Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 38

Srngara-Rasa: Mukhya-Sambhoga & Asta-Kaliya-Lila


Vijaya Kumāra informeerde met gevouwen handen bij zijn Gurudeva over sambhoga-rasa. Hij antwoordde met liefde.


Gosvāmī: Er zijn twee soorten kṛṣṇa-līlā: prakaṭa (manifest) en aprakaṭa (ongemanifesteerd). De staten van afgescheidenheid (viraha) in vipralambha-rasa, die ik eerder heb beschreven, hebben betrekking op prakaṭa-līlā. In aprakaṭa Vṛndāvana bestaat echter geen afgescheidenheid tussen de vraja-devī's en Śrī Hari, die eeuwigdurend bij Zijn gevarieerd en zegenrijk līlā, zoals de rāsa-līlā is betrokken. In de Mathurā-mahātmya staat, "Kṛṣṇa speelt daar eeuwigdurend met de gopa's en de gopī's." Aangezien het werkwoord 'speelt' (krīḍ) in de tegenwoordige tijd staat, leiden we eruit af, dat Kṛṣṇa's līlā eeuwig is. Dus in de aprakaṭa-līlā van Goloka of Vṛndāvana is geen afgescheidenheid, die wordt veroorzaakt, doordat Kṛṣṇa Zich op een ver afgelegen plaats (dūra-pravāsa) vestigt. Daar bestaat eeuwigdurend de liefde in gemeenschap (sambhoga).

De nāyaka en nayīka's zijn respectievelijk de viṣaya (object) en āśraya (rustplaats) van liefde. De term sambhoga verwijst naar de wonderbaarlijke bhāva, die optreedt onder invloed van de vervoering van hun romantische affaires zoals elkaar zien, met elkaar praten en elkaar aanraken met het enige doel elkaar plezier te schenken. Er zijn twee soorten sambhoga: mukhya en gauṇa.

Vijaya: Wat is mukhya-sambhoga?

Gosvāmī: Mukhya (belangrijkste) sambhoga is de sambhoga, die plaatsvindt in de wakende staat. Er zijn vier soorten mukhya-sambhoga: (1) saṅkṣipta-sambhoga (kortstondige sambhoga), die plaatsvindt na pūrva-rāga; (2) saṅkīrṇa-sambhoga (beperkte sambhoga), die plaats heeft, nadat māna is gekalmeerd; (3) sampanna-sambhoga (verrijkte sambhoga), die plaatsvindt, nadat de nāyaka en de nayīkā enige tijd uit elkaar zijn geweest; en (4) samṛddimān sambhoga (bloeiende sambhoga), die plaatsvindt na lange tijd uit elkaar te zijn geweest.

Vijaya: Kunt u alstublieft saṅksipta-sambhoga in groter detail beschrijven?

Gosvāmī: Saṅkṣipta-sambhoga wordt gekenmerkt door ontzag en verlegenheid tussen de nāyaka en de nayīkā. Het gevolg ervan is, dat de uitdrukking van hun wederzijdse liefde, zoals kussen en omhelsen, kortstondig en gehaast zijn.

Vijaya: Wilt u alstublieft uitleggen wat saṅkīrṇa-sambhoga is?

Gosvāmī: In saṅkīrṇa-sambhoga worden de pogingen tot het liefdesspel uitgedrukt met gelijktijdige gevoelens van pijn en plezier. Dit wordt vergeleken met het kauwen op een hete rietsuikerstengel; hoewel hij zoet is, brandt hij ook. Deze staat is het gevolg van haar herinnering aan het bedrog van de nāyaka, of van het zien van aanwijzingen van amoureuze activiteiten op het lichaam van de nāyaka, of van het horen van anderen over Zijn romantische affaires met andere vrouwen.

Vijaya: Wat is sampanna-sambhoga?

Gosvāmī: Sampanna-sambhoga heeft plaats, wanneer de nāyaka naar zijn nayīkā terugkeert, nadat Hij op kleine afstand is afgezonderd geweest. Er zijn twee soorten: āgati en prādurbhāva. Āgati is het verschijnen van de nāyaka bij de nayīkā tijdens de routine van het algemeen dagelijkse leven; bijvoorbeeld, de gopī's krijgen regelmatig in de namiddag darśana van Kṛṣṇa, wanneer Hij terugkeert van het hoeden van de koeien. Prādurbhāva refereert aan de plotselinge verschijning van Kṛṣṇa bij de gopī's, op het moment, dat ze in hoge mate worden overweldigd door prema. Een voorbeeld hiervan is de plotselinge verschijning van Śrī Kṛṣṇa bij de gopī's, toen ze in afgescheidenheid weeklaagden, omdat Hij uit de rāsa-līlā was verdwenen. In prādurbhāva ontstaat een feest van geluk door de vervulling van alle gekoesterde verlangens.

Vijaya: Wat is samṛddhimān sambhoga?

Gosvāmī: Het is voor de nāyaka en de nayīkā niet mogelijk om elkaar constant te zien en te ontmoeten, omdat ze ondergeschikt zijn aan anderen en zijn gebonden aan sociale gedragsvormen. De overvloedige, zegenrijke vreugde, die Ze ervaren, wanneer Ze elkaar plotseling ontmoeten, nadat ze zijn ontheven van de invloed van externe druk, wordt samṛddhimān sambhoga genoemd. Er zijn twee soorten sambhoga-rasa, namelijk verhulde (channa) en manifeste (prakāśa), maar het is niet nodig om ze op dit moment nader uit te leggen.

Vijaya: Wat is gauṇa-sambhoga?

Gosvāmī: Gauṇa-sambhoga verwijst naar de bijzondere avonturen van Śrī Kṛṣṇa, die gedurende dromen worden beleefd. Er zijn twee soorten dromen: algemene en bijzondere. De algemene dromen heb ik al in de context van vyabhicārī-bhāva beschreven. De sambhoga in bijzondere dromen wordt ervaren als echt en is uitermate verbazingwekkend, omdat hij gepaard gaat met sthāyībhāva's en sacārī-bhāva's, zoals die in de wakende staat. Met andere woorden, deze is precies hetzelfde als de sambhoga, wanneer je wakker bent. Gauṇa-sambhoga kent dezelfde vier onderverdelingen als mukhya-sambhoga: (1) saṇkṣipta-sambhoga (kortstondige sambhoga), (2) saṇkīrṇa-sambhoga (beperkte sambhoga, (3) sampanna-sambhoga (verrijkte sambhoga) en (4) samṛddhimān sambhoga (bloeiende sambhoga).

Vijaya: Als je droomt, hebben er geen concrete gebeurtenissen plaats. Hoe is samṛddhimān sambhoga dan in dromen mogelijk?

Gosvāmī: De svarūpa (wezenlijke natuur) in een droom is dezelfde als die in de wakende staat. Dit wordt gedemonstreerd door het voorbeeld van Ūṣā en Aniruddha. Toen Ūṣā lag te slapen in de binnenste, koninklijke kamers van Koning Bāṇa in Śoṇitapura, ervoer ze in haar droom het genoegen van haar gemeenschap met Aniruddha. Op precies hetzelfde moment lag Aniruddha in zijn slaapkamer in Dvārakā-purī ook te dromen en genoot van het plezier van vilāsa met Ūṣā. Gewone mensen in de aardse atmosfeer hebben zulke ervaringen niet.

We kunnen dit feit verder aantonen met bewijs van rechtstreeks waarneming, want er zijn voorbeelden van siddha-bhakta's met buitengewoon wonderbaarlijke dromen, waarin ze objecten, zoals ornamenten, ontvangen, die nog in hun aanwezigheid zijn op het moment, dat ze wakker worden; dit komt, omdat zulke dromen zelf realiteit zijn. Op dezelfde manier hebben Kṛṣṇa en Zijn kāntā's ook ononderbroken dromen, waarin sambhoga in werkelijkheid plaatsvindt. Deze dromen bestaan in twee soorten: (1) de droom, die zich voordoet, terwijl je wakker bent (jāgarāyamāna-svapna) en (2) de wakende conditie, die optreedt, wanneer je droomt (svapnāyamāna-jāgara). De dromen van de gopī's, die de vierde staat van samādhi hebben overstegen en de vijfde staat van prema hebben bereikt, zijn geen illusie, zoals de dromen, die worden veroorzaakt onder invloed van de geaardheid hartstocht. De dromen van de gopī's daarentegen zijn aprākṛta, nirguṇa en absoluut reel. Het is daarom dus volstrekt mogelijk, dat samṛddhimān sambhoga plaatsvindt in de uiterst verbluffende aprākṛta droomavonturen van Kṛṣṇa en Zijn geliefde gopī's.

Vijaya: Wilt u alstublieft de anubhāva's van sambhoga beschrijven?

Gosvāmī: De anubhāva's van sambhoga zijn: elkaar zien (sandarśana); praten (jalpana); aanraken (sparśana); elkaars weg op een afgelegen plek blokkeren (raha-vartma-rodhana); rāsa-līlā, spel en vermaak in Vṛndāvana (vṛndāvana-krīḍa); spelen in de Yamunā (yamunā-jale keli); bootavonturen (nauka-vilāsa); avonturen van het stelen van bloemen (puṣpa-caurya-līlā); avonturen van het innen van belastingen (dāna-līlā); verstoppertje spelen in de kuja's (kuje lukocuri-khelā); het drinken van honingwijn (madhu-pāna); Kṛṣṇa verkleed in vrouwenkleren (strī-veśa-dhāraṇa); het voorwenden van slaap (kapaṭa-nidrā); gokspelletjes (dyūta-krīḍā); de kleren van elkaars lijf trekken (vastra-ākarṣaṇa); kussen (cumbana); omhelsen (ālingana); tekens met de nagels maken (nakha-arpaṇa); het drinken van nectar van lippen als bimba-fruit (bimba-adhara-sudhā-pāna) en plezier maken in romantische gemeenschap (nidhu-vane ramaṇa-samprayoga).

Vijaya: Prabhu, līlā-vilāsa is anders dan romantische gemeenschap (samprayoga). Welke van deze twee geeft meer vreugdevolle zegen?

Gosvāmī: Er is meer zegenrijke vreugde in līlā-vilāsa dan in samprayoga.

Vijaya: Hoe noemen Śrī Kṛṣṇa's geliefde gopī's Hem in een liefhebbende bui (praṇaya)?

Gosvāmī: De sakhī's richten zich met grote genegenheid tot Śrī Kṛṣṇa als, "He Gokulānanda, He Govinda, He Goṣṭhendra-Kula-candra (Maan uit de Familie van de Koning der Koeherders), He Prāṇeśvara (Heer van mijn leven), He Sundarottaṁsa (Schoonheid met prachtige borst en schouders), He Nāgara Śiromaṇi (O Kroonjuweel der Geliefden), He Vṛndāvana-candra, He Gokula-rāja en He Manohara (O Dief van mijn geest)."

Vijaya: Prabhu, ik begrijp, dat er twee soorten kṛṣṇa-līlā zijn, namelijk prakaṭa (manifest) en aprakaṭa (ongemanifesteerd) en dat ze toch n en dezelfde tattva zijn. Wilt u nu alstublieft de typen prakaṭa-vraja-līlā uiteenzetten?

Gosvāmī: Er zijn twee soorten prakaṭa-vraja-līlā: nitya (eeuwig) en naimittika (incidenteel). De avonturen in Vraja, die plaatsvinden gedurende de acht perioden van de dag en de nacht (aṣṭa-kālīya-līlā), zijn eigenlijk nitya-līlā, terwijl Kṛṣṇa's moord op Pūtanā en Zijn langdurige omweg vanuit Vraja naar Mathurā en Dvārakā naimittika-līlā zijn.

Vijaya: Prabhu, kunt u me alstublieft inlichten over de nitya-līlā?

Gosvāmī: We hebben twee soorten beschrijvingen, n van de ṛṣi's en een andere van de Gosvāmī's van Vṛndāvana. Welke wil je horen?

Vijaya: Ik zou graag de beschrijving willen horen in de ślokas, die de ṛṣi's hebben gecomponeerd.

Gosvāmī:

niśāntah prātah pūrvāhno madhyāhaś cāparāhnakaḥ
sāyaṁ pradoṣo-ratriś ca kālāṣṭau ca yathā-kṛamam
madhyāhno yāminī cobhau yan muhūrttam ito smṛtau
tri-muhūrttam itā jeyā niśānta-pramukhāḥ pare

De aṣṭa-kālīya-līlā van Vraja heeft plaats gedurende acht perioden van de dag en de nacht. Deze zijn (1) niṣānta (het eind van de nacht vlakvoor zonsopgang), (2) prātaḥ (vroege ochtend), (3) pūrvāhna (late ochtend vr twaalf uur), (4) madhyāhna (rond twaalf uur), (5) aparāhna (vroege middag), (6) sāyam (namiddag en schemering), (7) pradoṣa (avond), en (8) rātri (nacht). De rātri-līlā en madhyāhna-līlā duren zes muhūrta's, terwijl de andere zes perioden ieder drie muhūrta's duren.

Śrī Sadāśiva heeft deze aṣṭa-kālīya-līlā in Sanat-kumāra-saṁhitā uiteengezet. Hij heeft de diensten gespecificeerd, die op bepaalde tijdstippen van de dag in overeenstemming met de aṣṭa-kālīya-līlā dienen te worden uitgevoerd. Je moet dus de juiste līlā op het juiste moment van de dag in herinnering nemen.

Vijaya: Prabhu, mag ik alstublieft de stellingen van Jagad-guru Sadāśiva horen?

Gosvāmī: Luister nauwlettend,

sadā-śiva uvāca
parakīyābhināninyas / tathāsya ca priyāḥ janāḥ
pracureṇaiva bhāvena / ramayanti nija-priyam

Sadāśiva sprak, "Śrī Hari's geliefde meisjes in Vraja, die gevoelens van parakīya-bhāva voor Hem koesteren, doen de lieveling van hun hart plezier met overvloedige gevoelens van divya-prema.

ātmānaṁ cintayet tatra / tāsāṁ madhye manoramām
rūpa-yauvana-sampannāṁ / kiśorīṁ pramadākṛtim

He Nārada! Je moet je op de volgende manier in je ātma-svarūpa verdiepen. Je bent een kiṣorī (prepuberale) gopī en je bent precies in het hart van transcendentaal Vṛndāvana gevestigd temidden van Kṛṣṇa's geliefde meisjes, die een gevoel van overspelige liefde voor Hem koesteren. Je bent een bekoorlijke, jeugdige gedaante met een betoverende, bedwelmende schoonheid.

nānā-śilpa-kalābhijāṁ / kṛṣṇa-bhogānurūpiṇīm
prārthitām api kṛṣṇena / tato bhoga-parāṅ-mukhīm

Je bent bedreven in vele vormen van beeldende kunst voor Śrī Kṛṣṇa's plezier. En toch, zelfs wanneer Kṛṣṇa je oprecht verzoekt een ontmoeting met Hem te hebben, ben je altijd afkerig van het plezier, dat niet is gerelateerd aan het plezier van je Svāminī.

rādhikānucarīṁ nityam / tat-sevana-parāyaṇām
kṛṣnād 'apy adhikaṁ prema / rādhikāyāṁ prakūrvatiṁ

Je bent de dienstmaagd van Śrī Kṛṣṇa's meest geliefde gezellin, Śrīmatī Rādhikā, en je bent volkomen en uitsluitend aan Haar sevā toegewijd. Je koestert altijd een grotere prema voor Śrī Rādhikā dan voor Śrī Kṛṣṇa.

prītyānudivasaṁ yatnāt / tayoh saṅgama-kāriṇīm
tat-sevana-sukhālāda-bhāvenātisunirvṛtām

Iedere dag arrangeer je met veel moeite de ontmoeting van het jonge paar en je bent altijd tevreden met de extatische zegen van Hun dienst.

ity ātmānaṁ vicintyaiva / tatra sevāṁ samācaret
brāhma-mūhūrttaṁ ārabhya / yāvat tu ṣyān mahāniśi

Dus terwijl je op deze bijzondere manier je ātma-svarūpa kunt begrijpen, dien je nauwgezet mānasi sevā in Vṛndāvana te verlenen vanaf brāhma-muhūrta tot het eind van niśānta-līlā (spel op het eind van de nacht)."

Vijaya: Welke zijn de activiteiten van niśānta-līlā?

Gosvāmī:

śrī vṛndā uvāca
madhye vṛndāvane ramye / pacāśat-kuja-maṇḍite
kalpa-vṛkṣa-nikujesu / divya-ratnamaye gṛhe

Śrī Vṛndā-devī sprak, "In het midden van het bekoorlijke Vṛndāvana, dat is omgeven door vijftig kuja's van wensbomen, staat een beschutte hut van cintāmaṇi edelstenen.

nidritau tiṣṭhitas talpe / niviḍāliṅgitau mithaḥ
mad-ājā-kāribhih paścāt / pakṣibhir bodhitāv api

Daar liggen yugala-kiśora Vṛṣabhānu-dulālī Śrīmatī Rādhārāṇī en Vrajendra-nandana Śyāmasundara Śrī Kṛṣṇa in een stevige omarming op een bed van geurende bloemen te slapen. Dan trachten de vogels Hen volgens mijn instructies wakker te maken door in koor opwekkende, melodieus kwetterende gezangen aan te heffen.

gāḍhāliṅgana-nirbhedam / āptau tad-bhaṅga-kārarau
no matiṁ kurvatas talpāt / samutthātuṁ manāg api

Maar de twee geliefden zijn zo wezenlijk, onverbrekelijk n door Hun stevige omhelsing, dat zelfs de gedachte aan scheiden een alarm ontketent. Ze zijn inderdaad niet in staat om in het minste of geringste hun gedachten op opstaan te richten.

tataś ca śārikā-śabdaih / śuka-śabdaiś ca tau muhuḥ
bodhitau vividhair vākyaiḥ / sva-talpād udatiṣṭhatām

Door de herhaalde en inventieve aanmaningen van de śuka en de śārīkā (mannetjes- en vrouwtjespapagaaien) ontwaken Ze uiteindelijk en staan van Hun bed op.

upaviṣṭau tato dṛṣtvā / sakhyas talpe mudāṇvitau
praviśya kurvanti sevāṁ / tat-kālasyocitām tayoḥ

Als ze Rādhā-Kṛṣṇa zegenrijk op het bed zien zitten, benaderen de sakhī's Hen en verrichten verscheidene diensten, die op dat moment zijn vereist.

punaś ca śārikā-vākyair / utthāya tau sva-talpataḥ
āgatau sva-sva-bhavanaṁ / bhīty-utkaṇthākulau mithaḥ

Maar kort daarna rijst het Goddelijk Paar door nieuwe aanmaningen van de śārikā onvermijdelijk van dat bed op en haast Zich vol bezorgdheid - opgewekt door de transcendentale rasa's van vrees en rusteloosheid - naar Hun respectievelijke huizen."

Vijaya: Wat is het prātaḥ kālīya-līlā (ochtendspel)?

Gosvāmī:

prātaś ca bodhito mātrā / talpād utthāya sa-tvaraḥ
kṛtvā kṛṣṇo danta-kāṣṭhaṁ / baladeva-samanvitaḥ

"In de ochtend maakt Yaśoda Māiyā Kṛṣṇa wakker, die dan van Zijn bed opstaat en met een twijgje Zijn tanden poetst in het gezelschap van Śrī Baladeva.

mātrānumodito yāti / gośālāṁ dohanotsukaḥ
rādhā 'pi bodhitā vipra / vayasyābhih sva-talpataḥ

Daarna gaan Ze met haar toestemming naar de koeienstal om gretig Hun koeien te melken. O wijze, Śrī Rādhā verlaat 's morgens ook Haar bed, nadat ze door Haar sakhī's is gewekt.

utthāya danta-kāṣṭhādi / kṛtvā 'bhyaṅgaṁ samācaret
snāna-vedīṁ tato gatvā / snāpitā lalitādibhiḥ

Nadat Ze Haar parelwitte tanden met een astringerend twijgje heeft gepoetst, masseren Haar sakhī's Haar lichaam met aromatische olin. Daarna treedt Ze de badkamer binnen en gaat op een verhoogde āsana zitten, terwijl Lalitā en de andere primaire sakhī's abhiṣeka van Haar Goddelijke Vorm verrichten.

bhūṣā-gṛhaṁ vrajet tatra / vayasyā bhūṣayanty api
bhūṣaṇair vividhair divyair / gandha-mālyānulepanaiḥ

Vervolgens gaat Ze het ornamentenpaleis binnen. Daar brengen Haar sakhī's goddelijke crmes en parfums aan, decoreren Haar met verscheidene goddelijke kledingstukken en sierraden, tooien Haar met plezierige, geurige bloemenkransen en verkoelen Haar wenkbrauwen met sandalpasta.

tataś ca sva-janais tasyāh / śuśrūṣāṁ prāpya yatnataḥ
paktum ahūyate sv-annaṁ / sa-sakhī sā yaṣodayā

Zodra Śrīmatī Rādhikā op deze manier volkomen en aandachtige diensten van Haar sakhī's heeft ontvangen, vertrekt Ze op verzoek van Yaśodā Māiyā naar Nanda-bhavan om heerlijke gerechten voor Śrī Kṛṣṇa toe te bereiden."

Toen Nārada dit hoorde, vroeg hij,

katham ahūyate devī / pākārthaṁ sā yaṣodayā
satīṣu pākatṛīṣu ca / rohiṇī-pramukhāsv api

"He Devī. Er zijn zoveel deskundige koks onder leiding van Rohinī Māiyā; waarom nodigt Moeder Yaśoda dan Rādhārāṇī uit om in Nanda-bhavan te koken?"

durvāsasā svayaṁ datto / varas tasyai mudā mune
iti kātyāyanī-vaktrāt / śrutam āsīn mayā purā

Śrī Vṛndā-devī zei, "O Nārada, ik heb ooit gehoord van Bhagavatī Kātyāyanī, dat Durvāsā Muni de volgende zegen schonk aan Śrīmatī Rādhikā,

tvayā yat pacyate devī / tad-annaṁ mad-anugrahāt
miṣṭaṁ svādv-amṛta-sparddhiṁ bhoktṛr āyuṣkaraṁ tathā

'He Devī ! Door mijn genade zal al het voedsel, dat Je kookt, kunnen wedijveren met de nectar der goden. Verder zal het degenen, die het eten, met een lange levensduur zegenen.'

ity āhvayati tāṁ nityaṁ / yaśodā putra-vatsalā
āyuṣmān me bhavet putraḥ / svādu-lobhāt tathā sati

En zo bidt putra-vatsalā Yaśodā, 'Lang leve mijn zoon!' en nodigt Śrīmatī Rādhikā iedere dag uit om in Nanda-bhavan te komen koken. Bovendien is ze intens gretig om dat overheerlijke voedsel te proeven.

śvaśrānumoditā sāpi / hṛṣṭā nandālayaṁ vrajet
sva-sakhī-prakarā tatra / gatvā pākaṁ karoti ca

Nadat Ze toestemming van Haar schoonmoeder heeft gevraagd, komt Śrīmatī Rādhikā vergezeld van Haar sakhī's in zegenrijke vreugde naar het huis van Nanda om de keuken voor te bereiden.

kṛṣṇo'pi dugdhvā gāḥ kāścit / dohayitvā janaiḥ paraiḥ
āgacchati pitur vākyāt / sva-gṛhaṁ sakhibhir vṛtaḥ

In die tussentijd melkt Śrī Kṛṣṇa Zelf een paar koeien en volgens de opdracht van Zijn vader helpt Hij daarna anderen met het melken van de resterende koeien en keert met Zijn vrienden naar huis terug.

abhyaṅga-mardanaṁ kṛtvā / dāsaiḥ saṁsnāpito mudā
dhauta-vastra-dharaḥ sragvī / candanākta-kalevaraḥ

Als Hij thuiskomt, masseren Zijn dienaren opgewekt Zijn goddelijke lichaam met olie en baden Hem. Daarna kleden ze Hem in schone kleding, brengen op artistieke wijze sandalpasta op Zijn lichaam aan en decoreren Hem met geurende bloemenkransen.

dvi-vastra-baddha-keśaś ca / gṛīvābhālo-parisphuran
candrākāra-sphurad-bhālas / tilakāloka-rajitaḥ

Kṛṣṇa draagt twee kledingstukken. Het ene bedekt Zijn onderlichaam en het andere Zijn borst. Als een waterval rond Zijn bevallige hals en voorhoofd vallen Zijn bekoorlijke krullen in de rondte en vergroten Zijn ongekend lieftallige schoonheid. Op Zijn stralende voorhoofd, dat lijkt op de halve maan, tekenen Zijn dienaren een sierlijk tilaka-teken, dat ieders oog doet verrukken.

kaṅkanāṅgada-keyūra / ratna-mudrā-lasat-karaḥ
muktāhāra-sphurad-vakṣo / makarākṛti-kuṇḍalaḥ

Om Zijn polsen draagt Śrī Kṛṣṇa met juwelen ingelegde armbanden en op Zijn bovenarmen kunstig met juwelen bezette armbanden. Aan Zijn handen schitteren zegelringen. Op Zijn borst glinstert een parelsnoer en er schommelen duizelingwekkende, makara-gevormde ringen met saffieren aan Zijn oren.

muhur ākārito mātrā / praviśed bhojanālayam
avalambya karaṁ sakhyur / baladevam anuvrataḥ

Hierna hoort Śrī Kṛṣṇa Yaśomatī Hem herhaaldelijk roepen. Dus Hij volgt Zijn oudere broer, Baladeva, naar de bhojanālaya (eetzaal) omringd door Zijn sakhā's, van wie Hij er n aan de hand houdt.

bhunkte 'pi vividhānnāni / mātrā ca sakhibhir vṛtaḥ
hāsayan vividhair hāsyaiḥ / sakhiṁs tair hasati svayam

Daar, in het gezelschap van Zijn sakhā's laat Hij Zich alle gerechten, die zijn toebereid door Rādhikā en Haar sakhī's, goed smaken. Terwijl Hij de ene grap na de andere lanceert, maakt Hij Zijn vrienden aan het lachen en lacht Hijzelf met hen mee.

itthaṁ bhuktvā tathācamya / divya-khaṭṭopari kṣaṇam
viśramet sevakair dattaṁ / tāmbūlam vibhajann adan

Nadat Hij Zijn maaltijd heeft beindigd, neemt Hij ācamana (mondspoeling) en bieden Zijn dienaren Hem tāmbūla aan, dat Hij onder Zijn sakhā's verdeelt. Daarna gaat Hij een poosje op een transcendentaal bed liggen rusten en kauwt op de tāmbūla.

Vijaya: Alstublieft, beschrijft u ook de pūrvāhna-līlā (spel vr twaalf uur).

Gosvāmī:

gopa-veśa-dharaḥ kṛṣṇo / dhenu-vṛnda-puraḥsaraḥ
vrajavāsi-janaiḥ prītyā / sarvair anugataḥ pathi

"In Zijn gopa-veśa verlaat Śrī Kṛṣṇa het dorp met de koeien om ze te laten grazen. Op dat moment volgen alle vraja-vāsī's Hem, die worden meegevoerd door hun intense liefde en genegenheid voor Hem, tot op een afstand buiten het dorp.

pitaraṁ mātaraṁ natvā / netrāntena priyā-gaṇam
yathā-yogyaṁ tathā cānyān / sa nivarttya vanaṁ vrajet

Met eerbiedige woorden biedt Śrī Kṛṣṇa Zijn vader en moeder praṇāma aan. Tegelijkertijd werpt Hij vanuit Zijn ooghoeken een vluchtige blik naar Zijn geliefde gopī's en doet hun hart trillen van opwinding. Nadat Hij gepaste eerbied heeft betuigd aan degenen, die Hem tot zover hebben gevolgd, beweegt Vaṁśīdhārī Śyāma Zich met Zijn sakhā's op weg naar de weidegronden.

vanam praviśya sakhibhiḥ / kṛīḍayitvā kṣaṇaṁ tataḥ
vihārair vividhais tatra / vane vikṛīḍato mudā

Zodra het bos is bereikt, organiseert Hij enige tijd allerlei soorten wedstrijden en amuseert Zich vrolijk met Zijn sakhā's.

vacayitvā ca tān sarvān / dvitraiḥ priya-sakhair vṛtaḥ
sāṅketakaṁ vrajed dharṣāt / priyā-sandarśanotsakaḥ

Dan houdt Hij ze op een slimme manier bezig met activiteiten, zoals het begrazen van de koeien, misleidt hen dan en laat hen allemaal achter. Dan vervolgt Hij met twee of drie priyā-sakhā's in een jubelstemming Zijn weg in de richting van het rendezvous (saṅketa) met Zijn geliefde gopī's en is nieuwsgierig om Zijn priyā te zien."

Vijaya: Wilt u alstublieft de madhyāhna-līlā (spel rond twaalf uur) beschrijven?

Gosvāmī:

sāpi kṛṣṇe vanaṁ yāntaṁ / dṛṣṭvā sva-gṛham āgatā
sūryādi-pūjā-vyājena / kusumādyāhṛti-cchalāt

"Nadat Ze Śrī Kṛṣṇa naar het bos ziet vertrekken, keert Zijn meest geliefde gezellin, Śrīmatī Rādhikā, naar Haar eigen huis terug. Onder het voorwendsel Sūrya-pūjā te verrichten of bloemen te plukken ...

vacayitvā gurūn yāti / priya-saṅgecchayā vanam
itthaṁ tau bahu-yatnena / militvā sva-gaṇais tataḥ

... misleidt Ze Haar ouders teneinde saṅga met Haar priyatama Śyāma te hebben. Vergezeld van Haar sakhī's gaat Ze naar hetzelfde bos om Hem te ontmoeten. Dus na veel moeite ontmoeten Rādhā en Kṛṣṇa elkaar weer ...

vihārair vividhais tatra / vane vikṛīḍito mudā
hindolikā samārūḍhau / sakhībhir dolitau kvacit

... en voeren samen in het bos op zegenrijke en vreugdevolle wijze diverse sportieve paramānanda-līlā uit. Van tijd tot tijd zitten Rādhā en Kṛṣṇa op een schommel en worden door Hun sakhī's geschommeld.

kvaciḍ veṇuṁ kara-srastaṁ / priyayāpahṛtaṁ hariḥ
anveṣayann upalabdho / vipralabdho priyā-gaṇaiḥ

Soms (als Hij Zich een beetje slaperig voelt) glijdt Śrī Hari's veṇu uit Zijn vingers en wordt gestolen door Zijn priyā Śrī Rādhā. Ondanks dat Hij er overal naar zoekt, raakt Hij tenslotte teleurgesteld en geeft de hoop op. Op dat moment leggen de geliefde gopī's de veṇu in Zijn lotushanden ...

hāsito bahudhā tābhir / hāsitas tatra tiṣṭhati
vasanta-ṛtunā juṣtaṁ / vanaṁ khaṇdaṁ kvacin mudā

... waarbij ze lachen een geestige opmerkingen maken. Op dat moment ziet Kṛṣṇa er schitterend uit, als Hij geniet van de gopī's, die Hem plagen, waarbij Hij grapjes maakt en hun schaamteloze opmerkingen pareert. Soms gaan Śrīmatī Rādhikā en Śrī Kṛṣṇa een bepaald gedeelte van het bos in, dat wordt beheerd door de lente in eigen persoon.

praviśya candanāmbhobhiḥ / kuṅkumādi-jaliar api
niṣicato yantra-muktais / tat-paṅkair limpato mithaḥ

Daar gebruiken Ze zilverwitte seringen gedoopt in gekleurd water vermengd met geurige substanties, zoals kuṅkuma en candana, om elkaar nat te gooien; en een andere keer smeren Ze de pasta's van candana, kuṅkuma enzovoort op elkaars lichaam.

sakhyo'py evaṁ viṣicanti / taś ca tau sicataḥ punaḥ
vasanta-vāyu-juṣṭeṣu / vana-khaṇḍeṣu sarvataḥ

In de schoonheid en schittering van dat bos, dat aan alle zijden door zachte voorjaarsbriesjes wordt gediend, nemen de sakhī's ook deel aan Hun transcendentale sport en spel door Hen te helpen elkaar met dat geurige water te baden ...

tat-tat-kālocitair nānā-vihāraiḥ sa-gaṇair dvija
śrāntau kvacid vṛkṣa-mūlam / āsādya muni-sattama

O beste der muni's, Śrīmatī Rādhā en Kṛṣṇa en Hun vertrouwelijke sakhā's en sakhī's beleven verschillende vormen van zegenrijke avonturen, die voor dat moment geschikt zijn. Als Ze vermoeid zijn van Hun levendige spel, gaan Ze onder een boom zitten ...

upaviśyāsane divye / madhu-pānaṁ pracakratuḥ
tato madhu-madonmattau / nidrayā militekṣaṇau

... op een goddelijke troon en genieten van het drinken van ambrozijnen honingwijn (madhu). Als Ze door de madhu bedwelmd raken, sluiten Ze Hun ogen en slapen een poosje.

mithaḥ pāṇi-samālambya / kāma-bāṇa-prasaṅgatau
riraṁsur viśataḥ kuje / skhalat-pādābjakau pathi

Wanneer Ze elkaars hand vasthouden worden Rādhā-Śyāma door de pijlen van Kāmadeva doorboord en verlangend met elkaar plezier te maken struikelen Hun lotusvoeten van het pad af en gaan Ze de kuja binnen.

kṛīḍataś ca tatas tatra / kariṇī-yūthapau yathā
sakhyo'pi madhubhir mattā / nidrayā pīḍitekṣaṇau

Daarna gaan Śrīmatī Rādhikā en Śyāmasundara in de kuja vrij met elkaar om, zoals de koning der olifanten met zijn partner. De sakhī's, die ook dronken zijn van de madhu, tuimelen slaperig ...

abhito maju-kujeṣu / sarvā evāpi śiṣyire
pṛthag ekena vapuṣā / kṛṣṇo'pi yugapad vibhuḥ

... diverse lieflijke kuja's in de buurt binnen. Onder invloed van Zijn onbevattelijk vermogen manifesteert Śrī Kṛṣṇa Zich in meervoud en komt simultaan bij iedere sakhī apart op bezoek.

sarvāsāṁ sannidhiṁ gacchet / priyayā prerito muhuḥ
ramayitvā ca taḥ sarvāḥ / kariṇīr gaja-rāḍ iva

Zoals een olifant, die is doordrenkt met lust, totaal niet moe wordt, wanneer hij met een aantal vrouwtjesolifanten paart, gaat Śrī Kṛṣṇa, terwijl Hij steeds weer nieuwe inspiratie aan Śrī Rādhā geeft, tegelijkertijd met talloze, geliefde sakhī's om.

priyayā ca tathā tābhiḥ / kṛīḍārtha ca saro vrajet

Na zulke romantische pret met Śrīmatī Rādhikā en Haar vertrouwelijke sakhī's, lopen Ze een meer in voor de waterspelen."

vṛnde śrī-nanda putrasya / mādhurya-kṛīḍane katham
aiśvaryasya prakāśo'bhūt / iti me chindi saṁśayam

Śrī Nārada sprak, "O Vṛndā, hoe is het voor de aiśvarya gedaante mogelijk zich te manifesteren in de mādhurya van Śrī Nandanandana's spel? Wil je alsjeblieft deze twijfel wegnemen?"

mune mādhuryam apy asti / līlā-śaktiḥ hares tu sā
tayā pṛthak kṛīḍaṁ gopa-gopikābhih samaṁ hariḥ

Śrī Vṛndā-devī sprak, "O Muni, Śrī Hari's mādhurya is eigenlijk Zijn līlā-śakti. Met deze śakti voert Hij Zijn meest aantrekkelijke en liefdevolle spel uit. Alleen door deze mādhurya-līlā-śakti maakt Hij simultaan plezier met iedere, afzonderlijke gopa en gopī ...

rādhayā saha rūpeṇa / nijena ramate svayam
iti mādhurya-līlāyāh / śaktir na tv īśatā hareḥ

... maar in Zijn eigen, oorspronkelijke vorm heeft Hij Śrī Rādhā lief. Dit is Śrī Kṛṣṇa's mādhurya-śakti, niet zijn aiśvarya-śakti.

jala-sekair mithas tatra / kṛīḍitvā sva-gaṇais tataḥ
vāsaḥ srak-candanair divyair / bhūṣaṇair api bhūṣitau

Nadat Ze het meer zijn ingegaan, beginnen Rādhā-Kṛṣṇa en Hun sakhī's te spelen en spatten elkaar met water nat en baden elkaar. Daarna worden Ze gedecoreerd met mooie gewaden, geurende bloemenkransen, candana en goddelijke ornamenten.

tatraiva sarasas tīre / divya-maṇimaye gṛhe
aśnataḥ phala-mūlāni / kalpitāni mayaiva hi

Dan bied ik Hen in een goddelijke hut van juwelen aan de oever van het meer een maaltijd aan van vruchten en kruidendrankjes, die ikzelf heb toebereid.

haris tu prathamaṁ bhuktvā / kāntayā parisevitah
dvitrābhiḥ sevito gacchec / chayyāṁ puṣpa-vinirmitām

Śrīmatī Rādhikā bedient Śrī Kṛṣṇa persoonlijk, omdat eerst Hij het feestmaal eert. Daarna gaat Hij op een bloembed liggen rusten. Op dat moment komen er twee of drie sakhī's naar Hem toe ...

tāmbūlair vyajanais tatra / pāda-samvāhanādibhih
sevyamāno hasaṁs tābhir / modate preyasīṁ smaran

... die Hem voorzien van betelnoten (tāmbūla), Hem verkoeling geven met een waaier, Zijn voeten masseren, enzovoort. Als de sakhī's Śrī Kṛṣṇa bedienen, valt Hij glimlachend in slaap, waarbij Hij is verzonken in gedachten over Zijn geliefde Rādhikā.

śrī-rādhāpi harau supte / sa-sakhī moditāntarā
kānta-dattaṁ prīta-manā / ucchiṣṭaṁ bubhuje tataḥ

Terwijl Śrī Kṛṣṇa ligt te rusten, proeven Rādhikā en Haar sakhī's met grote liefde en verrukking de voedselrestanten en de overige drankjes, die Haar geliefde heeft laten staan.

kicid eva tato bhuktvā / vrajet śayyā-niketanam
draṣṭuṁ kānta-mukhāmbhojaṁ / cakorīva niṣā-karam

Nadat Śrī Rādhikā een beetje van Kṛṣṇa's restjes heeft aanvaard, gaat Ze naar het slaapvertrek en staart naar het lotusgelaat van Haar Prāṇa-vallabha, Śrī Kṛṣṇa, zoals de cakorī-vogel naar de maan kijkt.

tāmbūla-carvitaṁ tasya / tatratyābhir niveditam
tāmbūlāny api cāśnāti / vibhajantī priyāliṣu

De sakhī's daar bieden Haar de tāmbūla aan, waarop Śrī Śyāmasundara heeft gekauwd. Zij kauwt ook op de restanten, nadat Ze deze onder Haar sakhī's heeft verdeeld.

kṛṣṇo'pi tāsāṁ śuśrūṣuḥ / svacchanda-bhāṣitaṁ mithaḥ
prāpta-nidra ivābhāti / vinidro'pi paṭāvṛtaḥ

Śrī Kṛṣṇa is nieuwsgierig naar de beminnelijke, ongehinderde gesprekken tussen Śrī Rādhikā en Haar sakhī's, dus Hij heeft Zijn hele lichaam met een kleed bedekt en wendt een diepe slaap voor, hoewel Hij klaarwakker is.

tāś ca kelī-kṣaṇaṁ kṛtvā / mithaḥ kānta-kathāśrayāḥ
vyāja-nidraṁ harer jātvā / kutaścid anumānataḥ

De sakhī's denken, dat Kṛṣṇa slaapt en maken vrijuit geestige opmerkingen, lachen en maken grapjes met elkaar. Maar snel daarna echter nemen ze aan, dat Hij alleen pretendeerde te slapen en op een slimme manier alles, wat ze zeiden, heeft gehoord.

vyudasya rasanāṁ dadbhiḥ / paśyantyo'nyonya-mānanam
līnā iva lajjayā syuḥ / kṣaṇam ucur na kicana

Ze voelen zich beschaamd en drukken hun tong tegen hun tanden en terwijl ze helemaal in verlegenheid zijn verzonken, kijken ze elkaar sprakeloos en met eerbied aan.

kṣaṇād eva tato vastraṁ / durīkṛtya tad-aṅgataḥ
sādhu-nidrāṁ gato'sīti / hāsayantī hasanti tāḥ

Ze hernemen echter snel weer hun natuurlijke staat, trekken het kleed van Kṛṣṇa's lichaam af en zeggen, 'Wat lig Je toch lekker te slapen!' Dit doet Kṛṣṇa plezier en samen moeten ze erom lachen.

evam tau vividhair hāsyai / ramamānau gaṇaiḥ saha
anubhūyaḥ kṣaṇaṁ nidrāṁ / sukha ca muni-sattama

O beste der muni's, op deze manier maken Rādhā, Kṛṣṇa en de sakhī's allerlei soorten plezier vol geestige grapjes en geschater en daarna genieten Ze enige tijd van een zegenrijk slaapje.

upaviśyāsane divye / sa-gaṇau vistṛte mudā
paṇīkṛtya mitho hāraṁ / cumbāśleṣa-paricchadān

Daarna nemen ze in grote verrukking allemaal plaats op een goddelijke, ruime, verhoogde zitplaats. Dan gaan ze een weddenschap aan om halssnoeren, kledingstukken, kusjes of omhelzingen ...

akṣair vikṛīḍataḥ premnā / narmālāpa-puraḥsaram
parājito'pi priyayā / jitam ity vadan mṛṣā

... en vergokken deze voor de grap met dobbelstenen in bhāva's van prema. Zelfs als Kṛṣṇa wordt verslagen, houdt Hij toch vol, dat Hij heeft gewonnen.

hārādi-gṛahaṇe tasyāḥ / pravṛttas tāḍyate tayā
tathaivaṁ tāḍitaḥ kṛṣṇaḥ / karotpala-sarorūhaiḥ

Vervolgens gaat Hij naar Rādhikā om Haar halssnoer te pakken, maar Ze geeft Hem een mep. Als Hij zo door Haar lotushandjes wordt gemept ...

viṣaṇṇa-mānaso bhūtva / gantuṁ ca kurute matim
jito'smi cet tvayā devī / gṛhyatām mat-paṇīkṛtam

... wordt Kṛṣṇa somber. Hij doet, alsof Hij op het punt staat te vertrekken en zegt, 'O Devī, Ik ben door Jou verslagen. Hier, neem mijn inzet.

cumbanādi mayā dattam / ity uktvā ca tathācaret
kauṭilyam tad-bhruvor draṣṭuṁ / śrotuṁ tad-bhartsanaṁ vacaḥ

Dit zijn de kusjes en andere zaken, die Ik eerder had ingezet.' Als Hij dit zegt, geeft Śrī Kṛṣṇa Śrīmatī Rādhikā Haar kusjes en de rest. Omdat ze graag willen getuigen van Śrī Rādhā's gehoekte wenkbrauwen en Haar bestraffende woorden tegen Śrī Śyāma ...

tataḥ śārī-śukānā ca / śrutvā bāgāharaṁ mithaḥ
nirgacchatas tataḥ sthānād / gantu-kāmau gṛhaṁ prati

... komen de śuka en de śārī vogels aangevlogen en beginnen een dispuut over de respectievelijke deugden van Rādhā en Kṛṣṇa. Nadat Ze dat dispuut tussen de śuka en de śārī hebben aangehoord, vertrekken Śrī Śrī Rādhā en Kṛṣṇa naar Hun respectievelijke bestemmingen.

kṛṣṇaḥ kāntām anujāpya / gavām abhimukhaṁ vrajet
sā tu sūrya-gṛhaṁ gacchet / sakhī-maṇḍala-samvṛtā

Śrī Kṛṣṇa neemt afscheid van Zijn Prāṇa-vallabhā Śrīmatī Rādhikā en gaat op weg naar de koeien, terwijl Śrīmatī Rādhikā met Haar sakhī's naar Sūrya Mandira gaat om Sūrya-pūjā te verrichten.

kiyad dūraṁ tato gatvā / parāvṛtya hariḥ punaḥ
vipra-veśaṁ samāsthāya / yāti sūrya-gṛhaṁ prati

In de tussentijd, nadat Śrī Kṛṣṇa een korte afstand heeft afgelegd, verkleedt Hij Zich als een brāhmaṇa priester en gaat ook op weg naar Sūrya Mandira.

sūrya ca pūjayet tatra / prārthitas tat-sakhī-janaiḥ
tadaiva kalpitair vedaiḥ / parihāsa-viśāradaiḥ

Śrīmatī Rādhikā's sakhī's denken, dat Hij een pūjārī is, die hen gaat helpen met het uitvoeren van hun eredienst en ze vragen Hem Sūrya-pūjā in hun naam uit te voeren. Daarop begin Śrī Kṛṣṇa Sūrya-pūjā te verrichten met rare, zelfbedachte, Vedische mantra's.

tatas tā vyathitaṁ kāntaṁ / parijāya vicakṣaṇāḥ
ānanda-sāgare līnā / na viduḥ svaṁ na cāparam

Als de slimme sakhī's deze zelfbedachte, Vedische mantra's horen, hebben ze meteen door, dat deze priester niemand anders is dan hun geliefde Śrī Kṛṣṇa Zelf, die overstuur is door Zich af te scheiden van Śrī Rādhikā. Dit wetende, verdrinken ze in de oceaan der vreugdevolle zegen van prema en vergeten hun eigen identiteit en die van de anderen.

vihārair vividhair evaṁ / sārddhayām advayaṁ mune
nītvā gṛhaṁ vrajeyus tāḥ / sa ca kṛṣṇo gavāṁ vrajet

(O Muni), als Ze gedurende tweeneenhalve prahara's een variteit aan spelletjes, zoals deze, hebben gespeeld, keren Śrīmatī Rādhikā en Haar sakhī's terug naar hun respectievelijke woningen, terwijl Kṛṣṇa naar Zijn koeien gaat."

Vijaya: Welke zijn de aparāhna-līlā (tijdverdrijf in de namiddag)?

Gosvāmī:

saṅgamya sva-sakhīn kṛṣṇo / gṛhītvā gāḥ samantataḥ
āgacchati vrajaṁ karṣan / tatratyān muralī-ravaiḥ

Śrī Vṛndā-devī vervolgt, "O Nārada, Kṛṣṇa voegt Zich bij Zijn sakhā's en keert terug naar Vraja. Met het lieflijke geluid van Zijn muralī verzamelt Hij uit alle richtingen de koeien en steelt de harten van de vraja-vāsī's.

tato nandādayaḥ sarve / śrutvā veṇu-ravaṁ hareḥ
go-dhūli-paṭala-vyāptaṁ / dṛṣṭvā vāpi nabha-sthalam
kṛṣṇasyābhimukhaṁ yānti / tad-darśana-samutsukāḥ

Zodra Nanda en de andere vraja-vāsī's het lieflijke geluid van Śrī Hari's veṇu horen en de lucht zien dichttrekken met het stof van de koeienhoeven, worden ze heel nieuwsgierig om Hem te zien en lopen onmiddellijk die richting in.

rādhikāpi samāgatya / gṛhe snātvā vibhūṣitā
sampādya kānta-bhogārthaṁ / bhakṣyāṇi vividhāni ca
sakhī-saṅgha-yutā yāti / kāntaṁ draṣṭuṁ samutsukāḥ

Nadat Ze huiswaarts is gekeerd en door Haar sakhī's is gebaad, gekleed en versierd, bereidt Śrīmatī Rādhikā diverse soorten gerechten toe voor Haar Prāṇa-vallabha Śrī Kṛṣṇa en popelt met Haar sakhī's te vertrekken om Zijn darśana te nemen.

rāja-mārge vraja-dvāri / yatra sarva-vrajaukasaḥ
kṛṣṇo'pi tān samāgamya / yathāvad anupūrvaśaḥ

Wanneer Kṛṣṇa op Zijn weg van go-cāraṇa naar de buitengebieden van Vraja terugkeert, verzamelen zich alle vraja-vāsī's aan weerszijden van het koninklijke pad. Śrī Kṛṣṇa groet iedereen en respecteert een ieder naar leeftijd, kwaliteiten, enzovoort.

darśanaiḥ sparśanair vācā / smita-pūrvāvalokanaiḥ
gopa-vṛddhān namaskāraiḥ / kāyikair vācikair api

Sommigen begunstigt Hij door naar hen te kijken, sommigen met een omhelsing, anderen met liefdevolle woorden en weer anderen met een blijde, liefdevolle, glimlach vol prema.

sāṣṭāṅga-pātaiḥ pitarau / rohiṇīm api nārada
netrānta-sūcitenaiva / vinayena priyāṁ tathā

He Nārada! Śrī Kṛṣṇa geeft eerbiedige namaskara's zowel door middel van gebaren met Zijn lichaam als door het richten van respectvolle woorden aan de oudere gopa's. Hij biedt Zijn sāṣṭāṅga-daṇḍavat aan Mahārāja Nanda, Yaśodā Māiyā en Rohiṇī Māiyā aan door aan hun voeten te vallen en schenkt Zijn geliefde gopī's bijzondere verrukking door hen Zijn kṛpā-kaṭākṣa (genadevolle en liefdevolle, zijdelingse blikken) te werpen.

evaṁ taiś ca yathā-yogyaṁ / vrajaukobhiḥ prapūjitaḥ
gavālayaṁ tathā gāś ca / sampraviśya samantataḥ

De diverse vraja-vāsī's beantwoorden dit door Hem hun zegeningen te geven, lieve woorden met Hem uit te wisselen en Hem te vereren, enzovoort. Daarna loodst Hij de koeien voorzichtig de go-śālā in.

pitṛbhyām arthito yāti / bhrātrā saha nijālayam
snātvā bhuktvā kicid atra / pitrā mātrānumoditaḥ
gavālayaṁ punar yāti / dogdhu-kāmo gavāṁ payaḥ

Op verzoek van Hun ouders gaan Śrī Kṛṣṇa en Daujī daarna naar Hun kamers om te baden en een hapje prasāda te nemen. Nadat Ze de zegen van Hun ouders hebben gekregen gaan de twee goddelijke broers weer graag naar de go-śālā om de koeien te melken."

Vijaya: Welke zijn de śāyaṁ-līlā (bezigheden bij schemering en vroege avond)?

Gosvāmī:

tāś ca dugdhvā punaḥ kṛṣṇaḥ / dohayitvā ca kāścana
pitrā sārddhaṁ gṛhaṁ yāti / payo-bhāra-śatānugaḥ

"Dan melkt Śrī Kṛṣṇa Zelf een paar koeien en helpt anderen de rest te melken. Als dit klaar is, gaat Hij met Zijn vader terug naar huis en wordt gevolgd door honderden dienaren, die de melkkannen dragen.

tatrāpi māṭr-vṛndaiś ca / tat-putraiś ca balena ca
sambhukte vividhānnāni / carvya-coṣyādikāni ca

Als ze thuiskomen, gaat Hij naast Nanda Mahārāja zitten bij Zijn ooms, Zijn neven, Balarāma en de sakhā's, terwijl Yaśodā, Rohiṇī en de andere, oudere gopī's Hen bedienen. En dan laat Hij Zich diverse gerechten smaken, die moeten worden gekauwd, gezogen, gelikt en gedronken."

Vijaya: Wilt u alstublieft vertellen over de pradoṣa-līlā (avonturen van het eerste deel van de nacht).

Gosvāmī:

tan-mātuh prārthanāt pūrvaṁ / rādhāyāpi tadaiva hi
prasthāpyante sakhī-dvārā / pakvānnānī tadālayam

"In grote opwinding kookt Śrīmatī Rādhikā diverse gerechten en stuurt ze via Haar sakhī's naar Kṛṣṇa in Nanda-bhavan, zelfs nog voordat Haar schoonmoeder Haar opdraagt dit te doen.

ślāghayaṁś ca haris tāni / bhuktvā piṭrādibhiḥ saha
sabhā-gṛhaṁ vrajet taiś ca / juṣṭaṁ bandhu-janādibhiḥ
pakvānnāni gṛhītvā tāḥ / sakhyas tatra samāgatāḥ
bahūny eva punas tāni / pradattāni yaśodayā

Samen met Zijn vader en de sakhā's proeft Śrī Kṛṣṇa keer op keer van de uiteenlopende gerechten en roept Zijn lof uit over de hapjes, die Śrī Rādhā heeft gestuurd, en de vele andere, die Yaśodā Māiyā heeft toebereid. Daarna gaat Kṛṣṇa met Zijn vader, vrienden en verwanten naar de theaterzaal, waar zangers en dansers hen met zoete liederen en dansuitvoeringen amuseren.

sakhyā tatra tayā dattaṁ / kṛṣṇocchiṣṭaṁ tathā rahaḥ
sarvaṁ tābhiḥ samānīya / rādhikāyai nivedyate

In die tussentijd nemen de sakhī's Kṛṣṇa's restanten mee en geven ze op een geheime plek aan Rādhikā. Śrīmatī Rādhikā verdeelt ze naar leeftijd onder de sakhī's (en diep verzonken in gedachten aan Hem eert Ze de prasāda in grote verrukking).

sāpi bhuktvā sakhī-vargā yutā tad-anupūrvaśaḥ
sakhībhir maṇḍitā tiṣṭhet / abhisarttuṁ samudyatā

Nadat Ze van die restjes heeft genoten, kleden Haar sakhī's Haar zeer charmant aan en dan is Ze klaar om op abhisāra te gaan (Haar priyatama Śyāma te ontmoeten!)."

Vijaya: Prabhu, ik word ontzettend nieuwsgierig om over rātri-līlā (de nachtelijke avonturen) te horen.

Gosvāmī:

prasthāpyate mayā kācid / ata eva tataḥ sakhī
tathābhisāritābhiś ca / yamunāyāḥ samīpataḥ
kalpa-vṛkṣe nikuje'smin / divya-ratnamaye gṛhe
sita-kṛṣṇa-niśāyogyā / veśayitvā sakhī-yutā

Śrī Vṛndā-devī zei, "Ik stuur een zekere sakhī van hier naar Śrīmatī Rādhikā, die vergezeld van Haar sakhī's tegen die tijd naar een goddelijke, met juwelen ingelegde hut in de nikuja komt. Deze staat op de oever van de Yamunā en wordt overdekt door een dicht bladerendak van kalpa-vṛkṣa-bomen. Volgens de aanwijzing van de koerier-sakhī kleedt Śrīmatī Rādhikā Zich in gewaden, die met de stand van de maan in overeenstemming zijn. Gedurende de donkere maan (kṛṣṇa-pakṣa) kleedt Ze Zich in donkere gewaden en tijdens volle maan (śukla-pakṣa) draagt Ze lichte of witte gewaden.

kṛṣṇo'pi vividhas tatra / dṛṣṭvā kautūhalaṁ tataḥ
kātyāyanyā manojāni / śrutvāpi gītakāny api

In die tussentijd zit Kṛṣṇa in de theaterzaal van Zijn vader en kijkt naar uiteenlopende soorten wonderbaarlijke voorstellingen en luistert naar kātyāyanī-saṅgīta liederen, die de geest geheel in beslag nemen.

dhana-dhānyādibhis tāṁś ca / prīṇayitvā vidhānataḥ
janair ārādhito mātrā / yāti śayyā-niketanam

Daarna beloont Hij op gepaste wijze de uitvoerend kunstenaars en stelt ze tevreden met rijkdom of granen, aanvaardt verering van Nanda Mahārāja's onderdanen en gaat samen met Zijn moeder in de richting van Zijn slaapkamer.

mātari prasthitāyān tu / bahir gatvā tato gṛhāt
sāṅketitaṁ kāntayātra / samāgacched alakṣitaḥ

Nadat Yaśoda Māiyā Kṛṣṇa naar bed heeft gebracht, gaat ze Zijn kamer uit en neemt rust in haar eigen kamer. Meteen daarna verlaat Kṛṣṇa, die slechts slaap voorwendde, Zijn kamer, waarbij Hij ervoor zorgt, dat niemand Hem ziet...

militvā tāv ubhāv atra / kṛīdato vana-rājiṣu
vihārair vividhair rāsa-lāsya-gīta-puraḥsaraiḥ

... en dan gaat Hij naar Zijn gezellin op de afgesproken ontmoetingsplaats (saṅketa). Daar voeren Ze diverse spellen en vermaak uit en vooral met Hun sakhī's samen zingen en rāsa-dansen in het bos.

sārddhaṁ yāma-dvayaṁ nītvā / rātrāv eva vidhānataḥ
viśve suṣupatuḥ kuje / pakṣibhis tāv alakṣitau

Na bijna tweeneenhalve prahara's van de nacht te hebben doorgebracht met diverse andere avonturen van de rāsa-līlā (zoals baden in de Yamunā), gaan de twee Delen Hun kuja binnen zonder door slapende vogels te worden opgemerkt.

ekānte kusumaiḥ klipte / keli-talpe manohare
suptāvatiṣṭhatāṁ tatra / sevyamānau nijālibhiḥ

In die afgezonderde kuja gaan Rādhā en Kṛṣṇa op een subliem bloembed liggen, dat precies geschikt is voor Hun geestelijk boeiende, romantische tijdverdrijf. Daarna gaan ze rusten, terwijl Hun meest vertrouwelijke sakhī's gepaste diensten verrichten."

Vijaya, dit is de meest gevierde aṣṭa-kālīya-līlā van Śrī Kṛṣṇa, waarin de ingredinten van alle rasa aanwezig zijn. De verschillende typen rasa, die ik eerder met je heb besproken, zijn in deze līlā allemaal aanwezig. Je moet je dienst blijven verlenen op je aangewezen plaats, op het aangewezen tijdstip, in je toegewezen groep en met je specifieke relatie.

Toen Vijaya Kumāra al deze beschrijvingen uit de mond van Śrī Guru Gosvāmī had vernomen, werd hij door bhāva overweldigd. Er rolden tranen van prema over zijn wangen en zijn haar stond recht overeind. Met gebroken stem sprak hij een paar woorden en viel toen bewusteloos aan de lotusvoeten van Śrī Gopāla Guru Gosvāmī. Nadat hij enige tijd later weer bijkwam, omhelsde Śrī Gopāla Guru Gosvāmī hem met grote genegenheid en streek hem over zijn hoofd. Ook uit de ogen van Śrī Guru Gosvāmī stroomden tranen.

Toen hij uiteindelijk zag, dat het al heel laat in de nacht was, gaf Vijaya Kumāra zijn daṇḍavat-praṇāma aan de lotusvoeten van Śrī Guru Gosvāmī, bracht zichzelf tot bedaren en wandelde langzaam naar zijn verblijfplaats terug. Nu begon de rasa-kathā dag en nacht in zijn hart te verschijnen.

 

Aldus eindigt het Achtendertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Śṛṇgāra-rasa: Mukhya-sambhoga & Aṣṭa-kālīya-līlā"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 37 "Srngara-Rasa: Srngara Svarupa & Vipralambha"

Volgende: Hoofdstuk 39 "Madhura-Rasa: Sthayibhava & de stadia van Rati"

Inhoud: Inhoud



Top

2017 Jayaradhe.nl