het laten dansen van tijgers en olifanten bij het horen van de Naam van Krishna.

Gezelschap in Puri

Vanaf die tijd, dat wil zeggen, vanaf Zijn 31ste jaar, woonde Mahaprabhu constant in Puri in het huis van Kasi Misra, tot Zijn verdwijning op Zijn 48ste jaar tijdens de Sankirtan in de tempel van Tota Gopinatha. Tijdens deze 18 jaar bestond Zijn leven uit gevestigde liefde en vroomheid. Hij werd omringd door talloze volgelingen, die allemaal tot de hoogste rangen van Vaishnavas behoren en zich van het gewone volk onderscheidden door hun zuivere karakter en kennis, sterke religieuze principes en spirituele liefde voor Radha-Krishna.

Toen Mahaprabhu in Nadia was, sloot Svarup Damodar, die bekend stond onder de naam Purushottam Acharya, zich vanuit Benares bij Hem aan en aanvaardde Zijn service als secretaris. Er kon geen product van een dichter of filosoof aan Mahaprabhu worden voorgelegd, of Svarup had het beoordeeld als zuiver en bruikbaar. Raya Ramananda was zijn tweede maat.

Hij en Svarup zongen, terwijl Mahaprabhu Zijn gevoelens over een bepaald punt van verering tot uitdrukking bracht. Parmananda Puri was Zijn minister voor religieuze aangelegenheden. Er zijn door Zijn biografen honderden anecdotes beschreven, die we hier niet zullen reproduceren. Mahaprabhu sliep kort. Zijn gevoelens voerden Hem ver weg aan het spirituele firmament, iedere dag en iedere nacht, en al Zijn bewonderaars en volgelingen waren Hem voortdurend aan het gadeslaan. Hij deed Zijn erediensten, communiceerde met Zijn missionarissen in Vrndavan en had gesprekken met religieuze mannen, die Hem voor het eerst kwamen bezoeken. Hij zong en danste, hield geen rekening met Zichzelf en verloor Zich dikwijls in religieuze extase. Iedereen, die naar Hem toekwam, geloofde in Hem als de Volmaakt Mooie God, die in de lage wereld verschijnt voor het welzijn van de mensheid. Hij heeft al die tijd van Zijn moeder gehouden en stuurde haar af en toe mahaprasad, die hij meegaf aan degenen, die naar Nadia gingen. Hij was van nature buitengewoon beminnelijk. Bescheidenheid was in Hem verpersoonlijkt geworden. Zijn lieftallige verschijning deed iedereen glimlachen, die met Hem in contact kwamen. Hij wees Prabhu Nityananda aan als missionaris in Bengalen. Hij stuurde zes leerlingen (Gosvamis) naar Vrndavana om liefde te prediken in het achterland. Hij strafte alle discipelen, die afweken van een heilig leven. Dit deed Hij op opmerkelijke wijze in het geval van kleine Haridas. Hij bleef nooit achter in het geven van levenslessen aan degenen, die ernaar vroegen. Dit kunnen we zien in Zijn lessen aan Raghunath Das Gosvami. Zijn behandeling van Haridas (senior) laat zien, hoezeer Hij spirituele mensen liefhad en hoe Hij kastenonderscheid afwees ten gunste van spirituele broederschap.

 

"Life of Sri Chaitanya Mahaprabhu"
by His Divine Grace Srila Saccidananda Bhaktivinoda Thakura,
gestuurd naar McGill University, Toronto 1896

 

http://www.purebhakti.com/mission/bhakti-is-love-mainmenu-75/
799-life-of-sri-chaitanya-mahaprabhu.html

Nederlandse vertaling: 2017 Indira dasi
Publicatie: www.jayaradhe.nl

_______________________________________________________


Terug: Parampara



Top

© 2017 Jayaradhe.nl