Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 39

Het binnengaan van de Lila


Er nam nu een intens verlangen bezit van Vijaya Kumāra. Niets meer leek hem plezier te doen en hij kon zijn hart niet langer bestendig houden, zelfs niet na de darśana van Jagannāthadeva in de tempel. Lang geleden had hij de fundamentele principes van rasa-tattva begrepen, maar nu pas, in de associatie van Śrī Gopāl Guru Gosvāmī, was hij op de hoogte gekomen van madhura-rasa en zijn sthāyībhāva, vibhāva's, anubhāva's, sāttvika-bhāva's en vyabhicārī-bhāva's. Er manifesteerden zich in zijn hart verschillende bhāva's op verschillende tijdstippen. De ene bhāva rees een poosje in hem op en dompelde hem onder in vreugdevolle zegen en dan kwam er weer een nieuwe bhāva zijn hart binnen. Hij bracht op deze manier zijn dagen door en stond volledig machteloos tegen het ontwaken en de bewegingen van bhāva in zijn hart, of de transformatie van de ene in de andere bhāva. Het gevolg was, dat hij op zekere dag in tranen aan de lotusvoeten van Śrī Guru Gosvāmī verscheen en het volgende verzoek voorlegde, "Prabhu, door uw grenzeloos mededogen heb ik alles geleerd, maar ik kan mijn ware zelf niet beheersen, dus ik kan mezelf niet stevig in kṛṣṇa-līlā vestigen. Wilt u alstublieft zo goed zijn me instructies te geven, die volgens u in mijn huidige conditie geschikt zijn?"


Śrī Guru Gosvāmī was dolblij om de bhāva's van Vijaya Kumāra te zien en dacht bij zichzelf, "Aho ! Hoe glorieus en wonderbaarlijk is de aard van kṛṣṇa-prema ! Het maakt, dat geluk lijkt op ellende en dat ellende lijkt op geluk!" Toen zei hij tegen Vijaya Kumāra, "Mijn beste zoon, nu moet je de methode aanwenden, waarmee je kṛṣṇa-līlā kunt binnengaan."

Vijaya: Hoe moet ik dat doen?

Gosvāmī: Śrīla Raghunātha dāsa Gosvāmī heeft de methode om kṛṣṇa-līlā binnen te gaan in de volgende śloka beschreven,

na dharmaṁ nādharmaṁ śruti-gaṇa-niruktaṁ kila kuru
vraje rādhā-kṛṣṇa-pracura-paricaryām iha tanu
śaci-sūnuṁ nandīśvara-pati-sutatve guru-varaṁ
mukunda-preṣṭhatve smara param ajasraṁ nanu manaḥ
                                                                           Śrī
Manaḥ-śikṣā (2)

O mijn beste verstand! Voer alsjeblieft dharma noch adharma uit, zoals beschreven in de śruti's. Maar geef overvloedige, liefdevolle dienst aan Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa Yugala hier in Vraja, want de śruti's hebben verzekerd, dat Zij het hoogste principe van opperste verering en de Allerhoogste Absolute Waarheid zijn. Mediteer altijd op Śacī-nandana Śrī Caitanya Mahāprabhu, die rijkelijk beschikt over de gelaatskleur en gevoelens van Śrīmatī Rādhikā, als niet-verschillend van Śrī Nanda-nandana; en herinner je altijd Śrī Gurudeva als uitermate geliefd bij Śrī Mukunda.

Verspil je tijd niet in vergeefs wikken en wegen over de juiste en onjuiste activiteiten (dharma en adharma) vermeld in śāstra. Met andere woorden, je moet de schriftuurlijke redenering en logica volkomen achterwege laten en je bezighouden met de sādhana van rāgānugā-bhakti volgens de begeerte, die in je hart is ontwikkeld. Verleen overvloedig liefdevolle dienst aan Śrī Śrī Rādhā en Kṛṣṇa in Vraja. Dat betekent, houd je bezig met de bhajana van vraja-rasa. Als je me vraagt, wie het doel en het object van vraja-rasa bhajana onderwijst, luister dan alsjeblieft.

Na vraja-līlā is onze Prāṇanātha Śrī Nimānanda verschenen uit de baarmoeder van Śrī Śacī-devī in pracchanna (verborgen) Vṛndāvana, Śrī Navadvīpa-dhāma. Śacīnandana Gaurahari is niemand anders dan Kṛṣṇa Zelf, de zoon van de Vorst van Nandīśvara, Śrī Nanda Mahārāja. Beschouw Śrī Caitanya Mahāprabhu nooit – en in geen enkel aspect van tattva – als ondergeschikt aan Śrī Kṛṣṇa. Hij is in Navadvīpa verschenen en heeft daar een andere bhajana-līlā uitgevoerd, maar je mag nooit vraja-bhajana opgeven met de gedachte, dat Hij Navadvīpa-nāgara is (de minnaar, die Zijn gemalinnen in Navadvīpa geniet). Hij is Kṛṣṇa Zelf, maar je mag niet degenen van hun pad afbrengen, die arcana uitvoeren en van Kṛṣṇa afzonderlijk op Hem mediteren en Zijn eredienst met afzonderlijke mantra's uitvoeren. Op het pad van rasa-mārga is Hij, als Śrī Rādhā-vallabha, uitsluitend het object van bhajana en Hij is verschenen als Śacī-nandana, de enige guru van vraja-rasa. Daarom moet je bhajana uitvoeren van die Śacī-nandana als kṛṣṇa-preṣṭha, dat betekent, dat je Hem als guru beschouwt, die voor Kṛṣṇa zeer dierbaar is. Voordat je rādhā-kṛṣṇa-smaraṇa uitvoert, moet je je altijd eerst gaura-līlā herinneren, want dit stimuleert en wekt je bhāva's van aṣṭa-kālīya-kṛṣṇa-līlā op. Denk altijd aan je bhajana-gurudeva als niemand anders dan een vraja-yūtheśvarī of een sakhī. Ga vraja-līlā binnen door bhajana op deze manier uit te voeren.

Vijaya: Prabhu, nu zet ik alle logische argumentatie van de śāstra’s en van alle andere paden opzij, want ik word heel gretig om de juiste diensten in aṣṭa-kālīya-kṛṣṇa-līlā te verlenen, zoals onderwezen en voorgeleefd door Śrī Gaurāṅgadeva, onder leiding van mijn guru-rūpā sakhī. Geeft u me alstublieft instructies hoe ik mijn geest in deze houding kan stabiliseren, zodat ik mijn doel kan bereiken.

Gosvāmī: Je moet in dit verband twee onderwerpen goed begrijpen: upāsya-pariṣkṛti en upāsaka-pariṣkṛti. Upāsya-pariṣkṛti betekent het verfijnen van de conceptie en het realiseren van de ware aard van de upāsya, of het object van je sevā. Je hebt upāsya-pariṣkṛti al tot stand gebracht, want je hebt rasa-tattva begrepen. Er zijn met betrekking tot upāsaka-pariṣkṛti elf bhāva's (ekādaśa-bhāva's); je hebt ze bijna allemaal verkregen, maar het is nodig, dat je er nog wat steviger in verankerd raakt.

Vijaya: Wilt u deze ekādaśa-bhāva's nog eens grondig uitleggen, alstublieft?

Gosvāmī: De ekādaśa-bhāva's zijn: (1) sambandha (relatie), (2) vayasa (leeftijd), (3) nāma (naam), (4) rūpa (persoonlijke vorm en schoonheid), (5) yūtha (groep), (6) veśa (kleding), (7) ājñā (specifieke instructie), (8) vāsa (residentie), (9) sevā (exclusieve service), (10) parākāṣṭhā-śvāsa (het hoogtepunt van emotie, dat de levensadem van de aspirant vormt) en (11) pālya-dāsī-bhāva (het sentiment van een dienstmaagd onder bescherming van Śrī Rādhā).

Vijaya: Wat is sambandha (relatie)?

Gosvāmī: Het gevoel van sambandha vormt de ware fundering van dit onderwerp. De gevoelens, waarmee je je tot Kṛṣṇa verhoudt, wanneer je sambandha vestigt, bepalen je staat van perfectie (siddhi) op overeenkomstige wijze. Iemand, die Kṛṣṇa als meester aanvaardt, wanneer hij zijn relatie met Hem vestigt, wordt dāsa. Iemand, die Kṛṣṇa accepteert als zijn sakhā of zoon, wanneer hij zijn relatie vestigt, wordt respectievelijk een sakhā of een ouder. Iemand, die Hem aanvaardt als gemaal in de echtelijke (svakīya) relatie, wordt een mooie jongedame in Dvārakā. Śānta-rasa is in Vraja afwezig en zelfs dāsya-rasa wordt in hoge mate onderdrukt. In ieder geval wordt de relatie gevestigd op basis van de ruci van de aanbidder.

Jouw natuur is vrouwelijk en je hebt een neiging voor parakīya-rasa, dus je bent een ondergeschikte volgeling van Vraja-vaneśvarī. De sambandha, die je moet cultiveren en ten volle moet realiseren is, "Ik ben een dienstmaagd van Śrīmatī Rādhikā's meest vertrouwelijke dienstmeid. Śrīmatī Rādhikā is de meesteres van mijn leven en Kṛṣṇa is Haar leven; daarom is Śrī Rādhā-vallabha Śrī Kṛṣṇa zeker de Heer van mijn leven."

Vijaya: Ik heb gehoord, dat onze ācārya, Śrīla Jīva Gosvāmī, een voorkeur had voor sambandha in svakīya-bhāva (de echtelijke relatie). Is dat waar?

Gosvāmī: Geen van de volgelingen van Śrīman Mahāprabhu stonden buiten de zuivere, transcendentale parakīya-bhāva. Śrī Svarūpa Gosvāmī is de enige guru van deze transcendentale parakīya-rasa. Hij heeft instructie gegeven voor de zuiverste, transcendentale parakīya-bhāva en Śrīla Jīva Gosvāmī  – en ook Śrīla Rūpa Gosvāmī en Śrīla Sanātana Gosvāmī – volgden in zijn voetspoor en hadden dezelfde opvatting. Śrīla Jīva Gosvāmī heeft nimmer enige onafhankelijke gevoelens van svakīya-bhajana gekoesterd. Hij nam echter wel een zweem van svakīya-bhāva in enkele upāsaka's (aanbidders) van Vraja waar. De svakīya-bhāva van Vraja wordt alleen aangetroffen, waar de samarthā rati een spoor van samañjasā rati bevat. Degenen, die een vage gewaarwording van svakīya-bhāva in stand houden, wanneer ze hun relatie met Kṛṣṇa vestigen, zijn eigenlijk svakīya-upāsaka's. Śrīla Jīva Gosvāmī had beide typen discipelen: degenen met śuddhā parakīya-bhāva en degenen, wier verering was vermengd met een zweem van svakīya-bhāva. Het gevolg was, dat hij afzonderlijke instructies naliet in overeenstemming met de verschillende neigingen van zijn leerlingen. Dit feit wordt helder gemaakt door de śloka, svecchayā likhitaṁ kiñcit in zijn Locana-rocanī ṭīkā op de Ujjvala-nīlamaṇi.

Vijaya: Goed. Ik begrijp, dat in de viśuddha (zuivere) Gauḍīya conceptie alleen de onvermengde parakīya-bhajana wordt aanvaard. Nu ik sambandha heb begrepen, wil ik u vragen om me alstublieft over vayasa (leeftijd) te vertellen.

Gosvāmī: De sambandha, die je met Kṛṣṇa hebt gevestigd, heeft geresulteerd in je ongekende en ongeëvenaarde, intrinsieke svarūpa (vraja-lalanā-svarūpa) van een vraja-gopī. Welnu, om in die svarūpa diensten te kunnen verlenen moet je een geschikte leeftijd (vayasa) hebben. De gepaste leeftijd is kaiśora (de leeftijd van tien tot zestien), welke ook vayaḥ-sandhi wordt genoemd. In jouw svarūpa begin je op de leeftijd van tien en groei je op tot zestien. Op de vraja-lalanā's zijn de drie fasen van bālya (kindertijd van 0 tot 5), paugaṇḍa (jeugd van 5 tot 10) en vṛddha (volwassenheid) niet van toepassing, dus je dient altijd je spirituele identiteit van kiśorī te voeden.

Vijaya: Legt u alstublieft nāma (naam) uit. Ik heb de naam van mijn svarūpa al gekregen, maar toch vraag ik u hierover concrete instructies te geven.

Gosvāmī: Nadat je over de diensten van verscheidene meisjes van Vraja hebt gehoord, is de neiging voor je eigen dienst ontwaakt. Volgens die natuurlijke aanleg voor service ben je een dienstmaagd van Rādhikā-sakhī. Jouw naam is de naam van die dienstmaagd. Je Gurudeva heeft je een naam gegeven, nadat hij je neiging voor ruci heeft onderzocht. Die naam dient te worden beschouwd als je nitya-nāma. Onder de vraja-gopī's zal je met die naam in verrukking zijn (manoramā).

Vijaya: Prabhu, vertelt u me nu alstublieft over rūpa (eeuwige gedaante).

Gosvāmī: Je intrinsieke, transcendentale identiteit is die van een prachtig mooie, jonge kiśorī, wat betekent, dat jouw Śrī Gurudeva je siddha-rūpa heeft vastgesteld op basis van je aanleg en ruci. Hoe kun je een dienares van Śrīmatī Rādhikā zijn, zonder dat je bent toegerust met een onbevattelijk goddelijke vorm en een persoonlijke schoonheid?

Vijaya: Wilt u alstublieft mijn vertrouwen met betrekking tot mijn yūtha (groep) bekrachtigen?

Gosvāmī: Śrīmatī Rādhikā Zelf is de yūtheśvarī (leider van de yūtha) en jij dient te leven als een dienares in de groep van één van Haar acht belangrijkste sakhī's. Jouw Gurudeva heeft je onder leiding van Śrīmatī Lalitā geplaatst, dus nu dien je liefdevolle dienst aan Yūtheśvarī Śrīmatī Rādhikā en Līlāmaya Śrī Kṛṣṇa te verlenen onder Lalitā's leiding.

Vijaya: Prabhu, welke soort sādhaka’s worden volgelingen in de groepen van yūtheśvarī's, zoals Śrī Candrāvalī?

Gosvāmī: De intense hartewens om dienares van een yūtheśvarī te zijn ontwaakt alleen, nadat je gedurende vele levens een vermogen (sukṛti) hebt verzameld, dus alleen de meest fortuinlijke sādhaka’s hebben toegang tot Śrīmatī Rādhikā's yūtha. De ondernemingen van Śrī Candrāvalī en andere yūtheśvarī's dienen eenvoudig om de līlā te versterken en louter om Śrī Śrī Rādhā-Mādhava's transcendentale rasa te voeden hebben de andere yūtheśvarī's de houding van tegenstanders aangenomen. In feite is alleen Śrīmatī Rādhikā yūtheśvarī.

Śrī Kṛṣṇa's gevarieerde spel en avonturen zijn vol abhimāna (spiritueel zelfbeeld). Degenen met een bepaalde dienst aan Śrī Kṛṣṇa in Zijn spel en vermaak beelden zichzelf in, dat ze juist voor die ene service volmaakt geschikt zijn.

Vijaya: Nu wil ik vastberaden worden met betrekking tot guṇa (kwaliteiten).

Gosvāmī: Jij bent een expert in uiteenlopende soorten verfijnde vaardigheden, die voor je toegekende dienst zijn vereist. Je hebt geschikte kwaliteiten en kleding nodig om je dienst tot in perfectie uit te voeren en je Gurudeva heeft deze reeds voor je vastgesteld.

Vijaya: Vertelt u me nu alstublieft over ājñā (specifieke opdrachten).

Gosvāmī: Er zijn twee soorten ājñā: nitya en naimittika. Je nitya-ājñā is alle ājñā, die jouw medelevende sakhī je met betrekking tot jouw sevā tijdens de aṣṭa-kālīya līlā heeft gegeven en je moet doorgaan deze regelmatig en zonder nalatigheid op dit bepaalde tijdstip te verlenen. Afgezien hiervan kan ze je, indien de noodzaak hiertoe noopt, van tijd tot tijd ājñā voor andere diensten geven, die naimittika-ājñā (incidentele opdracht) wordt genoemd. Deze diensten dien je ook met de grootst mogelijke toewijding na te komen.

Vijaya: Wat is vāsa (residentie)?

Gosvāmī: Eeuwig in Vraja te zijn gevestigd – dat is vāsa. Je dient je identiteit te realiseren als een gopī, die in het huis van een of andere gopa in één van de dorpen van Vraja is geboren en die met een gopa uit een ander dorp van Vraja is getrouwd. Het lieflijke geluid van Kṛṣṇa's muralī heeft je echter meer geboeid. Śrīmatī Rādhikā's vertrouwelijke sakhī heeft je onder haar leiding genomen en je in een prachtige kuṭīra onder een bossage op de oever van Rādhā-kuṇḍa een woonruimte toegewezen. De residentie, die je met behulp van je intrinsieke, spirituele identiteit innerlijk hebt gerealiseerd, is je ware vāsa. Je parakīya-bhāva is in feite je nitya-siddha-bhāva.

Vijaya: Wilt u alstublieft zo goed zijn om me meer specifieke details van mijn sevā (dienst) te geven?

Gosvāmī: Jij bent een dienares van Śrīmatī Rādhikā en je eeuwige taak is liefdevolle toegewijde dienst aan Haar verlenen. Soms kan Ze je uit noodzaak in je eentje naar Śrī Kṛṣṇa op een afgelegen plek sturen, waar Kṛṣṇa op dat moment Zijn erotische verlangen kenbaar kan maken om met jou de liefde te bedrijven. Je moet echter nooit met Zijn voorstellen instemmen. Je bent een dāsī van Śrīmatī Rādhikā en je mag Kṛṣṇa om Hem een plezier te doen nooit zonder Haar toestemming op onafhankelijke wijze dienen. Je hebt dezelfde liefdevolle aanhankelijkheid voor Rādhā als voor Kṛṣṇa, maar toch dien je een grotere ernst voor Haar liefdevolle toegewijde dienst (dāsya-prema) op te brengen dan voor die van Kṛṣṇa. Dat is de betekenis van sevā. Jouw sevā is zorgen voor het comfort en plezier van Śrī Rādhikā in al het achtvoudige spel en vermaak van de aṣṭa-kālīya-līlā. Śrīla Raghunātha dāsa Gosvāmī heeft in hoofdlijnen een schets van je service gepresenteerd in Śrī Vilāpa-kusumāñjalī gebaseerd op de verhandeling van Śrī Svarūpa Dāmodara.

Vijaya: Hoe kan de parākāṣṭhā-śvāsa (het uiterste hoogtepunt van gevoelens en de levensadem van de aspirant) worden vastgesteld?

Gosvāmī: Śrīla Raghunātha dāsa Gosvāmī heeft parākāṣṭhā in de volgende twee śloka’s uitgelegd,

āśā-bharair amṛta-śindumayaih kathañcit
kālo mayātigamitaḥ kila sāmprataṁ hi
tvañ cet kṛpāṁ mayi vidhāsyasi naiva kiṁ me
prāṇair vrajena ca varoru vakāriṇāpi
                                                    Vilāpa-kusumāñjali (102-103)

! Varoru Rādhe, ik slijt mijn dagen in grote nood en houd de hoogste verwachting wakker om ooit de oceaan van nectar te bereiken. Stort alsjeblieft Je goedheid over me uit, want doe Je dat niet, wat is dan de zin van mijn leven, van mijn residentie in Vraja, of zelfs van mijn dienstbaarheid aan Kṛṣṇa? Alles zal volslagen vergeefs zijn.

hā nātha gokula-sudhā-kara suprasanna-
vaktrāravinda madhura-smita he kṛpārdra
yatra tvayā viharate praṇayaiḥ prayārāt
tatraiva mām api naya priya-sevanāya

! Gokulacandra! ! Kṛṣṇa, met een lachend, zegenrijk lotusgelaat! ! Jij, wiens hart zacht en gesmolten is, die een ieder genade wil geven! Neem me alsjeblieft mee, waar Je Śrīmatī Rādhikā liefdevol heenbrengt om eeuwigdurend met Haar plezier te maken en sta me toe om vertrouwelijke, liefdevolle dienst aan Jullie Beiden te verlenen.

Vijaya: Legt u alstublieft de pālya-dāsī-svabhāva uit (het karakter van de dienstmeisjes, die de bescherming van Śrī Rādhā hebben aanvaard).

Gosvāmī: Śrīla Dāsa Gosvāmī heeft de aard van de pālya-dāsī's in zijn Vraja-vilāsa-stava alsvolgt omschreven,

sāndra-prema-rasaiḥ plutā priyatayā prāgalbhyam āptā tayoḥ
prāṇa-preṣṭha-vayasyayor anudinaṁ līlābhisāraṁ kramaiḥ
vaidagdhyena tathā sakhīṁ prati sadā mānasya śikṣāṁ rasair
yeyaṁ kārayatīha hanta lalitā gṛhṇātu sā māṁ gaṇaiḥ
                                                                                 Vraja-vilāsa-stava (29)

Śrī Lalitā-devī wordt overstelpd door de uiterst onbevattelijke prema-rasa. Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa zijn haar prāṇa-preṣṭha (haar grootste geliefden, haar hart en ziel) en iedere dag arrangeert ze Hun geliefde ontmoetingen met de pragalbhatā (doortastendheid) voortkomend uit haar liefde voor Hen Beiden. Ze geeft met grote deskundigheid instructies aan haar sakhī, Śrīmatī Rādhikā. Moge zij me aanvaarden als pālya-dāsī, een van de dienstmeisjes in haar persoonlijke groep.

Vijaya: Welke houding dient een pālya-dāsī jegens de andere dienstmeisjes van Śrī Lalitá-devī te hanteren en hoe moet ze met hen omgaan?

Gosvāmī: Alle geschriften van Śrīla Dāsa Gosvāmī zijn verrijkt met transcendentale rasa en zijn slechts illustraties bij de instructies van Śrī Svarūpa Dāmodara Gosvāmī. In dit verband heeft hij geschreven,

tāmbūlārpaṇa-pāda-mardana-payodānābhisārādibhir
vṛndāraṇya-maheśvarīṁ priyatayā yās toṣayanti priyāḥ
prāṇa-preṣṭha-sakhī-kulād api kilāsaṅkocitā bhūmikāḥ
kelī-bhūmiṣu rūpa-mañjarī-mukhās tā dāsikāh saṁśraye
                                                                            Vraja-vilāsa-stava (38)

Ik neem mijn toevlucht tot Śrī Rūpa Mañjarī en de andere dienstmeisjes van Śrīmatī Rādhārāṇī, de Groot-Koningin van Vṛndāvana. Deze dienstmeisjes voldoen met hun liefdevolle diensten onafgebroken aan Haar wensen, zoals het aanbieden van tāmbūla, het masseren van Haar voeten, water brengen en het arrangeren van Haar geheime ontmoetingen met Śrī Kṛṣṇa. De prāṇa-preṣṭha-sakhī's zijn Śrīmatī Rādhikā dierbaarder dan Haar eigen leven, maar deze dienstmeisjes zijn haar zelfs nog dierbaarder, want zonder enige schaamte te voelen kunnen ze de vertrekken binnengaan, waar het Goddelijk Paar Zijn meest intieme spel speelt.

Vijaya: Welke houding en manier van doen dienen jegens de andere primaire sakhī's te worden ingenomen?

Gosvāmī: Śrīla Dāsa Gosvāmī heeft hierop in de volgende śloka gewezen,

praṇaya-lalita-narma-sphāra-bhūmis tayor yā
vraja-pura-nava-yūnor yā ca kaṇṭhān pikānām
nayati param adhastād divya-gānena tuṣṭyā
prathayatu mama dīkṣāṁ hanta seyaṁ viśākhā
                                                                  Vraja-vilāsa-stava (30)

Śrī Viśākhā-devī wordt door het jonge paar begunstigd wegens haar kwaliteiten van intieme liefde, speelse humor en haar gedurfde, amoureuze nieuwsgierigheid. Haar betoverend, hemels gezang tart de zoete lieflijkheid van de koekoek. Moge die Viśākhā me genadevol in de muziekkunst opleiden.

Gopāl Guru Gosvāmī voegde eraan toe, "Je moet dezelfde ondergeschikte houding ook jegens de andere sakhī's bewaren."

Vijaya: Maar welke stemming dient men te hebben jegens de sakhī's van de rivaliserende groep (vipakṣa)?

Gosvāmī: In dit verband stelt Śrīla Dāsa Gosvāmī,

sāpatnyoccaya-rajyad-ujjvala-rasasyoccaih samudvṛddhaye
saubhāgyodbhaṭa-garva-vibhrama-bhṛtaḥ śrī-rādhikāyāḥ sphuṭam
govindaḥ smara-phulla-vallava-vadhū-vargeṇa yena kṣaṇaṁ
kṛīḍaty eṣa tam atra vistṛta-mahā-puṇyañ ca vandāmahe
                                                                         Vraja-vilāsa-stava (41)

Ik zend keer op keer mijn gebeden op aan de vraja-gopī's aangevoerd door de uiterst vermogende Cadrāvalī, die het gevoel hebben rivalen van Śrīmatī Rādhikā te zijn. Zij zijn begiftigd met eigenschappen, zoals gevoelens van groot geluk, trots op hun uitmuntendheid en romantische waanvoorstellingen (vibhrama). Śrī Kṛṣṇa trekt slechts enkele ogenblikken met hen op louter om het gevoel van Śrī Rādhikā's śṛṅgāra-rasa te versterken.

Dit type gevoel dien je in je hart te houden jegens de sakhī's, die tot de tegengestelde groep behoren; en op het moment, dat er dienst wordt verleend, kun je met liefdevolle opmerkingen en grapjes individueel met hen omgaan.

Samenvattend dien je je sevā te verlenen in overeenstemming met de methoden en bhāva's geïllustreerd in Śrī Vilāpa-kusumāñjalī en in wederzijdse relaties en dien je je manier van doen met sakhī's en andere vraja-vāsī's uit te drukken, zoals in Śrī Vraja-vilāsa-stava wordt uitgelegd. Contempleer op al het gevarieerde spel en vermaak van de aṣṭa-kālīya-līlā, zoals deze in Viśākhānandādi-stotram worden uiteengezet. Absorbeer je geest in kṛṣṇa-līlā volgens de benadering gespecificeerd in Śrī Mānaḥ-śikṣā en behoud een vastberaden voornemen om de regulerende principes van bhakti uit te voeren volgens de bhāva's gepresenteerd in Sva-niyama-daśakam.

Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft de rasa-tattva uitgebreid in zijn geschriften geïllustreerd. Aangezien Śrī Caitanya Mahāprabhu hem deze bijzondere verantwoording heeft toevertrouwd, heeft hij niet uitgelegd hoe rasa bij het uitvoeren van sevā optreedt. Śrīla Dāsa Gosvāmī heeft deze taak in zijn geschriften voltooid, die zijn gebaseerd op de kaḍaca (aantekeningen) van Śrīla Svarūpa Dāmodara. Śrīman Mahāprabhu heeft Zijn verschillende metgezellen respectievelijk met verschillende missionaire verantwoordelijkheden geauthoriseerd en in navolging van Zijn instructies hebben ze hun diensten vlekkeloos voltooid.

Vijaya: Kunt u me alstublieft vertellen, welke die verschillende verantwoordelijkheden waren en aan wie Śrīman Mahāprabhu ze heeft toevertrouwd?

Gosvāmī: Śrīman Mahāprabhu heeft Śrī Svarūpa Dāmodara het onderwijzen van het proces van sevā met transcendentale rasa (rasamayī upāsanā) toevertrouwd. Om tegemoet te komen aan Śrīman Mahāprabhu's opdracht heeft Śrī Svarūpa Dāmodara zijn verhandeling in twee delen gepresenteerd. Eén deel heet het innerlijke pad (antaḥ-panthā) van rasamayī upāsanā en het tweede deel heet het externe pad (bahih-panthā) van rasamayī upāsanā. Śrī Svarūpa Dāmodara drapeerde deze antaḥ-panthā om de hals van Śrīla Dāsa Gosvāmī en deze wordt geïllustreerd en goed bewaard in Dāsa Gosvāmī's geschriften. Hij heeft de bahih-panthā aan Śrī Vakreśvara Gosvāmī onderwezen en deze is tot vandaag de dag de onderscheiden schat van onze lijn. Ik heb dit onschatbare proces aan Śrīman Dhyānacandra gegeven, die een paddhati (een systematische, stap-voor-stap methode van de beoefening) gebaseerd op de bahih-panthā heeft geschreven, die je eerder is toegekomen.

Śrīman Mahāprabhu machtigde Śrī Nityānanda Prabhu en Śrī Advaita Prabhu en vertrouwde hen de verantwoording toe voor het prediken van de glorie van śrī-nāma. Hij machtigde Śrīla Rūpa Gosvāmī voor de manifestatie van rasa-tattva en Hij gaf Śrīla Sanātana Gosvāmī de verantwoording voor het uitgebreid illustreren van de relatie tussen vaidhī-bhakti en rāga-bhakti. Hij heeft Śrīla Sanātana Gosvāmī ook opdracht gegeven de esoterische relatie tussen prakaṭa en aprakaṭa Gokula uiteen te zetten. Via Śrī Nityānanda Prabhu en Śrīla Sanātana Gosvāmī heeft Mahāprabhu Śrīla Jīva Gosvāmī gemachtigd om de tattva van sambandha, abhideya en prayojana te vestigen. Op deze manier voldeed ieder van hen precies aan die specifieke verantwoordelijkheden, die Mahāprabhu hen had toevertrouwd.

Vijaya: Prabhu, welke verantwoording heeft Mahāprabhu aan Śrī Rāya Rāmānanda toevertrouwd?

Gosvāmī: Śrīman Mahāprabhu vertrouwde Śrī Rāya Rāmānanda de verantwoording voor het uitgebreid illustreren van rasa-tattva toe en via Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft hij dit in volle omvang volbracht.

Vijaya: Prabhu, welke verantwoording werd aan Śrī Sārvabhauma toevertrouwd?

Gosvāmī: Hem was de verantwoording van het onderricht der filosofische waarheden van de Absolute Realiteit (tattva) toevertrouwd. Op zijn beurt gaf hij die verantwoording aan Śrīla Jīva Gosvāmī via het medium van één van zijn leerlingen.

Vijaya: Welke instructie gaf Śrīman Mahāprabhu aan Zijn belangrijkste volgelingen in Bengalen?

Gosvāmī: De verantwoording van de Gauḍīya mahānta's was het verlichten van śrī gaura-tattva en in het hart van de jīva’s het wekken van transcendentale śraddhā voor kṛṣṇa-bhakti-rasa, welke Śrī Gaura had opgestart. Daar ook heeft Mahāprabhu enkele grote zielen de verantwoording toevertrouwd tot het componeren en propageren van een bijzondere vorm van rasa-kīrtana.

Vijaya: Welke verantwoording kreeg Śrīla Raghunātha Bhaṭṭa?

Gosvāmī: Hem werd het onderricht van de glorie van Śrīmad-Bhāgavatam toevertrouwd.

Vijaya: En Śrīla Gopāla Bhaṭṭa?

Gosvāmī: Śrīman Mahāprabhu heeft hem de verantwoording gegeven van het tegen verminkingen beschermen van de uiterst zuivere en transcendentale śṛṅgāra-rasa en het controleren van onredelijke veronachtzaming van vaidhī-bhakti.

Vijaya: Welke verantwoording werd aan Śrī Prabhodhānanda Gosvāmī gegeven, de guru en oom van Śrī Gopāla Bhaṭṭa Gosvāmī?

Gosvāmī: Hem werd de verantwoording toevertrouwd van het wereldkundig maken van de hoogste verworvenheid: het cultiveren van spontane, liefdevolle verknochtheid aan vraja-rasa.

Toen Vijaya Kumāra al deze onderwerpen had gehoord, was hij verrukt en beschouwde zich buitengewoon gezegend.


Aldus eindigt het Negenendertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Het binnengaan van de Līlā"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 38 – "Srngara-Rasa: Mukhya-Sambhoga & Asta-Kaliya-Lila"

Volgende: Hoofdstuk 40 – "Het bereiken van Prema, de opperste rijkdom"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl