Home

Guru Parampara



Advaita Saptami

Sri Srimad Bhaktivedanta
Narayana Gosvami Maharaja

Advaita

Advaita Saptamī is de dag, dat Advaita Ācārya in deze wereld verscheen. Advaita Ācārya, de oorzaak van de materiële wereld, komt eerst; daarna komt Nityānanda Prabhu op de dag van trayodaśī; en Śrī Caitanya Mahāprabhu Zelf komt op pūrṇimā, afdalend in deze wereld met de uitstraling van rādhā-bhāva. Zo begint het spel van Mahāprabhu.



vande taṁ śrīmad-advaitā-
cāryam adbhuta-ceṣṭitam
yasya prasādād ajño 'pi
tat-svarūpam nirūpayet

                                             Śrī Caitanya-caritāmṛta (Ādi-līlā 6.1)

Tot Advaita Ācārya, die bijzonder wonderbaarlijk spel uitvoert, bid ik, dat ik door zijn genade in staat ben deze moeilijke tattva op een gemakkelijke manier te beschrijven. Wat is dit wonderbaarlijke spel? Toen hij Nityānana Prabhu zag, begon Advaita Prabhu te klagen, "Waar is deze avadhūta ū vandaan gekomen? Hij is naar ons huis gekomen en heeft prasāda in de rondte gegooid! Hij weet niet tot welke klasse hij behoort; eigenlijk heeft hij helemaal geen klasse! Wij zijn brāhmaṇas, wij zijn de besten van de samenleving en hij heeft hier prasāda over iedereen heengegooid!"

Toen zei Nityānanda Prabhu, "Hê, aparādhi ! Je begaat een overtreding tegen mahā-prasāda. Jij beschouwt het als louter voedsel en je zegt, dat het gewoon wordt rondgegooid? Je ziet niet, dat het goed geluk geeft en dat een ieder, wiens lichaam met deze prasāda  in aanraking komt, māyā overstijgt."

Op die manier was er over het algemeen wat gekibbel tussen hen. Wanneer ze gingen baden, was er zeker gekibbel. In die tijd was Nityānanda Prabhu erg jong. Mahāprabhu was de jongste, daarna kwam Nityānanda en de oudste van iedereen was Advaita Ācārya, wiens gedachtengang soms erg moeilijk te volgen is. Hij stuurde een mysterieus sonnet naar Mahāprabhu.

bāulake kahiha, - loka ha-ila bāula
bāulake kahiha, - hāṭe nā vikāya cāula
bāulake kahiha, - kāye nāhika āula
bāulake kahiha, - ihā kahiyāche bāula

                                                     Śrī Caitanya-caritāmṛta (Antya-līlā 19.20-1)

De ene gek stuurt een boodschap naar de andere gek. Er is op de markt niet langer behoefte aan rijst, dus het wordt tijd om de winkel te sluiten.

Niemand kon dit sonnet begrijpen. Bij het lezen ervan was Mahāprabhu enigszins onverschillig gebleven. Alleen Svarūpa Dāmodara kon iets snappen van de stemming van Advaita Ācārya; niemand anders kon er iets van begrijpen. En hij zei, dat een gek – Advaita Ācārya, die gek is van kṛṣṇa-prema – een boodschap stuurt naar een andere gek – Śrī Caitanya Mahāprabhu, degene, die de wereld gek maakt met kṛṣṇa-prema, de oorspronkelijke gekte. "Er is niet langer meer behoefte aan rijst" betekent, dat aan iedereen prema is gegeven en dat nu de taak is volbracht. "Daarom moet de winkel sluiten" betekent "Jouw spel in de materiële wereld moet nu worden afgesloten". Maar niemand begreep dit; alleen Svarūpa Dāmodara kon iets van de betekenis achterhalen. Op deze manier was het spel van Advaita Ācārya mysterieus en wonderbaarlijk.

Hoewel de essentie van Bhagavad-gītā het pad van bhakti bepleit, legde niemand het op die manier uit in de tijd, dat Advaita Prabhu verscheen. De booschap van de Gītā is vol devotie – viśate tad anantaram (Bhagavad-gītā 18.55), "Uiteindelijk komt hij in Mij". Advaitavādīs interpreteren dit als Bhagavān en de jīva smelten samen in Brahman en worden êên. Ze zeggen, dat door "ahaṁ brahmāsmi" te chanten en door te mediteren de schijnbare individualiteit van de ziel op het eind samenvalt en dat de materiële wereld niet reëel is. Advaita Ācārya gaf eerst de uitleg van bhakti in deze verzen, satataṁ kīrtayanto mām (Bhagavad-gītā 9.14); ananyāś cintayanto māṁ, ye janāḥ paryupāsate (9.22) en bhakti labhate parām (18.54) – op het laatst krijgen we bhakti. Door middel van de grondregels beschreven in deze verzen en daarna door viśate tad anantaram – gaan we bhakti binnen. Het is niet zo, dat we Bhagavān in Brahman tegenkomen, terwijl we het ongedifferentieerd licht binnengaan. Viśate betekent, dat we Zijn dhāma binnengaan en Zijn dienst krijgen, maar sommige mensen probeerden de betekenis te verdraaien.

Na enige tijd ging Advaita Ācārya naar Śāntipura en ging ook de betekenis uitleggen van viśate tad anantaram als "ahaṁ brahmāsmi: alle zielen smelten samen in Brahman." Toen Mahāprabhu dit hoorde, ging hij er naartoe en trok hem aan zijn baard en sloeg hem, totdat Sītā-devī, de vrouw van Advaita Ācārya, erbij kwam en hem beschermde. Dit is ook heel wonderbaarlijk, want omdat Śrī Advaita was geslagen, werd hij juist heel verguld en begon te dansen. Voorheen had Mahāprabhu hem praṇāma aangeboden en gaf hem alle respect, zoals het gepast is voor de guru, want Advaita Prabhu was een leerling van Mādhavendra Purī. Mahāprabhu dacht, "Hij is een discipel van Mijn parama-guru, dus het is Mijn plicht om hem praṇāma en sevā aan te bieden."

Omdat Hij Zich van deze dienst had gekweten, gaf Advaita Ācārya de impersonalistische nirviśesavāda uitleg van Bhagavad-gītā. Toen Mahāprabhu boos werd en hem begon te slaan, zei Advaita Ācārya, "Vandaag is mijn leven een succes geworden. Ik wilde, dat Jij van mij een dienst zou aanvaarden, want Jij bent ouder dan ik. Wie kan mogelijkerwijs ouder zijn dan Jij?" Toen werd Mahāprabhu verlegen.

Een andere keer zei Mahāprabhu tegen Zijn moeder, Śacī-devī, "Ik toon geen liefde meer voor jou, want jij hebt een toegewijde oneerbiedig behandeld. Je hebt vaiṣṇāva-aparādha gepleegd. Je hebt Advaita Prabhu verteld, dat 'Jouw naam Advaita (betekent non-duaal) is ongepast; jouw naam zou eigenlijk Dvaita (duaal) moeten zijn. Jij bent niet advaita, je bent dvaita.'  Daarmee zeg je, dat Advaita Ācārya 'dualiteit' brengt, afscheiding in relaties – dat hij een moeder van haar zoon, een vader van zijn zoon, een broer van zijn broer weghaalt. Advaita Ācārya legt het pad van toewijding uit, waarmee hij de ketenen verbreekt, die je aan de materiële wereld binden. Een moeder heeft een natuurlijke genegenheid voor haar kinderen, maar als Advaita Prabhu in staat is iemands spontane aantrekking tot Kṛṣṇa te vergroten, wat is dan beter dan dat? Als iemand de instructies geeft, dat de jīva Bhagavān miljoenen levens lang is vergeten en dan sambandha (de kennis van onze ware relatie met Bhagavān) en sādhya (het uiteindelijke doel) vestigt en instructies geeft voor bhajana, dat de ketenen verbreekt, die ons aan de materiële wereld binden, wat is dan beter dan dat?"

Śacī-devī antwoordde, "Hij heeft me van mijn geliefde Viśvarūpa afgehaald. Hij gaf instructie, die mij afzonderde van Viśvarūpa, die het huis uitging en een sannyāsī werd. Daarom betekent 'Advaita' die persoon, die je īīn keer ontmoet, waarna je niets meer in deze wereld verlangt. Dus zijn naam moet eigenlijk 'Dvaita' zijn."

Mahāprabhu zei, "Aangezien je op deze manier tegen een toegewijde hebt gesproken, zal niemand van ons nog liefde voor jou tonen."

Toen ze daar stond, vertelde iedereen haar, dat wegens het begaan van een overtreding aan de voeten van Advaita Ācārya niemand nog enige liefde voor haar kon tonen. Toen ging Śacī-devī bij Advaita Ācārya om vergeving vragen, maar in plaats daarvan viel hij aan haar voeten en zei, "Jij bent de moeder van de hele wereld. Het is voor jou niet mogelijk een overtreding te begaan. Maar goed, als iemand zegt, dat er een of andere overtreding is begaan, dan zeg ik, dat het hierbij is vergeven." Toen ging Śacī-devī terug naar Mahāprabhu en alles werd rechtgezet. Zo werd er allerlei spel en vermaak als dit door Śrī Advaita Prabhu uitgevoerd.

Advaita Ācārya was ook instrumenteel in het afdalen van Śrī Caitanya Mahāprabhu naar deze wereld. Op het eind van Dvāpara-yuga, toen Hij Zijn spel in deze wereld had voltooid en terugkeerde naar Goloka Vṛndāvana, dacht Śrī Kṛṣṇacandra, "Ik heb drie wensen, die nog niet zijn vervuld. Het begrijpen van de glorie van Rādhikā's liefde, het ontdekken van de lieftalligheid, die Zij in Mij aantreft, en het ervaren van die lieftalligheid – zonder het sentiment van Rādhikā Zelf en de uitstraing van Haar gedaante aan te nemen, zal het niet mogelijk zijn deze drie dingen te ervaren. Ik weet wat sakhya-rāsa, vātsalya-rāsa en mādhurya-rāsa zijn, maar Ik ben nog niet in staat geweest te ervaren, wat Haar gevoel is bij het zien van Mij en wat de aard van Haar prema voor Mij is. Om dit te kunnen onderzoeken, moet ik wederom naar de materiële wereld gaan."

Op dat moment moest de yuga-dharma worden gegeven. Het tijdperk van Kali, dat 432.000 jaar duurt, was gekomen. Normaal gesproken komt er aan het eind van ieder yuga een incarnatie van Bhagavān, zoals op het eind van Tretā-yuga Rāmacandra kwam en op het eind van Dvāpara-yuga Kṛṣṇa kwam. Een dergelijke yuga-avatāra komt, wanneer de chaos in de materiële wereld zijn hoogtepunt heeft bereikt.

dharma-saṁsthāpanārthāya
sambhavāmi yuge yuge

                             Bhagavad-gītā (4.8)

Om de principes van religie opnieuw te vestigen verschijn Ik millennium na millennium.

Bhagavān denkt, "Kijk eens, hoezeer de zondige activiteiten toenemen en hoe de chaos vanwege de demonen uit de hand loopt. Wanneer moet Ik afdalen?"

Er zijn dus eigenlijk vier redenen voor Mahāprabhu's komst. Twee zijn primair en twee zijn secundair. De belangrijkste reden is het proeven van de prema van Rādhikā en de tweede reden is,

anarpita-carīṁ cirāt karuṇyāvatīrṇaḥ kalau
samarpayitum unnatojjvala-rasāṁ sva-bhakti-śriyam

                                                 Śrī Caitanya-caritāmṛta (ādi-līlā 1.4)

Uit Zijn grondeloze genade verschijnt Hij in het tijdperk van Kali om datgene te geven, dat geen andere incarnatie ooit eerder had geboden: unnata ujjvala-rāsa – de meest sublieme, amoureuze relatie in Zijn eigen dienst.

Mahāprabhu wilde een specifieke rijkdom van prema aan de jīvas geven, die door voorgaande incarnaties nooit eerder was gegeven: unnata-ujjvala-rāsa – de parakīya-bhāva van de gopīs. Er zijn twee soorten unnata-ujjvala-parakīya-rāsa. De ene is het gevoel van Rādhikā, dat niet kan worden 'gegeven'. Maar de andere is de gemoedsgesteldheid van de nitya-sakhīs en de prāṇa-sakhīs, die Rādhā dienen en die, terwijl ze Haar volgen, ook Kṛṣṇa dienen – deze unnata-ujjvala-rāsa kan wel worden gegeven. Dus om de hoogste prema aan alle jīvas te geven en de prema van Rādhikā te proeven is Kṛṣṇa gekomen.

De derde reden van Zijn komst is om de yuga-dharma, nāma-saṅkīrtana te prediken; en de vierde reden is,

yadā yadā hi dharmasya
glānir bhavati bhārata
abhyutthānam adharmasya
tadātmānaṁ sṛjāmy aham

                                Bhagavad-gītā (4.7)

Wanneer ook en waar ook een afname van religieuze beoefening plaats vindt, O nakomeling van Bhārata, en er een toename van onreligie heerst – op dat moment daal Ik neer.

Deze zijn de vier redenen.

Kṛṣṇa dacht, "Wanneer moet ik gaan?  Om de yuga-dharma te vestigen is het goed om op het eind van de yuga te gaan, maar als Ik in plaats daarvan nāma-saìkīrtana aan het begin van de yuga ga brengen, zal de degenererende invoed van de yuga een kleiner effect op de jīvas hebben. Wanneer moet ik het sentiment van de gopīs geven en wanneer moet Ik de liefde van Rādhikā proeven?" Hij nam al deze zaken in overweging.

In die tussentijd zag Advaita Ācārya, dat bhakti langzaam uit de wereld begon te verdwijnen en hij dacht, "Nu is dit de juiste tijd voor Kṛṣṇa's incarnatie. Als Hij nu niet komt, wat gebeurt er dan later?" Op hetzefde moment dacht hij dit ook als Karaṇodakaśāyī Viṣṇu. Hij zat te prakkiseren op die plek, waar sattva, rajas en tamas allemaal in dezelfde positie staan. Er zijn twee oorzaken voor de wereld: een is upādāna, oorzaak als bestanddeel of aanleiding, en de andere is nimitta, de deskundige oorzaak. Mahā-Viṣṇu zelf is de nimitta oorzaak, en zijn deel, Advaita Ācārya, is de upādāna oorzaak.

Stel, dat ik iemand aanwijs en zeg, "Dit figuur is een hooligan, een dief en een leugenaar. Pak hem vast en gooi hem naar buiten; hij mag hier nooit meer worden toegelaten." Je hoeft hem niet te kennen, maar omdat ik het zeg, gooi je hem eruit. Dus wie is de oorzaak van zijn uitzetting? Op mijn gezag heb je deze man gepakt en hem uitgezet, dus jij bent de upādāna oorzaak en ik ben de nimitta oorzaak. Maar wie is de ware oorzaak van zijn uitzetting? Door zijn eigen wangedrag is de man zelf de oorzaak; en dit is nou precies de situatie met betrekking tot de schepping van de materiële wereld.

Kāraṇodakaśayī Viṣṇu neemt twee gedaanten aan om de materiële wereld te scheppen: als de efficiënte oorzaak en als bestanddeel of aanleiding. Wanneer die twee samenkomen, worden talloze brahmāṇḍas gegenereerd. Maar als Bhagavān niet Zijn verlangen had geīnjecteerd, wat dan? Bij iedere activiteit is er eerst een verlangen om het te laten plaats vinden. Daarom is de wens van Mahā-Viṣṇu de primaire oorzaak en afhankelijk van Zijn wens is de wens van Advaita Ācārya, die de secundaire oorzaak is. Op deze manier voert Karaṇodakaśayī Viṣṇu de schepping van de wereld uit en Zijn incarnatie is Advaita Ācārya.

advaita-äcärya gosāṇi sākṣāt īśvara
yäìhära mahimä nahe jīvera gocara

                              Śrī Caitanya-caritämṛta (Ädi-līlā 6.6)

Śrī Advaita Ācārya is direct de Īśvara Zelf. Zijn glorie kan niet worden bevat door gewone levende wezens.

Uit mahat-tattva onstaat vals ego. Uit vals ego komen geluid, gevoel, vorm, smaak en geur. Daarna komen de elf zintuigen en vervolgens de vijf materiële elementen. Dat zijn er tweeëntwintig en met intelligentie en verstand erbij zijn het er vierentwintig. Als we dan prakṛti, puruṣa, ātmā en Paramātmā toevoegen, zijn het in totaal achtentwintig aspecten van tattva. Terwijl ze Bhagavān en jīvātmā achterwege laten, wordt door de śaṅkya en de nyāya scholen alleen het restant aanvaard.

ye puruṣa sṛṣṭi-sthiti karena mäyäya
ananta brahmāṇḍa sṛṣṭi karena līläya
icchäya ananta mürti karena prakäśa
eka eka mürte karena brahmāṇḍa praveśa
se puruṣera aṁśa – advaita, nähi kichu bheda
śarīra-viśeṣa tāṅra – nähika viccheda
sahäya karena tāṅra la-iyā 'pradhāna'
koṭi brahmāṇḍa karena icchäya nirmāṇa

                                             Śrī Caitanya-caritāmṛta (Ādi-līlā 6.8-11)

Mahā-Viṣṇu voert de functie van de schepping van alle materiële universa uit en Advaita Ācārya is een rechtstreekse incarnatie van hem. Het scheppen en in stand houden van deze ontelbaar vele universa met zijn externe energie is zijn spel en vermaak, en uit zijn eigen vrije wil breidt hij zich uit in ontelbaar vele vormen en gaat ieder afzonderlijk universum binnen. Advaita Ācārya is een niet-verschillend deel van Mahā-Viṣṇu, of met andere woorden, een andere vorm van hem.

Sommigen zeggen, dat de natuur het proces van de schepping uit zichzelf uitvoert en dan geven ze dit voorbeeld, "Een koe eet gras en er wordt automatisch melk geproduceerd. Wat is de noodzaak voor iemand anders in dit proces? Op deze manier doet de natuur alles zelf."

Om dit te weerleggen zei een minder belezen Vaiñëava, "Als de koe gras eet en vervolgens melk geeft, waarom geeft de stier dan geen melk, als hij ook gras eet? Moet hij misschien meer gras eten?"

De paṇḍita van de saṅkhya school moest hierover even nadenken. Toen zei hij met betrekking tot de upādāna oorzaak, "Om een huis te maken heb je alle elementen, zoals stenen, nodig."

Toen zei de Vaiṣṇava, "Dus als je een huis bouwt met stenen en cement, zetten we hier duizend kilo cement neer en tienduizend stenen, een compleet waterreservoir en hout en ook nog marmer. Heb je dan het huis klaar? Met de upādāna alleen gebeurt het niet, want de nimitta oorzaak is erbij nodig. Je kunt pen en papier hebben, maar uit zichzelf schrijven ze niet. Daarom heeft er geen schepping plaats door alleen de materiële natuur, zolang het verlangen van Bhagavān niet aanwezig is."

In de materiële wereld hebben geen activiteiten uit zichzelf plaats en daarom is deze prakṛtivāda filosofie onjuist. Prakṛti betekent materie, puruṣa is bewust, en wanneer beiden samenkomen heeft er schepping plaats. In prakṛti is geen actie, geen inherent verlangen – het is bewegingloze materie. Maar wanneer het wordt geactiveerd door de puruṣa, wordt de taak automatisch volbracht. De communisten zeggen, "Wat is hierin de noodzaak voor God? De natuur schept uit zichzelf", maar er is geen mens in de wereld, die uit zichzelf kan scheppen.

Een lamme man en een blinde man wilden samen ergens naartoe gaan en de lamme man zei, "Zet mij op je schouders. Ik kijk met mijn ogen en zeg je waar je rechts, links of rechtuit over het pad moet moet lopen en met jouw benen kunnen we er naartoe gaan. Anders ben jij niet in staat daar naartoe te gaan en ik ook niet." Door samen te werken bereikten ze hun gewenste bestemming. In dit voorbeeld is de lamme man bewust en de blinde man is ook bewust en omdat beiden bewust zijn, kon het werk worden gedaan. Maar in de schepping is alleen Bhagavān bewust en de natuur niet. Zonder de aanwezigheid van op zijn minst êên bewust wezen kan geen enkel werk in de wereld tot stand worden gebracht. Deze kwesties kunnen misschien een beetje droog lijken, maar ze zijn erg belangrijk en het zijn smakelijke punten met betrekking tot bhakti en Vaiṣṇava's moeten zich inzetten om ze te begrijpen.

In deze hele tattva is Kṛṣṇa de grondoorzaak van de materiële wereld, omdat van oorsprong Hij het is, die Zijn verlangen erin legt. Hij wordt twee soorten Saṅkarṣaṇa: de wortel Saṅkarṣaṇa en Mahā- Saṅkarṣaṇa. Van Mahā- Saṅkarṣaṇa wordt Hij Kāraṇodakāṣayi Viṣṇu en vervolgens wordt Hij Advaita Ācārya en de upādāna oorzaak.

Sommige mensen zeggen, dat de upādāna oorzaak van Bhagavān is afgescheiden, dat de upādāna oorzaak van de materiële wereld niet Bhagavān is. Ze zeggen, dat Hij wel de nimitta oorzaak kan zijn, maar dat Hij niet de upādāna oorzaak kan zijn. Maar buiten Kṛṣṇa is niets, dus waar komt de materiële wereld vandaan? Waar komt de mahat-tattva vandaan? Deze is ook afkomstig uit het verlangen van Kṛṣṇa. Er is niets in het hele bestaan, dat van Hem is afgescheiden. Kāraṇodakāṣayi manifesteert de schepping en de mahat-tattva, de natuur zelf, is daarom niet-verschillend van Hem. Om de zielen, die Bhagavān zijn vergeten, te corrigeren wordt prakṛti uit Zijn verlangen gemanifesteerd om de jīva een externe vorm te geven. De jīva kan zijn plaatsing in die levensconditie zien als een gelegenheid voor grote pret, maar het is in feite een straf. Het is zoals wanneer een gestoord figuur naakt rondloopt en danst – de mensen slaan hem in elkaar, maar zonder te eten of te drinken zwerft hij rond. Hij zegt, "Ik ben de koning" of "Ik ben minister president" en denkt, dat hij gelukkig is. Onze conditie is precies hetzelfde. We kunnen denken, dat we gelukkig zijn, maar in feite bevinden we ons geen van allen helemaal niet in een gelukkige toestand.

Dus Advaita Ācārya dacht, "De wereld is atheīstisch geworden. De ene na de andere is Bhagavān aan het vergeten en om hen op het rechte pad te zetten is voor mij alleen niet mogelijk. Om devotie naar niet-toegewijden te brengen is een buitengewoon moeilijke taak. Zonder de śakti van Kṛṣṇa Zelf is het eenvoudig onmogelijk."

Behalve toegewijden, zijn er zoveel andere mensen in de wereld, die prediken, maar ze prediken alemaal māyā. Ze prediken verdraaide filosofieën en bij het zien ervan dacht Śrī Advaita, "Ze hebben geen relatie met Bhagaván en ze prediken geen bhakti. Zelfs wanneer ze uit Śrīmad-Bhāgavatam en Bhagavad-gītā prediken, brengen ze alleen de verlangens van hun eigen verstand tot uitdrukking. Ze zijn onverschillig jegens sanātana-dharma en zuivere toewijding en allemaal – vooral de māyāvādīs – horen alleen wat ze willen horen. Het was niet erg moeilijk om Rāvaṇa te verslaan en om Kaṁsa te vermoorden was ook niet erg moeilijk. Deze acties hadden gedaan kunnen worden door een Viṣṇu incarnatie, maar de denkwereld veranderen van deze māyāvādīs is zeer moeilijk. Alleen als Kṛṣṇa Zelf naar deze wereld komt, zal het mogelijk zijn.

Aangezien Advaita Prabhu tenminste zestig jaar was, toen Mahāprabhu verscheen, was hij de oudste van alle metgezellen van Mahāprabhu. Nityānanda Prabhu was ongeveer vijf jaar ouder dan Mahāprabhu. Mahāprabhu's plan was om eerst te zorgen, dat Zijn toegewijden in deze wereld verschenen en daarna zou Hijzelf afdalen. Advaita Ācārya verscheen eerst en bij het zien van de toestand in de wereld dacht hij, "Hoe kan ik Kṛṣṇa aanroepen? Er zijn zoveel typen verering van Kṛṣṇa, maar van al deze manieren is de glorie van tulasī het grootst. Kṛṣṇa zou zo blij zijn met iemand, die Hem een tuasī-blad met water van de Ganges aanbiedt, dat Hij erdoor wordt overweldigd." Dus hij nam een tulasī-knopje – twee zachte blaadjes met een maìjarī in het midden – en met grote prema en ogen vol tranen vereerde hij Kṛṣṇa aan de Ganges.

Kṛṣṇa's oorspronkelijke gedachte was, "Wanneer ga ik neerdalen? Misschien na tien- of twintigduizend jaar, of misschien zelfs na honderdduizend jaar." Maar bij het horen van het gebed van Advaita Ācārya kwam Hij onmiddellijk. Daarom is Advaita Ācārya ook nog een primaire reden voor het neerdalen van Mahāprabhu.

Bij zijn geboorte werd Śrī Advaita de naam Kamalākṣa gegeven, omdat zijn ogen zo mooi waren als lotusblaadjes. Hij verscheen in Śrīhaṭṭa in Oost-Bengalen. Hij was soms in Navadvīpa en soms in Śāntipura, waar hij bhakti begon te prediken. Hij was in Navadvīpa, toen Mahāprabhu werd geboren. Viśvarūpa zat op de school van Advaita Prabhu. Op zekere dag zei Moeder Śacī tegen Nimāi, dat Hij Zijn broer moest gaan halen; dus toen Hij bij de school aankwam, keek Nimāi in de richting van Advaita Ācārya en zei, "Wat zie je? Jij hebt Me hier naartoe gehaald en je herkent Me niet! Zodra de tijd daar is, zal je Me zeker herkennen."

Er zijn een ongelimiteerd aantal incarnaties van Viṣṇu en ze zijn allemaal niet-verschillend van Kṛṣṇa, maar hun activiteiten en spel zijn onderling anders. En daarom, omdat Advaita Ācārya niet-verschillend is van Hari, is hij advaita en omdat hij in alle richtingen bhakti manifesteert, wordt hij erkend als ācārya.

Hoe predikte hij bhakti? Iemand, die was geboren in een familie van śūdras, moslims, of enig andere familie, en bhagavad-bhajana uitvoerde, beschouwde Advaita Prabhu hoger dan een brāhmaṇa, die zich niet met bhajana bezighield. Iemand, die is geboren in een hoge familie van brāhmaṇas, die een vooraanstaand geleerde is, die zich goed gedraagt, die de waarheid spreekt en nooit liegt, maar zich niet bezighoudt met bhagavad-bhajana, is inferieur aan iemand, die geboren is in een familie van śūdras, of in een familie van begravenisondernemers en onder grondwerkers op het crematorium, indien die persoon eenvoudig uitroept, "Kṛṣṇa! Kṛṣṇa!" en zich verder niet bezighoudt met andere spirituele activiteiten. Die śūdra wordt hoger geacht dan een caturvedī-brāhmaṇa. Advaita Ācārya toonde dit punt aan en predikte het.

Haridāsa Ṭhākura was geboren in een familie van moslims. Bij de śrāddha ceremonie voor de vader van Advaita Ācārya werden de beste zitplaats en prasāda eerst aangeboden aan de meest verheven persoon. Advaita Ācārya voerde de ceremonie uit, toen de maan in zijn juiste stand stond in de maand Āśvina. Alle hogeklasse brāhmaṇas waren daar aanwezig – Bhaṭṭācārya, Trivedī, Caturvedī, Upādhyāya – en dat waren allemaal grote geleerden. Na hun voeten te hebben gewassen bracht Advaita Ācārya hen naar hun respectievelijke zitplaats. In het midden stond een hogere zetel en Advaita Prabhu stond daar te denken, "Wie gaat hier zitten?"

Al die geleerden dachten, "Ik ken zoveel geschriften; aan mij wordt zeker die zetel aangeboden." In stilte had iedereen aspiratie voor die stoel. Advaita Ācārya liep toen het huis uit en zag Haridāsa Ṭhākura, die een laṅgoṭī droeg en buiten bij de deur zat. Haridāsa dacht, "De brāhmaṇas gaan hier hun lunch gebruiken, dus Advaita Ācārya zal ons vast en zeker een beetje van hun prasāda willen geven." Hij was zo bescheiden, dat hij dacht, dat het huis besmet zou raken, als hij naar binnen zou gaan. Advaita Ācārya omarmde hem meteen en Haridāsa Ṭhākura zei, "Oh, u bent een brāhmaṇa en ik ben een moslim! Nu u me hebt aangeraakt, moet u een bad nemen." Maar hij greep hem beet en bracht hem naar binnen, waar Advaita Acarya hem op de verhoogde zetel zette, waarop in alle richtingen een enorm commentaar volgde. De brāhmaṇas zeiden, "Door een moslim hier naar binnen te brengen heb je deze plek gecontamineerd en ons beledigd! Wij gaan hier niet eten!" Ze pakten hun waterpot, stonden op en vertrokken. Ze mishandelden Advaita Ācārya door te zeggen, "U houdt zich niet aan de principes van dharma !"

Maar Advaita Ācārya zei, "Vandaag is mijn geboorte een succes geworden en vandaag heeft mijn vader Vaikuṇṭha bereikt. Door respect te geven aan êên Vaiṣṇava hebben vandaag miljoenen leden van mijn voorouders māyā gepasseerd. Als Haridāsa Ṭhākura hier gaat eten, is dat meer waard dan het voeden van miljoenen brāh-maṇas."

Haridāsa Ṭhākura zat te huilen en dacht, "Vanwege mij zijn al deze brāhmaṇas beledigd en kunnen nu niet eten."

Maar Advaita Ācārya zei, "Haridāsa, vandaag ga jij hier prasāda nemen. Dat is ons grote goede fortuin." Toen zei hij tegen de brāhmaṇas, "Hij blijft en niemand van jullie krijgt prasāda. Eigenlijk moeten jullie allemaal snel vertrekken, want alleen al het zien van jullie gezicht is een grote zonde. Haridāsa heeft groot respect voor mahā-prasāda en daarom hoort hij bij de klasse van Vaiñëava's. Iedereen, die dit niet aanvaardt, is een atheīst en iemand, die een Vaiñëava beoordeelt op zijn geboorte, is ook een atheīst. Jullie kunnen hier allemaal vertrekken en dan zullen jullie overtredingen hier tegelijk met jullie verdwijnen. Jullie schofferen Haridāsa, en schofferen mij ook."

Alle geleerden verlieten het huis, maar buiten gingen ze met elkaar staan praten. "Advaita Ācārya is geen gewone persoonlijkheid. Hij is een groot geleerde, hij kent alle geschriften en hij is een idealistische predikant van bhakti." Ze bleven overleg plegen en na alles volkomen in heroverweging te hebben genomen keerden ze terug, vielen aan de voeten van Advaita Prabhu en smeekten om vergeving.

Advaita Ācārya had veel zonen, waarvan er een Acyutānanda was genaamd, maar aangezien een paar van zijn andere zonen zich niet bezighielden met bhajana, beschouwde hij hen totaal niet als zijn kinderen en wees hen af. Alleen diegenen, die bhajana van Bhagavān uitvoerden, liet hij zijn opvolgers worden. In het bijzonder vanweg een incident in Jagannātha Purī werd Acyutānanda zijn opvolger. De Ratha-yātrā werd gevierd en op dat moment was Acyutānanda nog een kleine jongen. Er kwamen enkele Vaiṣṇava's, die Advaita Ācārya vroegen, "Wat is de naam van de guru van Śrī Caitanya Mahāprabhu?" Hij antwoordde, "Keśava Bhāratī."

Op dat moment zat Acyutānanda bij zijn vader op schoot en bij het horen hiervan begon hij te trillen van woede. Hij was nog een klein kind! Niettemin klom hij uit zijn vaders schoot en liep weg, terwijl hij zei, "U kunt niet mijn vader zijn, als u een dergelijk idee heeft. Śrī Caitanya Mahāprabhu is de guru van de hele wereld! Wie kan Zijn guru zijn?"

Met tranen in zijn ogen zei Advaita Ācārya, "Jij gaat gekend worden als mijn zoon. Wat je zei is juist: Mahāprabhu is de guru van de hele wereld, maar vanwege Zijn spel in de menselijke gedaante moet Hij een voorbeeld stellen voor anderen. Wat zou er anders gebeuren? Hoe kunnen mensen in deze wereld anders weten, dat het noodzakelijk is om een guru te aanvaarden?"

Op deze manier deed Advaita Ācārya veel wonderlijke dingen. Hij was een assistent van al het spel en vermaak van Śrī Caitanya Mahāprabhu. Daarom zullen we vandaag een speciaal gebed aan de voeten van Advaita Ācārya aanbieden, opdat hij ons genadig is, zodat we gestaag vooruitgang in bhakti kunnen maken en uiteindelijk de directe dienst aan Śrī Gauracandra kunnen bereiken.


Uit: Śrī PrabandhāvalīA Collection Of Devotional Essays
door Śrī Śrīmad Bhaktivedānta Narāyāṇa Gosvāmī Mahārāja

Gauḍīya Vedānta Publications 2003

Nederlandse vertaling: 2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Terug: Parampara



Top

© 2017 Jayaradhe.nl