Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 35

Madhura-Rasa: Uddipana


De volgende dag kwam Vijaya Kumāra, nadat hij prasāda had geëerd, op de afgesproken tijd aan bij Śrī Guru Gosvāmī's lotusvoeten. Toen hij zijn sāṣṭāṅga-daṇḍavat-praṇāma gaf, raakte hij door opwinding overweldigd. Gosvāmījī tilde hem op, omhelsde hem en zette hem liefdevol naast zich neer. Vijaya Kumāra maakte van de gelegenheid gebruik en zei, "Prabhu, ik wil de uddīpana van madhura-rasa leren kennen. Wilt u zo goed zijn deze aan me uit te leggen?"


Śrī Guru Gosvāmī antwoordde, "De uddīpana-vibhāva's in madhura-rasa zijn de volgende: de kwaliteiten (guṇa) van Kṛṣṇa en Zijn geliefde gopī's, hun namen (nāma), activiteiten en karakter (carita), hun ornamenten (maṇḍana), zaken gerelateerd aan het object van hun liefde (sambandhī) en zaken, die niet rechtstreeks zijn gerelateerd aan het object van hun liefde (taṭastha)."

Vijaya: Wilt u alstublieft de guṇa eerst omschrijven?

Gosvāmī: Er zijn drie soorten guṇa: in relatie tot de geest (mānasika), in relatie tot de spraak (vācika) en in relatie tot het lichaam (kāyika).

Vijaya: Welke zijn de verschillende typen kwaliteiten, die in deze rasa aan de geest zijn gerelateerd (mānasa-guṇa)?

Gosvāmī: Er zijn vele soorten mānasa-guṇa, zoals dankbaarheid, vergevingsgezindheid en mededogen.

Vijaya: Welke zijn de verschillende soorten vācika-guṇa?

Gosvāmī: Al het gesproken woord, dat de oren plezier geeft, vormt de vācika-guṇa.

Vijaya: Welke zijn de verschillende soorten lichaamseigenschappen (kāyika-guṇa)?

Gosvāmī: De kāyika guṇa's zijn vayasa (leeftijd), rūpa (vorm), lāvaṇya (uitstraling), saundarya (schoonheid), abhirūpatā (invloed), mādhurya (lieftalligheid), mārddva (zachtheid), enzovoort. De vier leeftijden, die hun toevlucht hebben genomen tot madhura-rasa zijn vayaḥ-sandhi, navya-vyasa, vyakta-vayasa en pūrṇa-vayasa.

Vijaya: Wat is vayaḥ-sandhi?

Gosvāmī: Vayaḥ-sandhi is de overgang tussen de stadia van de kindertijd (bālya) en de puberteit (yauvana) en deze specifieke fase wordt prathama-kaiśora genoemd. De jeugdperiode (sampūrṇa-kiśora) behoort tot vayaḥ-sandhi. Paugaṇḍa (kindertijd tot tien jaar) wordt bālya genoemd. De lieftalligheid van de vayaḥ-sandhi van Kṛṣṇa en Zijn geliefden is uddīpana.

Vijaya: Wat is navya-vayasa (ontluiken)?

Gosvāmī: De symptomen van navya-vayasa vormen het ontluiken van de puberteit (nava-yauvana), het eerste verschijnen van de borstjes, de rusteloosheid van de ogen, lieve glimlachjes en enigszins opgewonden hartjes.

Vijaya: Wat is vyakta-vayasa (onthuld)?

Op het moment, dat Vijaya Kumāra deze vraag stelde, kwamen een Vaiṣṇava van de Rāmānuja-sampradāya en een paṇḍita-sannyāsī uit de Śaṅkara Maṭha binnen om darśana van het Godsbeeld te nemen. De Vaiṣṇava liep met het idee rond een mannelijke dienaar van Bhagavān te zijn en de Śaṅkara sannyāsī was geabsorbeerd in droge meditatie op de onpersoonlijke nirviśeṣa-brahma, dus geen van beiden kon zich identificeren met een vraja-gopī. Aangezien het verboden is om rasa-kathā te bespreken in aanwezigheid van mensen, die zichzelf als een man beschouwen, hielden Gosvāmī en Vijaya op met spreken en begonnen met de Vaiṣṇava en de ekadaṇḍī sannyāsī een alledaags gesprek over koetjes en kalfjes. Na enige tijd liepen de twee bezoekers in de richting van Siddha-bakula en Vijaya herhaalde zijn vraag met een lichte glimlach.

Gosvāmī: In het stadium van vyakta-vayasa worden de borsten van de gopī's voller en krijgt hun buik drie plooien en hun ledematen beginnen een stralende glans te vertonen.

Vijaya: Wat is pūrṇa-vayasa (vol)?

Gosvāmī: Pūrṇa-vayasa is het stadium, waarin hun achterwerk goed ontwikkelt, hun taille tenger wordt, al hun ledematen vorm krijgen, de borsten zwaar worden en de dijen gaan lijken op de stammen van bananenbomen. Er zijn een paar vraja-sundarī's, die de kenmerken van pūrṇa-yauvana reeds in hun prille jeugd vertonen.

Vijaya: Het onderwerp van vayasa heb ik begrepen. Vertelt u nu alstublieft over rūpa.

Gosvāmī: Rūpa is zo een buitengewone schoonheid, dat een vrouw lijkt te zijn gedecoreerd, terwijl ze zelfs geen enkel ornament draagt. Uitzonderlijke rūpa is het moment, waarop alle ledematen volmaakt zijn geproportioneerd.

Vijaya: Wat is lāvaṇya?

Gosvāmī: Lāvaṇya is een parelachtige glans, die over het lichaam ligt en uit de ledematen straalt.

Vijaya: Wat is saundarya?

Gosvāmī: Saundarya is de perfectie van het lichaam, waarin alle lichaamsdelen de juiste vorm hebben en zich in volmaakte proportie tot elkaar verhouden.

Vijaya: Wat is abhirūpatā?

Gosvāmī: Van iemand wordt gezegd, dat ze abhirūpatā heeft, wanneer haar verbluffende kwaliteiten haar schoonheid overbrengen op de voorwerpen om haar heen.

Vijaya: Wat is mādhurya?

Gosvāmī: Mādhurya is lichamelijke schoonheid, die eenvoudig onbeschrijflijk is.

Vijaya: Wat is mārddva?

Gosvāmī: Mārddva is de zachtheid, die zelfs het contact met zachte objecten niet kan verdragen. Er zijn drie soorten mārddva: uttama, madhyama en kaniṣṭha.

Vijaya: Prabhu, ik heb guṇa begrepen. Vertelt u nu alstublieft over nāma.

Gosvāmī: Namen, zoals Rādhā-Kṛṣṇa, die bezwangerd zijn van de allerhoogste mysterieuze en confidentiële rasa, worden nāma genoemd.

Vijaya: Wilt u nu alstublieft over carita (gedrag) vertellen?

Gosvāmī: Er zijn twee soorten carita: anubhāva en līlā. Ik zal je over anubhāva vertellen, wanneer ik het onderwerp van vibhāva heb afgerond.

Vijaya: Omschrijft u dan līlā, alstublieft.

Gosvāmī: De term līlā verwijst naar sundara-krīḍā (mooie spelletjes) en activiteiten, tāṇḍava (dansen), veṇu-vādana (fluitspelen), go-dohana (koeien melken) en de koeien van de heuvel terugroepen en tellen.

Vijaya: Wat zijn sundara-krīḍā?

Gosvāmī: Er zijn ontelbaar veel sportieve avonturen, zoals rāsa-līlā, balspelen en spreken in de taal van de vogels en de dieren.

Vijaya: Hoeveel soorten maṇḍana (decoraties) zijn er?

Gosvāmī: Er zijn vier soorten maṇḍana: kleding, ornamenten, bloemenkransen en anulepana (pasta's en parfums, die op het lichaam worden aangebracht).

Vijaya: Wat is sambandhī?

Gosvāmī: Sambandhī is verdeeld in twee typen: objecten, die zijn verbonden (lagna) en objecten, die nabij zijn (sannihita).

Vijaya: Wat betekent lagna (heilzame voorvallen)?

Gosvāmī: Tot lagna-sambandhī behoren de geluiden van de fluit en de signaalhoorn, zang, geuren, het rinkelen van ornamenten, voetafdrukken, het geluid van de vīṇā en artistieke vaardigheden.

Vijaya: Wat is de aard van de melodie van de fluit?

Gosvāmī: De nectarstroom, die van Kṛṣṇa's lippen door de muralī vloeit, is de belangrijkste van alle soorten uddīpana.

Vijaya: Beschrijft u nu alstublief de objecten, die nabij zijn (sannihita-sambandhī).

Gosvāmī: Tot de sannihita-sambandhī behoren achtergelaten bloemenslingers; pauwenveren; gairika (rode steen) en andere gekleurde mineralen afkomstig uit de heuvels; de koeien; de drijfstok; de signaalhoorn; het aanzicht van Kṛṣṇa's geliefde metgezellen; het stof, dat opstuift onder de hoeven van de koeien; Vṛndāvana; entiteiten en voorwerpen, die onder de bescherming van Vṛndāvana vallen (vṛndāvanāśrita-vastu); Govardhana; Yamunā en de rāsa-sthālī.

Vijaya: Wat wordt bedoeld met vṛndāvanāśrita (onder de bescherming van Vṛndāvana)?

Gosvāmī: Dieren, zoals de herten; vogels, zoals de pauw; hommels; hutten van bloeiende klimranken; tulasī; bloemen en kadamba-bomen zijn allemaal vṛndāvanāśrita.

Vijaya: Wat wordt bedoeld met taṭastha (marginaal)?

Gosvāmī: Het schijnsel van de maan, de wolken, de bliksem, het voorjaar, de herfst, de volle maan, de zachte briesjes en vogels, zoals de pauw, zijn allemaal taṭastha.

Nadat Vijaya Kumāra aandachtig naar de uiteenzetting van de uddīpana-bhāva's had geluisterd, werd hij er even stil van. De ontmoeting van de ālambana met de uddīpana-bhāva's riep een verheven gevoel in zijn hart op en plotseling begonnen zich anubhāva's in zijn lichaam te manifesteren. Met een stem door emotie gebroken zei hij, "Prabhu, wilt u nu de anubhāva's in detail beschrijven? U hebt één deel van kṛṣṇa-carita (Kṛṣṇa's activiteiten en kwaliteiten) beschreven, namelijk līlā. Als ik leer wat anubhāva is, zal ik in staat zijn kṛṣṇa-carita volledig te kennen.

Gosvāmī: Er zijn drie soorten anubhāva's: alaṅkāra (ornamenten), udbhāsvara (symptomen) en vācika (verbale expressies).

Vijaya: Wat is alaṅkāra (ornamenten)?

Gosvāmī: De twintig soorten alaṅkāra in de puberteit (yauvana) van de aantrekkelijke gopī's van Vraja zijn sattva-ja (voortkomend uit śuddhā-sattva) genoemd. Deze verschijnen op wonderbaarlijke wijze vanwege hun intense absorbtie in hun geliefde Kṛṣṇa. Deze twintig soorten alaṅkāra zijn in drie categorieën verdeeld:

1.        degenen, die voortkomen uit de ledematen (aṅga-ja),

2.        degenen, die spontaan verschijnen (ayatna-ja),

3.        degenen, die voortkomen uit de eigen natuur (svabhāva-ja).

De alaṅkāra, die voortkomen uit de ledematen (aṅga-ja) zijn (1) het zaad van de gehechtheid (bhāva), (2) gebaren (hāva), (3) flirten (helā). Tot ayatna-ja behoren (4) schoonheid (śobhā), (5) uitstraling (kānti), (6) schittering (dīpti), (7) lieftalligheid (mādhurya), (8) stoutmoedigheid (pragalbhatā), (9) grandeur (audārya), en (10) geduld (dhairya). Tot svabhāva-ja behoren (11) het imiteren van līlā, (12) plezier (vilāsa), (13) een bepaalde stemming leggen in het kleden (vicchitti), (14) verwarring (vibhrama), (15) een bepaald mengsel van bhāva's (kila-kińcita), (16) het ontwaken van verlangen (moṭṭāyita), (17) schijnbare tegenstelling (kuṭṭamita), (18) gebrek aan respect (vivvoka), (19) tederheid (lalita) en (20) bhāva's uitgedrukt door middel van activiteit (vikṛta).

Vijaya: Wat is de betekenis van bhāva in deze context?

Gosvāmī: Wanneer rati, dat als een zaad is, in ujjvala-rasa op de onberoerde citta (hart) verschijnt, wordt zijn eerste transformatie bhāva genoemd. De ongetransformeerde staat van citta wordt sattva genoemd. Als de oorzaak van de transformatie aanwezig is, wordt de oorspronkelijke transformatie, die lijkt op het eerste kiemen van een zaadje, bhāva genoemd.

Vijaya: Wat is hāva (gebaren)?

Gosvāmī: Hāva is de conditie, waarin rati duidelijker aanwezig is dan in bhāva, met het wiegen van het hoofd, gebaren met wenkbrauwen en ogen, en andere symptomen.

Vijaya: Wat is helā?

Gosvāmī: Hāva wordt helā genoemd, wanneer het duidelijk op zinnelijke hartstocht wijst.

Vijaya: Wat is śobhā (schoonheid)?

Gosvāmī: Śobhā is de verfraaiing van lichaamsdelen, die onder invloed van de puberteit en rūpa-sambhoga verschijnt.

Vijaya: Wat is kānti (uitstraling)?

Gosvāmī: Kānti is de schitterende uitstraling, die in deze bovennatuurlijke kāma bij de daad van bevrediging verschijnt.

Vijaya: Wat is dīpti?

Gosvāmī: Kānti wordt dīpti genoemd, wanneer het zich geďntensiveert en de hartstocht zeer ontvlambaar wordt onder invloed van factoren, zoals leeftijd, plezier, plaats, tijd, kwaliteiten, rūpa en kledij.

Vijaya: Wat is mādhurya (lieftalligheid)?

Gosvāmī: Mādhurya is het stadium, waarin onder alle omstandigheden iedere onderneming buitengewoon bevallig is.

Vijaya: Wat is pragalbhatā (stoutmoedigheid)?

Gosvāmī: Pragalbhatā is volkomen gebrek aan schroom of vrees op het moment van prayoga, wanneer de eigen lichaamsdelen zich bevinden op die van de minnaar.

Vijaya: Wat is audārya (grandeur)?

Gosvāmī: Audārya is de kwaliteit in alle situaties zelfbeheersd en welgemanierd zijn.

Vijaya: Wat is dhairya (standvastigheid)?

Gosvāmī: De tendens van het hart wordt dhairya genoemd, wanneer het standvastig en onbewogen is.

Vijaya: Wat is in deze context de betekenis van līlā?

Gosvāmī: Līlā is het imiteren van de charmante kledij en activiteiten van de geliefde.

Vijaya: Wat is vilāsa (plezier)?

Gosvāmī: Die bepaalde, suggestieve uitdrukkingen van het gezicht en de ogen, die ze maakt bij het bewegen, bij het stilstaan, of terwijl ze zit, teneinde een vereniging met haar geliefde te bewerkstelligen worden vilāsa genoemd.

Vijaya: Wat is vicchitti?

Gosvāmī: Vicchitti is een manier van kleden, die de uitstraling verhoogt, hoewel ze erg weinig decoraties en ornamenten gebruikt. Sommige deskundigen van rasa zeggen, dat soms, wanneer de minnaar van de nayīkā haar benadert, nadat Hij jegens haar een overtreding heeft begaan, de bhāva in de nayīka's hart verschijnt, die haar een gevoel geeft, dat haar ornamenten eenvoudig een last zijn, waardoor ze zich louter op aandringen van haar sakhī's heeft gekleed en gedecoreerd. Deze vorm van jaloerse stemming en nalatigheid wordt ook vicchitti genoemd.

Vijaya: Wat is vibhrama (verwarring)?

Gosvāmī: Vibhrama is een staat van verwarring, die wordt veroorzaakt door de krachtige impulsen van madana, wanneer de nayīkā haar geliefde ontmoet. In die staat wil ze haar halsketting, bloemenkrans en andere ornamenten omdoen, maar brengt ze op de verkeerde plaatsen aan.

Vijaya: Wat is kila-kińcita?

Gosvāmī: Kila-kińcita is een conditie, waarin trots, hunkering, wenen, lachen, vijandigheid, angst en woede door gevoelens van blijdschap op hetzelfde moment verschijnen.

Vijaya: Wat is moṭṭāyita?

Gosvāmī: Moṭṭāyita is de intense hunkering, die in het hart van de nayīkā verschijnt, wanneer ze bericht over haar minnaar ontvangt en zich Hem herinnert.

Vijaya: Wat is kuṭṭamita?

Gosvāmī: Kuṭṭamita is de zogenaamde boosheid, die de nayīkā uiterlijk veinst omwille van haar waardigheid, verlegenheid, enzovoort, terwijl ze in haar hart verguld is, als haar minnaar haar borsten of lippen aanraakt.

Vijaya: Wat is vivvoka?

Gosvāmī: Vivvoka is het tonen van een gebrek aan respect voor de minnaar uit trots en māna.

Vijaya: Wat is lalita?

Gosvāmī: Lalita is de tederheid, die wordt uitgedrukt bij bewegingen van de wenkbrauwen en gebaren van alle andere lichaamsdelen.

Vijaya: Wat is vikṛta?

Gosvāmī: Vikṛta is het uitdrukken – eerder door activiteiten, dan met woorden – van gevoelens, zoals verlegenheid, jaloezie of māna, die in het hart oprijzen.

Dit zijn de twintig lichamelijke en psychologische alaṅkāra's. Rasika-bhakta's hebben nog twee alaṅkāra's meer geaccepteerd bij de ornamenten, die ik zojuist heb weergegeven. Deze zijn geveinsde onwetendheid (maugdhya) en geveinsde vrees (cakita).

Vijaya: Wat is maugdhya?

Gosvāmī: Een nayīkā vetoont maugdhya, wanneer ze pretendeert onkundig te zijn van iets, dat ze dondersgoed weet, en bij haar minnaar informeert, alsof ze nergens van weet.

Vijaya: Vertelt u me nu alstublieft over cakita.

Gosvāmī: Cakita is in de aanwezigheid van de minnaar een enorme vertoning maken van haar vrees, hoewel ze in werkelijkheid helemaal niet bang is.

Vijaya: Prabhu, ik heb de alaṅkāra's begrepen. Vertelt u me nu alstublieft over udbhāsvara.

Gosvāmī: Wanneer de bhāva van het hart in het lichaam manifest is, wordt die manifestatie udbhāsvara genoemd. In madhura-rasa behoren tot de udbhāsvara's het openvallen van de koordjes van de rok, het openvallen van de bloes, het uit elkaar vallen van de vlechten, enzovoort. Aandoeningen in het lichaam zijn geeuwen, het opensperren van de neusgaten, diep zuchten, rusteloosheid, zingen en zichzelf vervloeken.

Vijaya: Zouden al die udbhāsvara's, die u juist hebt genoemd, niet tot de categorie van moṭṭāyita en vilāsa kunnen behoren?

Gosvāmī: Ze zijn apart beschreven, omdat ze een bepaald soort schoonheid (śobha) vertegenwoordigen.

Vijaya: Prabhu, wilt u nu alstublieft de vācika-anubhāva's uitleggen?

Gosvāmī: Er zijn twaalf typen vācika-anubhāva's: ālāpa, vilāpa, saṁlāpa, pralāpa, anulāpa, apalāpa, sandeśa, atideśa, apadeśa, upadeśa, nirdeśa en vyapadeśa.

Vijaya: Wat is ālāpa?

Gosvāmī: Ālāpa zijn lieve woordjes die vleien.

Vijaya: Wat is vilāpa?

Gosvāmī: Vilāpa zijn woorden van verdriet.

Vijaya: Wat is saṁlāpa?

Gosvāmī: Saṁlāpa is conversatie.

Vijaya: Wat is pralāpa?

Gosvāmī: Pralāpa is praten zonder betekenis.

Vijaya: Wat is anulāpa?

Gosvāmī: Anulāpa betekent dezelfde woorden herhaaldelijk uitspreken.

Vijaya: Wat is apalāpa?

Gosvāmī: Apalāpa betekent het geven van een andere betekenis aan woorden, die al zijn uitgesproken.

Vijaya: Wat is sandeśa?

Gosvāmī: Sandeśa is het sturen van een boodschap naar de minnaar, wanneer Hij naar een ander land is vertrokken.

Vijaya: Wat is atideśa?

Gosvāmī: Atideśa is zeggen, "Zijn woorden zijn mijn woorden."

Vijaya: Wat is apadeśa?

Gosvāmī: Apadeśa is het onderwerp in kwestie uitdrukken met behulp van andere woorden en er niet rechtstreeks over spreken.

Vijaya: Wat is upadeśa?

Gosvāmī: De term upadeśa verwijst naar woorden vol instructie.

Vijaya: Wat is nirdeśa?

Gosvāmī: Nirdeśa is bekennen, "Ik ben diezelfde persoon."

Vijaya: Wat is vyapadeśa?

Gosvāmī: Vyapadeśa is het onthullen van de hartewens onder het voorwendsel van een andere uitspraak.

Al deze anubhāva's zijn in alle rasa's aanwezig, maar ze zijn in deze context beschreven, omdat de zoetheid van ujjvala-rasa door deze anubhāva's enorm toeneemt.

Vijaya: Prabhu, waarom is het noodzakelijk de anubhāva's in het onderwerp van rasa afzonderlijk te beschrijven?

Gosvāmī: De bhāva's in het hart, die uit de combinatie van ālambana en uddīpana oprijzen, worden anubhāva's genoemd, wanneer ze zich op de lichaamsdelen manifesteren. Dit onderwerp kan niet goed worden begrepen zonder ze afzonderlijk uit te leggen.

Vijaya: Weest u alstublief genadig en beschrijft u de sāttvika-bhāva's in madhura-rasa.

Gosvāmī: Ik heb de acht sāttvika-bhāva's, zoals stambha, sveda, enzovoort, al genoemd, toen ik sprak over de gewone rasa-tattva. Ze zijn ook de sāttvika-bhāva's van deze rasa, maar de voorbeelden van de bhāva's zijn in deze rasa nogal verschillend.

Vijaya: Hoe verschillend zijn ze?

Gosvāmī: Je zal zien, dat in vraja-līlā het onbeweeglijk worden (stambha-bhāva) optreedt door vreugde (harṣa), angst (bhaya), verbazing (āścarya), kommer (viṣāda) en verontwaardiging (amarṣa). Transpireren (sveda) treedt op door vreugde, angst en boosheid (krodha). Kippenvel (romāńca) komt voort uit verbazing, vreugde en angst. Het stokken van de stem treedt op door kommer, verbijstering (vismaya), verontwaardiging en angst. Angst, vreugde en verontwaardiging veroorzaken beven. Het verschieten van kleur (vaivarṇya) treedt op door kommer, woede en angst. Het vergieten van tranen (aśru) kan optreden door vreugde, woede of kommer. Het verlies van bewustzijn (pralaya) kan optreden door geluk of verdriet.

Vijaya: Zijn er in deze rasa verschijnselen van sāttvika-vikāra, die anders zijn dan die in de andere rasa's?

Gosvāmī: Ja. Ik heb de sāttvika-bhāva's uitgelegd, die we kennen als dhūmāyita, jvalita, dīpta en uddīpta in de context van de algemene (sādhāraṇa) rasa-vicāra. In deze madhura-rasa is één onderdeel van uddīpta, dat sūddīpta-bhāva heet.

Vijaya: Prabhu, u bent oneindig genadig voor me geweest. Vertelt u me nu alstublieft hoe de vyabhicārī bhāva's in deze rasa worden gemanifesteerd.

Gosvāmī: Bijna alle drieëndertig sańcārī of vyabhicārī-bhāva's, die ik reeds heb uitgelegd te beginnen met het geringschatten van zichzelf (nirveda), vinden plaats in madhura-rasa. Medogenloosheid (augrya) en luiheid (ālasya) zijn de twee uitzonderingen. De sańcārī-bhāva's van madhura-rasa beschikken over verscheidene wonderbaarlijke eigenschappen.

Vijaya: Welke zijn dat?

Gosvāmī: De meest fascinerende eigenschap is, dat welke soort kṛṣṇa-prema ook aanwezig is in de vrienden en authoriteiten (guru-jana) in andere rasa's, deze ook als een sańcārī-bhāva in madhura-rasa optreedt. Met andere woorden, de sthāyībhāva's van die andere rasa's treden op als sańcārī of vyabhicārī-bhāva's in deze rasa.

Vijaya: Welke zijn de andere verrassende aspecten?

Gosvāmī: Een ander wonderbaarlijk punt is, dat de vyabhicārī-bhāva's in deze rasa – zelfs die van maraṇa (dood) – geen rechtstreekse aṅga's van rasa worden beschouwd. In deze rasa worden ze logischerwijs bij de eigenschappen (guṇa's) van rasa gerekend. De conclusie is, dat rasa zelf de guṇī (datgene, wat de eigenschappen bezit) is en de vyabhicārī-bhāva's zijn de eigenschappen (guṇa), waarover de rasa beschikt.

Vijaya: Hoe ontstaan de sańcārī-bhāva's?

Gosvāmī: Het geringschatten van zichzelf (nirveda) treedt op door leed, afkeer, jaloezie, kommer, calamiteit en overtreding.

Vijaya: Wat is de oorzaak van nederigheid (dainya)?

Gosvāmī: Dainya wordt veroorzaakt door verdriet, angst en overtreding.

Vijaya: Hoe ontstaat verzwakking (glāni)?

Gosvāmī: Glāni is het gevolg van uitputting, bezorgdheid en amoureuze ondernemingen.

Vijaya: Hoe ontstaat uitputting (śrama)?

Gosvāmī: Śrama is het resultaat van zoveel rondzwerven, dansen en amoureuze inspanning.

Vijaya: Wat is de oorzaak van bedwelming (mada)?

Gosvāmī: Mada is het gevolg van het drinken van honingwijn.

Vijaya: Hoe verschijnt trots (garva)?

Gosvāmī: Garva ontstaat door groot geluk, schoonheid, persoonlijke eigenschappen, het krijgen van bescherming van de meest excellente persoon en het bereiken van het object van het verlangen.

Vijaya: Wat veroorzaakt vrees (śaṅkā)?

Gosvāmī: De oorzaken van śaṅkā zijn diefstal, overtreding, wreedheid, bliksem, wilde dieren en angstaanjagende geluiden.

Vijaya: Hoe ontstaan opgewondenheid en onzekerheid (āvega)?

Gosvāmī: Āvega is een acute onzekerheid over wat te doen, die ontstaat door het zien of horen van het object van genegenheid of afkeer.

Vijaya: Wat is de oorzaak van waanzin (unmāda)?

Gosvāmī: Unmāda kan worden veroorzaakt door excessieve extase (mahānanda) of door een gevoel van afgescheidenheid.

Vijaya: Waarom treedt verwarring of mentale afwezigheid (apasmṛti) op?

Gosvāmī: Apasmṛti is de verwarring of mentale afwezigheid, die optreedt door extreem verdriet.[1]

Vijaya: Wat is ziekte (vyādhi)?

Gosvāmī: Vyādhi is lichamelijke transformatie, zoals koorts, die optreedt wegens vrees en bezorgdheid.

Vijaya: Wat is verbijstering (moha)?

Gosvāmī: Moha is de verbijstering, die optreedt, wanneer het hart wordt verdoofd door vreugde, afgescheidenheid en verdriet.

Vijaya: Wat is dood (mṛtyu)?

Gosvāmī: In deze rasa is geen mṛtyu, alleen de poging tot sterven.

Vijaya: Wat is luiheid (ālasya)?

Gosvāmī: Er is ook geen ālasya in deze rasa. Ālasya is het pretenderen machteloos te zijn, ofschoon men energie genoeg heeft; er is echter niet de minste gelegenheid voor ālasya in Kṛṣṇa's dienst. Het kan echter in een secundaire vorm bij de tegengestelde elementen worden waargenomen.

Vijaya: Wat is de oorzaak van inertia (jāḍya)?

Gosvāmī: Jāḍya kan zich voordoen bij het zien van het object van haar liefde, bij het horen over Hem, of bij het zien van iets, dat buitengewoon onwenselijk is. Jāḍya kan ook optreden door gevoelens van afgescheidenheid.

Vijaya: Waarom treedt verlegenheid (vrīḍā) op?

Gosvāmī: Vrīḍā ontstaat door de eerste keer ontmoeten, zich ongepast gedragen, wegens lovende woorden, of woorden van misprijzen.

Vijaya: Wat is de oorzaak van avahitthā (het verbergen van haar natuur)?

Gosvāmī: Avahitthā wordt veroorzaakt door verraad, verlegenheid, dubbelhartigheid, angst en waardigheid.

Vijaya: Wat oorzaakt herinnering (smṛti)?

Gosvāmī: Smṛti is het gevolg van het zien van iets overeenkomstigs, of van een ingeprente gewoonte.

Vijaya: Hoe ontstaat het overpeinzen van logische mogelijkheden (vitarka)?

Gosvāmī: Vitarka is het gevolg van onderzoek en twijfel.

Vijaya: Wat is bezorgdheid (cintā)?

Gosvāmī: Cintā ontstaat door niet te krijgen, wat men verlangt en uit angst voor hetgeen onwenselijk is.

Vijaya: Wat is bedachtzaamheid (mati)?

Gosvāmī: Mati is het nadenken over, of overwegen van iets.

Vijaya: Wat is vastberadenheid (dhṛti)?

Gosvāmī: Dhṛti is de standvastigheid van het hart, die het gevolg is van het vervullen van aspiraties en vrij zijn van verdriet.

Vijaya: Wat is vreugde (harṣa)?

Gosvāmī: Harṣa is het plezier, dat oprijst, bij het zien of verkrijgen van het object van een gekoesterd verlangen.

Vijaya: Wat is gretigheid (autsukya)?

Gosvāmī: Autsukya is het vurige verlangen om de geliefde te zien en het intense hunkeren, of het ongeduld om Hem te krijgen.

Vijaya: Wat is medogenloosheid (augrya)?

Gosvāmī: Geweld wordt augrya genoemd en dat heeft geen plaats in madhura-rasa.

Vijaya: Wat is verontwaardiging (amarṣa)?

Gosvāmī: Amarṣa is de intolerantie, die tot uitdrukking komt, doordat men niet wordt gerespecteerd of wordt beledigd.

Vijaya: Wat is vijandigheid (asūyā)?

Gosvāmī: Asūyā is de verontwaardiging over, of wrok jegens het grote geluk van een ander en het treedt op door grote voorspoed en deugden.

Vijaya: Wat is de oorzaak van onstandvastigheid (cāpala)?

Gosvāmī: Cāpala is de wispelturigheid of luchtigheid van de geest en het wordt veroorzaakt door gehechtheid en afkeer.

Vijaya: Wat is de oorzaak van slaap (nidrā)?

Gosvāmī: Nidrā wordt veroorzaakt door vermoeidheid.

Vijaya: Wat is supti?

Gosvāmī: Supti betekent dromen.

Vijaya: Wat is waakzaamheid (bodha)?

Gosvāmī: Bodha is verre van slapen.

Bābā Vijaya, als toevoeging op deze vyabhicārī-bhāva's zijn er vier stadia, namelijk bhāvotpatti, bhāva-sandhi, bhāva-śābālya en bhāva-śānti. Bhāvotpatti is het verschijnen van een bhāva en bhāva-sandhi is het samengaan van twee bhāva's. Sa-rūpa-sandhi is het amalgaam van twee bhāva's met dezelfde oorzaak en bhinna-sandhi is het vermengen van bhāva's, die voortkomen uit afzonderlijke oorzaken. Het vermengen van vele bhāva's tegelijkertijd wordt bhāva-śābālya genoemd en de deconstructie of het kalmeren van bhāva's wordt bhāva-śānti genoemd.

Vijaya had nu een volledig begrip van de componenten van madhura-rasa, want hij had de uitleg gehoord van zijn vibhāva's, sāttvika-bhāva's en vyabhicārī-bhāva's. Zijn hart raakte overweldigd door prema, welke echter nog wat vaag was. Nu hij het diepgaand had begrepen, viel hij aan de voeten van zijn Gurudeva. Wenend en wenend zei hij, "Prabhu, geeft u mij alstublieft uw genade en vertelt u me waarom prema nog niet in mijn hart is opgebloeid."

Guru Gosvāmījī omhelsde Vijaya en zei, "Morgen zal je in staat zijn prema-tattva te begrijpen. Je hebt de componenten van prema wel begrepen, maar het is nog niet overduidelijk in je hart opgerezen. Prema is de sthāyībhāva. Je hebt al over sthāyībhāva in algemene zin gehoord, maar je zal alle perfectie bereiken, wanneer je over de specifieke sthāyībhāva in ujjvala-rasa hoort. Nu is het erg laat geworden. Ik zal het je morgen verder uitleggen."

Weer vielen de tranen uit Vijaya's ogen. Hij gaf zijn daṇḍavat-praṇāma en keerde toen terug naar zijn verblijfplaats, terwijl hij zwaar liep na te denken over alles, wat hij had gehoord.

 

Aldus eindigt het Vijfendertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Madhura-rasa: Uddīpana"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 34 – "Madhura-Rasa: verschillende categorieën Sakhis"

Volgende: Hoofdstuk 36 – "Madhura-Rasa: Sthayibhava & de stadia van Rati"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl