Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 36

Madhura-Rasa: Sthayibhava & de stadia van Rati


De volgende dag verscheen Vijaya Kumāra punctueel op tijd aan de lotusvoeten van zijn Gurudeva, gaf zijn sāṣṭāṅga-daṇḍavat en ging op zijn plaats zitten. Śrī Gopāla Guru Gosvāmī observeerde Vijaya's nieuwsgierigheid, waarmee hij alles over sthāyībhāva wilde horen en zei, "Madhura-rati is de sthāyībhāva van madhura-rasa."


Vijaya: Wat veroorzaakt het verschijnen van rati?

Gosvāmī: Rati ontstaat uit abhiyoga, viṣaya, sambandha, abhimāna, tadīya-viśeṣa, upamā en svabhāva. Iedere volgende oorzaak is superieur aan de voorgaande, dus de rati, die voortkomt uit svabhāva is de beste van allemaal.

Vijaya: Wat is abhiyoga?

Gosvāmī: Abhiyoga is het uitdrukken van je bhāva. Er zijn twee soorten abhiyoga: datgene, wat je persoonlijk onthult en datgene, wat iemand anders onthult.

Vijaya: Wat is viṣaya?

Gosvāmī: Er zijn vijf soorten viṣaya, namelijk geluid (śabda), aanraking (sparśa), schoonheid (rūpa), smaak (rasa) en geur (gandha).

Vijaya: Wat is sambandha?

Gosvāmī: Sambandha refereert aan de glorie van vier aspecten: afkomst (van de clan), schoonheid, kwaliteiten, en spel (avonturen).

Vijaya: Wat is abhimāna?

Gosvāmī: Abhimāna is het definitieve besluit om slechts één bepaald object te accepteren, hoewel er vele andere mooie objecten aanwezig zijn. Bijvoorbeeld, toen Kṛṣṇa naar Mathurā vertrok, was bij een zekere vraja-gopī rati voor Kṛṣṇa ontwaakt. Ze was echter niet in staat geweest Zijn associatie te krijgen, omdat ze nog niet helemaal in haar jonge volwassenheid was volgroeid. Eén van haar vriendinnen zag de bijzondere schoonheid van haar leeftijd en om haar op de proef te stellen sprak ze haar op een afgelegen plek aan, "O sakhī, Kṛṣṇa is uit Vraja vertrokken en nu zijn je nieuwe jeugdfase en andere kwaliteiten aan het ontwikkelen. Er zijn zoveel jongens in Vraja, die knap en gekwalificeerd zijn. Als je met één van hen wilt trouwen, fluister het dan in mijn oor, dan zal ik met je moeder gaan praten en de nodige voorzorgsmaatregelen treffen."

Toen die vraja-gopī de woorden van haar vriendin hoorde, antwoordde ze, "O sakhī, er kunnen zoveel prachtige jongens in deze wereld rondlopen gelijk golven van schoonheid en lieflijkheid, de ene nog liever en mooier dan de andere. Laat ze maar gaan. Hoog gekwalificeerde jongedames mogen ze aanvaarden. Wat mij betreft, beschouw ik iemand zonder kroon van pauwenveren op Zijn hoofd, zonder muralī, die op schitterende wijze Zijn lippen tooit, en zonder verfraaiing van Zijn lichaam met tilaka en andere decoraties van mineralen, zoals gairika-dhātu, zo onbeduidend als een strootje en heb ik niet de minste animo voor hem."

Dit is een prachtig voorbeeld van abhimāna.

Vijaya: Ik heb abhimāna begrepen. Wat is tadīya-viśeṣa?

Gosvāmī: Kṛṣṇa's voetafdrukken, de weidegronden van Vṛndāvana en Kṛṣṇa's priyā-jana worden tadīya-viśeṣa genoemd. Kṛṣṇa's priyā-jana zijn degenen met rāga, anurāga en mahābhāva voor Hem.

Vijaya: Wat is upamā?

Gosvāmī: Upamā is een gelijkenis tussen het ene object en het andere. In deze context verwijst het naar een of andere gelijkenis met Kṛṣṇa.

Vijaya: Wat is svabhāva?

Gosvāmī: Svabhāva is een zelfmanifeste natuur, die niet afhankelijk is van andere oorzaken. Er zijn twee soorten svabhāva: nisarga en svarūpa.

Vijaya: Wat is nisarga?

Gosvāmī: Nisarga is het verlangen, of de saṁskāra, die voortkomt uit stevig verankerde gewoonten of praktijken. Het horen over Kṛṣṇa's guṇa, rūpa, enzovoort, is slechts een gedeeltelijke oorzaak van het ontwaken van rati. Nisarga bestaat uit de indrukken veroorzaakt door standvastige raty-ābhāsa, die over vele levens van de jīva is ontwikkeld. Nisarga ontwaakt plotseling en onverwacht, zodra men de beschrijvingen hoort van Kṛṣṇa's guṇa, rūpa, enzovoort. Dit betekent, dat het horen over Kṛṣṇa's kwaliteiten en schoonheid niet de enige oorzaak van rati is.

Vijaya: Wilt u alstublieft svarūpa uitleggen?

Gosvāmī: Svarūpa is de bhāva, die geen geboorte kent en geen oorsprong heeft en die zich in zijn eigen perfectie op onafhankelijke wijze manifesteert. Er zijn drie typen svarūpa: kṛṣṇa-niṣṭhā, lalanā-nishta en ubhaya-niṣṭhā. Degenen met een demonische natuur kunnen geen kṛṣṇa-niṣṭhā-svarūpa bereiken, maar hij is daarentegen gemakkelijk te bereiken voor degenen met een goddelijke natuur. Lalanā-nishta-svarūpa is een zelfmanifeste rati, die in een ongewilde impuls naar Śrī Kṛṣṇa wordt uitgedrukt, zelfs zonder dat men Hem heeft gezien of zonder dat men over Zijn schoonheid en kwaliteiten heeft gehoord. De svabhāva, waarin zowel kṛṣṇa-niṣṭhā als lalanā-niṣṭhā manifest zijn wordt ubhaya-niṣṭhā-svarūpa genoemd.

Vijaya: Dat betekent, dat er bij elkaar zeven oorzaken zijn: abhiyoga, viṣaya, sambandha, abhimāna, tadīya-viśeṣa, upamā en svabhāva. Ontstaan alle soorten madhura-rati uit deze zeven oorzaken?

Gosvāmī: De kṛṣṇa-rati van de gopī's van Gokula vindt langs natuurlijke weg plaats. Het is zelfmanifest en wordt niet opgeroepen door abhiyoga, enzovoort. Niettemin spelen deze oorzaken ook een rol in vele spellen en avonturen. De rati van de sādhana-siddha's en nisarga-siddha's daarentegen ontwaakt wel door deze zeven oorzaken, te beginnen met abhiyoga.

Vijaya: Ik ben niet in staat geweest dit onderwerp te doorgronden. Wilt u een of twee voorbeelden geven om het me te laten begrijpen?

Gosvāmī: De rati, waarover ik spreek, komt alleen voort uit rāgānugā-bhakti, maar dit type rati is nog een eind verwijderd, zolang vaidhī-bhakti geen bhāvamayī wordt. Een sādhaka, die een verlangen naar die gevoelens ontwikkelt, wanneer hij de extatisch emotionele uitvoering van kṛṣṇa-sevā door de vraja-gopī's ziet, krijgt geleidelijk rati, welke voortkomt uit de zes oorzaken – behalve die van svabhāva – en vooral uit priyā-jana. Wanneer hij een sādhana-siddha wordt, ervaart hij sphūrti, een tijdelijke, innerlijke manifestatie van lalanā-niṣṭhā-svarūpa.

Vijaya: Hoeveel soorten rati zijn er?

Gosvāmī: Er zijn drie soorten rati: sādhāraṇī (algemeen), samañjasā (juist) en samarthā (competent). De rati van Kubjā is een voorbeeld van sādhāraṇī rati. Deze is vervloekt geworden, omdat het verlangen naar plezier beleven aan sexuele gemeenschap er de fundamentele basis van is. De rati van de mahiṣī's van Dvārakā wordt samañjasā (juist) genoemd, omdat het aan de wereldse standaarden van sociaal gedrag tegemoet komt en omdat het wordt opgeroepen door de regulerende principes van het huwelijk. Door de sentimenten, "Ik ben Zijn vrouw en Hij is mijn echtgenoot" wordt deze rati beperkt. De rati van de inwoners van Gokula is samarthā, omdat zulke rati op magnifieke wijze zelfs voorbij gaat aan de grenzen van sociale restricties en religieuze principes. Samarthā rati is in wezen niet onbetamelijk. Gezien vanuit het perspectief van de allerhoogste, transcendentale doelstelling (parama-paramārtha) is in feite alleen samarthā rati op het hoogste niveau correct. Sādhāraṇī rati is als een juweel; samañjasā rati is als cintāmaṇi en samarthā rati is uitermate zeldzaam, zoals het Kaustubha-maṇi.

Vijaya's ogen vulden zich met tranen en hij weende voortdurend, terwijl hij zei, "Vandaag heb ik bijzondere voorspoed door over zo'n ongekend en verheven onderwerp te horen. Prabhu, wilt u door uw grondeloze genade alstublieft de eigenschappen van sādhāraṇī rati beschrijven?"

Gosvāmī: Sādhāraṇī rati ontstaat uit het verlangen naar sambhoga. Het wordt gestimuleerd door een grote wellust, die ontstaat, wanneer men Kṛṣṇa persoonlijk ziet, maar dit gevoel is niet diep en ook niet sterk of permanent. Zodra het verlangen naar sambhoga afneemt, verdwijnt deze rati ook, hetgeen de reden is, waarom hij als inferieur wordt beschouwd.

Vijaya: Wat is de aard van samañjasā rati?

Gosvāmī: Samañjasā rati is de volkomen en geconcentreerde rati, die oprijst bij het horen over Kṛṣṇa's schoonheid en kwaliteiten en die voortkomt uit het idee, "Ik ben Zijn vrouw en Hij is mijn echtgenoot." Soms treedt ook in deze rati het verlangen naar sambhoga op. Als het verlangen naar sambhoga afzonderlijk van samañjasā rati optreedt, is het niet mogelijk Śrī Kṛṣṇa te beheersen door het uitdrukken van je eigen gevoel, noch door hāva, bhāva, helā, enzovoort, voortkomend uit het verlangen naar sambhoga.

Vijaya: Wat is de aard van samarthā rati?

Gosvāmī: Het verlangen naar sambhoga met Kṛṣṇa is in ieder type rati aanwezig. In sādhāraṇī en samañjasā rati is het verlangen naar sambhoga voor persoonlijke bevrediging bedoeld. Samarthā is de bijzondere bhāva, die volkomen onzelfzuchtig is, die vrij is van eigenbelang in de zucht naar gemeenschap en die de staat van tad-ātmya, of eenheid met het verlangen naar gemeenschap bereikt.

Vijaya: Wat is de natuur van die bijzondere bhāva? Kunt u dit punt een beetje meer verhelderen, alstublieft?

Gosvāmī: Er zijn twee soorten verlangens naar sambhoga. De eerste is het verlangen naar sambhoga, waarin men verlangt, dat de eigen zintuigen door de geliefde worden bevredigd ten behoeve van het eigen geluk. De tweede soort is het verlangen naar sambhoga, dat helemaal bestaat uit het idee, dat men de zintuigen van de geliefde dient te bevredigen ten behoeve van Zijn geluk. Het eerste type verlangen kan kāma worden genoemd, omdat daarin het verlangen naar het eigen geluk aanwezig is. Het tweede type verlangen is prema genoemd, omdat het uitsluitend bestaat uit het verlangen naar het geluk van de geliefde. Het eerste type verlangen, kāma, is krachtig en is prominent aanwezig in sādhāraṇī rati, maar het is niet overheersend in samañjasā. De laatste eigenschap, namelijk prema, of het exclusieve verlangen naar het geluk van de geliefde, is de inherente en onderscheiden functie (viśeṣa-dharma) van het verlangen naar sambhoga in samarthā rati.

Vijaya: Het moet zo zijn, dat je in sambhoga geluk ervaart bij de aanraking van je geliefde. Is er in samarthā rati dan geen verlangen naar dit geluk?

Gosvāmī: Het is beslist zeer moeilijk om volkomen vrij te zijn van zulk verlangen. Hoewel een dergelijk verlangen aanwezig is in het hart van iemand met samarthā rati, is het niettemin heel zwak. Deze samarthā rati wordt krachtig met behulp van zijn viśeṣa-dharma (specifieke karakteristieken), wanneer deze de wens naar sambhoga omarmt en ermee samensmelt. Deze soort rati is gevierd bij de naam samarthā (bekwaam), omdat hij beschikt over een grote capaciteit (om Kṛṣṇa te beheersen).

Vijaya: Wat is de bijzondere glorie van samarthā rati?

Gosvāmī: Zodra deze samarthā rati verschijnt, wordt men onverschillig jegens allerlei soorten hindernissen, zoals familie, religieuze principes, geduld en verlegenheid of schaamte. Dit is het geval ongeacht of hij nu werd opgewekt door sambandha, tadīya, svabhāvika-svarūpa of een van de andere oorzaken, die ik heb genoemd, te beginnen met abhiyoga. Deze soort rati gaat uiterst diep.

Vijaya: Hoe verkrijgt het verlangen naar sambhoga de eenheid, wanneer het zich met śuddhā-rati vermengt?

Gosvāmī: De samarthā rati van de vraja-gopī's heeft alleen Kṛṣṇa's geluk ten doel en welk geluk zijzelf in hun sambhoga ook ervaren, heeft eveneens de intentie om Kṛṣṇa een plezier te doen. Vandaar, dat het verlangen naar sambhoga zich met rati combineert, dat uitsluitend is bedoeld voor Kṛṣṇa's geluk en in golven van vilāsa de meest verbluffende schittering aanneemt. Deze rati staat geen verlangen naar sambhoga toe, die onafhankelijk van zichzelf existeert. Soms brengt deze rati zichzelf om in samañjasā.

Vijaya: Aho ! Wat is dit een buitengewone rati ! Ik wil zijn allerhoogste glorie horen.

Gosvāmī: Als deze rati rijp is, bereikt hij de conditie van mahābhāva. Alle bevrijde persoonlijkheden zoeken naar deze rati en vijf typen bhakta's bereiken hem in de mate, waarin zij capabel zijn dat te doen.

Vijaya: Prabhu, ik wil graag de volgorde weten, waarin rati zich ontwikkelt.

Gosvāmī:

syād dṛḍhe 'yaṁ ratiḥ premā prodyan snehaḥ kramād ayam
syaṇ mānaḥ praṇayo rāgo'nurāgo bhāva ity api
                                                      Ujjvala-nīlamaṇi, Sthāyībhāva-prakaraṇa (53)

De betekenis is, dat deze madhura-rati onwrikbaar is gemaakt door de aanwezigheid van antagonistische of vijandige elementen. Pas dan wordt hij prema genoemd. Deze prema manifesteert geleidelijk zijn eigen lieflijkheid naarmate hij zich ontwikkelt tot sneha, māna, praṇaya, rāga, anurāga en bhāva.

Vijaya: Prabhu, wilt u alstublieft een voorbeeld geven om dit punt begrijpelijk te maken?

Gosvāmī: Zoals het zaad van rietsuiker groeit en zich achtereenvolgens ontwikkelt tot suikerwater, guḍa, khaṇḍa, śarkarā, sitā en sitopala, zo zijn rati, prema, sneha, māna, praṇaya, rāga, anurāga en bhāva allemaal dezelfde substantie in achtereenvolgende stadia van ontwikkeling. In deze context verwijst het woord bhāva naar mahābhāva.  

Vijaya: Waarom hebt u naar al deze bhāva's verwezen als prema, terwijl ze allemaal verschillende namen hebben?

Gosvāmī: Paṇḍita's hebben het woord prema gebruikt om alle stadia vanaf sneha te duiden, omdat prema zelf in de ontwikkeling van het onaflatende, sportieve plezier (vilāsa) zes achtereenvolgende stadia doorloopt. Als prema voor Kṛṣṇa in Zijn bhakta's verschijnt, verschijnt in Kṛṣṇa het proportionele type prema voor Zijn bhakta's.

Vijaya: Wat is de belangrijkste karakteristiek van prema?

Gosvāmī: In madhura-rasa verbreekt de emotionele verbintenis tussen het jeugdige paar nimmer, ondanks dat er redenen zijn voor het opheffen van de relatie. Die onverwoestbare, emotionele band wordt prema genoemd.

Vijaya: Hoeveel soorten prema zijn er?

Gosvāmī: Er zijn drie soorten: prauḍha, madhya en manda.

Vijaya: Wat is de aard van prauḍha-prema?

Gosvāmī: In prauḍha-prema wordt het hart van de geliefde van zijn stuk gebracht in haar bezorgdheid over de pijn, die haar geliefde moet voelen, wanneer ze te laat op haar afspraak komt.

Vijaya: Wat is madhya-prema?

Gosvāmī: In madhya-prema kan de minnares het verdriet van de geliefde tolereren.

Vijaya: Wat is manda-prema?

Gosvāmī: Manda-prema is prema, waarin onder omstandigheden van tijd en plaats vergetelheid kan optreden, of waarin geen opoffering of respect bestaat, omdat de geliefden wegens hun intimiteit en hun voortdurend samenzijn altijd zeer familiair met elkaar omgaan. Hoewel deze prema mild (manda) is, bestaat er geen gebrek aan respect en is er geen veronachtzaamheid in aanwezig.

Vijaya: Als er meer belangrijke punten over dit onderwerp bestaan, wilt u ze dan alstublieft vertellen?

Gosvāmī: Prauḍha, madhya en manda-prema kunnen ook gemakkelijk door een ander type kenmerk worden begrepen. De prema, waarin afgescheidenheid onverdraaglijk is, heet prauḍha-prema; de prema, waarin de pijn van afgescheidenheid verdraaglijk is, heet madhya-prema en de prema, waarin onder bepaalde, bijzondere omstandigheden vergetelheid kan voorkomen, heet manda-prema.

Vijaya: Ik heb prema begrepen. Wilt u nu alstublieft sneha beschrijven?

Gosvāmī: Wanneer prema zijn uiterste grens bereikt en de lamp van de citta (geest) verlicht en het hart doet smelten, wordt hij sneha genoemd. Hier heeft het woord citta betrekking op het bereiken van het object (viṣaya) van prema. Een bijverschijnsel van sneha is, dat je nooit bent verzadigd, ondanks dat je herhaaldelijk naar het object van je genegenheid kijkt.

Vijaya: Zijn er binnen sneha hogere en lagere onderverdelingen?

Gosvāmī: Ja. Er zijn ook drie onderverdelingen in overeenstemming met de mate, waarn sneha is ontwikkeld. Deze zijn uttama, madhya en kaniṣṭha. In kaniṣṭha-sneha smelt het hart bij het aanraken van de ledematen van de geliefde; in madhya-sneha smelt het hart al bij het zien van de geliefde en in uttama-sneha smelt het hart louter bij het horen van iets in relatie met de geliefde.

Vijaya: Hoeveel soorten sneha zijn er?

Gosvāmī: De natuurlijke eigenschap van sneha is, dat het zich op twee manieren kan manifesteren: ghṛta-sneha en madhu-sneha.

Vijaya: Wat is ghṛta-sneha?

Gosvāmī: Ghṛta-sneha heeft pas diepgang door een grote mate van respectvolle genegenheid. Ghṛta (ghī, geklaarde boter) is niet zoet van zichzelf, zoals honing; hij wordt pas heerlijk, als hij met suiker en andere ingrediënten wordt vermengd. Op dezelfde manier is ghṛta-sneha ook niet zoet van zichzelf, zoals madhu-sneha wel is, en hij wordt alleen heel smakelijk, wanneer hij met andere bhāva's, zoals garva (trots) en asūyā (jaloezie) wordt vermengd. In zijn natuurlijke staat is ghṛta-sneha koel en hij krijgt diepgang door wederzijdse eer en groot respect. Met andere woorden, ghṛta-sneha wordt pas tastbaar in contact met het wederzijdse respect (ādara) van de nāyaka en nayīkā, zoals ghī van nature een vaste vorm aanneemt, wanneer het in contact komt met een koele substantie. Deze sneha wordt ghṛta-sneha genoemd, omdat het de eigenschappen van ghī heeft.

Vijaya: U hebt ādara (eer) genoemd. Wat is de aard ervan?

Gosvāmī: Ādara komt voort uit gaurava (ontzag en eerbied), dus ādara en gaurava zijn onderling afhankelijk. Hoewel hij in rati aanwezig is, wordt deze eer (ādara) in sneha pas duidelijk manifest.

Vijaya: Wat is gaurava?

Gosvāmī: Gaurava is het idee, "Hij is mijn guru-jana (vererenswaardige authoriteit)" en de bhāva, die door dit idee oprijst wordt sambhrama genoemd. Ādara en gaurava zijn onderling afhankelijk. Het handhaven van een respectvolle houding is een teken, dat gaurava (ontzag en eerbied) van nature aanwezig zijn.

Vijaya: Wat is de aard van madhu-sneha?

Gosvāmī: Madhu-sneha is de genegenheid, die vergezeld gaat van extreme bezitsdrang (madīyatva), welke de liefhebster doet denken, "Hij is van mij". Deze genegenheid manifesteert haar eigen lieflijkheid zonder van andere bhāva's afhankelijk te zijn. Ze is van zichzelf vol zoetheid en is gecombineerd met een scala aan rasa's. Madhu-sneha creëert ook hitte vanwege zijn natuurlijke neiging tot waanzinnige hartstocht. Hij is madhu-sneha genoemd, omdat hij de kenmerken van honing heeft. 

Vijaya: Wat is bezitsdrang (madīyatva)?

Gosvāmī: Er zijn in rati twee ideeën werkzaam. De ene soort rati gaat vergezeld van het idee, "Ik ben de Zijne" en de andere soort rati gaat gepaard met de overtuiging, "Hij is de Mijne". De overheersende stemming in ghṛta-sneha is "Ik ben de Zijne", terwijl het overheersende gevoel in madhu-sneha is, "Hij is de mijne". Ghṛta-sneha is de karakteristieke stemming van Candrāvalī, terwijl madhu-sneha het gevoel is van Śrīmatī Rādhikā. Beide bhāva's zijn madīyatva.

Toen Vijaya over deze twee soorten bhāva's hoorde, gingen zijn haren recht overeind staan. Hij bood zijn daṇḍavat-praṇāma aan Śrī Guru Gosvāmī aan en zei met een door emoties gebroken stem, "Ik ben vandaag gelukkig en mijn menselijke geboorte is een succes geworden. Hoewel ik de nectar van uw instructies drink, is mijn dorst naar meer te willen horen niet gelenigd. Weest u alstublieft grondeloos genadig en legt u alstublieft māna uit."

Gosvāmī: Māna is sneha, die het hoogtepunt van zijn uitmuntendheid heeft bereikt en uiterlijk een mokkende of kromme houding heeft aangenomen om de nāyaka en nayīkā zich een nieuwe lieflijkheid te laten realiseren.

Vijaya: Hoeveel typen māna zijn er?

Gosvāmī: Er zijn twee typen māna: udātta en lalitā.

Vijaya: Wat is udātta-māna?

Gosvāmī: Er zijn ook twee soorten udātta-māna. De ene soort neemt uiterlijk een ondergeschikte rol (dākṣiṇya-bhāva) aan en neemt innerlijk een tegengestelde houding (vāmya-bhāva) aan. De andere soort komt tot uitdrukking door uitermate cryptisch gedrag; het verbergt de bhāva's van de geest en wordt gekenmerkt door een diepe ernst gelardeerd met een vleug vāmya. Udātta-māna komt alleen voor in ghṛta-sneha.

Vijaya: Wat is lalita-māna? Ik weet niet hoe het komt, maar om een of andere reden ben ik hierin meer geïnteresseerd.

Gosvāmī: Als madhu-sneha wegens zijn neiging over te koken turbulent wordt, waarbij hij onbeteugelde en buitengewoon zoete krommigheid en humor overbrengt, wordt hij lalita-māna genoemd. Er zijn ook twee typen lalita-māna, namelijk kauṭilya-lalita-māna en narma-lalita-māna. Als het hart op onafhankelijke wijze een kromme natuur aanneemt, wordt het kauṭilya-lalita-māna genoemd en māna, die is doorspekt met humor, wordt narma-lalita-māna genoemd. Beide typen lalita-māna rijzen op uit madhu-sneha.

Vijaya: Wat is praṇaya?

Gosvāmī: Als māna is verzadigd van viśrambha, zodat je jezelf als niet-verschillend van je geliefde beschouwt, wordt hij praṇaya genoemd.

Vijaya: Wat is de betekenis van viśrambha in deze samenhang?

Gosvāmī: Viśrambha is intieme vertrouwelijkheid, die de intrinsieke aard van praṇaya is. Viśrambha is niet de instrumentele oorzaak (nimitta-kāraṇa) van praṇaya, maar eerder het ingrediënt voor de oorzaak (upādāna-kāraṇa) van praṇaya. Er zijn twee soorten viśrambha: maitra en sakhya.

Vijaya: Wat is maitra-viśrambha?

Gosvāmī: Maitra-viśrambha is impliciet vertrouwen, dat is doordrenkt met hoffelijkheid en nederigheid.

Vijaya: Wat is sakhya-viśrambha?

Gosvāmī: Impliciet vertrouwen wordt sakhya-viśrambha genoemd, wanneer het vrij is van alle vormen van vrees en is doordrenkt van de vaste overtuiging, dat de geliefde door je liefde wordt beheersd.

Vijaya: Kunt u alstublieft uitleggen, wat de onderlinge relatie is tussen praṇaya, sneha en māna?

Gosvāmī: In sommige gevallen komt praṇaya uit sneha voort, waarna praṇaya vervolgens het kenmerkende gedrag van māna ontwikkelt. In andere gevallen komt māna voort uit sneha, waarbij māna  zich vervolgens tot praṇaya ontwikkelt. Daarom zijn māna en praṇaya als oorzaak en gevolg uitwisselbaar. Dat is de reden, waarom viśrambha afzonderlijk is beschreven. Het verschijnen van maitra en sakhya wordt veroorzaakt door de verschillen tussen udātta en lalita. Er is bovendien in praṇaya nog een verdere overweging, namelijk sumaitra en susakhya (het voorvoegstel su wijst op bijzonder of goed).

Vijaya: Kunt u nu alstublieft de symptomen van rāga omschrijven?

Gosvāmī: Praṇaya wordt in zijn hoogste hoedanigheid rāga genoemd, waarbij zelfs extreem verdriet als geluk wordt ervaren.

Vijaya: Hoeveel typen rāga zijn er?

Gosvāmī: Er zijn twee soorten rāga: nīlimā-rāga en raktimā-rāga.

Vijaya: Hoeveel typen nīlimā-rāga zijn er?

Gosvāmī: Er zijn ook twee soorten nīlimā-rāga, namelijk nīlī-rāga en śyāmā-rāga.

Vijaya: Wat is nīlī-rāga?

Gosvāmī: Nīlī-rāga kan met geen mogelijkheid zwakker worden en wanneer hij uiterlijk zichtbaar is, verbergt hij de andere bhāva's, waarmee hij is gecombineerd. Deze rāga wordt aangetroffen in Candrāvalī en Kṛṣṇa.

Vijaya: Wat is śyāmā-rāga?

Gosvāmī: Śyāmā-rāga wordt vertoond door middel van verlegenheid, auṣadhaseka, enzovoort. Deze manifesteert zich wat vaker dan nīlī-rāga en wordt na lange tijd verkregen.

Vijaya: Hoeveel vormen van raktimā-rāga zijn er?

Gosvāmī: Er zijn twee soorten: kusumbha-rāga en mañjiṣṭhā sambhava-rāga.

Vijaya: Wat is kusumbha-rāga?

Gosvāmī: Kusumbha-rāga bezielt het hart ineens en manifesteert zijn eigen schoonheid op momenten, dat het nodig is, hoewel hij de schittering van andere rāga's op hetzelfde moment verhoogt. Kusumbha-rāga is stabiel in een hart, dat de bijzondere capaciteit heeft hem te bevatten, hoewel hij in Kṛṣṇa's geliefden soms afneemt, wanneer hij wordt vermengd met mañjiṣṭhā.

Vijaya: Wat is mañjiṣṭhā-rāga?

Gosvāmī: Mañjiṣṭhā-rāga is zelfmanifest, wat betekent, dat hij niet afhankelijk is van anderen; dat hij nimmer wordt vernietigd; dat hij altijd standvastig is en nooit saai wordt in tegenstelling tot kusumbha. Zulke rāga wordt aangetroffen in Śrīmatī Rādhā en Kṛṣṇa.

Samenvattend worden de bhāva's, die ik eerder heb beschreven, zoals ghṛta-sneha, udātta, maitra, sumaitra en nīlimā, aangetroffen in Candrāvalī en de mahiṣī's, zoals Rukmiṇī. Alle progressief superieure bhāva's, zoals madhu-sneha, lalitā, sakhya, susakhya en raktimā, worden ten volle aangetroffen in Śrī Rādhikā. Ze zijn soms manifest in Satyabhāmā en onder bijzondere omstandigheden ook in Lakṣmaṇā.

Toen ik eerder ālambhana-vibhāva besprak, heb ik de onderverdelingen, die voortkomen uit deze verschillende typen bhāva's, zoals svapakṣa, tussen de verschillende devī's van Gokula geanalyseerd.

Studiehoofden maken gebruik van hun transcendentale intelligentie (de kracht van prajñā) om de verscheidene, afzonderlijke onderverdelingen te bevatten, die ontstaan door onderlinge combinaties van de eenenveertig andere mukhya-bhāva's, die worden vermeld in Bhakti-rasāmṛta-sindhu. Daarom geef ik hier geen aparte uitleg weer.

Vijaya: Welke bhāva's bedoelt u, wanneer u de term "andere bhāva's" (bhāvāntara) gebruikt?

Gosvāmī: Ik bedoel de sthāyī-madhura-bhāva, drieëndertig vyabhicārī-bhāva's en zeven gauṇa bhāva's te beginnen met hāsya. De term "andere bhāva's" (bhāvāntara) verwijst naar dit totaal van eenenveertig bhāva's.

Vijaya: Ik heb het onderwerp van rāga begrepen. Vertelt u nu alstublieft over anurāga.

Gosvāmī: Anurāga is eeuwigdurend nieuwer en nieuwer en maakt, dat je je geliefde ieder moment weer als nieuw ervaart.

Vijaya: Vertoont deze anurāga nog andere fascinerende kenmerken?

Gosvāmī: Anurāga wordt manifest in vormen, zoals het sentiment, waarin de geliefden voelen, dat ze de ander ondergeschikt hebben gemaakt met hun liefde, met prema-vaicittya en met het verlangen onder de levenloze objecten te worden geboren. Anurāga veroorzaakt ook het verschijnen van Kṛṣṇa's sphūrti tijdens afgescheidenheid.

Vijaya: Het gevoel van wederzijdse onderwerping en het verlangen te worden geboren als een onbeweeglijk object, zoals een boom, kan ik wel begrijpen. Maar kunt u me op genadevolle wijze uitleggen wat prema-vaicittya is?

Gosvāmī: Prema-vaicittya behoort tot vipralambha. Daarover zal ik je later vertellen.

Vijaya: Dat is fijn. Kunt u me dan alstublieft over mahābhāva vertellen?

Gosvāmī: Mijn lieve kind, mijn bekendheid met vraja-rasa is uitermate onbeduidend. Want waar zit ik ergens en waar is de beschrijving van de allerhoogste, verheven mahābhāva? Niettemin spreek ik op grond van de genadevolle śikṣā, die ik van Śrī Rūpa Gosvāmī en Paṇḍita Gosvāmī ontving. Je moet je realiseren, dat ik alleen met hun genade iets kan zeggen, dat in overeenkomst is met de specificaties van Śrī Rūpa Gosvāmī. Als anurāga in de vorm van yāvad-āśraya-vṛtti de conditie van svayaṁvedya-daśā bereikt en manifest (prakāśita) wordt, heet hij bhāva of mahābhāva.

Vijaya: Prabhu, ik ben tot in de grond waardeloos en wanhopig. Ik stel domme vragen. Maar hebt u alstublieft mededogen en legt u de symptomen van mahābhāva uit in eenvoudig taal, die voor mijn begripsvermogen is geschikt.

Gosvāmī: Śrī Rādhikājī is de āśraya van anurāga en Kṛṣṇa is de viṣaya van anurāga. Śrī Nandanandana vormt in Zijn śṛṅgāra gedaante de uiterste grens van viṣaya-tattva en Śrī Rādhājī vormt de uiterste grens van āśraya-tattva. Dit betekent, dat Śrī Kṛṣṇa alleen de allerhoogste viṣaya van anurāga is en Śrī Rādhājī de allerhoogste āśraya. Hun anurāga is de sthāyībhāva. Wanneer die anurāga zijn uiterste begrenzing bereikt, wordt hij yāvad-āśraya-vṛtti genoemd. In die hoedanigheid bereikt hij de svayaṁvedya-daśā, de conditie, welke alleen volledig door die speciale geliefde wordt gerealiseerd. Op dat moment wordt anurāga verlicht door bhāva's, zoals sūddīpta.

Vijaya: Aho ! Mahābhāva ! Wat is de betekenis van mahābhāva – vandaag heb ik iets begrepen. Mahābhāva is de uiterste limiet van alle bhāva's. Ik ben ontzettend nieuwsgierig om een voorbeeld van deze mahābhāva te horen. Weest u alstublieft genadig en omschrijft u me iets om mijn oren te bevredigen.

Gosvāmī: Deze śloka is een voorbeeld van mahābhāva.

rādhāyā bhavataś ca citta-jatunī svedair vilāpya kramād
yuñjann adri-nikuñja-kuñjara-pate nirdhūta-bheda-bhramam
citrāya svayam anvarañjayad iha brahmāṇḍa-harmyodare
bhūyobhir nava-rāga-hiṅgula-bharaiḥ śṛṅgāra-kāruḥ kṛtī
                                                       Ujjvala-nīlamaṇi, Sthāyībhāva prakaraṇa (155)

Śrī Rādhā-Kṛṣṇa genieten onafgebroken van Hun liefdesspel in de nukuñja's. Vṛṇdā-devī, die de excellentie van Hun anurāga heeft gerealiseerd, zegt tegen Kṛṣṇa, "O Koning der gekke olifanten, die Zich vermaakt in de bossen van Heuvel Govardhana, er is een volleerd artiest met de naam Śṛṅgāra Rasa, die op het vuur, dat wordt aangewakkerd door de hitte van Jullie twee bhāva's, langzaam Jullie harten van vernis tot één heeft samengesmolten. Nadat hij dit heeft vermengd met overvloedige hoeveelheden kuṅkuma van Jullie steeds vernieuwende rāga, schildert hij een verbluffend kunstwerk op de binnenmuren van de grootse tempel des universums."

Hier betekent "nirdhūta-bheda-bhramam" Rādhā en Kṛṣṇa, die vrij zijn geworden van Hun dualiteit en één zijn geworden, wat culmineert in het stadium van svayaṁvedya daśā. De "grootse tempel des universums" dient te worden verstaan als een verwijzing naar yāvad-āśraya-vṛtti en de uitdrukking "hij schildert" is een indicatie voor de conditie van prakāśita.

Vijaya: Waar wordt deze mahābhāva aangetroffen?

Gosvāmī: Mahābhāva is buitengewoon zeldzaam, zelfs in de mahiṣī's, die worden aangevoerd door Rukmiṇī. Hij wordt alleen ervaren onder de vraja-devī's aangevoerd door Śrī Rādhā.

Vijaya: Wat is de strekking hiervan?

Gosvāmī: Svakīya-bhāva is overal aanwezig, waar de nayīkā door de regulering van het huwelijk met de nāyaka is verbonden. In svakīya-bhāva is de rati samañjasā, waardoor hij niet competent genoeg is om de meest verheven condities, zoals mahābhāva, te bereiken. Svakīya-bhāva is ook in enkele gopī's in Vraja aanwezig, maar parakīya-bhāva overheerst. In Vraja is de rati samarthā, dus hij ontwikkelt zich ten volle en strekt zich uit tot de hoedanigheid van mahābhāva.

Vijaya: Hoeveel vormen van mahābhāva zijn er?

Gosvāmī: Mahābhāva, die de belichaming is van de hoogste nectar, trekt het hart aan en laat het zijn eigen intrinsieke natuur bereiken. Er zijn twee soorten mahābhāva, namelijk rūḍha en adhirūḍha.

Vijaya: Wat is rūḍha-mahābhāva?

Gosvāmī: Rūḍha-mahābhāva is het stadium, waarin alle sāttvika-bhāva's zich in de uddīpta vorm manifesteren.

Vijaya: Weest u alstublieft genadig en legt u de anubhāva's van rūḍha-mahābhāva uit.

Gosvāmī: In rūḍha-mahābhāva is zelfs het passeren van een ogenblik ondraaglijk; deze rūḍha-mahābhāva karnt het hart van iederen die aanwezig is; een kalpa lijkt te vervliegen, alsof het een moment is (kalpa-kṣaṇatva); men voelt zich terneergeslagen door de vrees, dat Śrī Kṛṣṇa een of ander ongemak ondergaat, terwijl Hij in feite gelukkig is; men wordt van alles vergeetachtig, zelfs van zichzelf, hoewel men geenszins in de war is; en één ogenblik lijkt een kalpa te duren (kṣaṇa-kalpatā). Sommige van deze anubhāva's worden tijdens de ontmoeting ervaren en sommige tijdens afgescheidenheid.

Vijaya: "Zelfs het passeren van een ogenblik is ondraaglijk" – kunt u me alstublieft een voorbeeld geven om dit te begrijpen?

Gosvāmī: Deze bhāva is vaicittya-vipralambha (een bijzondere manifestatie van afgescheidenheid). Zelfs in de ontmoeting is een gevoel van afgescheidenheid aanwezig en zelfs een moment van scheiding is ondraaglijk. Dat is de reden, waarom de gopī's, toen ze voor de eerste keer na een lange tijd naar Kṛṣṇa in Kurukṣetra keken, Brahmājī, de schepper van hun oogleden, vervloekten, omdat het knipperen van hun oogleden hun visie van Kṛṣṇa belemmerden. Zelfs het ogenblik, dat verstreek bij het knipperen van de ogen, werd ondraaglijk.

Vijaya: "Deze rūḍha-bhāva karnt het hart van iedereen, die aanwezig is" – wat betekent dit?

Gosvāmī: Bijvoorbeeld, toen de mahiṣī's, zoals Rukniṇī, en de koningen, zoals Yuddiṣṭhira, de ongewone anurāga van de gopī's zagen, die waren gekomen om Kṛṣṇa in Kurukṣetra te zien, werd hun hart gekarnd. Naar dat incident verwijst deze uitspraak.

Vijaya: Wat is kalpa-kṣaṇatva?

Gosvāmī: Hoewel de nacht van de rāsa-līlā evenlang duurde als een nacht van Brahmā, leek hij voor de gopī's minder dan een seconde te duren. Dat gevoel wordt kalpa-kṣaṇatva genoemd.

Vijaya: Wilt u me alstublieft helpen begrijpen, wat de bhāva is van het gevoel van terneergeslagenheid uit vrees, dat Śrī Kṛṣṇa ongemak zou ondergaan, hoewel Hij in feite gelukkig is?

Gosvāmī: Een voorbeeld hiervan treffen we aan in de śloka,

yat te sujāta-caraṇāmburuhaṁ staneṣu
bhītāḥ śanaiḥ priyā dadhīmahi karkaśeṣu
tenāṭavīm aṭasi tad vyathate na kiṁ svit
kūrpādibhir bhramati dhīr bhavad-āyuṣām naḥ
                                                    Śrīmad-Bhāgavatam (10.31.19)

Zelfs wanneer de gopī's de lotusvoeten van Śrī Kṛṣṇa op hun borsten zetten, denken ze, "Het is betreurenswaardig, dat onze borsten zo hard zijn. Kṛṣṇa's zachte lotusvoeten moeten pijn voelen, wanneer we ze op onze borsten houden." Zulke spijt wordt terneergeslagenheid wegens de vrees voor problemen van Kṛṣṇa op het moment van Zijn gelukzaligheid genoemd.

Vijaya: Wat is het verschijnsel alles vergeten zelfs in afwezigheid van verwarring?

Gosvāmī: Alle vormen van verwarring (moha) worden weggevaagd door de sphūrti van Kṛṣṇa in het hart; dat betekent, volkomen afwezigheid van moha. Maar wanneer de sphūrti van Kṛṣṇa verschijnt, verlies je alle gewaarwording van de hele wereld, inclusief die van je eigen lichaam.

Vijaya: Wat is kṣaṇa-kalpatā?

Gosvāmī: Kṛṣṇa beschrijft Uddhava de staat van afgescheidenheid van de gopī's, "Uddhava, toen Ik bij de vraja-vāsī's in Vṛndāvana was, leken hun nachten met Mij als een ogenblik om te vliegen, maar in afgescheidenheid van Mij lijken diezelfde nachten nooit te eindigen en ze ervaren die nachten alsof ze langer dan een kalpa duren." Op die manier ervoeren ze het verstrijken van een moment, alsof ze waren verloren in een uitgestrekte oceaan van tijd.

Vijaya: Ik heb rūḍha-mahābhāva begrepen. Legt u nu alstublieft adhirūḍha-mahābhāva uit.

Gosvāmī: Adhirūḍha-mahābhāva is het gevoel, waarin alle anubhāva's, die in een resolute mahābhāva worden gemanifesteerd, bijzondere eigenschappen krijgen, die zelfs verbluffender zijn dan de anubhāva's in hun normale vorm.

Vijaya: Hoeveel soorten adhirūḍha zijn er?

Gosvāmī: Er zijn twee soorten, modana en mādana.

Vijaya: Wat is modana?

Gosvāmī: De adhirūḍha-mahābhāva, waarin alle sāttvika-bhāva's van de nāyaka en nayīkā in veel heviger maten worden opgewekt dan in de uddīpta conditie, wordt modana genoemd. In deze modana-bhāva ervaren Kṛṣṇa en Rādhā een weinig angst en leed.

Vijaya: Kunt u alstublieft de positie van modana omschrijven?

Gosvāmī: Modana heeft nergens anders plaats dan in de yūtha van Śrī Rādhikā. Modana is het meest geliefde en meest vreugdevolle, sportieve tijdverdrijf van de hlādinī-śakti. In sommige speciale hoedanigheden van afgescheidenheid wordt modana mohana en als gevolg van deze hulpeloze toestand van afgescheidenheid manifesteren zich alle sāttvika-bhāva's in de sūddīpta conditie.

Vijaya: Wilt u alstublieft de anubhāva's in het stadium van mohana omschrijven?

Gosvāmī: Kṛṣṇa valt flauw, terwijl Hij door een andere geliefde wordt omhelsd;[1] je wenst Kṛṣṇa's geluk, terwijl je persoonlijk ondraaglijke ellende aanvaardt; de bhāva genaamd brahmāṇḍa-kṣobha-kāritā geeft het hele universum een gevoel van leed en zelfs vogels en dieren beginnen te huilen; het krachtige verlangen koesteren, dat tijdens het sterven de vijf elementen van het lichaam zich met Śrī Kṛṣṇa mogen verenigen. Divya-unmāda (goddelijke waanzin) en andere anubhāva's treden ook op in het stadium van mohana. De miraculeuze karakteristieken van mahābhāva zijn in de mohana-bhāva van Śrī Rādhikā in de hoogste mate aanwezig, zelfs meer nog dan in de moha, die behoort tot de sañcārī-bhāva's.

Vijaya: Prabhu, indien u het geschikt acht, wilt u dan zo goed zijn om twee symptomen van divya-unmāda te omschrijven?

Gosvāmī: Wanneer mohana-bhāva een unieke, onbeschrijflijke gedragswijze bereikt, die zich ontwikkelt tot een wonderbaarlijke conditie, die lijkt op een staat van opperste verwarring, is het divya-unmāda. Het heeft vele verschillende stijlen, zoals udghūrṇā en citra-jalpa.

Vijaya: Wat is udghūrṇā?

Gosvāmī: De staat van divya-unmāda, waarin vele varianten van verbijsterende en onbedwingbare inspanningen manifest worden, wordt udghūrṇā genoemd.

Rādhikā ervoer udghūrṇā, toen Kṛṣṇa naar Mathurā vertrok. Op dat moment dacht Rādhikā, alsof Ze door het gevoel van afgescheidenheid van Krsna in volkomen vergetelheid was, "Kṛṣṇa komt eraan; Hij is over enkele ogenblikken hier." Toen Ze dit dacht, maakte Ze het bed in Haar kuñja op. Soms verwenste Ze de donkere wolken als een nayīkā, die haar boosheid op haar ontrouwe minnaar richt (khaṇḍitā), en soms zwierf Ze gehaast rond door de dichte duisternis van de nacht, als een nayīkā op een geheime missie naar de afspraak met haar minnaar (abhisāriṇī).

Vijaya: Wat is citra-jalpa?

Gosvāmī: Citra-jalpa bestaat uit gesprekken, die ontstaan, wanneer je de vriendin van je geliefde ontmoet. Ze zijn vol intens verlangen en ze komen voort uit bhāva's, zoals jaloezie, afgunst, rusteloosheid, trots en begeerte.

Vijaya: Hoeveel aṅga's van citra-jalpa zijn er?

Gosvāmī: Er zijn tien secties van citra-jalpa, namelijk prajalpa, parijalpa, vijalpa, ujjalpa, sañjalpa, avajalpa, abhijalpa, ājalpa, pratijalpa en sujalpa. Omschrijvingen ervan kun je vinden in de Bhramara-gītā en in het Tiende Canto van Śrīmad-Bhāgavatam.[2]

Vijaha: Wat is prajalpa?

Gosvāmī: Prajalpa betekent tactloosheid aan je geliefde onthullen, waarbij je diverse nalatige gedragingen aanwendt, die zijn doordrenkt van wrok, jaloezie en trots.

Vijaya: Wat is parijalpa?

Gosvāmī: Parijalpa is het tonen van je eigen expertise met behulp van uitdrukkingen, die de gebreken in je prāṇa-dhana bevestigen, zoals Zijn wreedheid, Zijn bedrog en Zijn wispelturigheid.

Vijaya: Wat is vijalpa?

Gosvāmī: Vijalpa verwijst naar spraakgebruik, waarin je uiterlijk tegen Kṛṣṇa kwaadwillige beschuldigingen maakt, waarbij het aspect van māna in het hart is verborgen.

Vijaya: Wat is ujjalpa?

Gosvāmī: Ujjalpa betekent spreken over Kṛṣṇa's bedrog, hypocrisie, enzovoort, uit jaloezie, die voortkomt uit je trots, waarbij je altijd boosaardige beschuldigingen tegen Hem maakt.

Vijaya: Wat is avajalpa?

Gosvāmī: Avajalpa is het uitdrukken van je onwillekeurige of hulpeloze gehechtheid aan Kṛṣṇa gepaard gaand met vrees doordrenkt van jaloezie, terwijl je in Hem gebreken vindt, zoals een hart van steen, wellust en schurkenstreken.

Vijaya: Wat is abhijalpa?

Gosvāmī: Abhijalpa betekent zich beklagen door middel van indirecte uitdrukkingen, zoals "Kṛṣṇa geeft zelfs het verdriet van afgescheidenheid aan Zijn vogels, zoals Zijn papagaai en de pauwen, dus iedere gehechtheid aan Hem is zinloos."

Vijaya: Wat is ājalpa?

Gosvāmī: Ājalpa betekent Kṛṣṇa's dubbele moraal en de kwelling door de geringschatting van zichzelf tentoon spreiden en zeggen, dat alleen andere onderwerpen dan Kṛṣṇa's līlā-kathā geluk brengen.

Vijaya: Wat is pratijalpa?

Gosvāmī: Pratijalpa is het tonen van respect voor een koerier, die door Kṛṣṇa is gestuurd, en zeggen, "Kṛṣṇa is een schurk en een boef, als Hij naar amoureuze liefde op zoek is, dus het is niet betamelijk om Hem te ontmoeten, want op het ogenblik amuseert Hij Zich met andere charmante dames."

Vijaya: Wat is sujalpa?

Gosvāmī: Sujalpa is uit eenvoud naar Kṛṣṇa informeren met een gevoel van ernst, nederigheid, rusteloosheid en nieuwsgierigheid.

Vijaya: Prabhu, ben ik gekwalificeerd om de symptomen van mādana te horen?

Gosvāmī: Als prema, dat de belichaming is van de essentie van hlādinī, zelfs verder toeneemt dan de mahābhāva, die ik tot dusver heb beschreven, krijgt hij een zeer geavanceerde conditie. De opperste emotie, waarin hij wegens de gelijktijdige manifestatie van alle soorten bhāva's vreugdevol (ullāsa) wordt, heet mādana. Deze mādana is eeuwigdurend en schitterend manifest in alleen Śrī Rādhā. Deze verschijnt niet in andere gopī's, zelfs niet in gopī's, zoals Lalitā.

Vijaya: Bestaat er jaloezie in mādana-bhāva?

Gosvāmī: Jaloezie is heel prominent in mādana-bhāva; deze wordt zelfs op onwaardige of onbeweeglijke objecten gericht. Mādana staat er ook om bekend, dat hij in Śrī Rādhā veroorzaakt, dat Ze alles prijst, wat zelfs maar het minste of geringste spoor van een relatie met Kṛṣṇa heeft, terwijl Ze Zich voortdurend in een intieme gemeenschap met Hem bevindt. Śrīmatī Rādhā wordt bijvoorbeeld jaloers op Kṛṣṇa's vana-mālā (krans van bosbloemen) en op Kṛṣṇa's liefjes uit de bergstreken, de meisjes van de Pulindastam.

Vijaya: Wanneer verschijnt mādana?

Gosvāmī: Deze fascinerende mādana-bhāva treedt alleen op tijdens de ontmoeting. De eeuwige, sportieve avonturen van mādana heersen op prachtige wijze in ontelbaar veel vormen.

Vijaya: Prabhu, kunnen we een beschrijving van dit type mādana in de uitspraken van de wijzen vinden?

Gosvāmī: Mādana-rasa is onbegrensd, dus het is zelfs moeilijk voor de transcendentale Cupido, Śrī Kṛṣṇa, om het volledige bereik van zijn activiteiten in te schatten. Dat is de reden, waarom zelfs Śrī Śuka Muni niet in staat was om hem in zijn geheel te beschrijven, om niet te spreken van de rasa-filosofen, zoals Bharata Muni.

Vijaya: Uw uitspraken zijn verbluffend. Hoe is het mogelijk, dat zelfs Kṛṣṇa Zelf, de belichaming van rasa en de grondrechtelijke genieter van rasa, het gedrag van mādana niet volkomen begrijpt?

Gosvāmī: Kṛṣṇa is rasa Zelf en Hij is onbegrensd, alwetend en almachtig. Niets blijft voor Hem verscholen en niets is onbereikbaar of onmogelijk voor Hem. Hij is eeuwigdurend eka-rasa en tegelijkertijd is Hij ook aneka-rasa wegens Zijn acintya-bhedābheda-dharma. Als eka-rasa (alles in Zichzelf omvattend) is Hij ātmārāma en in deze hoedanigheid bestaat er geen rasa buiten Zichzelf. Hij is echter gelijktijdig aneka-rasa. Dus behalve ātma-gata-rasa (rasa in zichzelf ervarend) bestaat er ook para-gata-rasa (rasa via anderen ervarend) plus alle variaties van de gemengde ātma-para-vicitra-rasa. Het geluk van Zijn līlā ligt in de laatste twee typen rasa. Wanneer para-gata zich tot in de hoogste mate uitstrekt, heet hij parakīya-rasa en deze hoogste ontwikkeling manifesteert zich overvloedig in Vṛndāvana. Dus voor de ātma-gata-rasa is het onbekende, in vervoering brengende en unieke geluk van parakīya-rasa de uiterste limiet van mādana. Deze is aanwezig in de zuivere, ongemanifesteerde līlā in Goloka en in geringe mate in Vraja.

Vijaya: Prabhu, u hebt oneindige genade getoond. Wilt u nu alstublieft de essentie van alle vormen van madhura-rasa in het kort uitleggen, zodat ik het gemakkelijk kan overzien?

Gosvāmī: Alle bhāva's, die in de vraja-devī's optreden, zijn in alle opzichten goddelijk en liggen buiten de rechtsgeldigheid van de logica. Daarom is het niet alleen moeilijk, maar ook onmogelijk om die bhāva's diepgaand te beschrijven. In śāstra is gezegd, dat de rāga van Śrī Rādhikā voortkomt uit pūrva-rāga. Onder speciale omstandigheden wordt diezelfde rāga anurāga en uit anurāga komt sneha voort. Dan wordt hij verder manifest in de vorm van māna en praṇaya. Al deze punten liggen niet vast, maar de conditie van dhūmāyita is beslist de uiterste grens van sādhāṛaṇī rati. Samañjasā rati ontwikkelt zich tot sneha, māna, praṇaya, rāga en anurāga, waarin dīpta-rati in de vorm van jvalita manifest is. In rūḍha-mahābhāva bestaat uddīpta en uit modana ontwikkelt zich sūddīpta-rati. Je moet begrijpen, dat madhura-rasa er soms zo uitziet, omdat de volgorde van de stadia zich in overeenkomst met verschillen in tijd, plaats en omstandigheid ook anders kunnen rangschikken. Sādhāraṇī rati ontwikkelt zich tot en met prema, samañjasā rati ontwikkelt zich tot en met anurāga en samarthā rati komt tot en met mahābhāva.

Vijaya: Hoever ontwikkelt rati zich in sakhya-rasa?

Gosvāmī: De rati van de narma-vayasa metgezellen strekt zich uit tot anurāga, maar de rati van Subala en anderen reikt tot en met mahābhāva.

Vijaya: Ik zie, dat de eigenschappen van sthāyībhāva, die u eerder beschreef, zich uitstrekken tot de grens van mahābhāva. Maar als sthāyībhāva van begin tot eind slechts één tattva is, waarom zien we dan zoveel verschillen tussen de rasa's ontstaan?

Gosvāmī: Deze verschillen tussen de rasa's ontstaan door de verschillende soorten sthāyībhāva. De mysterieuze activiteiten van sthāyībhāva zijn niet duidelijk. De uiteenlopende categorieën worden alleen zichtbaar, wanneer de ingrediënten met de sthāyībhāva worden gecombineerd. De sthāyībhāva krijgt de status van rasa door een combinatie van geschikte componenten van rasa in overeenstemming met zijn bepaalde, verborgen identiteit.

Vijaya: Is het onderscheid tussen svakīya en parakīya in madhura rati eeuwig?

Gosvāmī: Ja, het onderscheid tussen svakīya en parakīya is eeuwig; het is geen eigenmachtige aanduiding. Als dit verschil zou worden beschouwd als een willekeurige aanduiding, zouden alle rasa's aangevoerd door madhura-rasa ook als willekeurige aanduidingen moeten worden beschouwd. Je eeuwige en natuurlijke rasa is inderdaad je zeer persoonlijke, onderscheidende categorie van eeuwigdurende rasa. Hij heeft zijn overeenkomstige ruci en voert bhajana op overeenkomstige wijze uit en dit leidt tot een overeenkomstig einddoel.

Er is ook svakīya-rasa in Vraja. Degenen, die het gevoel vasthouden, "Kṛṣṇa is mijn echtgenoot" vertonen overeenkomstige typen ruci, sādhana-bhajana en uiteindelijke doelen. De kwaliteit van svakīya in Dvārakā is een Vaikuṇṭha tattva, terwijl de kwaliteit van svakīya in Vraja Goloka tattva is. Er is een verschil tussen beide. Vāsudeva Kṛṣṇa, de zoon van Vasudeva, is gesitueerd in Vrajanātha Kṛṣṇa en je dient te begrijpen, dat de hoogste conditie van deze svakīya-tattva in relatie tot Vāsudeva Kṛṣṇa zich slechts uitstrekt tot Vaikuṇṭha.

Nadat Vijaya dit had gehoord, gaf hij zijn praṇāma aan Śrī Gurudeva en keerde terug naar zijn residentie, terwijl hij in grote liefde was verzonken.

 

Aldus eindigt het Zesendertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Madhura-rasa: Sthāyībhāva & de stadia van Rati"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 35 – "Madhura-Rasa: verschillende categorieën Sakhis"

Volgende: Hoofdstuk 37 – "Madhura-Rasa: Sthayibhava & de stadia van Rati"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl