Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 34

Madhura-Rasa: verschillende categorieŽn Sakhis


De volgende dag eerde Vijaya Kumāra de prasāda iets vroeger dan gebruikelijk. Daarna vertrok hij en liep langs het strand naar Kāśī Miśra Bhavan. Toen hij de golven van de oceaan zag, welden de gevoelens van de oceaan van rasa in zijn hart op. Hij raakte overweldigd door bhāva en dacht bij zichzelf, "Ahā! De oceaan inspireert de bhāva om in mij omhoog te bruisen. Hoewel de oceaan een materiŽle substantie is, roept hij toch mijn diep verscholen, transcendentale gevoelens op. Het lijkt wel de oceaan van rasa, die mijn Prabhu me heeft beschreven.


"Wanneer ik mijn grofstoffelijke en subtiele lichamen ver achter me heb gelaten, zie ik mezelf op het strand van de oceaan van rasa zitten om de rasa in mijn maŮjarī-svarūpa te proeven. Kṛṣṇa, die is doordrenkt met de glans van een pas geformeerde moessonwolk, is de enige Heer van mijn levensadem. Śrīmatī Rādhikā, de dochter van Vṛṣabhānu Mahārāja, die Haar grandiose aanwezigheid aan Kṛṣṇa's zijde houdt, is het begin en eind van mijn bestaan. Deze oceaan vertegenwoordigt de transformatie van Rādhā en Kṛṣṇa's intieme liefde (praṇaya). De rijen golven zijn de verschillende soorten bhāva, die met elkaar combineren om de rasa zelf te vormen. Ik ben een sakhī, die aan de kust staat, en de veelvormige golven, die in deze oceaan oprijzen, zijn de bhāva's, die me verdrinken in prema-rasa. Kṛṣṇa is de oceaan van rasa en om die reden lijkt de kleur van de oceaan precies op de Zijne. De golven der liefde in die oceaan zijn Śrīmatī Rādhājī en om die reden zijn de golven in de oceaan wit. De hoge golven zijn de sakhī's en de kleine golfjes zijn hun dienstmeisjes (paricārikā). Ik ben een volgeling van een paricārikā als een waterdeeltje in de nevels van een afgelegen branding."

Vijaya Kumāra ontleende een grote vreugde aan deze prachtige meditatie. Na een korte tijd keerde zijn externe gewaarwording weer terug en terwijl hij zijn weg langzaam vervolgde, kwam hij aan in de residentie van Śrī Guru Gosvāmī. Hij gaf zijn sāṣṭāṅga-praṇāma, ging naast zijn Gurudeva zitten en voelde zich erg onbeduidend.

Śrī Guru Gosvāmī informeerde met betrokken zorgzaamheid, "Vijaya, gaat het goed met je?"

Vijaya: Prabhu, uw genade alleen is voor mij de enige bron van alle heil. Ik wil de verschillende categorieŽn sakhī's diepgaand begrijpen, zodat ik hun volgeling kan worden.

Gosvāmī: Vijaya, het beschrijven van de roem van de sakhī's ligt buiten de capaciteit van de jīva, maar toch heb ik het in de praktijk gerealiseerd, omdat ik onder de ānugatya (leiding) van Śrī Rūpa heb gestaan. De mooie sakhī's van Vraja zorgen voor de volkomen en volmaakte ontplooiing van prema-līlā. Ze zijn de schatkamers van het vertrouwen in vraja-yugala, het goddelijk paar van Vraja. Alleen iemand met veel geluk heeft het verlangen de uitgebreide overwegingen met betrekking tot de sakhī's uitvoerig te kennen. De secties, die ik eerder heb genoemd Ė namelijk adhikā, samā en laghu; prakharā, madhyā en mṛdvī Ė zijn ook van toepassing op de sakhī's, die zich bij een yūtha hebben aangesloten. Ik heb je al deze secties gisteren omschreven. In dit verband is het altijd gepast om de geauthoriseerde uitspraken van Śrī Rūpa Gosvāmī te herinneren,

prema-saubhāgya-sād-guṇyādy-adhikyād adhikā sakhī
samā tat-sāmyato jŮeyā tal-laghutvāt tathā laghuḥ

Sommige sakhī's worden adhikā (groter) genoemd wegens hun overvloed aan transcendentale kwaliteiten en hun grote voorspoed met betrekking tot prema. Sommige sakhī's zijn gevierd bij de naam samā, omdat ze gelijk zijn in kwaliteiten, terwijl anderen, die over minder van die kwaliteiten beschikken, laghu worden genoemd.

durlaṅghya-vākya-prakharā prakhyātā gauravocitā
tad-ūnatve bhaven-mṛdvī madhyā tat-sāmyam āgatā

Een sakhī, wier woorden niet gemakkelijk kunnen worden overschreden (durlaṅghya), staat bekend als prakharā en ze beschikt over een dwingende ernst. Een sakhī zonder ernst wordt mṛdvī genoemd en een sakhī met een gemiddelde ernst wordt madhyā genoemd.

ātyantikādhikatvādi-bhedaḥ pūrvavad atra saḥ
sva-yūthe yūtha-nāthaiva syād atrātyantikādhikā
sā kvāpi prakharā yūthe kvāpi madhyā mṛduḥ kvacit
††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Ujjvala-nīlamaṇi, Sakhī-prakaraṇa (3-5)

Men dient ook de onderverdelingen van die sakhī's te begrijpen, zoals ātyantika-adhikā. De yūtheśvarī is ātyantika-adhikā in haar eigen groep, hoewel ze ook bekend kan zijn als prakharā of mṛdū in andere yūtha's.

Vijaya: De ātyantika-adhikā yūtheśvarī's zijn de belangrijkste sakhī's in hun eigen groep. Ze representeren drie typen in overeenstemming met hun respectievelijke naturen, ātyantika-adhikā prakharā, ātyantika-adhikā madhyā en ātyantika-adhikā mṛdvī. U hebt ze reeds eerder beschreven. Wilt u door uw grondeloze genade dit onderwerp alstublieft uitvoerig uiteenzetten?

Gosvāmī: Alleen de yūtheśvarī's worden ātyantika-adhikā (oneindig groot) genoemd. De andere groepsleden worden achtereenvolgens geclassificeerd als āpekṣika-adhikā (betrekkelijk groot), āpekṣika-samā (relatief gelijk) en āpekṣika-laghu (betrekkelijk onbelangrijk). Maar er zijn ook drie soorten in ieder van deze drie groepen, dus er zijn in totaal negen typen, (1) āpekṣika-adhikā prakharā, (2) āpekṣika-adhikā madhyā, (3) āpekṣika-adhikā mṛdvī, (4) āpekṣika-samā prakharā, (5) āpekṣika-samā madhyā, (6) āpekṣika-samā mṛdvī, (7) āpekṣika-laghu prakharā, (8) āpekṣika-laghu madhyā, (9) āpekṣika-laghu mṛdvī.

Dan zijn er nog twee typen ātyantika-laghu Ė ātyantika-laghu en samā-laghu Ė die, als je ze bij de andere negen optelt, elf typen vormen. Dus als we de yūtheśvarī erbij tellen, zijn er twaalf typen nayīka's in ieder yūtha.

Vijaya: Prabhu, weest u alstublieft zo genadig door me over de groepen van de meest befaamde sakhī's te vertellen.

Gosvāmī: De sakhī's aangevoerd door Lalitā in Śrī Rādhā's yūtha vallen in de categorie van āpekṣika-adhikā prakharā. De sakhī's aangevoerd door Viśākhā in dezelfde groep vallen in de categorie van āpekṣika-adhikā madhyā en sakhī's, zoals Citrā en Mādhurī, zijn āpekṣika-adhikā mṛdvī. In verhouding tot Śrīmatī Rādhikā zijn de aṣṭa-sakhī's aangevoerd door Śrī Lalitā āpekṣika-laghu (relatief onbelangrijk).

Vijaya: Hoeveel typen āpekṣika-laghu prakharā sakhī's zijn er?

Gosvāmī: Er zijn twee soorten laghu-prakharā sakhī's, de linker vleugel (vāmā) en de rechter vleugel (dakṣiṇā).

Vijaya: Welke zijn de symptomen van vāmā?

Gosvāmī: Ze zijn altijd gretig om eer te ontvangen en ze worden boos, wanneer wordt nagelaten hen respect te betuigen, bovendien worden ze helemaal niet gemakkelijk door hun nāyaka overheersd. Zulke nayīka's worden vāmā genoemd. In Rādhikā's yūtha worden sakhī's, zoals Lalitā, vāmā-prakharā genoemd.

Vijaya: Wilt u alstublieft de symptomen van dakṣiṇā beschrijven?

Gosvāmī: De nayīkā, die geen māna heeft, die eerlijk is en zich frank en vrij uitdrukt en die zich laat onderwerpen door de lieve woordjes van de nāyaka, wordt dakṣiṇā genoemd. In Śrīmatī Rādhikā's yūtha worden sakhī's, zoals Tuṅgavidyā, dakṣiṇā prakharā genoemd.

Vijaya: Wie zijn ātyantika-laghu?

Gosvāmī: Sakhī's, zoals Kusumikā, kunnen ātyantika-laghu worden genoemd, omdat ze in alle opzichten teder zijn en onbeduidend zijn in vergelijking met de andere sakhī's.

Vijaya: Welke zijn de activiteiten van de sakhī's, wanneer ze optreden als koeriers (dūtī's)?

Gosvāmī: Wanneer de sakhī's optreden als dūtī's, is het hun plicht een ontmoeting (abhisāra) te arrangeren, waarbij de nāyaka en nayīkā worden verenigd, die op een afstand van elkaar staan.

Vijaya: Kunnen de sakhī's (vriendinnen) nayīka zijn?

Gosvāmī: De yūtheśvarī's zijn eeuwigdurend nayīka's. De āpekṣika-adhikā prakharā, āpekṣika-adhikā madhyā en āpekṣika-adhikā mṛdvī sakhī's hebben de intrinsieke naturen van zowel de nayīkā als de sakhī. Ze zijn nayīka's in relatie tot degenen, die laghu zijn vergeleken met henzelf en ze zijn sakhī's in relatie tot degenen, die adhika zijn in vergelijking met henzelf, ze kunnen dus 'bijna heldinnen' (nayīkā-prāya) worden genoemd. Āpekṣika-samā prakharā, madhyā en mṛdvī worden als dvi-samā gekend Ė wat betekent, dat ze sakhī's zijn voor degenen, die adhikā zijn en nayīkā voor degenen, die laghu zijn. Degenen in de categorie āpekṣikī laghu, prakharā, madhyā en mṛdvī zijn voornamelijk sakhī's. Ātyantikī laghu gopī's zijn yūtheśvarī's en volgens de berekening van de drie typen sakhī's, die ik hiervoor heb genoemd, zitten ze in de vijfde categorie. Zij zijn nitya-sakhī's. In relatie tot de yūtheśvarī, zijn āpekṣikī sakhī's zowel sakhī's als dūtī's, geen nayīka's. Voor de ātyantikī laghu (nitya-sakhī) is iedereen een nayīkā, geen dūtī.

Vijaya: Wie van de sakhī's zijn dūtī's?

Gosvāmī: Yūtheśvarī's zijn eeuwigdurend nayīka's. Ze handelen niet primair als dūtī's, omdat ze van iedereen respect verdienen. De yūtheśvarī wijst de sakhī, tot wie zij in haar groep het meest is toegenegen, als dūtī aan. Soms voert de yūtheśvarī in een secundaire capaciteit zelf voor haar sakhī de taak van dūtī uit omwille van de intieme liefde (praṇaya), die de sakhī voor haar koestert. Alle activiteiten van een dūtī, behalve het komen en gaan naar verderop gelegen plaatsen, zijn secundair. Ze zijn verdeeld in activiteiten, die worden uitgevoerd binnen Kṛṣṇa's gezichtsveld, en activiteiten, die worden uitgevoerd in Zijn afwezigheid.

Vijaya: Hoeveel soorten boodschappen worden overgebracht in Kṛṣṇa's aanwezigheid?

Gosvāmī: Deze boodschappen bestaan uit twee soorten: boodschappen in de vorm van hinten of signalen (saṅketika) en verbale boodschappen (vācika).

Vijaya: Wat zijn saṅketika?

Gosvāmī: Het sturen van een sakhī naar Kṛṣṇa door middel van een zijdelingse blik, een wenk, een beweging van de wenkbrauwen, of andere gebaren wordt saṅketika communicatie genoemd in de vorm van een hint of een signaal.

Vijaya: Welk soort boodschap wordt vācika genoemd?

Gosvāmī: Vācika boodschappen worden onder elkaar door de sakhī's overgebracht, hetzij binnen het gezichtsveld van Kṛṣṇa, of achter Hem.

Vijaya: Welke boodschappen worden in Kṛṣṇa's afwezigheid (parokṣa) overgebracht?

Gosvāmī: Parokṣa betekent, dat een sakhī door een ander aan Kṛṣṇa wordt aangeboden, of naar Hem wordt toegezonden.

Vijaya: Wat is de communicatie, die de nayīkā-prāya uitvoeren?

Gosvāmī: Als drie typen sakhī's, āpekṣika-adhikā prakharā, madhyā en mṛdvī, de taken van de dūtī uitvoeren voor sakhī's, die in vergelijking met zichzelf laghu zijn, wordt die communicatie de activiteiten van nayīkā-prāya genoemd. Van deze sakhī's onderhouden de samā en madhyā sakhī's een bijzonder liefdevolle en intieme vriendschap, waarin ze geen wederzijdse verschillen van elkaar voelen. Alleen specialisten in prema kunnen dit begrijpen.

Vijaya: Wat doen de sakhī-prāya wanneer ze een boodschap overbrengen?

Gosvāmī: Laghu-prakharā, laghu-madhyā en laghu-mṛdvī voeren voornamelijk de taken van dūtī's uit. Daarom wordt hun communicatie door middel van het overbrengen van boodschappen de activiteit van sakhī-prāya genoemd.

Vijaya: Wat is dan een nitya-sakhī?

Gosvāmī: Nitya-sakhī's willen alleen sakhī's zijn en geen nayīka's. Er zijn twee typen nitya-sakhī's: ātyantikī laghu (minst belangrijk) en āpekṣikī laghu (betrekkelijk onbelangrijk).

Vijaya: Als een sakhī een bepaalde svabhāva heeft, zoals prakharā, is dat dan permanent haar type gedrag?

Gosvāmī: De typering kan de natuurlijke aanleg van de sakhī zijn, maar ze kan naar tijd en omstandigheid ook andere soorten gedragingen vertonen. Lalitā's ijverige pogingen om Rādhikā's māna te verbreken zijn hiervan een voorbeeld.

Vijaya: Het ziet ernaar uit, dat de sakhī's Kṛṣṇa altijd ontmoeten op basis van de zorgvuldige organisatie van Śrīmatī Rādhikā.

Gosvāmī: Hierin schuilt een esoterisch mysterie. Als een sakhī Kṛṣṇa op een afgelegen plek ontmoet op het moment, dat ze als dūtī optreedt, zal ze niet op Zijn voorstellen ingaan, zelfs als Kṛṣṇa haar vurig verzoekt zich met Hem te amuseren. Indien ze daarmee zou instemmen, zou het vertrouwen van haar priyā-sakhī in haar als dūtī verloren gaan.

Vijaya: Welke zijn de activiteiten van de sakhī's?

Gosvāmī: De sakhī's voeren zestien soorten activiteiten uit:

1.        het beschrijven van de deugden van de nayīkā aan de nāyaka en vice versa;

2.        het versterken van Hun wederzijdse aantrekking;

3.        het organiseren van Hun afspraakjes;

4.        hun eigen sakhī naar Kṛṣṇa brengen en haar aan Kṛṣṇa aanbieden;

5.        grapjes maken;

6.        troost bieden;

7.        zich kleden en decoreren;

8.        het deskundig uitdrukken van de hartgrondige gevoelens van de nāyaka bij de nayīkā en vice versa;

9.        het op bedreven wijze verbergen van Hun fouten en blunders;

10.   het geven van adviezen over de manier, waarop echtgenoten en andere verwanten kunnen worden bedrogen;

11.   ervoor zorgen, dat de nāyaka en nayīkā elkaar op het geschikte moment ontmoeten;

12.   het geven van verkoeling met de cāmara;

13.   onder bepaalde omstandigheden de nāyaka en nayīkā terechtwijzen en veronachtzamen;

14.   het sturen van boodschappen;

15.   het beschermen van de prāṇa van de nayīkā;

16.   het uitoefenen van extreme zorg en toewijding in alle aangelegenheden.

 

Er zijn verbluffende voorbeelden van al deze activiteiten.

Vijaya: Prabhu, ik heb de strekking begrepen en ik zal de voorbeelden opzoeken in Śrī Ujjvala-nīlamaṇi. Ik heb er nu een heleboel meer van begrepen en ik wil graag de vastberaden prema leren kennen, die de sakhī's voor Kṛṣṇa koesteren en die ze voor elkaar hebben.

Gosvāmī: Er zijn twee soorten svapakṣa-sakhī's. Degenen, wier genegenheid voor Kṛṣṇa hetzelfde is als de affectie voor hun yūtheśvarī, zijn sama-snehā en degenen, wier affectie voor Kṛṣṇa en hun yūtheśvarī niet evenredig is, zijn asama-snehā.

Vijaya: Wie zijn de sakhī's met asama-snehā?

Gosvāmī: Er zijn twee typen asama-snehā sakhī's. Sommigen koesteren een grotere genegenheid voor hun yūtheśvarī dan voor Kṛṣṇa, terwijl andere sakhī's denken, "Ik ben de dienstmaagd van Hari." Ze mengen zich niet in andere groepen en hebben een volkomen genegenheid voor hun yūtheśvarī, maar voor Kṛṣṇa hebben ze nog grotere genegenheid. De sakhī's daarentegen, die denken. "Ik ben de dienstmaagd van mijn sakhī," en een grotere genegenheid voor hun sakhī hebben dan voor Kṛṣṇa, worden sakhī snehā-adhikā genoemd.

Vijaya: Wie zijn dat?

Gosvāmī: Van de vijf typen sakhī's worden degenen met een grotere affectie voor Kṛṣṇa (kṛṣṇa-snehā-adhikā) eenvoudig sakhī genoemd. De prāṇa-sakhī's en nitya-sakhī's zijn ook sakhī-snehā-adhikā, want ze koesteren een grotere affectie voor hun sakhī.

Vijaya: Wie zijn de sama-snehā sakhī's?

Gosvāmī: Degenen met een evenredige genegenheid voor Kṛṣṇa en hun yūtheśvarī zijn sama-snehā.

Vijaya: Wie zijn de besten van de sakhī's?

Gosvāmī: De besten van allemaal zijn degenen, die zich beschouwen als Śrī Rādhā's beste vriendin (nija-jana), ofschoon ze Śrīmatī Rādhikā en Kṛṣṇa in gelijke mate liefhebben. Zij worden priyā-sakhī's en parama-preṣṭha-sakhī's genoemd.

Vijaya: Prabhu, wilt u alstublieft de secties van svapakṣa en pratipakṣa uitleggen?

Gosvāmī: Alle vraja-sundarī's zijn in vier categorieŽn verdeeld: svapakṣā, suḥrt-pakṣā, taṭasthā en pratipakṣā. De suḥrt-pakṣa en taṭastha zijn incidenteel; het gaat om het onderscheid tussen de svapakṣa en pratipakṣa, dat aanleiding geeft tot rasa.

Vijaya: Wilt u alstublieft de svapakṣā en pratipakṣā in detail beschrijven?

Gosvāmī: Met betrekking tot svapakṣa heb ik bijna alles reeds uitgelegd. Nu ga ik de verschillende groepen uiteenzetten, zoals suḥrt-pakṣā. De suhṛt-pakṣā worden in twee categorieŽn onderverdeeld, namelijk iṣṭa-sādhikā en aniṣṭa-sādhikā (degenen die respectievelijk het wenselijke en onwenselijke bewerkstelligen). Degenen, die zich vriendelijk opstellen naar een rivaliserende groep, worden taṭasthā genoemd.

Vijaya: Vertelt u me nu over vipakṣa, alstublieft.

Gosvāmī: De vipakṣa (rivaliserende groep) zijn degenen, die vijandig gezind zijn en vijandige activiteiten vertonen, zoals het uitschakelen, wat wenselijk is, en bevorderen, wat onwenselijk is. Deze vipakṣa-sakhī's vertonen een hele reeks gevoelens, waaronder bedrog, kwaadaardigheid, onrust, jaloezie, vijandigheid, verdriet en trots.

Vijaya: Hoe vertonen ze hun trots?

Gosvāmī: Trots wordt op zes manieren uitgedrukt: ahaṅkāra (egoÔsme), abhimāna (demonstratief gedrag), darpa (zelfvoldaan gedrag), uddhasita (arrogantie), mada (verbeelding), en auddhatya (verwaandheid).

Vijaya: Wat betekent ahaṅkāra (egoÔsme) in deze context?

Gosvāmī: Ahaṇkara betreft het bekritiseren van een andere groep (pakṣa), waarbij de deugden van de eigen groep worden geprezen.

Vijaya: Wat is hier de strekking van abhimāna?

Gosvāmī: Gebruikmaking van expressieve gevoelens en houdingen om de superieuriteit van de prema in de eigen groep te tonen wordt abhimāna (demonstratief gedrag) genoemd.

Vijaya: Wat is darpa?

Gosvāmī: Darpa (zelfvoldaan gedrag) is de trots, die wijst op de superieuriteit van het eigen plezier in het spel en vermaak.

Vijaya: Wat is uddhasita (arrogantie)?

Gosvāmī: Uddhasita is de rivaliserende groep in haar gezicht uitlachen.

Vijaya: Wat is mada?

Gosvāmī: In dit verband is mada (verbeelding) de trots, die de uitmuntendheid van de sevā enzovoort vergroot.

Vijaya: Wat is auddhatya?

Gosvāmī: Auddhatya (verwaandheid) is het openlijk verklaren van de eigen superieuriteit. Het door de sakhī's dubbelzijdig hekelen en bespotten van anderen zijn voorbeelden van deze soort garva.

Vijaya: Vertonen de yūtheśvarī's ook een rechtstreekse jaloezie?

Gosvāmī: Nee. De yūtheśvarī's zijn heel ernstig en ze manifesteren geen rechtstreekse wrok jegens rivaliserende groepen. Bovendien spreekt zelfs een sakhī, die prakharā is, in aanwezigheid van vipakṣa-yūtheśvarī's niet over triviale zaken.

Vijaya: Prabhu, de yūtheśvarī's in vraja-līlā zijn eeuwig volmaakte śakti's van Bhagavān. Wat is de zin van bhāva's, zoals wederzijds vijandschap? Als wereldse professoren in de logica en empiristen, die gekeerd zijn tegen Kṛṣṇa, dit allemaal horen, zullen ze het transcendentale principe van vraja-līlā minachten en belachelijk maken. Dan zeggen ze, als er kwaadwilligheid enzovoort bestaat in de parama-tattva, waarom verfoeien we dan vijandigheden in de activiteiten van deze materiŽle wereld? Waar slaat het vieren van zulke bezigheden op? We zijn gevestigd in Śrīdhāma Navadvīpa, waar zich door de wil van Śrī Kṛṣṇa Caitanyadeva allerlei materialistische figuren bevinden. Sommigen zijn gedreven volgelingen van karma-kāṇḍa en de meesten van hen zijn zondaren, die schimpen op fouten in Kṛṣṇa's spel. Ze gaan voorbij aan deze unieke, transcendentale līlā en denken, dat het een voortbrengsel is van māyā. Weest u alstublieft genadig en verheldert u deze kwestie, zodat mijn hart standvastig kan zijn op momenten, dat ik met zulke opmerkingen word geconfronteerd.

Gosvāmī: Alleen degenen, die volslagen in gebreke gaan van rasa, zeggen, dat het voor de geliefde bhakta's van Hari ongepast is om aan gevoelens, zoals vijandigheid, uitdrukking te geven. Als we over deze kwestie diep nadenken, zullen we zien, dat Kṛṣṇa zonden teniet doet en tevens miljoenen Kāmadeva's betovert. Zijn priyā-narma-sakhā, śṛṅgāra-rasa zelf, heerst op schitterende wijze en is in Vraja volkomen manifest. Het is alleen deze rasa, die Ė om Kṛṣṇa een plezier te doen Ė jaloezie opwekt en alle andere sentimenten oproept, die zijn gerelateerd aan het egoÔsme van rivaliserende groepen. In werkelijkheid echter is er geen jaloezie tussen de groepen. Hun schijnbaar vijandige attitudes zijn niets anders dan transformaties van genegenheid.

Vijaya: Prabhu, ik ben een onbeduidend schepsel en zulke esoterische onderwerpen verschijnen niet zo gemakkelijk in mijn hart. Ik vraag u alstublieft uw genade over me uit te storten en deze materie zo uitdrukkelijk mogelijk uit te leggen, zodat ik het gemakkelijk kan begrijpen en ik word gezegend.

Gosvāmī: Prema-rasa lijkt op een oceaan van melk, die onsmakelijk wordt, als de koeienurine van logica en rede erin terecht komt. Het is niet gepast om filosofische overwegingen van tattva in de context van prema-rasa toe te passen. Enerzijds schenkt Bhakti-devī de verlichting van cit en hlādinī in het hart van sādhakaís, die een grote hoeveelheid sukṛti hebben verzameld, zodat ze de essentie van alle siddhānta zonder de hulp van welke logica dan ook kunnen realiseren. Anderzijds ontwaken deze onbevattelijke conclusies niet in het hart van degenen, die siddhānta trachten te doorgronden door middel van wereldse logica, rede en academische scholing. De toepassing van valse en misleidende logica (kutarka) geeft alleen maar aanleiding tot nog meer kutarka. Maar jij bent een uitermate voorspoedige jīva. Door de genade van Bhakti-devī heb je reeds alles begrepen, maar toch informeer je bij mij om je begrip van siddhānta te versterken. Ik ga je beslist over deze principes inlichten. Je bent geen geleerde in de logica, noch een aanhanger van karma-kāṇḍa of jŮāna-kāṇḍa en je bent ook niet overdreven toegewijd aan vaidhī-bhakti, of zelfregulering met behulp van regels en voorschriften. Er is geen bezwaar tegen, dat ik je over welke siddhānta dan ook vertel.

Er zijn twee soorten nieuwsgierige lieden. De ene informeert pas nadat hij zijn toevlucht heeft genomen tot de gortdroge logica, terwijl de andere, die vertrouwen heeft in het bestaan van bhakti, reeds is voldaan bij het horen van haar svataḥ-siddha (vanzelfsprekende) idealen. Je moet nooit reageren op vragen van droge rationalisten, want zij hebben nimmer vertrouwen in de authentieke explicaties van de waarheid. Hun macht van de rede beperkt zich tot het gebied van māyā, dus ze zijn verlamd, wanneer de kennis handelt over de acintya-bhāva's. Hun intelligentie is zelfs niet in staat een begin te maken met acintya onderwerpen ongeacht in welke mate ze hun verstand aansporen. Uiteindelijk vaagt mentale speculatie ieder zwak spoor van de overtuiging, die ze van Īśvara hadden, weg. Degenen, die aan de zijde staan van bhakti-pakṣa (het devotionele gezichtspunt), zijn verdeeld in vele soorten toegewijden in overeenstemming met hun bekwaamheid. Zelfs van degenen, die een sad-guru hebben gekregen, kunnen alleen degenen, die de adhikāra voor śṛṅgāra-rasa hebben bereikt, deze vertrouwelijke tattva bevatten.

Vijaya! Wat een ongekende rasa is deze vraja-līlā ! Hij lijkt op hetzelfde principe te berusten als de wereldse śṛṅgāra-rasa, maar hij is er in werkelijkheid volkomen aan tegengesteld. In de rāsa-paŮcādhyāyī (Śrīmad-Bhāgavatam 10.33.40) wordt gezegd, dat het ongemak in het hart wordt weggevaagd bij degenen, die deze līlā bestuderen. Wat is die ziekte in het hart van de geconditioneerde ziel? MateriŽle wellust. Deze wellust treedt van nature op in degenen, die zich identificeren met een mannelijk of vrouwelijk lichaam, dat uit zeven dhātu's bestaat, zoals vlees en bloed, en die in het subtiele lichaam hun toevlucht zoeken door een identiteit te accepteren, die bestaat uit verlangens, welke behoren tot het verstand, de intelligentie en het vals ego. Er is niets, dat over de macht beschikt om deze wellust met gemak te verwijderen; deze kan alleen worden verjaagd door de onafgebroken cultivering van pogingen en stemmingen in de zoektocht naar vraja-līlā. In deze siddhānta kun je de miraculeuze stijl van de śṛṅgāra-rasa van vṛndāvana-līlā ontwaren. Je zal ook realiseren, dat, hoewel nirviśeṣa-brahma door zelfgenoegzaamheid (ātmārāma) wordt gekenmerkt, de aprākṛta-śṛṅgāra-rasa deze heel onbeduidend acht en ver van zich afwerpt, waarbij de rasa voor altijd op schitterende wijze blijft regeren. Bovendien gaat deze śṛṅgāra-rasa uiterlijk gepaard met een esthetiek, die volkomen en op volmaakte wijze de waarde overvleugelt van de overvloed van de transcendentale wereld van Vaikuṇṭha in het spirituele universum.

De glorie van śṛṅgāra-rasa is ongeŽvenaard. Er is sāndrānanda (hoog geconcentreerde vreugde) in deze rasa, maar er wordt geen droog plezier (śuṣkānanda), geen geluk, zelfs geen beperkt geluk (saṅkucitānanda) aan de dode materie (jaḍānanda) ontleend. Śṛṅgāra-rasa is de belichaming van volkomen ānanda en teneinde de volmaaktheid van rasa in deze pūrṇānanda te bereiken worden in veel gevallen de ontelbaar vele variŽteiten van bhāva door wederzijds tegengestelde bhāva's getroffen. In sommige omstandigheden zijn deze oppositionele bhāva's vriendelijk en in andere omstandigheden bestaan ze uit emoties, zoals vijandigheid. De bhāva's van de aprākṛta-rasa zijn echter niet basaal en vol gebreken, zoals de aardse emotie van vijandigheid. Ze zijn eenvoudig varianten op de fascinerende transformaties van paramānanda. Ze bruisen als vloedgolven omhoog, die de oceaan van rasa stimuleren.

De conclusie van Śrī Rūpa Gosvāmī is, dat bhāva beschikt over een wonderbaarlijke gevarieerdheid. De verscheidene bhāva's, die met elkaar volkomen overeenstemmen, staan in relatie tot svapakṣa. Bhāva's, die voor het grootste deel verenigbaar zijn en in geringe mate onverenigbaar, staan in relatie tot suhṛt-pakṣa. Als de onverenigbare bhāva's overheersen en er zijn zeer weinig verenigbare bhāva's, worden die bhāva's taṭastha genoemd en als alle bhāva's volslagen onverenigbaar zijn, staan die groepen bhāva's in relatie tot vipakṣa. Een ander punt is, dat onverenigbare bhāva's niet plezierig zijn, waardoor ze in deze paramānanda-rasa aanleiding geven tot vijandigheid en dergelijke sentimenten.

Vijaya: Waarom zijn pakṣa en vipakṣa bhāva's zo noodzakelijk?

Gosvāmī: Als de bhāva's van twee nayīka's met elkaar overeenkomen, ontstaat de bhāva van rivaliteit en het gevolg is, dat de gevoelens van vriendschap en vijandschap zich gaan uitdrukken als transformaties van rasa. Je moet begrijpen, dat dit ook alleen plaatsvindt teneinde de allerhoogste lieflijkheid van de akhaṇḍa-śṛṅgāra-rasa te verrijken.

Vijaya: Zijn de twee śakti's, Śrīmatī Rādhā en Candrāvalī, in het perspectief van tattva gelijk?

Gosvāmī: Nee, nee. Alleen Śrīmatī Rādhikā, die uit louter mahābhāva is samengesteld, is de essentie van hlādinī. Candrāvalī is Haar kāya-vyūha (lichamelijke expansie) en is oneindig veel minder gekwalificeerd dan Śrīmatī Rādhikā. Niettemin heeft Candrāvalī in śṛṅgāra-rasa een gevoel van gelijkheid met Rādhā, zodat er rivaliteit ontstaat, die de prema-rasa voedt. Neem het volgende nog eens in ogenschouw. De bhāva's van deze twee yūtheśvarī's kunnen niet volkomen overeenstemmen. Als dat op de een of andere manier toch het geval lijkt te zijn, is dat eenvoudig een samenloop van omstandigheden, zoals een boekenworm een vormpje uit de pagina van een boek eet, dat toevallig lijkt op een letter uit het alfabet. Het is in feite zo, dat de svapakṣa en vipakṣa bhāva's van rasa langs natuurlijke weg hun koers zoeken.

Vijaya: Prabhu, u hebt al mijn kleine twijfels, die ik had, opgelost. Uw zoete instructies zijn via het pad van mijn oren mijn hart binnengegaan en hebben al mijn bitterheid weggenomen. Ik heb ālambana (het object en de plaats van rasa) in relatie tot de vibhāva van madhurya-rasa volledig begrepen. Sac-cid-ānanda Kṛṣṇa is de enige nāyaka en ik mediteer op Zijn kwaliteiten, vorm en activiteiten. Hij heeft de temperamenten van dhīrodātta, dhīra-lalita, dhīra-śānta en dhīroddhata en Hij voert eeuwigdurend Zijn līlā als nāyaka uit in de rollen van pati en upapati. Als minnaar is Hij anukūla (trouw), dakṣiṇa (oprecht), śaṭha (bedriegelijk) en dhṛṣṭa (roekeloos en brutaal). Hij wordt altijd gediend door vrienden, die Zijn ontmoetingen organiseren (ceṭaka), Hem kleden (viṭa) en grappen maken (vidūṣaka); en door Zijn masseurs (pīṭha-marddaka) en Zijn meest intieme vrienden (priyā-narma-sakhā's). Hij is verzot op het spelen op de vaṁśī. Vandaag is Kṛṣṇa in mijn hart verschenen als de viṣaya van rasa.

Tegelijkertijd heb ik begrepen, hoe de beeldschone, jonge vrouwen van Vraja de āśraya van madhura-rasa zijn. Deze gopī's zijn nayīka's. Nayīka's worden in twee typen verdeeld: svakīya en parakīya. In Vraja zijn de parakīya-nayīka's de āśraya van śṛṅgāra-rasa en ze bestaan uit drie typen: sādhana-parā, devī en nitya-priyā. De aantrekkelijke meisjes van Vraja verdelen zich in groepen, waarin ze Kṛṣṇa dienen, en miljoenen beminnelijke vraja-gopī's zijn ondergeschikt aan ťťn van de vele yūtheśvarī's. Van alle yūtheśvarī's zijn Śrī Rādhā en Śrī Candrāvalī de prominenten. In de yūtha van Śrī Rādhā zitten vijf typen sakhī's, namelijk sakhī, nitya-sakhī, prāṇa-sakhī, priyā-sakhī en parama-śreṣṭha-sakhī. Hoewel de parama-śreṣṭha-sakhī's, die ook wel aṣṭa-sakhī's worden genoemd, gekwalificeerd zijn om als yūtheśvarī's op te treden, vormen ze geen afzonderlijke yūtha's, omdat ze liever de aanhangers van Śrī Rādhā blijven. De sakhī's, die onder hun leiding staan, worden gezamenlijk gaṇa genoemd, zoals Lalitā gaṇa, Viśākhā gaṇa, enzovoort. ††

Nayīka's worden in drie typen verdeeld Ė mugdhā, madhyā en pragalbhā Ė waarvan de madhyā en pragalbhā ieder worden onderverdeeld in drie categorieŽn: dhīrā, adhīrā en dhīrādhīrā. Deze zes categorieŽn plus mugdhā vormen zeven categorieŽn in totaal, die in twee secties worden verdeeld Ė svakīya en parakīya Ė waardoor er veertien typen in totaal zijn. De categorie van ongehuwde nayīka's (kanyā) wordt aan deze veertien toegevoegd, zodat er in totaal vijftien categorieŽn nayīkā zijn. Deze vijftien typen nayīka ervaren acht avasthā (condities of situaties) te beginnen met abhisārikā, enzovoort. Al deze categorieŽn worden wederom verdeeld in uttamā, madhyamā en kaniṣṭha, waardoor het totaal (15 x 8 x 3 =) 360 typen nayīka bedraagt.

De onderscheiden soorten gedrag (vyavahāra) van de yūtheśvarī's, zoals suhṛt en hun bedoelingen (tātparya), zijn in mijn hart ontwaakt. Ik heb ook de plichten van de sakhī's en de koeriers (dūtī's) begrepen. Nu ik al deze onderwerpen heb geleerd, heb ik een begrip van de āśraya-tattva van rasa gekregen en door deze te combineren met de details van de viṣaya-tattva van rasa heb ik ook de ālambana-tattva begrepen, die behoort tot het onderwerp vibhāva. En morgen ga ik uddīpana leren! Kṛṣṇa is oneindig goed voor me geweest door me de associatie van een sad-guru, zoals u, te geven. Ik voed me door de vloeibare nectar uit uw lotusmond te drinken.

Śrī Gopāla Guru Gosvāmī omhelsde Vijaya en zei, "Mijn beste zoon, ik ben ook succesvol geworden door een leerling, zoals jij, te krijgen. Naarmate je meer vragen stelt, geeft Śrī Nityānanda Prabhu door mijn mond persoonlijk antwoord." De tranen van prema vloeiden uit de ogen van guru en śisya. Toen de mahātmā's, zoals Śrī Dhyānacandra, het onmetelijke geluk van Vijaya zagen, raakten ze verzonken in paramānanda. Juist op dat moment arriveerden bij de Rādhā-Kānta Maṭha enkele śuddhā-vaiṣṇavaís, die een paar ślokaís gecomponeerd door Caṇḍīdāsa begonnen te zingen,

sai (sakhī), kebā sunāila śyāma-nāma (refrein)

kānera bhītāra diyā, marame paśila go,
ākula karila mora prāṇa

Oh, Mijn lieve Sakhī, wie is die persoon, die Me voor het eerst deze naam "Śyāma" liet horen? Wanneer deze naam Mijn hart via Mijn oren binnentreedt, raak Ik overweldigd door ongeduld.

na jāni kateka madhu, śyāma-nāme āche go,
vadana chāḍite nāhi pāre

Ik weet niet hoeveel zoetheid deze naam bevat; hij is zo lieflijk, dat Mijn tong hem geen moment alleen laat.

japite japite nāma, avaśa karila go
kemone pāibo sai, tāre

Naarmate Ik doorga deze naam te herhalen, raak Ik volkomen geabsorbeerd. Oh, Sakhī, hoe zal Ik ooit in staat zijn Hem te ontmoeten?

nāma-paratape jāra, aichana karila go
aṅgera paraśe kibā haya

Als alleen de naam van die persoon de kracht heeft Me in een dergelijke conditie te storten, kan Ik Me zelfs niet voorstellen, wat Mijn conditie zal zijn, als Ik Zijn lichaam zou aanraken.

yekhāne vasati tāra, sekhāne thākhiya go,
yuvatī dharama kaiche raya

Waar Hij Zich ook ophoudt, hoe kunnen de jonge vrouwen hun religieuze principes in stand houden?

pāśarite kari mane, pāśarā na jāya go,
ki karibe ki habe upāya

In Mijn hart probeer Ik Hem te vergeten, maar het lukt niet. Nu weet Ik niet meer, wat de remedie is, wat Ik moet doen.

kahe dvija-caṇḍīdāsa, kulavatī kula-nāśe
apanāra yauvana jācāya

Dvija Caṇḍīdāsa zegt, "Die Śyāmānanda heeft de dynastie der kuise dames verwoest door Zijn jeugdige schoonheid te tonen."

Ze gingen anderhalf uur met deze kīrtana door onder begeleiding van mṛdaṅga en karatāla's en iedereen raakte verzonken in prema. Toen ze enigszins uit hun absorptie terugkwamen, gaf Vijaya Kumāra zijn eerbetuigingen aan de Vaiṣṇavaís volgens ieders standaard en gaf daarna zijn sāṣṭāṅga-praṇāma aan Śrī Guru Gosvāmī. Daarna vertrok hij naar zijn residentie in Haracaṇḍī Sāhī.

 

Aldus eindigt het Vierendertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Madhura-rasa: verschillende categorieŽn Sakhīs"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 33 Ė "Madhura-Rasa: Sri Radha's Svarupa, vijf typen Sakhis & Koeriers"

Volgende: Hoofdstuk 35 Ė "Madhura-Rasa: Uddipana"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl