Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 37

Madhura-Rasa: Srngara Svarupa & Vipralambha


Vijaya Kumāra proefde de aspecten van mādhurya-bhāva, die hij de vorige dag had gehoord en hij was nog steeds in die stemming, toen hij weer bij Śrī Gurudeva verscheen. Hij gaf praṇāma en informeerde beleefd, "Prabhu, ik heb alles begrepen van vibhāva, anubhāva, sāttvika-bhāva en vyabhicārī-bhāva en ook de svarūpa van sthāyībhāva. Maar hoewel ik deze vier soorten ingrediënten met sthāyībhāva heb gecombineerd, ben ik toch niet in staat om rasa te laten ontwaken. Hoe komt dat?"


Gosvāmī: Beste Vijaya, je bent niet in staat rasa in sthāyībhāva te laten ontwaken, totdat je op de hoogte bent met de svarūpa (intrinsieke natuur) van śṛṅgāra-rasa.

Vijaya: Wat is śṛṅgāra-rasa?

Gosvāmī: Śṛṅgāra is de superexcellente en overvloedige, transcendentale betovering van madhura-rasa. Er zijn twee soorten śṛṅgāra: vipralambha (liefde in afgescheidenheid) en sambhoga (elkaar ontmoeten en samen plezierig, transcendentaal tijdverdrijf beleven).

Vijaya: Ik zou de kenmerken van vipralambha willen weten.

Gosvāmī: Vipralambha is de heerlijke emotie, die zich manifesteert, wanneer de nāyaka en de nayīka's hun gekoesterde en verrukkelijke hunkering naar het amoureuze spel, zoals elkaar omhelsen en kussen, niet kunnen vervullen. Vipralambha kan in iedere staat optreden, hetzij tijdens de ontmoeting (milana), hetzij tijdens de afgescheidenheid (viyoga), en hij voedt vooral het gevoel van sambhoga. Vipralambha wordt ook viraha of viyoga genoemd.  

Vijaya: Hoe kan vipralambha het gevoel van sambhoga voeden?

Gosvāmī: Als je een gekleurde doek herhaaldelijk in hetzelfde verfbad dompelt, wordt de pracht van de kleur in toenemende mate verhoogd. Op dezelfde wijze verhoogt vipralambha de superexcellente schoonheid van sambhoga-rasa. Sambhoga kan zich zonder vipralambha niet ten volle ontwikkelen.

Vijaya: Hoeveel verschillende soorten vipralambha zijn er?

Gosvāmī: Er zijn vier soorten: pūrva-rāga, māna, prema-vaicittya en pravāsa.

Vijaya: Wat is pūrva-rāga?

Gosvāmī: Pūrva-rāga is de fascinatie en de betovering, die oprijzen, wanneer de nāyaka en nayīkā elkaar zien en over elkaar horen, voordat ze elkaar in werkelijkheid ontmoeten.

Vijaya: Op welke wijzen kunnen ze elkaar zien?

Gosvāmī: De nayīkā kan Kṛṣṇa persoonlijk rechtstreeks zien, ze kan Zijn vorm in een afbeelding zien, of Hem in dromen zien.

Vijaya: En op welke manieren kunnen ze iets over elkaar vernemen?

Gosvāmī: Je kunt iemand de stuti's en lofprijzingen van de nāyaka horen reciteren, of over Hem horen uit de mond van sakhī's en koeriers (dūtī's) en je kunt luisteren naar lofzangen over Hem.

Vijaya: Wat veroorzaakt het verschijnen van deze rati?

Gosvāmī: Toen ik eerder de sthāyībhāva uiteenzette, heb ik verteld, dat het verschijnen van rati wordt veroorzaakt door abhiyoga, viṣaya, sambandha, abhimāna, enzovoort. Deze zijn ook de oorzaken van het verschijnen van rati in pūrva-rāga.

Vijaya: Manifesteert deze pūrva-rāga zich het eerst in de vraja-nāyaka, of het eerst in de vraja-nayīka's?

Gosvāmī: Hiertoe bestaan vele overwegingen. In wereldse affaires is het over het algemeen de man, die begint te hunkeren naar wederzijdse aantrekking, omdat vrouwen doorgaans schuwer zijn dan mannen. Aangezien echter vrouwen ook meer prema hebben, manifesteert pūrva-rāga zich het eerst in de lotusogige gopī's. De bhakti-śāstra’s stellen, dat pūrva-rāga het eerst in de bhakta verschijnt en dat Śrī Kṛṣṇa dit op overeenkomstige wijze beantwoordt. De vraja-devī's zijn de allerhoogste bhakta's, dus pūrva-rāga verschijnt in hen op volmaakte wijze het eerst.

Er is een antiek adagium met betrekking tot de trekken van de menselijke natuur – "De vrouw voelt de aantrekking het eerst en de man beantwoordt haar gebaar." Er is echter niets verkeerd aan het omkeren van deze volgorde, indien de intensiteit van prema in beiden evengroot is.

Vijaya: Wilt u alstublieft de sañcārī-bhāva's van pūrva-rāga uiteenzetten?

Gosvāmī: Ziekte, twijfel, jaloezie, uitputting, vermoeidheid, depressie, begerigheid, bescheidenheid, bezorgdheid, slaap, wakker worden, neerslachtigheid, inertie, waanzin, verwarring en het verlangen naar de dood zijn allemaal sañcārī- of vyabhicārī-bhāva's.

Vijaya: Hoeveel verschillende typen pūrva-rāga zijn er?

Gosvāmī: Er zijn drie typen: prauḍha (volrijp), samañjasa (middelmatig) en sādhāraṇa (algemeen).

Vijaya: Wat is prauḍha (volrijpe) pūrva-rāga?

Gosvāmī: Pūrva-rāga is prauḍha, wanneer hij optreedt in degenen met samarthā rati. Op dit niveau van pūrva-rāga kunnen zich de tien daśā's (staten) te beginnen met intens hunkeren (lālasā) tot en met het verlangen naar de dood (maraṇa) manifesteren. Aangezien deze pūrva-rāga prauḍha (volkomen gerijpt) is, zijn de staten, die hij manifesteert ook prauḍha.

Vijaya: Welke zijn de tien daśā's (staten)?

Gosvāmī: Deze zijn alsvolgt,

lālasodvega-jāgaryās tānavam jaḍimātra tu
vaiyagryaṁ vyādhir unmādo moho mṛtyur daśā daśa
                                                    Ujjvala-nīlamaṇi, pūrva-rāga division (9)

De tien staten zijn intense hunkering (lālasa), bezorgdheid (udvega), slapeloosheid (jāgaraṇa), op sterven na dood zijn (tānava), inertie (jaḍatā), ongeduld (vyagratā), ziekte (vyādhi), waanzin (unmāda), begoocheling (moha) en verlangen naar de dood (mṛtyu).

Vijaya: Wat is lālasā?

Gosvāmī: Lālasā is het intens hunkeren naar de vervulling van je hartewens (abhīṣṭa) en de symptomen zijn begerigheid, wispelturigheid, wankelen en zwaar ademhalen.

Vijaya: Wat is udvega?

Gosvāmī: Udvega is mentaal van streek raken en het manifesteert zich met symptomen, zoals diepe en zware ademhalingen; wispelturigheid; onbeweeglijkheid; diepzinnigheid; tranen; het verschieten van de lichaamskleur; en transpiratie.

Vijaya: Wat is jāgaraṇa?

Gosvāmī: Jāgaraṇa is slapeloosheid en het geeft aanleiding tot onbeweeglijkheid en het opdrogen van de zintuigen.

Vijaya: Wat is tānava?

Gosvāmī: Tānava is het vermageren van het lichaam, dat wordt vergezeld door symptomen, zoals lichamelijke zwakte en het wankel worden van de geest. Sommigen lezen vilāpa (beklag) in plaats van tānava.

Vijaya: Wat is jaḍatā (intertia)?

Gosvāmī: Jaḍatā wordt vertoond bij de afwezigheid van onderscheidingsvermogen door zelfs niet te antwoorden, wanneer iets wordt gevraagd, en door het verliezen van het gehoor en het gezichtsvermogen. Dit is ook bekend als jaḍimā.

Vijaya: Wat is vyagratā (ongeduld)?

Gosvāmī: De conditie, waarin de transformaties, die uit bhāva voortkomen, zich niet uiterlijk manifesteren, wordt 'ernst' genoemd. Vyagratā is de staat, waarin deze ernst wordt geprikkeld en ondraaglijk wordt. De symptomen van vyagratā zijn onderscheidingsvermogen, verdriet, spijt en jaloezie.

Vijaya: Wat is vyādhi (ziekte)?

Gosvāmī: Acute teleurstelling wegens het achterwege blijven van je gekoesterde doel (abhīṣṭā) – namelijk je geliefde – heeft een staat tot gevolg met symptomen, zoals bleek worden en hoge koorts. Dit wordt vyādhi genoemd en geeft aanleiding tot anubhāva's, zoals het koud krijgen en bibberen; verlangen; waanvoorstellingen krijgen; diepe en lange ademhalingen maken; en bewusteloos op de grond vallen.

Vijaya: Wat is unmāda (waanzin)?

Gosvāmī: Unmāda is de conditie, waarin de nayīkā haar geliefde telkens abusievelijk in uiteenlopende objecten waarneemt – bijvoorbeeld een tamāla-boom aanzien voor Kṛṣṇa en hem omarmen. Dit is het gevolg van een intensieve mentale absorbtie in de geliefde gepaard gaand met de overweldiging van bhāva's, zoals verdriet, waanideeën en nederigheid. De anubhāva's van unmāda zijn afkeer, jaloerse opmerkingen tegen de geliefde maken, langgerekte ademhalingen maken, nalaten met de ogen te knipperen en het ervaren van extreme pijn door afgescheidenheid.

Vijaya: Wat is moha (begoocheling)?

Gosvāmī: Moha betekent het bewustzijn verliezen. De anubhāva's zijn onbeweeglijk worden, flauwvallen, enzovoort.

Vijaya: Wat is mṛtyu (verlangen naar de dood)?

Gosvāmī: Wanneer de nayīkā niet in staat is haar kānta (geliefde) te ontmoeten, zelfs niet met alle mogelijke middelen, zoals het sturen van liefdesbrieven en boodschappen via haar sakhī's, veroorzaken de pijlen van Cupido zoveel pijn door afgescheidenheid, dat ze streeft naar de dood. In deze staat geeft ze al haar gekoesterde bezittingen aan haar sakhī's weg. Uddīpana-vibhāva's, zoals bijen, een zacht briesje, het maanlicht, kadamba-bomen, wolken, bliksemschichten en pauwen stimuleren de ontwikkeling van de staat van mṛtyu.

Vijaya: Wat is samañjasa-pūrva-rāga? Wilt u dit alstublieft uitleggen?

Gosvāmī: Samañjasa-pūrva-rāga is de pūrva rāga, die in anticipatie op de ontmoeting verschijnt en die het specifieke kenmerk van samañjasā rati is. In deze hoedanigheid kan de nayīkā geleidelijk de tien condities manifesteren, namelijk verlangen (abhilāṣa), beschouwen (cintā), zich herinneren (smṛti), het prijzen van de kwaliteiten van de geliefde (guṇa-kīrtana), geprikkeldheid en bezorgdheid (udvega), zich beklagen (vilāpa), waanzin (unmāda), ziekte (vyādhi), intertie (jaḍatā) en verlangen naar de dood (mṛtyu).

Vijaya: Wat is de betekenis van abhilāṣa in deze samenhang?

Gosvāmī: Abhilāṣa verwijst naar de voorbereidingen op het ontmoeten van de geliefde. De anubhāva's zijn het decoreren van het lichaam, de geliefde benaderen onder het voorwendsel iets anders te doen en het tentoon spreiden van de aantrekking (anurāga) voor Hem.

Vijaya: Wat is hier de aard van cintā?

Gosvāmī: Cintā is het mediteren op de manier, waarop je associatie met je geliefde krijgt, zoals Hem informeren over je conditie via een brāhmaṇa, of het sturen van een brief. De symptomen zijn draaien en woelen in bed; lange, diepe ademhalingen en staren.

Vijaya: Wat wordt hier bedoeld met smṛti?

Gosvāmī: Smṛti is diepe mentale absorbtie in de geliefde, wiens associatie reeds is ervaren door Hem te zien en over Hem en Zijn schoonheid, Zijn ornamenten, Zijn spel en vermaak en verscheidene vreugdevolle onderhandelingen en alles, dat aan Hem is gerelateerd te horen. De anubhāva's zijn beven, vermoeidheid, het verschieten van kleur, tranen, onhechting en onthouding, en diepe ademhalingen.

Vijaya: Wat is guṇa-kīrtana?

Gosvāmī: Guṇa-kīrtana is het prijzen van de nāyaka's kwaliteiten, zoals Zijn gedaante en schoonheid. Tot de anubhāva's behoren beven, kippenvel en het breken van de stem. Bezorgdheid, zich beklagen gepaard gaand met waanzin, ziekte, inertie en het verlangen naar de dood zijn de zes symptomen, die in samañjasa-pūrva-rāga in dezelfde mate manifest zijn als in samañjasā rati.

Vijaya: Wilt u nu alstublieft de symptomen van sādhāraṇa-pūrva-rāga uitleggen?

Gosvāmī: Sādhāraṇa-pūrva-rāga is precies hetzelfde als sādhāraṇī rati. In deze conditie verschijnen de eerste zes staten (daśā's) – tot en met zich beklagen (vilāpa) – in een milde vorm. Ik vindt, dat ik hier geen voorbeelden hoef te geven, want ze zijn heel eenvoudig. In dit type pūrva-rāga wisselen de beide geliefden liefdesbrieven (kāma-lekha-patra), bloemenkransen, enzovoort, met elkaar uit via vertrouwelijke metgezellen.

Vijaya: Wat zijn kāma-lekha-patra (liefdesbrieven)?

Gosvāmī: Liefdesbrieven zijn uitdrukkingen van wederzijdse gevoelens van liefde op schrift. Er bestaan twee vormen: sākṣara, geschreven met letters, of opschriften van het alfabet, en nirakṣara, geschreven zonder gebruikmaking van letters.

Vijaya: Wat zijn nirakṣara-kāma-lekha?

Gosvāmī: Een voorbeeld van een symbolische liefdesbrief is met de nagel een afdruk maken van de vorm van een halve maan op een rood gekleurd plantenblad zonder gebruikmaking van andere tekens of letters.

Vijaya: Wat zijn sākṣara-kāma-lekha (geschreven liefdesbrieven)?

Gosvāmī: Geschreven liefdesbrieven zijn brieven, die tussen de nāyaka en nayīkā worden uitgewisseld en die in hun eigen handschrift zijn geschreven, waarin ze de diepe, emotionele staat van hun hart in natuurlijke taal uitdrukken. Deze liefdesbrieven worden geschreven in gekleurde inkten, die worden verkregen uit mineralen van de bergen, door rode bloemen te persen, of ze zijn vervaardigd uit kuṅkuma-poeder. In plaats van schrijfpapier worden grote bloembladeren gebruikt, die met vezels van lotusstengels worden vastgebonden.

Vijaya: Wat is de geleidelijke ontwikkeling van pūrva-rāga?

Gosvāmī: Sommigen zeggen, dat genegenheid eerst wordt opgewekt door eenvoudig de geliefde te zien. Dit wordt gevolgd door contemplatie, gehechtheid, het maken van een gelofte, verlangen naar een ontmoeting, slapeloosheid, vermagering, aversie van al het andere, verlies van verlegenheid, waanzin, flauwvallen en naar de dood verlangen – in deze volgorde. Zo groot is het bereik van de intensiteit van kāma (prema). Pūrva-rāga treedt zowel op in de nāyaka als in de nayīka's, maar hij verschijnt het eerst in de nayīka's en daarna in de nāyaka.

Vijaya: Wat is māna?

Gosvāmī: Māna is de bhāva, die voorkomt, dat de nāyaka en nayīkā zich bezighouden met hun gekoesterde activiteiten, zoals elkaar omhelsen, naar elkaar kijken, elkaar kussen, met elkaar op een plezierige manier praten, enzovoort, ook al zijn beiden op dezelfde plaats aanwezig en delen ze een grote, wederzijdse aanhankelijkheid. Māna veroorzaakt het verschijnen van sañcārī-bhāva's, zoals verdriet, twijfel, boosheid, rusteloosheid, trots, jaloezie, het verbergen van gevoelens, schuldgevoel en een grote diepzinnigheid.

Vijaya: Wat is het onderliggende principe van māna?

Gosvāmī: De basis van māna is praṇaya; māna treedt normaliter niet op vóór het stadium van praṇaya en als dat wel gebeurt, is het slechts in een samengetrokken of onrijpe vorm. Er zijn twee soorten māna: māna met een reden (sahetu) en māna zonder reden (nirhetu).

Vijaya: Wat is māna met een reden (sahetu-māna)?

Gosvāmī: Īrṣyā (jaloerse gevoelens) rijzen op in het hart van de nayīkā, als ze de nāyaka Zich ziet of hoort gedragen met een bijzondere genegenheid voor een nayīkā uit een rivaliserende (vipakṣa) of marginale (taṭastha) groep. Als deze īrṣyā (jaloezie) door praṇaya wordt overweldigd, ontwikkelt deze zich tot sahetu-māna. Men heeft reeds lange tijd gemeend, dat, op dezelfde manier, waarop er geen bhaya (vrees) is zonder sneha, er ook geen īrṣyā kan zijn zonder praṇaya. Op deze wijze verlichten al deze verscheidene uitdrukkingen van māna slechts de intensiteit van de prema tussen de nayīka's en de nāyaka.

Het hart van de nayīkā is doordrenkt met bhāva's, zoals de intense, liefdevolle bezitsdrang voor haar geliefde (susakhya). Zodra ze ziet, dat de nāyaka, die uitermate aan haar is gehecht, een rivaliserende nayīkā bevoorrecht en met haar plezier maakt, wordt ze rusteloos en ongeduldig. In Dvārakā bood Śrī Kṛṣṇa eens een pārijāta-bloem aan Śrī Rukmiṇī aan. Hoewel alle koninginnen van dit incident op de hoogte waren, werd echter alleen het hart van Satyabhāmā door māna overdonderd. Satyabhāmā's māna werd opgewekt, toen ze de unieke positie begreep, die aan haar rivaal was toegekend.

Vijaya: Hoeveel manieren zijn er om de speciale positie van rivalen te achterhalen (vipakṣa-vaiśiṣṭya)?

Gosvāmī: Er zijn drie manieren: horen (śruta), gevolgtrekking (anumati) en zien (dṛṣṭa).

Vijaya: Wat is horen (śruta)?

Gosvāmī: Śruta-vipakṣa-vaiśiṣṭya heeft plaats, wanneer de nayīkā haar priyā-sakhī of een papagaai hoort vertellen over het spel van haar geliefde met een nayīkā uit een andere partij.

Vijaya: Wat is anumati-vipakṣa-vaiśiṣṭya?

Gosvāmī: Anumati-vipakṣa-vaiśiṣṭya heeft plaats, wanneer de nayīkā ziet, dat het lichaam van haar geliefde aanwijzingen vertoont van amoureus vermaak met een andere nayīkā, of wanneer ze haar geliefde per ongeluk de naam van een rivaliserende nayīkā hoort noemen, of wanneer ze haar rivaliserende nayīkā in een droom ziet. De aanwijzingen van een samenzijn op het lichaam van de nāyaka en een rivaliserende nayīkā worden bhogāṅka genoemd en het uitspreken van de naam van een rivaliserende nayīkā heet gotra-skhalana. Als haar dit overkomt, ervaart de nayīkā meer pijn dan bij het sterven.

Vijaya: Ik zou graag een voorbeeld willen horen van gotra-skhalana.

Gosvāmī: Toen Kṛṣṇa eens terugliep naar Zijn huis, nadat hij een tijdje met Śrīmatī Rādhā had doorgebracht, kwam Hij onderweg plotseling Candrāvalī tegen. Śrī Kṛṣṇa informeerde, "O Rādhe, gaat het goed met je?" Toen Candrāvalī Kṛṣṇa dit hoorde zeggen, antwoordde ze op een nogal boze toon, "O Kaṁsa, gaat het goed met Je?" Kṛṣṇa was verbaasd en vroeg haar, "O schoonheid, waarom ben je zo in de war?" Candrāvalī liep rood aan van woede en antwoordde pardoes, "Heb Je Rādhā hier soms ergens gezien?" Toen begreep Kṛṣṇa de situatie en dacht bij Zichzelf, "Oh, Ik heb Candrāvalī per ongeluk met de naam Rādhā aangesproken." Hij begreep Zijn eigen vergissing, voelde zich beschaamd en wendde Zijn gelaat af naar de grond. Hij glimlachte ook een beetje om de spontane en sluwe welbespraaktheid van Candrāvalī, welke het gevolg was van haar īrṣyā (jaloezie). Moge deze Śrī Hari, die alle ellende uitbant, ons allemaal beschermen.

Vijaya: Wat betekent het begrijpen van een bepaalde positie van een rivaal door middel van een droom (svapna-dṛṣṭa-vipakṣa-vaiśiṣṭya)?

Gosvāmī: De bezigheden van Kṛṣṇa en Zijn viduṣaka vriendinnen bij het dromen zijn hiervan voorbeelden. Bijvoorbeeld, Kṛṣṇa en Candrāvalī lagen eens na een amoureus tijdverdrijf in de krīḍā-kuñja op hetzelfde bed te slapen. In Zijn droom zei Kṛṣṇa, "O Rādhe! Ik beloof Je, dat Jij alleen Mijn grootste geliefde bent; alleen Jij bent binnen en buiten Mijn hart; alleen Jij bent vóór Me, achter Me, en overal. Wat kan Ik nog meer zeggen? Alleen Jij bent aanwezig in Mijn huis, in Govardhana en in zijn beboste valleien." Toen Candrāvalī Śrī Kṛṣṇa dit in Zijn droom hoorde zeggen, stond ze door de māna, die in haar hart omhoog rees, van het bed op en liep weg.

Hier is een van de dromen van Madhumaṅgala. Hij sliep eens op een verhoogd platform buiten een kuñja, waar Kṛṣṇa en Candrāvalī zich aan het amuseren waren, en in zijn droom zei hij, "O Mādhavī, Kṛṣṇa zit heel deskundig te praten en vleit Padmā's sakhī, Candrāvalī, om haar in de maling te nemen. Probeer Rādhā hier snel naartoe te brengen, zodat Ze Kṛṣṇa kan ontmoeten. Wees niet bang." Toen Candrāvalī hoorde, wat Madhumaṅgala in zijn droom zei, werd ze diep bedroefd. Padmā zat in een kuñja in de buurt en toen ze de conditie van Candrāvalī zag, zei ze tegen Śaibyā, "Oh sakhī, kijk toch eens hoe ellendig het gezicht van Candrāvalī eruit ziet, nadat ze Madhumaṅgala in zijn droom heeft horen praten! Ze laat haar hoofd hangen en ze brandt van verdriet."

Vijaya: Wat is rechtstreeks zien (darśana)?

Gosvāmī: Dit betekent, dat de nayīkā haar nāyaka rechtstreeks plezier ziet maken met een andere nayīkā.

Vijaya: Wat is māna zonder reden (nirhetuka-māna)?

Gosvāmī: Māna zonder reden ontwikkelt zich tussen de nāyaka en nayīkā, als praṇaya wordt versterkt door een schijnbare oorzaak voor māna, hoewel er in werkelijkheid geen reden is voor māna. Paṇḍita's hebben de conclusie getrokken, dat māna het effect is van praṇaya en dat māna zonder reden niets anders is dan een uitbreiding van praṇaya, die voortkomt uit zijn vilāsa (plezierig tijdverdrijf). Ze noemen māna zonder reden 'praṇaya-māna'. De voorgaande authoriteiten (paṇḍita's) beweren ook, dat de bewegingen en onderhandelingen van prema krom zijn, als de kronkels van een slang. Er zijn daarom twee soorten māna duidelijk in de onderhandelingen tussen de nāyaka en de nayīkā aanwezig: māna zonder reden (nirhetu) en māna met reden (sahetu). De vyabhicārī-bhāva in deze rasa is het verbergen van emoties en gevoelens (avahitthā).

Vijaya: Hoe wordt māna zonder reden gekalmeerd (avahitthā)?

Gosvāmī: Deze māna kalmeert zichzelf; hij heeft geen remedie nodig. Zodra er weer wordt gelachen, verdwijnt de māna vanzelf. Om sahetu-māna te kalmeren echter moet de nāyaka van een aantal geschikte middelen gebruik maken, zoals sāma (troostende woorden), bheda (diplomatieke opmerkingen), kriyā (een eed afleggen), dāna (het aanbieden van geschenken), nati (buigen), upekṣā (veronachtzaming en schijnbare onverschilligheid) en rasāntara (een plotselinge gemoedsverandering). Het teken, dat de māna van de nayīkā tot rust is gekomen, is het wegvegen van de tranen door de nāyaka en het feit, dat er weer wordt gelachen.

Vijaya: Wat is sāma (troosten met woorden)?

Gosvāmī: Sāma is het gebruik van lieve, plezierige woordjes en beloften om de priyā (geliefde) te kalmeren.

Vijaya: Wat is bheda (diplomatieke opmerkingen)?

Gosvāmī: Er zijn twee soorten bheda: de ene is het uidrukken van de eigen grootheid met behulp van diverse gebaren en insinuaties en de andere is de nayīkā via sakhī's indirect een standje geven.

Vijaya: Wat wordt bedoeld met dāna (geschenken)?

Gosvāmī: Dāna is de misleidende presentatie van ornamenten en andere geschenken.

Vijaya: Wat is nati (nederige onderwerping)?

Gosvāmī: Nati betekent met alle mogelijke nederigheid aan de voeten van de nayīkā vallen.

Vijaya: Wat is upekṣā (veronachtzaming)?

Gosvāmī: Upekṣa (veronachtzaming of onverschilligheid) is de houding van de schijnbare verlating van de nayīkā, als alle andere middelen ter kalmering van haar māna hebben gefaald. Anderen zeggen, dat upekṣā wijst op het gebruik van opmerkingen met een dubbele betekenis om de nayīkā op te vrolijken.

Vijaya: Wat betekent uw uitdrukking rasāntara (gemoedsverandering)?

Gosvāmī: Rasāntara is de plotselinge verschijning van angst in het hoofd van de nayīkā door woorden of door een natuurlijke gebeurtenis. Er zijn twee soorten rasāntara: die, welke uit zichzelf plaats vindt en die, welke door de scherpe intelligentie van de nāyaka wordt gecreëerd.

Hier volgt een voorbeeld van een verandering van gedachten, die spontaan plaatsvindt. Kṛṣṇa was ondanks verscheidene pogingen eens niet in staat om Bhadrā's māna te kalmeren, toen er plotseling een geweldige donderklap volgde, die Bhadrā zo deed schrikken, dat ze Kṛṣṇa, die vóór haar zat, meteen in Zijn armen vloog.

Hier volgt een voorbeeld van het kalmeren van māna door een intelligent plan. Rādhā was eens diep verzonken in māna. Kṛṣṇa, die van nature uitermate speels is, zag dat Hij Haar met geen mogelijkheid kon kalmeren en speelde een charmante truc uit. Hij maakte eigenhandig een prachtige bloemenkrans en legde hem om de hals van Śrīmatījī. Ze trok de bloemenkrans woedend van Haar hals en gooide hem aan de kant, waarbij hij door wil van de voorzienigheid terecht kwam op Kṛṣṇa. Kṛṣṇa draaide meteen met Zijn ogen in de rondte, trok een gezicht alsof Hij zwaar gewond was en ging in een hoekje zitten treuren. Toen Ze dit zag, werd Rādhājī rusteloos en bezorgd en hield Kṛṣṇa's schouders met twee handen vast. Toen begon Kṛṣṇa te lachen en sloot Haar in Zijn sterke armen.

Vijaya: Zijn er nog andere manieren om māna te kalmeren?

Gosvāmī: Behalve deze methoden kan de māna van de vraja-gopī's op speciale tijden en plaatsen worden gekalmeerd en met het geluid van de muralī zelfs zonder sāma, enzovoort, aan te wenden. Lichte māna kan zonder veel moeite worden gekalmeerd, terwijl middelmatige māna zorgvuldige pogingen vereist. De meest diepgewortelde māna (durjaya-māna) is buitengewoon moeilijk te kalmeren.

Wanneer de gopī's in māna zijn maken ze verscheidene aanmerkingen om Kṛṣṇa te straffen, bijvoorbeeld Vāma (ondankbare, die ongunstig handelt), Durlīla-śiromaṇi (kroonjuweel van kwajongens), Kitvava-rāja (Koning der oplichters), Khala-śreṣṭha (uitermate slecht), Mahā-dhūrta (buitengewoon onbetrouwbare bandiet), Kaṭhora (wreed en met een hart van steen), Nirlajja (schaamteloos), Atidurlalita (uitermate moeilijk te plezieren), Gopī-kāmuka (iemand, die wellustig is naar de gopī's), Ramānī-cora (dief van de kuisheid van de gopī's), Gopī-dharma-nāśaka (bederver van de religieuze principes en kuisheid van de gopī's), Gopa-sādhvi-viḍambaka (iemand, die de kuisheid van de gopī's bespot), Kāmukeśvara (Heer der Wellust), Gāḍh-timira (iemand, die anderen in de duisternis der waanideeën stort), Śyāma (iemand met een zeer donkere gelaatskleur en die anderen in de duisternis der begoocheling stort), Vastra-cora (dief van de kleding van de gopī's), Govardhana-upatyakā-taskara (dief van de kuisheid van de gopī's in de heuvels van Govardhana).

Vijaya: Wat is prema-vaicittya?

Gosvāmī: Prema-vaicittya verwijst naar de hartepijn van afgescheidenheid, die de nayīkā voelt, zelfs al bevindt ze zich dichtbij de nāyaka. Dit is de intrinsieke aard van prema in zijn hoogste staat. Deze superexcellente staat resulteert in een vorm van hulpeloosheid of mentale agitatie, die de illusie creëert van Kṛṣṇa te zijn afgezonderd. Zijn natuurlijke staat wordt vaicittya genoemd.

Vijaya: Wat is pravāsa?

Gosvāmī: Pravāsa is de belemmering of hindernis tussen de nāyaka en nayīkā, wanneer ze bij elkaar zijn geweest en nu zijn afgescheiden, hetzij omdat ze in verschillende landen of dorpen wonen, of omdat ze beiden een ander gevoel hebben gekregen (rasāntara), of omdat ze zich op verschillende plaatsen bevinden. In pravaṣa ervaart men alle vyabhicārī-bhāva's van śṛṅgāra-rasa behalve vreugde, trots, waanzin en verlegenheid. Er zijn twee typen pravāsa: intentionele en niet vooraf geplande, of datgene, wat plaatsvindt door de overmacht der omstandigheden.

Vijaya: Wat is intentionele pravāsa?

Gosvāmī: Intentionele pravāsa heeft plaats, wanneer de nāyaka vertrekt wegens verplichtingen of verantwoordelijkheden. Kṛṣṇa is door Zijn eigen natuur aan Zijn bhakta's – bijvoorbeeld, de bewegende en niet-bewegende jīva’s van Vṛndāvana, de Pāṇḍava's en Śrutadeva in Mithila – verplicht om hen ten volle gelukkig te maken, goede instructies te geven en hun wensen te vervullen. Pravāsa heeft nog twee onderverdelingen: de ene is louter uit het zicht gaan en de andere is vertrekken naar een verre plaats (sudūra). Er zijn ook twee typen sudūra-pravāsa in overeenstemming met de drie fasen van de tijd: verleden, heden en toekomst. Gedurende de sudūra-pravāsa wisselen de nāyaka en nayīkā berichten met elkaar uit.

Vijaya: Wat is ongeplande pravāsa?

Gosvāmī: Ongeplande pravāsa is de sudūra-pravāsa veroorzaakt door ondergeschiktheid aan anderen, of door omstandigheden, die buiten je controle liggen. Er zijn verscheidene soorten ondergeschiktheid, die worden geclassificeerd als divya, adivya en divyādviya. De tien staten, die in deze pravāsa optreden, zijn bedachtzaamheid, slapeloosheid, bezorgdheid, gewicht verliezen, het donkerder worden van het gezicht en de ledematen, onsamenhangend spraakgebruik, ziekte, waanzin, verwarring en verlangen naar de dood. In vipralambha, die wordt veroorzaakt door pravāsa, manifesteren zich deze tien staten zelfs in Kṛṣṇa.

Mijn beste Vijaya, hoewel diverse staten in de verschillende, onderscheiden stadia van prema als anubhāva's verschijnen, heb ik ze niet allemaal genoemd. Over het algemeen verschijnen deze staten als gevolg van de vorderingen van prema, te beginnen bij sneha en via māna, praṇaya, rāga, anurāga en bhāva zich verder ontwikkelend tot mahābhāva. De staat echter van mohana, een ongeëvenaarde staat, die ik eerder heb uiteengezet, manifesteert zich in Śrīmatī Rādhikā. Sommige auteurs van rasa-śāstra hebben de vipralambha, die is gerelateerd aan mededogen (karuṇā), als een afzonderlijke categorie aanvaard, maar ik heb deze rasa niet apart uitgelegd, omdat hij een ander soort pravāsa betreft.

Terwijl Vijaya nadacht over Śrī Guru Gosvāmī's instructies over vipralambha, zei hij tegen zichzelf, "Vipralambha-rasa is geen onafhankelijk verschijnsel of een zelfvolmaakte rasa; hij bevordert en voedt eenvoudig het gevoel van sambhoga. Zulke pijn van afgescheidenheid (vipralambha-rasa) manifesteert zich bij een jīva, die is gebonden aan de wereld, op een speciale manier en dit is uiteindelijk gunstig voor zijn plezier bij de ontmoeting (sambhoga-rasa). In de eeuwige, transcendentale rasa echter bestaat de bhāva van vipralambha tot op zekere hoogte eeuwigdurend. De gevarieerdheid van het spirituele spel en vermaak kan in feite zonder vipralambha niet in zijn hoogst mogelijke status worden opgeroepen."

 

Aldus eindigt het Zevenendertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Śṛṇgāra-rasa: Śṛṇgāra Svarūpa & Vipralambha"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 36 – "Madhura-Rasa: Sthayibhava & de stadia van Rati"

Volgende: Hoofdstuk 38 – "Madhura-Rasa: Sthayibhava & de stadia van Rati"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl