Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 40

Het bereiken van Prema, de grootste rijkdom


Vijaya zat zwaar te peinzen, "Nu ik over vraja-līlā heb gehoord, is er in mijn hart een begeerte voor die līlā ontwaakt, waardoor ik geleidelijk het stadium van volkomen succes (sampatti-daśā) zal bereiken." Zo denkend, kwam hij tot de slotsom, dat hij nu alles moest weten over de aard van deze geleidelijke ontwikkeling. Hij benaderde Śrī Guru Gosvāmī en informeerde op bescheiden toon, "Prabhu, het is nodig, dat ik de diverse fasen leer kennen, die een bhakta doorloopt vanaf het stadium van horen tot dat van sampatti-daśā (volkomen succes)."


Gosvāmī: Er zijn bij elkaar vijf stadia: (1) śravaṇa-daśā (het stadium van horen), (2) varaṇa-daśā (het stadium van aanvaarding), (3) smaraṇa-daśā (het stadium van herinnering), (4) bhāvāpana-daśā (het stadium van spirituele extase) en (5) prema-sampatti-daśā (het stadium van het bereiken van het grootste succes van prema).

Vijaya: Wilt u zo goed zijn sravaṇa-daśā uit te leggen?

Gosvāmī: Wanneer de jīva ruci ontwikkelt voor het horen van kṛṣṇa-līlā-kathā, moet het duidelijk zijn, dat hij zijn staat van afkeer teboven is gekomen. Op dat moment ontwaakt er een intense hunkering om kṛṣṇa-kathā te horen en hij dient transcendentale kṛṣṇa-kathā uit de mond van een bhakta te vernemen, die veel verder is gevorderd dan hijzelf.

In Śrīmad-Bhāgavatam (4.29.40) wordt gezegd,

tasmin mahan-mukharitā madhu-bhic-caritra-
pīyūṣa-śeṣa-saritaḥ paritaḥ sravanti
tā ye pibanty avitṛṣo nṛpa gāḍha-karṇais
tān na spṛśanty aśana-tṛḍ-bhaya-śoka-mohāḥ

In bijeenkomsten van heilige personen vloeien uit de mond van grote zielen oneindige stromen zuivere nectar in de vorm van beschrijvingen van het transcendentale karakter, spel en de kwaliteiten van Śrī Kṛṣṇa. Zij, die nimmer voldaan raken, wanneer ze deze ambrozijnen heerlijkheden in grote vervoering met hun oren drinken, kunnen nooit onderhevig zijn aan honger, dorst, angst, verdriet, waanideeën en andere anartha's.

Vijaya: Degenen, die een afkeer hebben (bahirmukha-daśā), horen ook bij gelegenheid kṛṣṇa-kathā. Welke soort śravaṇa is dat?

Gosvāmī: Er is een aanzienlijk verschil tussen de śravaṇa van kṛṣṇa-kathā in de staat van afkeer (bahirmukha-daśā) en śravaṇa in een gunstig gestemde staat (antarmukha-daśā). De śravaṇa van degenen, die bahirmukha zijn, doet zich bij toeval voor en niet vanwege hun śraddhā. Śravaṇa met śraddhā (vertrouwen) geeft aanleiding tot spiritueel vermogen, dat tot bhakti leidt (bhakty-unmukhī sukṛti) en wanneer dit zich over vele levens heeft geaccumuleerd, geeft het aanleiding tot transcendentale śraddhā. In het stadium, waarin deze transcendentale śraddhā in het hart is ontwaakt, wordt de śravaṇa van kṛṣṇa-kathā van de lippen van heilige persoonlijkheden śravaṇa-daśā genoemd. Er zijn twee soorten śravaṇa-daśā. De eerste is niet methodisch en betreft onregelmatig horen (krama-hīna-śravaṇa-daśā); de tweede is systematisch en betreft horen met regelmaat (krama-śuddhā-śravaṇa-daśā).

Vijaya: Wat is krama-hīna-śravaṇa-daśā (onregelmatig horen)?

Gosvāmī: Krama-hīna-śravaṇa-daśā is op een onregelmatige en onsystematische manier over kṛṣṇa-līlā horen. Het horen van kṛṣṇa-līlā zonder vastberaden intelligentie resulteert in deze vorm van niet-methodische śravaṇa, want deze manier van horen stelt je niet in staat om de relatie tussen de diverse līlā's te realiseren en daarom ontwaakt er geen rasa in het hart.

Vijaya: Wilt u alstublieft uitleggen wat krama-śuddhā-śravaṇa-daśā (systematisch horen) is?

Gosvāmī: Rasa ontwaakt alleen in het hart, wanneer kṛṣṇa-līlā op een methodische wijze, of met een vaste regelmaat en een vastberaden intelligentie wordt gehoord. Als je de aṣṭa-kālīya-nitya-līlā (eeuwig, achtvoudig spel) apart van de naimittika-līlā's (incidentele līlā's, zoals Kṛṣṇa's goddelijke geboorte, enzovoort) hoort, is je śravaṇa krama-śuddhā. Alleen deze krama-śuddhā śravaṇa is op het pad van bhajana gewenst. Als kṛṣṇa-līlā op de wijze van krama-śuddhā wordt gehoord, kan de lieftalligheid en de betovering van de līlā geleidelijk worden bevat en verschijnt in het hart van de luisteraar de neiging om rāgānugā-bhajana uit te voeren. Op dat moment denkt hij bij zichzelf, "Aho ! Subala heeft zo'n wonderbaarlijke sakhya-bhāva voor Kṛṣṇa. Ik ga ook liefdevolle sevā aan Kṛṣṇa verlenen, evenals hij doet in sakhya-rasa." Deze vorm van sterke affiniteit wordt lobha (gretigheid) genoemd. De uitvoering van kṛṣṇa-bhajana met zulke lobha, waarbij je de liefdevolle bhāva's van de vraja-vāsī's volgt, wordt rāgānugā-bhakti genoemd. Ik heb hier het voorbeeld gegeven van sakhya-rasa, maar deze vorm van rāgānugā-bhakti wordt in alle vier rasa's uitgevoerd, te beginnen met dāsya. Door de genade van mijn Prāṇeśvara Śrī Nimānanda heb je een natuurlijke aanleg voor śṛṅgāra-rasa. Omdat je over de uitzonderlijke bhāva's en de dienstbare houding van de vraja-gopī's jegens Kṛṣṇa hebt gehoord, is de gretigheid in je hart verschenen om premamayi-sevā aan Kṛṣṇa te verlenen, zoals zij dat doen, en juist die begeerte heeft je op het pad gezet om zulke aprākṛta-sevā (transcendentale dienst) te verkrijgen.

In werkelijkheid is de enige śravaṇa-daśā (stadium van horen) in dit proces de vertrouwelijke conversatie tussen guru en discipel.

Vijaya: Wanneer wordt de śravaṇa-daśā als voltooid beschouwd?

Gosvāmī: Je śravaṇa-daśā is voltooid, zodra je het aspect van eeuwigheid van kṛṣṇa-līlā realiseert. Omdat kṛṣṇa-līlā uiterst zuiver en transcendentaal is, neemt het je verstand en je hart volledig in beslag. Dan word je geteisterd door een acuut ongeduld om erin binnen te treden en eraan deel te nemen. Śrī Gurudeva vertelt de śiṣya over de ekādaśa-bhāva's, die ik hiervoor heb genoemd. Śravaṇa-daśā mag alleen voltooid of geperfectioneerd worden beschouwd, als het geestelijke karakter van de leerling is doordrenkt met de lieflijkheid van de līlā. Op dat moment wordt de leerling door intense begeerte aangegrepen en gaat hij varaṇa-daśā (het stadium van aanvaarding) binnen.

Vijaya: Prabhu, vertelt u me alstublieft over varaṇa-daśā.

Gosvāmī: Zodra de spontane verknochtheid van het hart door de boeien van de ekādaśa-bhāva's, die ik hiervoor gaf, in de līlā wordt gebonden, raakt de leerling overweldigd en valt snikkend aan de lotusvoeten van Gurudeva neer. Op dat moment wordt Gurudeva manifest in de vorm van een sakhī en de leerling als haar dienares. De wezenlijke eigenschap van de vraja-gopī's is hun buitensporige gretigheid om liefdevolle toegewijde dienst aan Śrī Kṛṣṇa te verlenen. Gurudeva is een vraja-lalanā, die het geperfectioneerde stadium van deze sevā heeft bereikt. Dan bidt de leerling op nederige toon aan Śrī Gurudeva met de volgende, hartgrondige gevoelens,

tvāṁ natvā yācate dhṛtvā tṛṇaṁ dantair ayaṁ janaḥ
sva-dāsyāmṛta-sekena jīvayāmuṁ su-duḥkhitam
na muńcec charaṇāyātam api duṣṭaṁ dayāmayaḥ
ato rādhālike hā hā muńcainaṁ naiva tādṛśam
                                                  Premāmbhoja-marandāhkya-stavarāja (11-12)

O Rādhālike, ik ben zo gedegradeerd. Met een grasspriet tussen mijn tanden en vallend aan Je lotusvoeten bid ik in alle mogelijke nederigheid, dat Je zo goed bent Je genade over deze wanhopige ziel uit te storten en dat Je me wilt bezielen door me de nectar van toegewijde dienst onder Jouw leiding en supervisie te geven. Zij, die gevierd zijn als vriendelijk en genadevol, wijzen zelfs geen ellendelingen, die hun bescherming aanvaarden en zich aan hen overgeven, af; dit is juist hun aard. Wees daarom aardig tegen deze ellendeling, die zich aan Je heeft overgegeven. Depriveer me alsjeblieft niet van Je grondeloze gratie. Ik verlang zo intens naar de liefdevolle dienst van het Goddelijk Paar van Vraja onder de bescherming van Je lotusvoeten.

Dit is de typerende bhāva van varaṇa-daśā (het stadium van aanvaarding). In dit stadium geeft de guru-rūpā sakhī de sādhaka de opdracht (ājńā) om zich aan aṣṭa-kālīya-līlā-smaraṇam over te geven door volledig zijn toevlucht tot kṛṣṇa-nāma te nemen en zich in Vraja te vestigen, waarbij hij hem verzekert, dat zijn hartgrondig gekoesterde verlangen spoedig in vervulling zal gaan.

Vijaya: Vertelt u me alstublieft over smaraṇa-daśā (het stadium van herinnering).

Gosvāmī: Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft gezegd,

kṛṣṇaṁ smaran janań cāsya presṭhaṁ nija-śamīhitaṁ
tat-tat-kathā-rataś cāsau kuryād vāsaṁ vraje sadā
                                                               Bhakti-rasāmṛta-sindhu, Oostelijke Divisie (2.294-96)

De sādhaka dient zich voortdurend Śrī Kṛṣṇa met Zijn geliefde, eeuwige metgezellen te herinneren. Hij dient zich te verdiepen in het chanten en horen van Hun glorieuze spel en hij dient altijd in Vraja te wonen.

śravaṇotkīrtanādīni vaidha-bhakty-uditāni tu
yāny aṅgāni ca tāny atra vijńeyāni manīṣibhiḥ

Zij, die goed belezen zijn in transcendentale kennis (tattva-vit) weten dondersgoed, dat de diverse onderdelen van bhakti, zoals śravaṇa en luide kīrtana, ook in rāgānugā-bhakti dienen te worden beoefend.

Zelfs nog voordat Vijaya Kumāra de diepere uitleg van deze drie śloka’s had gehoord, vroeg hij, "Wat betekent kuryād vāsaṁ vraje sadā?"

Gosvāmī: Volgens Śrīla Jīva Gosvāmī betekent het, dat de sādhaka fysiek in vraja-maṇḍala dient te leven, met andere woorden, op de plaatsen, waar het spel van Śrī Śrī Rādhā en Kṛṣṇa heeft plaatsgevonden (līlā-maṇḍala). Als hij fysiek niet in Vraja kan existeren, dient hij er mentaal te zijn, want het resultaat van mentaal in Vraja wonen is hetzelfde als er fysiek wonen. De sādhaka dient in het voetspoor van die bijzondere sakhī te volgen, wier liefdevolle bhāva's (premika-rāga) hem hebben aangetrokken. Hij dient in Vraja te wonen met de abhimāna van een kuńja-sevikā (een dienstmeisje in de kuńja) van die bijzondere sakhī. Hij dient zich Śrī Kṛṣṇa en de bhāva van die sakhī onafgebroken te herinneren.

Met zijn grofstoffelijk lichaam dient de sādhaka de aṅga's van vaidhī-bhakti te volgen, zoals śravaṇa en kīrtana. Met zijn subtiel materiële lichaam dient hij zich onafgebroken de aṣṭa-kālīya-līlā te herinneren en zijn toegewezen sevā als een siddha-vraja-gopī te verlenen in overeenstemming met de elf bhāva's, die hij heeft gekregen.

Uiterlijk moet de sādhaka zijn bestaan in stand houden door de voorgeschreven, regulerende principes te volgen en innerlijk dient hij de bhāva's te cultiveren, die zijn spirituele gedaante (siddha-deha) voeden. Iemand, die deze procedure op de juiste wijze volgt, raakt op natuurlijke wijze van alles onhecht behalve van Vraja.

Vijaya: Wilt u deze sevā helderder illustreren?

Gosvāmī: De ware betekenis van vraja-vāsa is met aprākṛta-bhāva op een eenzame plek te vertoeven. De sādhaka dient sevā in overeenstemming met de aṣṭa-kālīya-līlā te verlenen, waarbij hij regelmatig een vastgestelde hoeveelheid hari-nāma chant. Hij dient de activiteiten ten behoeve van zijn lichamelijke instandhouding zodanig te reguleren, dat ze niet met zijn bhajana in conflict komen. Met andere woorden, het dagelijks leven dient dusdanig te worden geplooid, dat de bezigheden voor de instandhouding van het lichaam ten gunste van bhajana komen.

Vijaya Kumāra dacht hierover diep na en zei, "Prabhu, ik heb het volkomen begrepen, maar hoe wordt de geest rustig?"

Gosvāmī: De geest wordt vanzelf kalm, zodra je rāgānugā-bhakti bereikt. Dit komt, omdat het hunkeren van de geest naar werelds plezier automatisch ophoudt, wanneer de geest wordt bezield door de inherente, liefdevolle gehechtheid aan het zelf en zijn aandacht op Vraja richt. Anders gezegd, de geest jaagt op aards genoegen louter vanwege zijn affiniteit ermee, maar als die affiniteit op Vraja wordt gericht, wordt de geest rustig vanwege de afwezigheid van zulke gehechtheid aan aardse toestanden. Maar, indien enige vrees voor obstakels blijft bestaan, is het heilzaam om de geleidelijke (krama) koers te varen, die ik voorheen heb voorgesteld. Wanneer dan de geest volkomen wordt beheersd, kunnen de afleidingsmanoevres van de aardse toestanden geen enkele schade meer berokkenen.

Vijaya: Wat betekent krama (geleidelijke) cultivering?

Gosvāmī: Je moet een vastgestelde hoeveelheid hari-nāma handhaven en iedere dag gedurende een vastgestelde tijd in afzondering śrī-hari-nāma oprecht chanten, waarbij je in je bijzondere bhāva bent verzonken en je geest vrij houdt van wereldse beslommeringen. Langzaam en geleidelijk aan dien je de tijd voor deze sādhana te verlengen en uiteindelijk komt het stadium, waarin de geest altijd met alaukika-cinmaya-bhāva's is verzadigd, zodat geen wereldse gedachten meer de overhand kunnen krijgen.

Vijaya: Hoelang moet je deze oefening volgen?

Gosvāmī: Deze beoefening dien je uit te voeren, totdat je de staat hebt bereikt, waarin je je buiten iedere verstoring bevindt.

Vijaya: Hoe kun je nāma-smaraṇa met bhāva uitvoeren? Kunt u hier nader op ingaan, alstublieft?

Gosvāmī: Eerst moet je nāma chanten in ullāsa (opgewekte stemming). Dan combineer je die blijdschap met bezitsdrang (mamatā). Daarna verbind je die mamatā met viśrambha (intimiteit). Als je dit doet, ontstaat geleidelijk śuddhā-bhāva. Dan verschijnt bhāvāpana-daśā (spirituele extase). Aanvankelijk, gedurende de tijd van smaraṇa, dringt de sādhaka eenvoudig bhāva aan zijn beoefening op. In het stadium van bhāvāpana echter manifesteert zich śuddhā-bhāva in zijn hart en dit wordt prema genoemd. Dit is in feite de volgorde van de geleidelijke ontwikkeling van niṣṭhā in het hart van de upāsaka (transcendentale dienaar) en tot deze beoefening behoort ook de ontwikkeling van niṣṭhā in de conceptie van upāsya (object van sevā).

Vijaya: Wat is de volgorde van upāsya-niṣṭhā?

Gosvāmī: Als je het tot volle bloei gekomen stadium van prema wilt bereiken, dien je de volgende instructie van Śrī Dāsa Gosvāmī te aanvaarden,

yadīccher āvāsaṁ vraja-bhuvi sa-rāgaṁ prati-janur
yuva-dvandvaṁ tac cet paricaritum ārād abhilaṣeḥ
svarūpaṁ śrī-rūpaṁ sa-gaṇam iha tasyāgrajam api
sphuṭaṁ premṇā nityaṁ smara nāma tadā tvaṁ śṛṇu mānaḥ
                                                                                   Mānaḥ
-śikṣā (3)

O geest! Als je een vurig verlangen koestert om met rāga in Vraja te leven en als je ernaar hunkert om leven na leven rechtstreekse, liefdevolle sevā te verlenen aan Vraja-Yugala in Hun parakīya avonturen, die vrij zijn van iedere slavernij aan het regime van de huwelijkse staat, dan moet je onmiskenbaar en constant Śrī Svarūpa Gosvāmī en Śrī Rūpa en Śrī Sanātana Gosvāmī's samen met hun metgezellen in gedachten houden. Je dient hen als je guru-rūpā-sakhī's te aanvaarden en hen praṇāma aan te bieden.

De gedachte hierachter is, dat het uitvoeren van sādhana in de bhāva van svakīya-rasa resulteert in samańjasa-rasa, waarin de sevā-bhāva voor het Goddelijk Paar beperkt is en zich niet in een tot volle bloei gekomen staat bevindt. Daarom dien je bhajana uit te voeren, waarbij je het spirituele ego (abhimāna) van zuivere parakīya-rasa volgens de concepties van Śrī Svarūpa, Śrī Rūpa en Śrī Sanātana in stand houdt. Zelfs tijdens het stadium van sādhana, waarin de bhāva's eenvoudig worden afgedwongen, dien je alleen de zuivere parakīya-bhāva aan te nemen. Als de sādhaka zichzelf de parakīya bhāva's oplegt, zal zich parakīya-rati manifesteren en uit deze parakīya-rati zal uiteindelijk parakīya-rasa voortkomen. Dit is zowaar de nitya-rasa van Vraja aprakaṭa-līlā.

Vijaya: Wat is het proces van het horen (krama-śuddhā) in de volgorde van aṣṭa-kālīya-līlā?

Gosvāmī: Nadat hij alle fascinerende variëteiten van rasa in aṣṭa-kālīya-līlā had uitgelegd, heeft Śrī Rūpa Gosvāmī gezegd,

atalatvād apāratvād āpto'sau durvigāhatām
spṛṣṭaiḥ paraṁ taṭasthena rasābdhir madhuro yathā
                                               Ujjvala-nīlamaṇi, Gauṇa-sambhoga division (23)

Kṛṣṇa-līlā is in al zijn aspecten volkomen transcendentaal. Hij is een zoete oceaan van rasa. Deze oceaan is echter onbevattelijk en kent geen oevers. Kṛṣṇa-līlā is onbegrijpelijk voor de wezens van deze wereld, want het is voor hen buitengewoon moeilijk om het sterfelijke gebied te doorkruisen en toegang te krijgen tot śuddhā-aprākṛta-tattva (zuiver transcendentale realiteit). De aprākṛta-rasa is zo verbijsterend, gevarieerd en aldoordringend, dat hij niet kan worden overstegen.

Zelfs iemand, die is bezield met aprākṛta-bhāva, die leeft in die zuivere tattva en de esoterische kṛṣṇa-līlā uitlegt, geeft geen vlekkeloze of complete beschrijving, omdat iedere beschrijving afhankelijk is van woorden en die woorden schieten tekort om de transcendentale realiteit in zijn volheid uit te drukken. Afgezien van zo iemand, wanneer Bhagavān Zelf aprākṛta-rasa omschrijft, nemen de luisteraars en lezers, die zelf door aardse gebreken en beperkingen worden overweldigd, Zijn eigen beschrijving als onjuist waar. Het blijkt dus, dat het beslist zeer moeilijk is om diep in de oceaan van rasa te duiken. Als je echter in een neutrale staat aan de oever van die oceaan zit, kun je er een druppel van beschrijven.

Vijaya: Hoe is het dan mogelijk om aprākṛta-rasa te bereiken?

Gosvāmī: Madhura-rasa is onoverzienbaar, ongeëvenaard en moeilijk te bevatten. Dit is nu juist de aard van kṛṣṇa-līlā. Onze geliefde Kṛṣṇa echter beschikt in onbegrensde mate over twee bijzondere kwaliteiten, die de enige basis vormen van onze hoop: Hij is sarva-śaktimān (bezitter van alle vermogens) en icchā māyā (in bezit van Zijn eigen, ongehinderde en onafhankelijke wil). Hij kan dus door Zijn zoete wil Zijn esoterische līlā gemakkelijk in deze aardse wereld manifesteren, ofschoon ze ongelimiteerd, onoverzienbaar en moeilijk te begrijpen zijn. Deze aardse wereld is buitengewoon onbeduidend en klein, maar toch wenst Hij als allerhoogste autocraat de allerhoogste, transcendentale aspecten van kṛṣṇa-līlā naar deze wereld brengen. Louter door Zijn grondeloze genade heeft Zijn transcendentale, eeuwige en lieftallige līlā verzadigd van rasa (aprākṛta-nitya-madhura-rasamaya-līlā) zich in deze aardse wereld gemanifesteerd.

Hoe is het voor Śrī Mathurā-dhāma, dat aprākṛta (transcendentaal aan deze aardse planeet) is, mogelijk zich in deze wereld te manifesteren en hoe kan de dhāma hier existeren? Hierop is geen enkel argument van toepassing, want het is voor de beperkte intelligentie van mensen of devatā's nooit mogelijk om de activiteiten van Bhagavāns acintya-śakti te bevatten. Vraja-līlā, dat zich in deze wereld afspeelt, is de prakaṭa-bhāva (manifeste ervaring) van de allerhoogste kṛṣṇa-līlā, die transcendentaal is aan dit hele aardse gebied. Wij hebben vraja-līlā gerealiseerd en bereikt, dus er is voor ons geen reden tot ongerustheid.

Vijaya: Als prakaṭa-līlā en aprakaṭa-līlā beide dezelfde tattva zijn, hoe is het dan mogelijk, dat de ene superieur is aan de andere?

Gosvāmī: Beide zijn ongetwijfeld dezelfde. De līlā, die hier manifest is, bestaat in zijn totaliteit in het transcendentale gebied, inderdaad. Vanuit het gezichtspunt echter van de geconditioneerde zielen in de beginstadia van hun sādhana verschijnt hij op een bepaalde manier en naarmate ze geleidelijk vooruitgang maken, verschijnt hij in toenemende mate in verheven vormen. In het stadium van bhāvāpana (spirituele extase) is de realisatie van deze līlā volkomen zuiver.

Vijaya, jij bent gekwalificeerd om over dit onderwerp te horen, dus ik twijfel er niet aan om met jou hierover te spreken. Men bereikt het stadium van bhāvāpana in de smaraṇa-daśā als resultaat van het langdurig uitvoeren van de juiste sādhana. In het stadium van smaraṇa, waarin men volkomen vrij wordt van alle vervuilende gevoelens van deze aardse ervaring, verschijnt het stadium van āpana (realisatie van de eigen svarūpa). Śuddhā-bhakti verschijnt genadevol in het hart van de sādhaka in de mate, waarin hij de juiste beoefening in smaraṇa-daśā heeft gevolgd. Alleen bhakti is kṛṣṇa-ākarṣiṇī (aantrekkelijk voor Kṛṣṇa). Dus door Kṛṣṇa's gratie wordt in smaraṇa-daśā alle vervuiling in de vorm van misvattingen geleidelijk geëlimineerd.

In Śrīmad-Bhāgavatam (11.14.26) wordt gezegd,

yathā yathātmā parimṛjyate 'sau
mat-puṇya-gāthā-śravaṇābhidhānaiḥ
tathā tathā paśyati vastu sūkṣmaṁ
cakṣur yathaivāńjana-samprayuktam

Zoals het aanbrengen van zalf op de ogen ze de kracht geeft om zelfs subtiele objecten waar te nemen, zo krijgt het hart van de jīva, wanneer het is gezuiverd door śravaṇa en kīrtana van Mijn uitermate zuiverende līlā-kathā, het vermogen om zeer subtiele tattva te realiseren, namelijk de waarheid over Mijn svarūpa en Mijn līlā.

Als de ogen met zalf worden behandeld, kunnen ze veel helderder zien. Op dezelfde manier kan een jīva de aprākṛta-svarūpa (transcendentale natuur) van de manifeste kṛṣṇa-līlā realiseren in de mate, waarin hij door contact met de aprākṛta-vastu (transcendentale realiteit) onder invloed van de śravaṇa, kīrtana en smaraṇa van kṛṣṇa-līlā-kathā is gezuiverd.

In Brahma-saṁhitā (5.38) staat,

premāńjana-cchurita-bhakti-vilocanena
santaḥ sadaiva hṛdayeṣu vilokayanti
yaṁ śyāmasundaram acintya-guṇa-svarūpaṁ
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi

Ik voer bhajana uit voor de oorspronkelijke puruṣa, Śrī Govinda, die Śyāmasundara Kṛṣṇa is. Zijn vorm heeft onoverzienbare, unieke kwaliteiten en Zijn śuddhā-bhakta's zien Hem onafgebroken in hun hart met ogen van toewijding gezalfd met de balsem der liefde.

In het stadium van bhāvāpana (svarūpa-siddhi) verschijnt het vermogen van de transcendentale waarneming en op dat moment kan de sādhaka darśana van zijn sakhī krijgen en ook van yūtheśvarī Śrīmatī Rādhikā. Zelfs nadat hij darśana heeft gekregen van Golokanātha Śrī Kṛṣṇa, is de realisatie van de sādhaka niet altijd even standvastig, totdat hij het stadium van sampatti-daśā (vastu-siddhi) bereikt, waarin zijn grofstoffelijke en subtiel stoffelijke lichamen teniet worden gedaan. In bhāvāpana-daśā heeft de zuivere jīva volkomen beheersing over de interte, grofstoffelijke en subtiele lichamen. Het tweede resultaat van sampatti-daśā, het stadium, waarin Kṛṣṇa's genade ten volle wordt gemanifesteerd, echter is, dat de verbinding van de jīva met deze aardse wereld volledig wordt afgesneden. Bhāvāpana-daśā (sprituele extase) wordt svarūpa-siddhi genoemd en in sampatti-daśā (het bereiken van het grootste succes van prema) bereik je vastu-siddhi.

Vijaya: Hoe worden Kṛṣṇa's nāma, guṇa, rūpa, līlā en dhāma ervaren op het moment van vastu-siddhi?

Gosvāmī: Deze vraag kan ik niet beantwoorden. Ik zal in staat zijn ze te zien en erover te spreken, alleen wanneer ik vastu-siddhi heb bereikt en jij bent alleen in staat deze zaken te begrijpen en te realiseren, wanneer je sampatti-daśā bereikt. Tot die tijd is het niet nodig je de verscheidene aspecten van kṛṣṇa-līlā duidelijk te maken; je zal ze rechtstreeks waarnemen, dus je hoeft niet verder te vragen. Bovendien is het voor de bhakta zinloos om uitdrukking te geven aan hetgeen hij in zijn svarūpa-siddhi ziet – met andere woorden, in de bhāvāpana-daśā – want niemand onder zijn toehoorders zal in staat zijn te realiseren, wat hij zegt. Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft de symptomen van de svarūpa-siddha-mahāpuruṣa's alsvolgt omschreven,

jane cej jātabhāve'pi vaiguṇyam iva dṛśyate
kāryā tathāpi nāsūryā kṛtārthāḥ sarvathaiva saḥ
dhanyasyāyaṁ navaḥ premā yasyonmīlati cetasi
antarvaṇi bhir apy asya mudrā suṣṭhu sudrugamā
                                                        Bhakti-rasāmṛta-sindhu, Oostelijke Vloedgolf (3.29, 4.12)

Men kan een schijnbare onvolkomenheid of een schijnbaar wangedrag waarnemen in de uiterlijke activiteiten van bhakta's, die het stadium van bhāva hebben bereikt. Zelfs is het essentieel geen afgunst jegens hen te koesteren door fouten aan hen toe te schrijven, want ze zijn volkomen onthecht behalve van Kṛṣṇa en daarom zijn ze in ieder opzicht volkomen succesvol.

Deze prema verschijnt in het hart van degenen, die buitengewoon vermogend zijn. Zelfs degenen, die geleerd zijn in śāstra, vinden het erg moeilijk om de activiteiten en bewegingen te begrijpen van degenen, in wie de nieuwe loot van prema is verschenen.

Vijaya: Als dat waar is, waarom wordt dan in Śrī Brahma-saṁhitā en dergelijke śāstra’s moeite gedaan om een beschrijving van Goloka te geven?

Gosvāmī: Als grote sādhu's zich in hun svarūpa-siddhi bevinden en wanneer Brahmā en andere devatā's op genadevolle wijze een visioen van Śrī Kṛṣṇa's transcendentale spel hebben toegestaan, hebben ze getracht zulk spel en vermaak met hun stava's en stuti's in overeenstemming met hun respectievelijke waarnemingen te verheerlijken. Zulke beschrijvingen echter zijn slechts beperkt, want dit aardse gebied beschikt niet over de juiste woorden om de aprākṛta-bhāva's uit te drukken. Bovendien kunnen bhakta's, die niet gevorderd genoeg zijn, zulke beschrijvingen niet ten volle bevatten.

De bhakta's hebben echter geen behoefte aan al deze beschrijvingen. Er wordt hen geadviseerd om bhajana uit te voeren door gebruik te maken van de prakaṭa-līlā, die Śrī Kṛṣṇa zo genadevol in deze wereld heeft laten verschijnen, en met deze prakaṭa-līlā alleen zullen ze alle perfectie bereiken. Degenen, die dergelijke bhajana met niṣṭhā in Gokula uitvoeren, ontvangen in hun hart binnen afzienbare tijd een sphūrti van Goloka. Alle divya-līlā van Gokula zijn ook eeuwigdurend in Goloka aanwezig, want er is, wat betreft tattva, geen onderscheid tussen beide. Degenen met een materialistische kijk op de zaak nemen de verschijnselen en activiteiten in Gokula als werelds of als illusie waar, maar zulke waarneming verdwijnt op het moment van svarūpa-siddhi. Men dient door te gaan met het uitvoeren van bhajana en tevreden te zijn met de realisatie van de transcendentale realiteit, die men volgens zijn adhikāra ontvangt – dit is werkelijk de instructie van Śrī Kṛṣṇa. Als we ons oprecht vasthouden aan Zijn instructies, zal Hij ons op het juiste moment Zijn grondeloze genade tonen, waardoor we de complete perceptie van Zijn divya-līlā kunnen ontvangen.

Nu werd Vijaya Kumāra in ieder opzicht vrij van alle twijfels. Hij ontwaakte ten volle in zijn aangeboren natuur en integreerde op deskundige wijze alle ekādaśa-bhāva's in kṛṣṇa-līlā. Hij ging in zijn bhajana-kuṭīra op het strand zitten, kreeg volkomen zelfbeheersing en besteedde al zijn tijd aan het proeven van prema-sevā.

In die tijd verliet de moeder van Vrajanātha haar lichaam en Vrajanātha vertrok met zijn grootmoeder naar zijn geboorteplaats. In zijn onvermengde hart was sakhya-prema verschenen en zodoende had hij zich in Navadvīpa-dhāma in het gezelschap van oprechte Vaiṣṇava’s gevestigd en voerde zijn bhajana met vreugdevolle zegen uit op de oever van Bhagavatī Gaṅgā.

Vijaya Kumāra daarentegen gaf zijn wereldse kleding op en aanvaardde de kaupīna en bahir-vāsa van de wereldverzaker. Hij hield zichzelf met madhukarī, het bedelen van śrī-mahāprasāda, in leven, waarbij hij voortdurend in bhajana verzonken bleef. Gedurende alle acht prahara's van de dag en de nacht nam hij alleen een beetje rust in de periode van Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa's transcendentale slaap. Nadat Zij hadden gegeten, eerde hij de prasāda en wanneer Zij wakker waren verrichtte hij gepaste sevā. Zijn hari-nāma-mālā lag altijd in zijn hand. Soms danste hij en soms weende hij luid. En dan, als hij naar de golven van de zee zat te staren, begon hij te lachen. Wie anders dan Vijaya zelf kon de bewegingen van zijn bhajana en de bovenzinnelijke bhāva van zijn hart begrijpen?

Uiterlijk werd zijn naam Nimāi dāsa Bābājī. Hij ging zich nimmer te buiten aan het spreken over wereldse onderwerpen, of het horen ervan. Hij was juist de belichaming van bescheidenheid, zijn karakter was vlekkeloos en zijn vastberadenheid in bhajana was onverdroten. Als iemand hem mahā-prasāda of kaupīna-bahir-vāsa aanbood, accepteerde hij zo weinig mogelijk, alleen datgene, wat hij strikt nodig had en niets meer. Als hij hari-nāma chantte, rolden de tranen over zijn wangen, werd zijn keel door emoties dichtgeknepen en stonden de haren van zijn lichaam recht overeind. Na een korte tijdspanne bereikte hij perfectie in zijn bhajana en Śrī Kṛṣṇa gaf hem uiterst genadevol de adhikāra om sevā in zijn aprakaṭa-līlā te verrichten. Evenals dat van Brahmā Haridāsa Ṭhākura werd zijn bhajana-deha (het lichaam, waarin hij bhajana had uitgevoerd) onder het zand van het strand in Purī begraven.

Gaura-Premānande Hari Hari bol !
Bolo Bhagavān Śrī Kṛṣṇa Candra ki jaya !

 

Aldus eindigt het Veertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Het bereiken van Prema, de opperste rijkdom"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 39 – "Het binnengaan in de Lila"

Volgende: Epiloog door Srila Bhaktivinoda Thakura

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl