Home

Guru Parampara



Nityananda Trayodasi

Sri Srimad Bhaktivedanta
Narayana Gosvami Maharaja

Nityananda Er was eens een barbier (kapper), die hier en daar uitnodigingen uitreikte. In vroeger tijden deden barbieren dit voor families. Als er een huwelijk of een festival was, gingen ze aan iedereen uitnodigingen rondbrengen en daarmee konden ze een beetje extra geld verdienen. Maar deze barbier ging nooit zonder zijn gereedschap, zoals een scheermes, scharen en een kam, op stap.


Toen hij onderweg was, kwam hij door een oerwoud, waar hij een leeuw op het pad zag liggen. De leeuw viel hem niet aan, maar tilde alleen zijn poot op en likte eraan. Eerst was de barbier bang, maar daarna dacht hij, "Het lijkt wel, of hij iets in zijn poot heeft, waardoor hij me niet aanvalt." Dus de barbier ging een beetje dichterbij en zag, dat er een lange doorn diep in zijn poot zat, waardoor de leeuw erg te lijden had. Met behulp van zijn instrumenten bewoog hij de doorn een beetje en haalde hem er voorzichtig uit. Er was wat bloed uit de wond gelopen, dus hij gebruikte ook wat jodium, verbond de poot van de leeuw in een paar medicinale bladeren en wandelde verder.

Er gingen drie of vier jaar overheen. Toen op zekere dag werd diezelfde barbier per abuis gearresteerd voor een ernstige misdaad, zoals moord. Zijn zaak werd voor de koning gebracht, die zei, "Een aantal dagen geleden hebben we in het oerwoud een leeuw gevangen. Gooi die crimineel in het hok van de leeuw. De leeuw eet hem op – klaar. Voor hem is geen andere straf denkbaar. Gooi hem voor de leeuw!"

De barbier werd in de kooi van de leeuw gegooid en meteen stond de leeuw grommend op. Maar toen hij bij de barbier in de buurt kwam, begon hij te spinnen en ging naast hem zitten. Dit was dezelfde leeuw, bij wie de barbier een doorn uit zijn poot had verwijderd. Na zoveel jaren kon de leeuw de barbier nog herkennen en daarom viel hij hem niet aan. De koning zei, "Dit wrede dier valt hem niet aan? Hoe kan dat?" Toen dacht hij, "Nu begrijp ik het. Omdat ik een fout heb gemaakt door deze man te arresteren, doodt de leeuw hem niet. Als de leeuw deze straf niet uitvoert, zou ik hem ook niet moeten straffen." De koning liet de barbier vrij, betoonde hem zijn respect en vroeg om vergeving.

Zelfs in een dier is zoveel dankbaarheid aanwezig en Kṛṣṇadaṣa Kavirāja Gosvāmī zegt, dat Nityānanda Prabhu's dankbaarheid hetzelfde is. In êên minuut verwijderde de barbier een doorn uit zijn poot en zoveel jaren lang bleef de leeuw hem dankbaar. Dat dier, dat zo wreed is, dat het ontelbaar veel andere dieren doodt en ook mensen eet, bleef zijn hele leven dankbaar en we zien dezelfde kwaliteit van dankbaarheid in het leven van Nityānanda Prabhu.

In Śrī Caitanya-caritāmṛta geeft Kṛṣṇadaṣa Kavirāja Gosvāmī een voorbeeld van de manier, waarop Nityānanda Prabhu, die Bhagavän Zelf is, iemand dankbaar is. Hij zegt, dat er bij gelegenheid gedurende dag en nacht constant een festival met kīrtana gaande was. Vaiṣṇava's, Vaiṣṇava's die zowel dichtbij als veraf woonden, waren uitgenodigd en iedereen kwam er naartoe. Onder hen was een eeuwige metgezel van Nityānanda Prabhu genaamd Mīnaketana Rämadäsa. Zijn natuur was dusdanig, dat zijn genade niet gemakkelijk kon worden herkend, maar degenen, die hem begrepen, konden het wel zien. Over het algemeen, als een geliefd persoon komt, bied je hem praṇāma aan. Maar in plaats daarvan sloeg hij iemand met de fluit, die hij altijd in zijn hand had, en die persoon ervoer dat als een grote zegen. Wanneer hij zijn voet op iemands hoofd zette, namen ze aan, dat er vanaf die dag groot geluk in hun leven zou komen. Soms gaf hij iemand een dreun en zei dan, "Waar heb jij al die tijd gezeten?" Maar degenen, die het begrepen, wisten, "Wie hij ook vandaag te pakken heeft gehad, ontvangt rechtstreeks de genade van Nityānanda Prabhu." Dus de kīrtana was gaande en wanneer Mīnaketana Rāmadāsa eraan kwam, stond iedereen op, bood zijn praṇāma aan en verwelkomde hem. Hij kon op de schouders klimmen van de ene persoon, hij kon de ander met zijn fluit slaan en weer iemand anders op zijn rug timmeren. De tranen rolden hem altijd over de wangen en hij brulde voortdurend, "Nityānanda Prabhu kī jaya !"

De pūjārī daar was min of meer gestudeerd en wanneer Mīnaketana Rāmadāsa binnenkwam, terwijl iederen was gaan staan en praṇāma aanbood, stond deze pūjārī niet op en sprak ook niet tegen hem. Dus Mīnaketana Rāmadāsa zei lachend tegen hem, "Hier hebben we de tweede Romaharṣaṇa!",[1] waarna hij geabsorbeerd raakte in het bezingen van de glorie van Nityānanda Prabhu. Iedereen was keihard kīrtana aan het zingen en toen het was beëindigd, zei de broer van Kavirāja Gosvāmī, "Jullie zingen altijd over de glorie van Nityānanda Prabhu, maar waarom bezingen julie niet de glorie van Caitanya Mahäprabhu?" Toen Mīnaketana Rāmadāsa dit hoorde, werd hij ongemakkelijk.

Die man dacht, dat er enig verschil is tussen Nityānanda Prabhu en Caitanya Mahäprabhu. Maar er zijn zoveel verhalen en glorie van Nityānanda Prabhu, die allemaal zijn gerelateerd aan Caitanya Mahāprabhu. Als iemand de glorie van Śrīmatī Rādhikā bezingt, bezingen ze dan niet ook de glorie van Kṛṣṇa? Voor Kṛṣṇa is Rädhikä de liefste van iedereen en Haar dienst is de beste van allemaal. Door de glorie van Rädhikä te bezingen, prijs je onmiskenbaar de glorie van Kṛṣṇa. En op dezelfde manier kun je niet anders dan Śrī Rädhä en Kṛṣṇa eren in het beschrijven van de glorie van Caitanya Mahäprabhu.

De broer van Kaviräja Gosvämé ging door, "Je bent er een hoor, altijd maar chanten 'Nityānanda, Nityānanda' en niet Mahäprabhu verheerlijken. Altijd 'Nityānanda, Nityānanda', maar híj trouwde, terwijl Mahäprabhu sannyäsa nam en Zijn huis en familie achterliet."

Toen hij dit hoorde, brak Mīnaketana Rämadäsa zijn fluit en verliet de plek. Hij was zo ongelukkig, dat hij zijn dierbaarste bezit kapot maakte en vertrok. Op dat moment dacht Kaviräja Gosvämé bij zichzelf, "Nu gaat er zeker iets ongunstigs met mijn broer gebeuren. Hoe kan er na dit incident nog iets gunstigs in zijn leven gebeuren?"

Geleidelijk ging alles van zijn broer te gronde. Wat bedoelen we met 'te gronde'? Zijn bhakti verdween. Door de genade van heiligen krijg je bhakti, maar als je die heiligen ongenoegen bezorgt, kan onze belangstelling voor bhakti dan blijven bestaan? Nee. Alles werd voor hen teniet gedaan en hij werd een atheést, dus Kaviräja Gosvami dacht, "Ik blijf niet omgaan met een atheést. Ik kan hem niet langer als mijn broer beschouwen. Als men kåñëa-bhakti niet is toegenegen, is een vriend geen vriend, een moeder geen moeder, een vader geen vader en een familielid is geen familie. Ik wil helemaal geen contact meer met hem hebben." Later in diezelfde nacht, om ongeveer drie of vier uur, nam hij de beslissing om te vertrekken en ging daar heel ontstemd vandaan.

Toen hij in het dorp Jhamatpur aankwam, ging Kaviräja Gosvämé zitten om te rusten en begon te peinzen, "Ik kan hier niet blijven. Waar moet ik naartoe?" Terwijl hij over zijn situatie zat na te denken, dommelde hij in slaap. Toen verscheen Nityānanda Prabhu in zijn droom In zijn hand had hij een gouden stok. Zijn gedaante was heel groot en had een donkere glans. Hij had in êên oor een oorring en zijn schoonheid was geweldig, zoals die van Baladeva in kṛṣṇa-līlā. Hij zei, "Waarom zit je te huilen? Waarom ben je bedroefd? Sta op, sta op! Ga naar Våndävana! En plaats daar de voeten van Rüpa en Sanätana op je hoofd. Ga! Heb je je broer voor mij verlaten? Ik ben heel tevreden met jou. Een ware broer is iemand, die bhakti kan geven, een vader is iemand, die instructies over bhakti kan geven en een moeder is iemand, die inspiratie geeft voor kṛṣṇa-bhakti. Jouw broer heeft mij een beetje beledigd en daarvoor hem je hem voor altijd verlaten? Ik ben zeer tevreden. Ga na Vṛndāvana. Daar krijg je darśana van Govinda, Madana-mohana en Gopīnātha. Je krijgt daar de genade van Rūpa en Sanātana en ook de genade van Vṛndāvana-dhāma zelf. Ga!"

En zo schreef Kaviräja Gosvāmī, "Alles, dat ik deed, was mijn broer verlaten en daarvoor heeft Nityānanda Prabhu me zo een immense genade gegeven! Door die genade heb ik darçana van Vṛndāvana-dhāma gekregen."

Welke soort darśana kreeg hij – zoals wij? Dit is de soort darçana die hij kreeg: hij zag Kṛṣṇa de koeien meenemen om te grazen, de gopīs, die met dorstige ogen naar Kṛṣṇa zochten en de līlā van Śrī Rädhä en Kṛṣṇa. En wat is de betekenis van de genade van Rüpa en Sanätana? Door de genade van Sanatäna kreeg Kaviräja Gosvämé sambandha-jñāna en schriftuurlijke kennis, maar zelfs al beschikt men over deze kennis, hoeft er nog geen rāsa te zijn. Door de genade van Rūpa Gosvāmī kreeg hij kennis van räsa en toen kon hij zulke boeken componeren als Śrī Caitanya-caritāmṛta en Govinda-līlāmṛta, waarin zoveel räsa wordt beschreven. De genade van Rūpa Gosvāmī heeft dit allemaal mogelijk gemaakt.

In deze wereld blijft zelfs een dier zijn leven lang schuldig aan iemand, die een doorn uit zijn poot haalt. Op dezelfde manier zijn wij verschuldigd aan onze guru  en de Vaiṣṇava's. Hoe kunnen we ondankbaar zijn tegen degenen, die hebben getracht de doorn van materiële gehechtheid uit ons te verwijderen en die hebben geprobeerd ons te verleiden om bhakti-räsa te drinken? Zulke gurus en Vaiṣṇava's moeten we altijd dankbaar zijn. Als op een dag gurudeva een beetje streng tegen ons is en we worden binnen een minuut ondankbaar en denken, "Oh, hij heeft voor mij geen genegenheid meer", welk een miserabel levenslot is dat. We blijven altijd schuldig aan gurudeva en de Vaiṣṇava's en we kunnen deze schuld nooit aflossen. Als men deze uitspraak van Kṛṣṇadäsa Kaviräja niet begrijpt, is dat zijn grote ongeluk; maar iemand, die dit wel begrijpt, zal zijn schuldenlast zijn hele leven niet vergeten. Zelfs wanneer hij sterft, vergeet hij het niet en in zijn volgende geboorte zal hij het zich herinneren.

Deze dankbaarheid is een van de belangrijkste eigenschappen van Bhagavän zelf. Hoewel Nityānanda Prabhu Bhagavän zelf is, raakt hij op dezelfde manier aan iemand verschuldigd als Kṛṣṇa aan de gopīs verschuldigd raakte.

na päraye 'haṁ niravadya-saṁyujāṁ
sva-sädhu-kṛtyaṁ vibudhāyuṣāpi vaḥ
yā mābhajan durjara-geha-śṛṅkhalāḥ
saṁvṛścya tad vaḥ pratiyātu sādhunā

                                               Śrīmad-Bhāgavatam (10.32.22)

Zelfs in een lange levensduur als die van de halfgoden ben Ik niet in staat jullie terug te betalen, want julie hebben allemaal jullie huis en familie verlaten om Mij te dienen. Laat daarom jullie eigen glorieuze daden jullie compensatie zijn.

Op dezelfde manier zegt Nityānanda Prabhu, "Hij heeft de ketenen van materiële gehechtheid verbroken en is gekomen om betrekking te nemen in mijn dienst. Hij geeft niets om het wereldse leven. Kan ik ooit degenen achterlaten, die hun familie, geld en bezittingen hebben opgegeven om bhajana te gaan doen? Daartoe zal ik nooit in staat zijn."

Kavirāja Gosvāmī heeft ook geschreven,

saṅkarṣaṇaḥ kāraṇa-toya-śāyī
garbhoda-śāyī ca payobdhi-śāyī
śeṣaś ca yasyāṁśa-kalāḥ sa nityā-
nandākhya-rāmaḥ śaraṇaṁ mamāstu

                                           Śrī Caitanya-caritāmṛta (Ädi-līlā 5.7)

Moge Śrī Nityānanda Prabhu mijn toevucht zijn. Saṅkarṣana, Śeṣanāga, Kāraṇodakaśāyī Viṣṇu, Garbhodakaśāyī Viṣṇu zijn Zijn volkomen delen en de delen van Zijn volkomen delen.

In Vaikuṇṭha bestaan verschillende secties op hetzelfde niveau en andere secties liggen op hogere ni-veau's. Incarnaties, zoas Nåsiàha, Kalki en Vämana bevinden zich in Vaikuṇṭha -dhāma op hetzelfde niveau. Ze delen dezelfde 'vloer', maar beschikken over hun eigen specifieke kamers. Het laagste punt is de Virajā, daarboven is Siddhaloka, dat wordt gekend als het buitenste gedeelte van Vaikuṇṭha. Aan de vijanden, die worden gedood door Bhagavān, wordt die bestemming toegekend. Siddhaloka is ook voor degenen, die ahaṁ brahmāsmi chanten, waarbij ze denken, dat de jīva uiteindelijk met Brahman samensmelt. Maar de jīvas kunnen hun individualiteit niet verliezen. Dat ze uiteindelijk êên worden is een grote leugen. Ja, ze komen bij elkaar, zoals toegewijden elkaar ontmoeten en hari-kathā delen. Zoals Kṛṣṇa samenkomt bij de gopīs, de gopas, Yaśodā en Nanda Bābā, en als Rāmacandra samenkomt met Hanumān – deze ontmoetingen en samenkomsten hebben plaats, maar is het ontmoeten een éénwording? Nergens wordt een dergelijk voorbeeld aangetroffen. Samenkomen, ja – maar ze blijven individueel. De jīva wordt nimmer Brahman. Veel befaamde paṇditas en geleerden steunen deze theorie en duizenden mensen komen naar hun lezingen luisteren. Ze zeggen, dat er niets gelijk is aan kṛṣṇa-bhakti en dat de bhakti van de gopīs de beste is en dat iedereen, die toewijding bereikt, zoals die van de gopīs, één wordt met Brahman. Deze soort hari-kathā is volkomen onzin. Ze misleiden de mensen en daarom moeten we zulke functies niet bijwonen, waar ze zeggen, dat we één worden met Rādhā-Kṛṣṇa.

Boven Siddhaloka is Sadāśivaloka en daarboven is Nārāyaṇa-dhāma, waar de bevrijde vierarmige toegewijden resideren. Sālokya, sāmīpya, sārūpya en sārṣṭi – de toegewijden beschikken daar over deze vier typen bevrijding en blijven dichtbij Nārāyaṇa om hem in aiśvarya-bhāva,  het sentiment van grote rijkdom en vermogens, te dienen. Daar dichtbij zijn miljoenen speciale kamers en daar verblijven Varāha, Nṛsiṁgha, Kalki en alle andere incarnaties. Zodra er een noodzaak is, komen ze naar deze wereld; anders blijven ze daar en aanvaarden diensten van hun toegewijden. Daarboven is de wereld van Rāmacandra en daarboven is de wereld van Kṛṣṇa, die we kennen as Goloka. Door dit Goloka te noemen, kan verwarring ontstaan, dus ik zal proberen dit iets op te helderen.

Toen Indra de abhiśeka van Kṛṣṇa uitvoerde, bracht hij Surabhi daar naartoe. Dus de woonplaats van Surabhi is Goloka, nietwaar? Maar denk niet, dat Indra haar uit Goloka Våndävana haalde. In deze brahmāṇḍa en in iedere brahmāṇḍa is Hariloka, de residentie van Kṣīrodakaśāyī Viṣṇu. De halfgoden kunnen geen rechtstreekse darśana van Viṣṇu krijgen, maar soms krijgt Brahmā in zijn meditatie zijn darśana en ontvangt de kracht om te scheppen en de wereld te beschermen. Op die manier heeft iedere brahmāṇḍa zijn eigen Goloka en dit wordt ook Surabhiloka of Śvetadvīpa genoemd. Indra kan alleen tot daar gaan en hij haalde Surabhi daar vandaan en zei, "Jij bent go-mātā, dus bid alsjeblieft voor mij tot Kṛṣṇa."

Daarom zijn deze Goloka en Goloka Vṛndāvana niet één en dezelfde. En zo is de Navadvīpa-dhāma in de spirituele wereld ook bekend als Śvetadvīpa, maar is afgscheiden van de Śvetadvīpa binnen deze brahmāṇḍa, waarin Kṣīrodakaśāyī Viṣṇu resideert.

De lagere sectie van Goloka-dhäma, beneden Dvärakä, is svakīya-bhāva. Er hebben daar spel en vermaak van Rādhā-Kṛṣṇa plaats, maar daar zijn Rādhā-Kṛṣṇa als een uitbreiding van Lakṣmī-Narāyāṇa in het sentiment van grote vermogens en rijkdom. Dit is de bestemming van degenen, die arcana van Rādhā-Kṛṣṇa uitvoeren in vaidhī-bhakti. Degenen, die arcana van Rādhā-Kṛṣṇa uitvoeren door middel van vaidhī-bhakti gecombineerd met rāgānugā gevoelens, gaan ofwel naar Mathurā of naar Dvārakā. En degenen, die 'gretig' zijn en rāgānugā volkomen volgen in haar zuivere vorm gaan naar Goloka Vṛndāvana. Dat gebied heeft de vorm van een lotusbloem en het centrum van die lotus is het Huis van Nanda. Toegewijden, die volkomen zijn geabsorbeerd in rāgānuga-bhakti krijgen daar posities in het spel van Kṛṣṇa, hetzij als gezelschap van Kṛṣṇa, wanneer Hij de koeien mee uit neemt om te grazen, of als vriendinnen van Rādhikā. Dit is de hoogste bestemming.

Daar wordt Kṛṣṇa gekend als Vṛndāvana-bhihārī, Govinda, Śyāmasundara en Gopīnātha, en Zijn eerste extentie is Baladeva. Kṛṣṇa's stok, de pauweveer in Kṛṣṇa's kroon, alle attributen van Kṛṣṇa, alle attributen van de gopīs, Vṛndāvana-dhāma – al deze zaken worden gemanifesteerd door sandhinī-śakti en de belichaming van dat vermogen is Baladeva Prabhu. De belichaming van hlādinī-śakti is Rādhikā en Kṛṣṇa is de eigenaar van cit-śakti. Deze drie samen zijn sac-cid-ānanda, de complete vorm van Kṛṣṇa. Rādhikā noch Baladeva zijn van Hem afgescheiden; samen zijn ze êên.

Uit Baladeva Prabhu alleen worden alle eeuwig perfecte toegewijden van Kṛṣṇa manifest. Wanneer Kṛṣṇa naar Dvārakā gaat, wordt Hij Vāsudeva, de zoon van Vāsudeva. En in Dvārakā voelt ook Baladeva, dat hij de zoon is van Devakī, maar in zijn oorspronkelijke identiteit is hij de zoon van Rohiṇī en in hoogste instantie is Nanda Bābā de vader van Baladeva. Niet, dat iemand ooit de vader van Baladeva kan zijn, zoals er vaders en zonen in deze wereld zijn, maar Nanda Bābā heeft de identiteit om zijn vader te zijn. Nanda Bābā heeft de sterkste identiteit om de vader te zijn van zowel Kṛṣṇa als Baladeva – gewone, wereldse geleerden kunnen dit feit niet aanvaarden. Ze kunnen niet begrijpen, dat in wie ook de identiteit om Kṛṣṇa's vader te zijn het meest intens is, die persoon uiteindelijk als Zijn vader wordt beschouwd. Meestal wordt door hen geopperd, dat Kṛṣṇa de zoon is van Vāsudeva, maar heel weinigen van hen aanvaarden, dat Hij werkelijk Nanda-nandana is.

Dus Baladeva Prabhu is de vaibhava-prakāśa van Kṛṣṇa en hij verleent constant service aan Kṛṣṇa. Service aan Kṛṣṇa is alles voor hem, of het nu in Vṛndāvana is, of in Mathurā of in Dvārakā. Wanneer ze naar Mathurā en Dvārakā gaan, waarbij ze identieke vormen aannemen, worden ze de primaire catur-vyūha: Vāsudeva, Saṅkarṣana, Pradyumna en Aniruddha. Dan is er een tweede catur-vyūha en van de wortel Saṅkarṣaṇa komt Mahā- Saṅkarṣaṇa. Van Mahä- Saṅkarṣaṇa komt Kāraṇodakaśāyī Viṣṇu, van Kāraṇodakaśāyī Viṣṇu komt Garbhodakaśāyi en Garbhodakaśāyi wordt Kṣīrodakaśāyī. Daarna expandeert Kṣīrodakaśāyī Viṣṇu in ontelbaar veel vormen als de getuige in het hart van alle levende wezens, Paramātmā. Diezelfde Baladeva is in ons hart als de getuige in zijn vyasti (uitbreiding) als de antaryämé Kṣīrodakaśāyī. Kṣīra betekent melk, en zoals onze moeder ons voedt door melk te geven, zo ondersteunt en voedt hij ons ook.

Vlakbij Kṣīrodakaśāyī Viṣṇu zijn Brahmā en Śaṅkara en door zijn vermogen en verlangen hebben schepping en destructie van de materiële universa plaats. Evenals Śeṣanāga heeft hij miljoenen en miljoenen hoofden en hij heeft miljoenen en miljoenen universa op zijn hoofden als mosterdzaden, terwijl hij tevens de vorm van de bedden aanneemt, waarop alle drie puruṣa-avatāras liggen.

De zes soorten expansies van Baladeva Prabhu zijn dus alsvolgt: van zijn oorspronkelijke vorm in Våndävana komt de wortel Saṅkarśaṇa in Mathurā en Dvārakā, daarna Mahā-Saṅkarṣaṇa in Vaikuṇṭha, daarna Kāraṇodakaśāyī Viṣṇu, Garbhodakaśāyī Viṣṇu, Kṣīrodakaśāyī Viṣṇu en tenslotte Śeṣa. Iemand, die deze diepe waarheden kent, hoeft nooit meer de kringloop van geboorte en dood binnen te gaan.

De puruṣa-avatära wordt puruṣa genoemd, omdat hij betrokken is bij de schepping van de materiële wereld. Hij komt indirect in contact met māyā ten behoeve van schepping en bestuur, maar hijzelf blijft ervan afgescheiden. Ja, hij is aanwezig in alle zielen, maar tegelijkertijd is hij in niemand aanwezig. Hij doet alles en hij inspireert anderen om alles te doen, maar tegelijkertijd doet hij niets. Daarom wordt hij puruṣa-avatāra genoemd. Uit deze puruṣa-avatāra komen de manvantara-avatāras, yuga-avatāras en zoveel andere incarnaties voort. Ze komen voort uit Kāraṇodakaśāyī Viṣṇu of uit Garbhodakaśāyī Viṣṇu, die ook avatārī kunnen worden genoemd, hetgeen betekent, dat er avatāras uit hen voortkomen.

Wanneer Kṛṣṇa in een van Zijn vormen naar deze wereld gaat, komt Baladeva Prabhu in de vorm van de dhäma en de eeuwige metgezellen ook mee. Voordat Kṛṣṇ afdaalt om spel in Vṛndāvana uit te voeren, gaat Baladeva in het hart van Devakī zitten en is in de vorm van Saìkarñana in haar baarmoeder aanwezig en dan pas kan Kṛṣṇa Zichzelf manifesteren. Daarom komt Baladeva eerst in de vorm van de dhäma en verleent op die manier service aan Kṛṣṇa.

Als iemand zegt, dat Kṛṣṇa een incarnatie is van Kāraṇodakaśāyī en iemand anders zegt, dat Hij een incarnatie is van Garbhodakaśāyī, veroorzaakt dat onnodige verwarring. Hier en daar treft je zulke beschrijvingen aan. Of soms wordt Kṛṣṇa beschreven als te zijn geboren uit het haar van Nara-Nārāyaṇa – Keśa-avatāra, een incarnatie van Nara- Nārāyaṇa. We kunnen deze uitspraken tegenkomen, maar eigenlijk,

ete cāṁśa-kalāḥ puṁsāḥ
kṛṣṇas tu bhagavān svayam

Śrīmad-Bhāgavatam (1.3.28)

Alle incarnaties van Bhagavān zijn hetzij volkomen delen of delen van volkomen delen van de puruṣa-avatāras. Maar Kṛṣṇa is Svayam Bhagavān Zelf.

Als wordt gezegd, dat Kṛṣṇa Zelf een incarnatie is, is dat hetzelfde, als wanneer een oude dame de zegen geeft aan Minister President door te zeggen, "Mijn jongen, opdat jij op zekere dag de Commissaris van Politie mag worden." Voor zover haar kennis reikt, is dat de hoogste post van allemaal. De dame heeft dat met liefde gezegd, maar ze weet niet welke positie hoger is. Op dezelfde manier zeggen sommigen, dat Kṛṣṇa een incarnatie is van Garbhodakaśāyī of Kṣīrodakaśāyī Viṣṇu.

Toen Śrī Rāmacandra neerdaalde, kwam Baladeva als Lakṣmaṇa. Het spel van Rāmacandra is zo vol afgescheidenheid en zelfopoffering, dat het iedereen aan het huilen maakt. Schijnbaar zonder reden verliet hij Sitā-devī, niet êên keer, maar twee keer. Lakṣmaṇa had niet gewild, dat Rāma het oerwoud introk en daarom, terwijl ze in ballingschap waren, zei hij tegen Rāma, "Ik beschouw Mahārāja Daśaratha niet langer als onze vader. Hij is buitengewoon mannelijk en wordt beheerst door een vrouw; en op zijn oudedag is zijn intelligentie afgenomen. Ik zou hem eigenlijk moeten ombrengen! Kijk – daar komt iemand aan! Als het Bharata is, zal ik hem ook vermoorden!"

Bharata was gekomen om Rāma gerust te stellen, maar toen Lakṣmaṇa een boom inklom en al die legers zag, werd hij ontzettend boos. Hij pakte zijn pijl en boog en legde aan. "Wat ga jij doen?" vroeg Rāma. "Tegen wie ga je vechten?"

Lakṣmaṇa zei, "Bharata komt hier naartoe met opgestreken zeil. Hij wil jou uit de weg ruimen, zodat er geen obstakel meer is voor zijn koningschap! Daarom ga ik er naartoe en met êên pijl leg ik ze allemaal om!"

Maar Rāma dacht, dat dit berustte op een misverstand, dus hij vertelde Lakṣmaṇa een verhaal. Er was eens een vrouw, die een mangoeste (soort civetkat, roofdier) groot bracht met het doel om haar huishouding tegen slangen te beschermen. Ze bracht iedere dag haar kinderen in slaap op het bed en zette de grote kat erbij, voordat ze de deur uitging. Op een dag, toen ze weg was, kwam er een slang, die zin had de kinderen te bijten. De kat had een duchtig gevecht met de slang en kon hem met grote moeite doodbijten om de kinderen te beschermen. De kat was daarna zeer met zichzelf ingenomen en ging buiten zitten wachten op zijn baas, terwijl er nog wat bloed uit het gevecht aan zijn bek hing. De vrouw kwam terug en de kat ging voor haar staan en zei "ku-ku-ku". De vrouw zei, "Waar komt dat bloed vandaan? Heb je de kinderen aangevallen en pijn gedaan?" Met grote haast pakte ze een stok en sloeg de kat dood. Toen ging ze het huis binnen en zag de kinderen zitten spelen; de dode slang lag er niet ver vandaan. Toen ze haar stommiteit inzag, begon ze te treuren.

Dus Rāma zei tegen Lakṣmaṇa, "Jouw toestand is precies hetzelfde. Wacht eerst af en kijk hoe de zaken erbij staan; laat Bharata maar komen. Zelfs de Aarde zelf kan zelfzuchtig zijn, maar Bharata is nooit zelfzuchtig. Er is nergens in deze wereld een voorbeed van liefde, zoals die van Bharata. Dus laat hem maar komen."

Toen Bharata was aangekomen, viel hij aan de voeten van Räma en begon hem gerust te stellen. Toen hij Bharata praṇāma aan Rāma zag aanbieden, realiseerde Lakñmaëa zijn vergissing. Toen Bharata weer vertrok, benaderde Lakñmaëa hem onder vier ogen en viel aan zijn voeten. Toen Bharata hem optilde en hem omhelsde, zei Lakṣmaṇa, "Ik heb een grote overtreding aan je voeten begaan. Ik was niet in staat om je aardig te vinden, om van je te houden" en hij begon bitter te wenen.

Een andere keer tijdens hun ballingschap in het oerwoud droeg Rāma Lakṣmaṇa op om hout te brengen, toen Sétä het vuur wilde binnengaan. Lakṣmaṇa werd vreselijk boos, maar Rāma zei, "Een dienst verlenen in het oerwoud is de hoogste service. Jij bent altijd de dienaar." Lakṣmaṇa aanvaardde de opdracht van Rāma, maar hij dacht, "Ik maak een fout door zijn opdracht op te volgen." Niettemin hij bracht hout en Sītā-devī ging het vuur binnen. Dit was natuurlijk een voorwendsel, waarbij de ware Sītā eruit kwam en de onechte Sītā verdween, maar toch, op het eind legde Lakṣmaṇa een gelofte af, "Ik kom nooit meer terug als jouw jongere broertje, maar alleen nog als jouw oudere broer. Dan liggen de zaken anders en dan ben jij niet langer in staat om mij op deze manier te behandelen."

En zo kwam hij in het spel van Kṛṣṇa as Baladeva en in het spel van Mahäprabhu als Nityānanda Prabhu, beide keren de oudere broer. Zoveel spel en vermaak konden worden uitgevoerd alleen als oudere broer, die in de positie van een jongere broer niet mogelijk zouden zijn geweest. Indien Nityānanda Prabhu niet aanwezig was geweest, zou zoveel spel en tijdverdrijf van Mahäprabhu verborgen gebleven zijn.

Hij was Mahāprabhu's dienaar, Zijn broer en ook Zijn guru. Hoe werd hij de guru van Mahäprabhu? Mahäprabhu's guru was Īśvara Purī, de guru van Īśvara Purī was Mādhavendra Purī en de guru van Mädhavendra Purī was Lakṣmīpati Tīrtha. Nityānanda Prabhu was ook een leerling van Lakṣmīpati Tīrtha, maar omdat zijn guru deze wereld verliet, toen hij nog jong was, kreeg Nityānanda Prabhu praktisch alle instructie van Mädhavendra Purī. Een ieder, die instructie geeft met betrekking tot bhakti, is de vertegenwoordiger van Bhagavän en daarom heeft Nityānanda Prabhu Mädhavendra Purī altijd als zijn primaire guru beschouwd. Toen Mādhavendra Purī zijn guru werd, werd Īśvara Purī zijn godsbroeder en sinds die tijd stond Nityānanda Prabhu op het niveau van Mahäprabhu's guru en Mahäprabhu gaf hem overeenkomstig respect.

Hoewel we zien, dat Nityānanda Prabhu drie relaties met Mahäprabhu had – als dienaar, als broer en as guru – beschouwde Nityānanda Prabhu zichzelf desondanks altijd alleen als dienaar.

Op momenten, dat Mahāprabhu was verzonken in kīrtana, was het meestal Nityānanda Prabhu, die Hem beschermde. Als Mahäprabhu aan het dansen was op Zijn gebruikelijke wijze, ving Nityānanda Prabhu Hem op voor Zijn eigen bescherming, maar alleen wanneer Mahäprabhu verzonken raakte in rädhä-bhäva kon Nityānanda Prabhu Hem niet aanraken.

Nityānanda Prabhu gaf allerlei soorten service en volgde altijd de opdrachten van Mahäprabhu. Mahäprabhu zei tegen hem, "Ga alsjeblieft naar Bengalen! De brāhmaṇas daar zijn ontzettend arrogant en voeren geen bhajana van Bhagavän uit. Predik iets onder de brähmaṇa klasse, maar predik het meeste tegen degenen, die worden beschouwd als gevallen in de samenleving, want deze lieden zijn niet echt gevallen. Iedere ziel heeft het recht om bhagavad-bhajana uit te voeren. Ga alsjeblieft." Dus Nityānanda Prabhu ging er naartoe, predikte van dorp tot dorp en maakte van iedereen een discipel.

Nityānanda Prabhu ging eens met een groep predikanten langs de weg, waarbij ze in een dorp kwamen, waar een rijke grondbezitter woonde, genaamd Rāmacandra Khān. Nityānanda Prabhu ging het landgoed van de man binnen en ging op het altaar van de durgā-maṇḍapa zitten. Vroeger hadden de rijken in Bengalen zulke maṇḍapas (baldakijnen voor ceremoniële doeleinden) voor Caṇḍī, of Durgā. Hij dacht, "De avond valt en waar kunnen we nu nog naartoe gaan? Morgenochtend zetten we onze tocht voort."

In die tussentijd zond Rāmacandra Khān een van zijn dienaren om Nityānanda Prabhu te spreken. Op sarcastische wijze zei de man, "Er is hier in huis niet voldoende ruimte voor jou, maar we hebben een gośālā, een hele zuivere plek vanwege de aanwezigheid van koeien en koemest. Heiligen en sādhus dienen daar te verblijven, dus ga maar naar de gośālā."

Toen Nityānanda Prabhu dit hoorde, werd hij boos en zei, "Ja, je hebt gelijk. Deze plek is niet geschikt voor mij. Dit hier is bestemd voor koeienmoordenaars en vleeseters." Nadat hij dit had gezegd, verliet hij die plek. De volgende dag vielen moslims Rāmacandra Khān en zijn hele familie aan en arresteerden hen. Ze slachtten ook een koe, braadden het vlees en consumeerden het op precies dezelfde plek. Het hele dorp werd vernield.

Nityānanda Prabhu heeft twee aspecten, evenals een moederleeuw. Tegen haar pups is de leeuwin ontzettend lief, maar voor anderen is ze ontzettend gevaarlijk. Op dezelfde manier is Nityānanda Prabhu supergenadig voor de toegewijden en hij is de onderwerper van atheésten. Zoals Baladeva Prabhu een handploeg en een knots vasthoudt en Dvivida, de gorilla, en anderen ombracht, die vijandig waren jegens Kṛṣṇa, zo onderwerpt Nityānanda Prabhu atheïsten en vergroot gaura-prema in toegewijden.

We moeten nooit denken, dat er enig verschil is tussen Caitanya Mahāprabhu en Nityānanda Prabhu; er is alleen een verschil in hun lichaam. Nityānanda Prabhu is de complete guru-tattva en waar ook de guru is, is Nityānanda Prabhu aanwezig. Waar ook de activiteiten van guru worden uitgevoerd, wordt aan de jīvas de boodschap van Kṛṣṇa gegeven, dat alleen door bhakti het ware heil kan worden bereikt. Dit wordt allemaal door Nityānanda Prabhu gemanifesteerd. Op deze dag bieden we daarom praṇāma aan aan hem, die de meest genadevolle en complete guru-tattva is en we bidden, dat hij ons altijd genadig mag zijn.


Uit: Śrī Prabandhāvalī – A Collection Of Devotional Essays
door Śrī Śrīmad Bhaktivedänta Näräyana Gosvämī Mahäräja
Gauḍīya Vedānta Publications 2003


Nederlandse vertaling: 2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Terug: Parampara



Top

© 2017 Jayaradhe.nl