Menu:   Nederlands   Engels


Wat is de Gaudiya Sampradaya?

15 januari 2022


śrī śrī guru gaurāṅgau jayataḥ!

Bhakti Lezingen

www.purebhakti.com/teachers/bhakti-discourses/
19-discourses-2000/152-what-is-the-gaudiya-sampradaya
Murwillumbah, Australia, 15 januari 2000

nitya-līlā praviṣṭa oṁ viṣṇupāda

Śrī Śrīmad Bhaktivedānta Nārāyaṇa Gosvāmī Mahārāja




Wat is de Gaudiya Sampradaya?


cc by-sa.png

Een interview door Srimati Satyarupa dasi
Murwillumbah, Australië
15 januari 2000

[Satyarupa dasi is een leerling van Srila Prabhupada A.C. Bhaktivedanta Svami Maharaja. In januari 2000 bezocht ze de universiteit om haar doctorstitel in Vergelijkende Godsdienstwetenschappen te behalen. Ze stelde Srila Narayana Gosvami Maharaja allerlei belangrijke en essentiële vragen over onze guru-parampara - verleden, heden en toekomst. Srila Maharaja was zozeer verguld met haar, dat hij haar verzocht om altijd met zijn reisgezelschap mee te gaan op tournee.]

Satyarupa dasi: Kunt u me iets vertellen over de ontwikkeling van de Gaudiya Matha, misschien vanaf de tijd, dat u intrad? En kunt u uitleggen, hoe en waarom de vertakking in verschillende mathas is ontstaan?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Ik zal jou alles vertellen, om te beginnen de oorsprong van de Gaudiya Matha.

Satyarupa dasi: U hebt me in een darsana verteld, dat de Gaudiya Matha van Brahma afkomstig is.

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Maar nu zal ik jou meer vertellen. Degenen, die Sri Caitanya Mahaprabhu volgen, vooral degenen uit de plaats Gauda, worden Gaudiya genoemd. Er zijn vijf Gauda's en iedere Gauda ligt tussen twee rivieren. De eerste is Punjab tussen de Sindhu en de Yamuna rivieren; een andere ligt tussen de Ganges en de Yamuna; een andere ligt tussen de Ganges en de Gundaka; de vierde ligt tusen twee andere rivieren en de vijfde is Bengalen. Van deze vijf Gauda's is Bengalen de belangrijkste.

Satyarupa dasi: Waarom?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Omdat Sri Caitanya Mahaprabhu daar is verschenen. Hij praktiseerde liefde en genegenheid voor Krsna met een parakiya gevoel. Weet je wat parakiya betekent? Het is de liefde van de paramour (transcendente buitenechtelijke liefde). Er zijn in India zoveel sampradayas (disciplinaire opvolgingen van toegewijde dienst), die dit niet kennen. Sri Caitanya Mahaprabhu had het in Srimad-Bhagavatam ontdekt.

Satyarupa dasi: Welke verzen in Srimad-Bhagavatam tonen dit aan?

Srila Narayana Gosvami Maharaja:

pati-sutanvaya-bhratr-bandhavan
    ativilanghya te 'nty acuytagatah
gati-vidas tavodgita-mohitah
    kitava yositah kas tyajen nisi

Srimad-Bhagavatam (10.31.16)

["Dierbare Acyuta, Je weet heel goed, waarom we hier naartoe zijn gekomen. Wie anders dan een bedrieger als Jij laat jonge vrouwen alleen achter, die midden in de nacht naar Hem zijn toegekomen, omdat ze werden betoverd door het luide lied van Zijn fluit? Om Jou te zien hebben we onze echtgenoot, kinderen, voorvaderen, broers en andere verwanten in hun geheel afgewezen."]

Toen Krsna midden in de nacht onder een volle maan op Zijn fluit stond te spelen, lieten de gopis hun echtgenoot, kinderen, vrienden, vaders, moeders en alle andere materiële overwegingen achter en liepen naar Krsna toe. Hun echtgenoot zat thuis en daarom is dit parakiya (overspelige liefde). Hoewel de gopis getrouwd waren, was Krsna hun geliefde. Ze hadden vanaf het begin geen relatie met hun echtgenoot gehad. Yogamaya had het zodanig geregeld, dat hun echtgenoot hen nimmer had aangeraakt. Ze had kunstmatige echtgenotes gecreëerd, met wie de echtgenoten zich ophielden. Degenen, die dit aanvaarden en de lessen van Caitanya Mahaprabhu volgen, worden Gaudiya genoemd.

Satyarupa dasi: Zoals de onechte Sita?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Ja, zoiets. Er staan zoveel slokas in Srimad-Bhagavatam,

na paraye 'ham niravadya-samyujam
    sva-sadhu-krtyam vibudhayusapivah
yama bhajan durjaya-geha-smkhalah
    samvrscya tad vah pratiyatu sadhuna

Srimad-Bhagavatam (10.32.22)

Krsna zegt tegen de gopis, "Ik kan jullie niet compenseren. Jullie liefde en genegenheid voor Mij en onze ontmoetingen zijn zo zuiver en bovenzinnelijk, dat Ik jullie niet kan compenseren. Jullie hebben je echtgenoot en alle andere verwanten voor Mij opgegeven, maar Ik kan niemand opgeven. Ik kan Mijn vader en moeder niet opgeven. Ik heb zoveel toegewijden en Ik kan hen niet opgeven. Daarom kan Ik jullie niet compenseren."

De gopis hadden hun echtgenoot verlaten en daarom is dit vers eveneens een bewijs voor parakiya-bhava. Dit werd ontdekt door Sri Caitanya Mahaprabhu, die dit in deze wereld heeft gepredikt. Degenen, die dit idee van Mahaprabhu volgen onder leiding van Srila Rupa Gosvami en Srila Raghunatha dasa Gosvami, zijn Gaudiya. Degenen, die niet volgen zijn geen Gaudiya's, ook al wonen ze in dat gebied. Degenen, die het idee vasthouden, dat de gopis parakiya zijn, en die hetzelfde gevoel willen ontwikkelen en daartoe bhajana uitvoeren, zijn Gaudiya's. Srila Rupa Gosvami is Sri Rupa Manjari. Hij doet bhajana, extern in het lichaam van Srila Rupa Gosvami en innerlijk als Sri Rupa Manjari. Uiterlijk chant en herinnert hij als Srila Rupa Gosvami en innerlijk dient hij in zijn siddha-deha (spirituele gedaante van een gopi) als Sri Rupa Manjari. Daar verleent hij als een gopi manjari diensten aan Radha en Krsna Yugala.

Dit is het concept van Gaudiya en degenen, die dit volgen, zijn Gaudiya's. Dit is vooral afkomstig van Sri Madhavendra Puri, daarna Sri Isvara Puri, Sri Caitanya Mahaprabhu, Sri Nityananda, Sri Svarupa Damodara en helemaal naar mijn Gurudeva, Srila Bhakti Prajnana Kesava Gosvami Maharaja.

Satyarupa dasi: Maar er is een tussenruimte na Srila Visvanatha Cakravarti Thakura.

Nee, je moet iedereen in onze guru-parampara aanvaarden: Srila Rupa Gosvami, de Sat (zes) Gosvami's en Sri Krsnadasa Kaviraja Gosvami. Dan de drie: Sri Syamananda Prabhu, Srila Narottama dasa Thakura en Srila Srinivasa Acarya. Daarna komen Srila Visvanatha Cakravarti Thakura, Sri Baladeva Vidyabhusana, Srila Jagannatha dasa Babaji Maharaja en alle anderen. Er is geen tussenruimte. Er zijn zoveel acaryas.

Satyarupa dasi: Hebt u hierover geschreven?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Alles is neergeschreven. Daarna komen Srila Bhaktivinoda Thakura en Srila Gaura Kisora dasa Babaji Maharaja, Srila Bhaktisiddhanta Saravati Thakura, mijn Gurudeva en ook Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja - jouw Prabhupada. En zo komt het naar ons toe.

Hoe is de guru-parampara zo wijdvertakt geraakt? Omdat deze afkomstig is van de Zes Gosvami's, toen ging het naar Krsnadasa Kaviraja Gosvami en daarna naar Srila Narottama dasa Thakura. Ze predikten in heel Bengalen en hebben zoveel toegewijden gemaakt. Hun centra zijn niet overal ontstaan door onenigheden. Alles is via de parampara gelopen. Sommigen kwamen van Nityananda Prabhu, sommigen van Zijn echtgenote, Srimati Jahnava Thakurani, en anderen van Srinivasa Acarya, Sri Narottama dasa Thakura en anderen. Srila Rupa Gosvami heeft nooit op formele wijze sisyas (discipelen) aangenomen. Hij heeft maar één sisya gemaakt - Sri Jiva Gosvami. Sri Jiva Gosvami heeft ook geen formele leerlingen gemaakt, maar hij heeft toegewijden geadopteerd zoals Srinivasa, Syamananda en Narottama dasa en aan hen heeft hij alle spirituele waarheden onderwezen. Uit deze drie zijn zoveel groepen voortgekomen. Syamananda's groep, de groep van Narottama dasa Thakura, de groep van Srinivasa Acarya en de groep van Vircandra, de zoon van Jahnava en Nityananda Prabhu. Hun afdelingen en onderafdelingen hebben zich overal verspreid.

Na Baladeva Vidyabhusana brak er voor Gaudiya Vaisnava's een slechte tijd aan. Het predikwerk stagneerde en alle geleerde personen verloren hun vertrouwen in het Gaudiya Vaisnavisme. Sommigen ontwikkelden zich als Sahajiya's en deden 'bhajana' door andermans vrouw te stelen en te zeggen, "Dit is parakiya-bhava." Er zijn zoveel verkeerde dingen ingeslopen. Toen kwam Srila Bhaktivinoda Thakura en zag, dat er zoveel mengvormen waren bijgekomen. Daarom begon hij te preidiken en toen Srila Prabhupada Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakura kwam, zei Srila Bhaktivinoda Thakura tegen hem, "O, predik mijn boeken hier en daar." En dat is hij gaan doen.

Srila Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakura had zoveel zeer gekwalificeerde discipelen. Van hen was onze Guru Maharaja vooraanstaand en anderen ook, zoals Pujyapada Srila Sridhara Maharaja, Srila Bhakti Vilasa Tirtha, Srila Srauti Maharaja, Srila Giri Maharaja, Srila Bon Maharaja, Srila Vaikhanas Maharaja, Srila Bharati Maharaja, Srila Madhava Maharaja, Srila Siddhanti Maharaja en nog zoveel anderen. Zij hebben hier en daar hun matha gevestigd.

Na Srila Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakura was er een persoon met de naam Ananta Vasudeva prabhu. Hij was zeer gekwalificeerd, maar hij raakte onder betovering van een toegewijde dame en verliet zijn sannyasa. Ze trouwden en daarna keerde iedereen zich tegen hem en zeiden, "Nu moet je het gezinsleven instappen. Dit gedrag lijkt op een hond, die iets eet en daarna overgeeft." Hij was in die tijd erg sterk. Hij had geld en zoveel leerlingen en hij begon zijn godbroeders, de discipelen van Srila Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakura, die zich tegen hem verzetten, te mishandelen.

Satyarupa dasi: Wat was de reden van de wrijving?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Het was tot stand gekomen, omdat hij zich voelde aangetrokken tot zijn eigen leerling en met haar ging trouwen. Iedereen zei tegen hem, dat in Srimad-Bhagavatam en andere geschriften staat geschreven, dat dergelijk gedrag voor het Vaisnavaisme niet goed is. Ze zeiden, "Je moet met haar meegaan en jouw positie als acarya opgeven." Iedereen keerde zich tegen hem. Hij was op dat moment erg rijk en had veel macht. Daarom verlieten zijn godbroeders die plek en gingen hier en daar hun eigen matha oprichten.

Er zijn dus veel secties en iedereen, behalve hij, bevindt zich in de parampara. Ze zijn allemaal één. Ze komen soms bij elkaar en houden discussies. Ze komen elkaar ook hier en daar tegen, waar een utsava (festival) wordt gehouden. Hun predikcentra bevinden zich in verschillende plaatsen, maar ze hebben allemaal dezelfde opvatting.

Satyarupa dasi: Was de val van Ananta Vasudeva een regeling van Krsna, zodat de Gaudiya Matha zich verder zou uitbreiden?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Ja, dat is juist. We kunnen het op deze manier met elkaar in overeenstemming brengen. Anders hadden we niet in de hele wereld kunnen prediken.

Ik weet, dat we allemaal één familie zijn en dat het hoofd van de familie Sri Caitanya Mahaprabhu is, die onderwees, dat we allemaal Radha en Krsna moeten dienen. Ook al staan onze predikcentra op verschillende plaatsen, we zijn toch één familie. Ik denk, dat jij ook tot onze familie behoort.

Satyarupa dasi: Dat denk ik ook. We zijn één familie.

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Heb je meer vragen? Ben je tevreden?

Satyarupa dasi: Ja, ik heb nog veel vragen. Mag ik u een persoonlijke vraag stellen? Hoe gaat u om met vijandigheid? Hoe beantwoordt u bepaalde leiders van ISKCON, die zich vijandig tegen u opstellen?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Ik ben erg blij. Ik weet, dat ze mijn kinderen zijn. Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja heeft me gezegd hen te redden en ik weet, dat ze in onwetendheid zijn. Ik wil ze op alle mogelijke manieren helpen. Kleine kinderen kunnen soms verstoringen aanrichten, maar de moeder en vader nemen er geen aanstoot aan. Ik probeer hen altijd te helpen en ik ben erg blij. Ik weet, dat ze mijn kinderen zijn. Ze kunnen me alles aandoen, maar ik neem er nooit aanstoot aan. Ik ben blij, dat ik jullie kan helpen. Ik wil iedereen helpen, inclusief degenen, die zijn vertrokken. Ik heb een relatie met zovelen, die zijn gevallen. Ze komen bij me en ik ben blij. Ik weet, dat ze mijn jongere broers en zusters zijn, mijn zonen en dochters. Ik voel nooit iets als bepaalde personen dingen tegen me uitmeten. Ze maken zoveel negatieve propaganda, maar ik ervaar geen verstoring. Ik ben blij, dat ik door deze propaganda nog meer kan prediken.

Satyarupa dasi: Kunt u iets vertellen over uw inwijding?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Mijn inwijding is dezelfde als die van Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakura, zoals die van mijn Gurudeva en als die van Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja - dezelfde.

Satyarupa dasi: Wat betekent uw initiatie voor u? Wat is de intrinsieke betekenis?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Initiatie betekent het geven van een sterke relatie, een bijzondere relatie met Krsna en de realisatie van 'wie ben ik'. Wat betreft het Sanskriete woord 'diksa': in 'di' komt divya-jnana (de realisatie van de transcendente relatie met Krsna), "ik ben een eeuwige dienaar van Krsna". Maar er moet van 'eeuwige dienaar' nog een diepere betekenis bestaan. In de lijn van Sri Caitanya Mahaprabhu en Srila Rupa Gosvami zijn er vijf soorten relatie met Krsna. Bij een initiatie wordt een van deze relaties gegeven. Initiatie wordt niet op één moment of in één dag gegeven. We laten de toegewijde toe in de 'school' van diksa en het kan zoveel tijd kosten om al deze dingen te realiseren.

Satyarupa dasi: Ik heb gehoord, dat Srila Bhakti Pramode Puri Maharaja zei, dat de persoon, die wordt aangewezen door de guru om zijn samadhi uit te voeren, zijn opvolger is. Is dat waar?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Dat hoeft niet, maar Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja gaf me de opdracht om zijn samadhi te verzorgen en dat heb ik gedaan. Hij had zoveel vertrouwen in me. Ik ben zijn uttara-adhikari (opvolger) niet. Maar eigenlijk ben ik het wel. Degenen, die vallen, zijn uiterlijk zijn opvolgers, maar in spirituele en transcendente zin ben ik zijn opvolger.

Je moet ook weten, dat een verheven toegewijde op het moment van het geven van samadhi niet aanwezig hoeft te zijn. Hij kan in feite een hoger verheven discipel zijn en hij kan de opvolger zijn, geen probleem; maar ieder ander kan samadhi geven. Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja zei me dat te doen, maar het kan ook zo zijn, dat een andere acarya zijn opvolger niet heeft gezegd, "Jij moet me samadhi geven." Heeft Srila Puri Maharaja dat zelf gezegd? Ik vraag me af, of hij dat zo heeft gezegd.

Satyarupa dasi: Ik wil weten, of dit waar is of niet.

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Ik denk dat het niet waar is. Zijn opvolger is Sripad Bodhayana Maharaja, die een goede toegewijde is, heel bescheiden en beleefd, maar toen de samadhi werd gegeven, was hij er niet bij. Hij zat in een ander land. Anderen hebben het gedaan. Mijn godbroeders zijn gekomen en anderen kwamen en zij hebben allemaal samadhi gegeven. Na enige tijd kwam Bhodayana Maharaja en dat is geen probleem. Het is geen siddhanta, dat degene, die samadhi geeft, de opvolger moet worden. Er kwamen zoveel toegewijden uit Devananda Gaudiya Matha en anderen kwamen ook om Srila Bhakti Pramode Puri Maharaja samadhi te geven. Maar ze worden niet zijn opvolger. De opvolger zal zijn eigen leerling zijn, in wie hij vertrouwen heeft gehad en tegen wie hij het heeft verteld.

Doorgaans zegt de guru nooit, wie zijn opvolger wordt. Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja heeft nooit gezegd, wie zijn opvolger wordt. Srila Bhaktisiddhanta Sarasvati Gosvami Prabhupada heeft nooit gezegd, wie zijn opvolger ging worden. Hij wist dat "Iemand zal naar voren treden, die me zeer nabij en dierbaar is en die alle siddhanta kent." Niemand kan ooit iemand guru maken door toewijzing of benoeming. Zijn eigen kwaliteiten maken hem guru.

Satyarupa dasi: Srila Bhaktisiddhanta Sarasvati Gosvami Maharaja heeft geen opvolger aangewezen. Hoe is Ananta Vasudeva dan zijn opvolger geworden?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Het ligt niet in de transcendente lijn, dat iemand een ander guru kan maken. Het kan zijn, dat iemand zo gekwalificeerd is, dat Gurudeva hem selecteert en zegt, "Na mij word jij opvolger." Dit is één lijn. De meer essentiële en vooraanstaande lijn echter is, dat iemand, die Gurudeva totaal dient, die na zijn vertrek in zijn lijn zoveel predikt en zijn Gurudeva zeer prominent maakt, opvolger wordt. Hij predikt dezelfde lijn.

Prabhupada Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakura heeft mijn Gurudeva nooit gezegd, "Jij moet mijn opvolger worden." Nooit. Maar hij werd het wel, evenals Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja. Mijn Gurudeva heeft me nooit aangewezen, toch werd ik dat en nu ik in de hele wereld predik, word ik door zovelen aanvaard. Het is dus afhankelijk van kwaliteit. Srila Prabhupada Bhaktivedanta Svami Maharaja werd niet door iemand gemaakt, toch werd hij in de hele wereld prominent. Ramanuja werd geen acarya gemaakt. Ken je Ramanuja? Hij heeft zelf sannyasa genomen en Madhvacarya heeft dat ook gedaan. Hem werd door niemand sannyasa gegeven.

Dus we moeten deze gedachte volgen. Wie heeft van Srila Sukadeva Gosvami een acarya gemaakt? Sri Vyasadeva heeft nooit gezegd, "Jij bent mijn opvolger." Krsna regelt, dat degenen, die bhakti doen, acaryas worden.

Srila Svami Maharaja wist, wat de kwalificaties van zijn leerlingen waren - dat ze kunnen vallen, dat ze hem vergif kunnen toedienen en zoveel dingen meer. Dus hij heeft nooit iemand tot zijn opvolger verklaard.

Satyarupa dasi: Wanneer de tijd komt, dat u moet vertrekken, op welke manier zou u dan willen zien, dat de dingen voortgang vinden?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Ik ken het systeem vanaf het begin. Niemand heeft Sri Narada Rsi acarya gemaakt. Hij die zeer goede kwaliteiten manifesteert en zijn Gurudeva diensten verleent - hij is acarya. Ik maak me er geen zorgen over. Als ik iemand zie, zal ik hem selecteren. En zonder te worden geselecteerd, worden ze uit zichzelf acarya op basis van hun eigenschappen en iedereen zal hem moeten gehoorzamen. We weten, dat Srila Rupa Gosvami onze complete oer-acarya is en dat hij nooit iemand heeft geïnitieerd. Toch aanvaardt iedereen hem.

Satyarupa dasi: Dus we kunnen siksa van Srila Rupa Gosvami krijgen?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Ja. Dit is de eeuwige lijn. Niemand heeft ooit geweten, dat ik in de hele wereld zou gaan prediken en mijn gurudeva ging prijzen en de hele parampara en deze parakiya stemming ging verkondigen. Maar Krsna krijgt alles voor elkaar, zelfs van een uitgedroogd strootje. Ik ben niet gekwalificeerd, maar toch heeft mijn Gurudeva me geaccepteerd, mijn hele guru-parampara aanvaardt me als acarya. Ik heb nooit gedacht, "Ik ben acarya". Nooit. Een dergelijk zelfbeeld heb ik niet. Ik ben geen acarya, maar iedereen zegt me, dat ik het wel ben.

Satyarupa dasi: Wat is uw gevoel over de Australische toegewijden? Wat is uw ervaring en hoe denkt u, dat het predikwerk hier groeit?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Ik weet, dat in al het predikwerk Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja Prabhupada de basis is. Alleen met zijn genade is iedereen aan het prediken. Als ik predik, weet iedereen, "Oh, hij is in de lijn van Srila Svamiji, Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja; hij predikt in zijn lijn." Behalve in India heeft Srila Svamiji dit overal in de wereld gedaan door een hand van Srila Bhaktisiddhanta Sarasvati Gosvami Thakura te zijn. Natuurlijk heeft hij het ook in India gedaan, maar in India waren ook anderen werkzaam.

Ik weet, dat er overal in diverse afdelingen zoveel leerlingen zijn, zoals Pujyapada Govinda Maharaja, ikzelf, Srila Puri Maharaja en Srila Bhakti Ballabha Tirtha Maharaja. Allemaal maken ze leerlingen en ik zie hen als één familie. Maar nu zie ik, dat zoveel afdelingen elkaar niet mogen. Ze vechten onder elkaar en ook met anderen. Ze vechten zelfs met hun vrouw en gaan scheiden. En sommige discipelen scheiden ook van hun guru. Wij houden daar niet van. We moeten juist proberen elkaar te helpen.

Er heerst afgunst. De leerlingen van bepaalde gurus komen nooit naar me toe. Die gurus zijn een beetje bang, maar ik ben niet bang. Ik weet, dat ze zich in één familie bevinden. Ze zijn bang, dat "Oh, als hij (Srila Narayana Gosvami Maharaja) komt, trekt hij al mijn leerlingen aan en neemt hen mee." Maar daarmee ben ik helemaal niet bezig. Ik wil iedereen helpen, zoals een siksa-guru hulp geeft. Dat moeten ze begrijpen en ze mogen geen ruzie maken, anders gaat dit predikwerk problemen krijgen.

We moeten op deze manier denken, "Hij kan mijn leerlingen helpen en ik moet zijn leerlingen helpen." In de tijd van Sri Caitanya Mahaprabhu bestond er geen verdeling, zoals vandaag de dag - dat hij mocht komen of niet mocht komen. Iedereen ging naar Sri Caitanya Mahaprabhu, iedereen ging naar Srila Rupa Gosvami. Ik wil dat het ook hier op die manier gaat.

Ook al weet ik, dat leerlingen soms zwak kunnen worden en bhakti opgeven, ik wil hen helpen, zodat ze weer opnieuw dienst kunnen verlenen. Dat ben ik aan het doen. Ik roep degenen, die zijn vertrokken, en geef hen inspiratie om hun Gurudeva te dienen. Ik geef hulp zonder onderscheid van kaste en overtuiging.

Satyarupa dasi: Waarom heerst die angst hier? Waarom is er angst?

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Vanwege onwetendheid. In het Vaisnavisme mag geen afgunst bestaan. Ofschoon ISKCON erg groot is, is dit de reden, waarom er onder de leden een gebrek aan harmonie heerst. Ze hebben geen eerbied voor hun ouderen en ouderen geven niet al hun liefde en genegenheid aan de jongeren. Dat moeten wij proberen te doen. Anders komt er weer een duister tijdperk aan en wordt alles geruïneerd. Ik denk, als ik hier niet zou zijn en niet hier en daar naartoe zou gaan, er groepen sahajiyas gaan denken, "Oh, wij zijn Caitanyaïeten" en zich gaan uitbreiden. Ik wil een revolutie zoals dit: we moeten naar het ware pad komen in de ware zin van het woord. Krsna zal iets regelen voor iemand na mij en daarna komt iemand anders en dan wordt het niet geruïneerd. De wereld wordt geruïneerd, maar deze lijn is eeuwig. Srila Bhaktivinoda Thakura heeft gezegd, dat deze lijn eeuwig is. Mensen uit iedere richting komen hier naartoe.

Satyarupa dasi: U zei, dat Ramanuja zelf sannyasa heeft genomen.

Srila Narayana Gosvami Maharaja: Hijzelf. Ramanujacarya wilde sannyasa nemen en onze bhakti cultus prediken. Echter voordat hij aan de voeten van zijn guru arriveerde, was zijn guru overgegaan. Al zijn discipelen droegen hem op een draagbaar om hem samadhi te geven. Ramanujacarya kwam hen onderweg tegen en vroeg, "Waar gaan jullie naartoe en wie dragen jullie op de draagbaar?" Ze antwoordden, "Hij is Jamunacarya en hij heeft deze wereld verlaten."

Ramanuja verzocht hen, "Stop hier. Ik wil Gurudeva zien." Toen ze de draagbaar neerzetten, vroeg hij, "Waarom zijn zijn drie vingers gesloten?" Over het algemeen zijn de vingers bij de geboorte gesloten en ze zijn open bij overlijden. Ramanuja was verbaasd bij het zien van de gesloten vingers. "Waarom zijn die vingers op een onnatuurlijke manier gesloten?" Iedereen was verbaasd en ze zeiden hem, "Niemand van ons heeft dit eerder gezien." Toen zei Ramanujacarya, "Ik ga nu meteen sannyasa nemen." De eerste vinger opende zich en ging recht staan. Toen zei hij, "Ik ga een commentaar op de Vedanta Sutra schrijven." De tweede vinger ging open en ging recht staan. Toen zei hij, "O Gurudeva, ik ga jouw missie overal prediken. Ik ga in heel India prediken, mijn boeken verspreiden en de mayavada filosofie verslaan." Toen de laatste vinger recht ging staan, verklaarde Ramanujacarya, "Mijn Gurudeva is niet dood. Hij is hier nog. Hij is in Samadhi." De discipelen zeiden tegen hem, "U moet hem Samadhi geven." Ramanuja nam daar op dat moment sannyasa en daarna namen de discipelen hem mee om hem samadhi te geven. Daarna ging Ramanujacarya naar de tempel van Sri Rangam en verleende gedurende twaalf jaar diensten aan al zijn oudere godbroeders.

Sommigen diende hij één maand, anderen twee maanden, weer anderen drie maanden, vier maanden, enzovoort. En (in zijn menselijk spel) kreeg hij zegeningen en alle kennis van hen. Hierna werd hij acarya. Ramanuja was werkelijk zo gekwalificeerd. Hij wilde de hele wereld onderwijzen, dat een gevorderde toegewijde niet trots is.



auteursrecht

Referenties:
Overzicht licentie: https://creativecommons.org/licenses/by-nd/4.0/legalcode.nl
Auteur (spreker) Engels: Sri Srimad Bhaktivedanta Narayana Gosvami Maharaja
Pure Bhakti/Teachers/Bhakti Discourses, "What is the Gaudiya Sampradaya"
Vertaler Nederlands: Indira dasi CC BY-ND, Pro Deo Uitgever Jaya Radhe
Bhakti Lezingen, "Wat is de Gaudiya Sampradaya"




TOP


DIT DOCUMENT IS BESCHIKBAAR IN PDF


title=""