Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 33

Madhura-Rasa: Sri Radha's Svarupa, vijf typen Sakhis & Koeriers


Op een dag namen Vijaya Kumāra en Vrajanātha een bad in Indradyumna Sarovara en voordat ze naar hun verblijfplaats terugkeerden, gingen ze samen prasāda eren. Vrajanātha ging daarna darśana nemen van de samādhi van Śrī Haridāsa Ṭhākura, terwijl Vijaya Kumāra zich vervoegde aan de lotusvoeten van zijn Gurudeva in de Śrī Rādhā-Kānta Maṭha. Toen hij voelde, dat dit een geschikt moment was, legde hij enkele vragen over Śrīmatī Rādhikā voor, "Prabhu, Śrī Vṛṣabhānu-nandinī is alles voor ons en Ze is onze enige levensadem. Ik kan mijn gevoel niet tot uitdrukking brengen. Ik weet niet, waarom mijn hart smelt, wanneer ik alleen maar de naam van Śrī Rādhikā hoor. Hoewel Śrī Kṛṣṇa onze enige toevlucht is, wil ik alleen de speelse avonturen proeven, die Hij met Śrī Rādhikā beleeft. Mijn geest wil geen kṛṣṇa-kathā horen, welke geen melding maakt van de naam van Śrīmatī Rādhikā, of Haar spel niet bespreekt. Wat kan ik nog meer zeggen? Ik ben op dit moment helemaal niet blij mezelf als Vijaya Kumāra Bhaṭṭacārya voor te stellen. Maar ik ben in de wolken, als ik mezelf Śrī Rādhikā's pālya-dāsī mag noemen. Wat ook opvalt is, dat ik geen zin heb om over vraja-līlā-kathā te spreken met degenen, die kṛṣṇa-bahirmukha (onwillig Kṛṣṇa te dienen) zijn. Ik wil opstaan en uit het gezelschap weglopen, waar degenen, die niet rasika zijn, de glorie van Śrī Rādhā-Kṛṣṇa beschrijven."


Gosvāmī: Je bent fortuinlijk! Zolang je niet volkomen bent overtuigd een vraja-ramaṇī te zijn, ben je niet gekwalificeerd om de beschrijvingen over Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa's līlā-vilāsa binnen te treden. Om niet te spreken over degenen in een mannelijke vorm, want zelfs een devī is niet eens geschikt voor Rādhā-Kṛṣṇa kathā.

Ik heb Kṛṣṇa's geliefde gezellinnen reeds met jou besproken. Rādhā en Candrāvalī zijn de belangrijksten onder hen en beiden beschikken over miljoenen yūtha's met andere, adolescente gopī's. Op het moment van de mahā-rāsa namen honderden miljoenen lieftallige, jonge gopī's deel aan de rāsa-maṇḍala om zijn schoonheid te vergroten.

Vijaya: Prabhu, laat Candrāvalī haar miljoenen yūtha's hebben, maar toont u mij alstublieft uw genade en vertelt u me over de glorie van Śrīmatī Rādhikā, opdat mijn besmette oren worden gezuiverd en met rasa worden gevuld. Ik heb mijn toevlucht volkomen bij u genomen.

Gosvāmī: Ahā Vijaya, van Rādhā en Candrāvalī is Śrī Rādhājī mahābhāva-svarūpa (de volkomen belichaming van de allerhoogste liefde) en daarom overtreft Ze Candrāvalī in alle kwaliteiten en alle aangelegenheden. Kijk, in de Tāpanī śruti wordt Ze Gāndharvā genoemd. In de Ṛk-pariśiṣṭa (aanvulling op de Ṛg Veda) staat een beschrijving van de immense schittering van Mādhava, als Hij Zich ophoudt met Rādhā. In de Padma Purāṇa heeft Nāradajī ook gezegd, "Zoals Śrīmatī Rādhikā de grootste geliefde is van Kṛṣṇa, zo wordt ook Haar kuṇḍa door Kṛṣṇa evenzeer geliefd." Wat is deze rādhā-tattva een ongekende en verbluffende tattva ! Van alle verschillende śakti's van Bhagavān wordt de allergrootste śakti, de mahā-śakti, 'hlādinī' genoemd. Rādhikā is mahābhava-svarūpa, de belichaming van de geconcentreerde essentie van die hlādinī.

Vijaya: Wat een buitengewone tattva ! Wilt u nu alstublieft Śrī Rādhā's svarūpa beschrijven?

Gosvāmī: Śrīmatī Rādhā is in alle opzichten de mooiste van alle geliefde gezellinnen (suṣṭhu-kāntā-svarūpa) van Śrī Kṛṣṇa en Ze is met zestien śṛṅgāra (decoraties) en twaalf ābharaṇa (ornamenten) getooid.

Vijaya: Wat betekent suṣṭhu-kāntā-svarūpa?

Gosvāmī: Śrī Rādhā's svarūpa is zo prachtig, dat Ze geen decoratieve versierselen nodig heeft. Haar ongeëvenaarde lieftalligheid wordt nog vergroot door Haar haar, een massa elegante krullen, door Haar lotusgezichtje, door Haar grote, rusteloze ogen en door Haar prachtige borsten. De uitzonderlijke schoonheid van Haar svarūpa neemt nog eens vele malen toe door Haar slanke taille, door Haar beide fijne schouders, die ietsje naar beneden staan, en door Haar handjes als lotusknoppen, die nog worden verfraaid door de juwelen van Haar nagels. In alle drie werelden bestaat er geen schoonheid, die evenredig is aan die van Haar.

Vijaya: Welke zijn de zestien śṛṅgāra's ?

Gosvāmī: Haar zestien śṛṅgāra's zijn Haar bad, de glinstering van het juweel, dat Haar neusvleugel siert, Haar blauwe robes, de ceintuur om Haar middel, Haar vlecht, Haar oorbellen, de sandalhoutpasta op Haar ledematen, de schikking van de bloemen in Haar haar, Haar bloemenkrans, de līlā-kamala (lotus om mee te spelen) in Haar hand, de tāmbūla in Haar mond, de stip kasturī op Haar kin, de kājala rond Haar ogen, de tekeningen van mṛgamada (muskus) op Haar roze wangen, de rode lac op Haar voeten en de tilaka op Haar voorhoofd. Śrīmatī Rādhikā wordt altijd door deze vormen van decoraties getooid.

Vijaya: Welke zijn de twaalf ābharaṇa's?

Gosvāmī: De twaalf ābharaṇa's, die de ledematen van Śrī Rādhā decoreren, zijn de buitengewoon schitterende juwelendiadeem op Haar hoofd, Haar gouden oorbellen, de gouden gordel op Haar heupen, de gouden halsketting, de vallī en gouden śalākā boven Haar oren, de armbanden om Haar polsen, de ornamenten om Haar hals, de ringen aan Haar vingers, Haar parelsnoer, de banden op Haar bovenarmen, de met juwelen ingelegde enkelbellen aan Haar voeten en de ringen aan Haar tenen.

Vijaya: Richt u alstublieft uw mededogen op mij door de belangrijkste kwaliteiten van Śrī Rādhā te beschrijven.

Gosvāmī: Evenals Śrī Kṛṣṇa heeft ook Śrīmatī Rādhā ontelbaar veel kwaliteiten, waarvan er vijfentwintig de belangrijkste zijn.

1.         Ze is lieftallig (madhura), dat betekent, dat Ze een onvergelijkbaar mooie verschijning is.

2.         Ze is altijd nieuw en jeugdig.

3.         Haar ogen zijn rusteloos en hebben de neiging zijdelingse blikken te werpen.

4.         Ze heeft een stralende, vriendelijke en zoete glimlach.

5.         Ze heeft prachtige lijnen, die op alle heil wijzen.

6.         Ze maakt Kṛṣṇa gek met de geur van Haar lichaam en ledematen.

7.         Ze is een expert op het gebied van de muzikale kunsten.

8.         Ze spreekt beminnelijk.

9.         Ze is een expert in het maken van grapjes.

10.    Ze is zeer beleefd en bescheiden.

11.    Ze is genadevol.

12.    Ze is listig.

13.    Ze is een expert op het gebied van alle plichten.

14.    Ze is verlegen.

15.    Ze is altijd standvastig op het pad van het juiste gedrag.

16.    Ze is geduldig.

17.    Ze is ernstig, zodat het erg moeilijk is om te weten, wat er in Haar hoofd omgaat.

18.    Ze is dol op het plezier van het spel en vermaak.

19.    Ze begeert hevig het manifesteren van de allerhoogste uitmuntendheid van mahābhāva.

20.    Zodra de inwoners van Gokula Haar zien, loopt onmiddellijk hun hart over van prema.

21.    Haar faam doordringt het hele universum.

22.    Ze is voor Haar authoriteiten (guru-jana) het object van genegenheid.

23.    Ze wordt beheersd door de intensieve liefde (praṇaya) van Haar sakhī's.

24.    Ze is de belangrijkste van Kṛṣṇa's sakhī's.

25.    Keśava blijft altijd onderworpen aan Haar orders.

 

Vijaya: Ik wil graag in detail weten, welke de elegante lijnen zijn, die op Haar immens grote geluk wijzen.

Gosvāmī: Volgens de Varāha-saṁhitā, Jyotiṣa-śāstra, Kāśī-khaṇḍa en de purāṇa's, zoals de Matsya Purāṇa en de Garuḍa Purāṇa zijn dit de heilzame tekens op Haar linker voet, (1) er staat een gerstekorrel aan de basis van Haar grote teen, (2) daaronder staat een cakra, (3) onder de middelste teen staat een lotusbloem, (4) onder de lotus staat een vaandel, en (5) een vlag, (6) er slingert een lijn vanaf het midden van haar voetzool naar de rechter zijde van de middelste teen, (7) onder Haar kleine teen staat een olifantendrijfstok.

Op Haar rechter voet staan de volgende tekens, (1) aan de basis van Haar grote teen staat een schelphoorn, (2) op Haar hiel staat een vis, (3) onder Haar kleine teen staat een altaar, (4) boven de vis staat een triomfwagen, (5) een berg, (6) een oorring, (7) een knots, en (8) het teken van een śakti.

Op Haar linker hand staan (1) een levenslijn, die wijst op een lang leven, van het punt waar de wijsvinger en de middelvinger samenkomen tot onder de pink, (2) een andere lijn, die begint onder de levenslijn en naar het punt loopt, waar de wijsvinger en de duim samenkomen, (3) een gekromde lijn onder de duim vanaf de pols naar de ruimte tussen de duim en de wijsvinger en die uitkomt op de middenlijn, (4-8) op de punt van Haar duim en op al Haar vingers staat een cakra. De drie lijnen en de vijf cakra's zijn bij elkaar acht tekens. (9) Onder de ringvinger staat een olifant, (10) onder de levenslijn staat een paard, (11) onder de middenlijn staat en stier, (12) onder de pink staat een oliantendrijfstok, (13) een waaier, (14) een śrī-boom, (15) een overwinningszuil, (16) een pijl, (17) een speer, en (18) een krans.

Op de rechter hand staan, evenals op de linker hand, drie lijnen te beginnen met de levenslijn. Bovendien staat er een schelphoorn op de punt van Haar duim en op al Haar vingers. Deze vormen samen acht tekens. (9) Onder de wijsvinger staat een camara, (10) onder de pink staat een olifantendrijfstok, (11) een paleis, (12) een dundubhi-trommel, (13) een bliksemstraal, (14) twee ossenwagens, (15) de boog van een boogschutter, (16) een zwaard, en (17) een waterkruik.

Aangezien er zeven tekens staan onder de linker voet, acht onder de rechter, achttien op de linker hand en zeventien op de rechter, heeft Ze bij elkaar vijftig heilzame tekens, die wijzen op de allergrootste voorspoed.

Vijaya: Zijn deze symptomen niet in anderen mogelijk?

Gosvāmī: Deze kwaliteiten zijn in de jīva’s in zeer geringe mate aanwezig en in iets grotere mate in de devī's, maar ze zijn allemaal ten volle manifest in Śrī Rādhikā. Alle kwaliteiten van Śrī Rādhikā zijn aprākṛta (transcendentaal), want deze kwaliteiten zijn bij niemand in de gewone wereld in een zuivere en volkomen mate aanwezig, zelfs niet in godinnen, zoals Gaurī.

Vijaya: Ahā ! Śrīmatī Rādhikā's deugden zijn onbevattelijk. Je kunt ze alleen door Haar genade realiseren.

Gosvāmī: Hoe moet ik Haar voortreffelijkheid uitdrukken? Wat kun je vergelijken met de schoonheid en kwaliteiten, die zelfs Kṛṣṇa voortdurend in de war brengen?

Vijaya: Prabhu, wilt u alstublieft Śrīmatī Rādhikā's sakhī's beschrijven?

Gosvāmī: Śrīmatī Rādhikā's yūtha is de beste van allemaal. Iedere jonge gopī in die groep is getooid met alle transcendentale deugden. Ze trekken zelfs Kṛṣṇa aan met hun kwaliteiten, hun steelse blikken en hun gebaren.

Vijaya: Hoeveel typen sakhī's heeft Śrīmatī Rādhārāṇī?

Gosvāmī: Er zijn vijf typen, (1) sakhī, (2) nitya-sakhī, (3) prāṇa-sakhī, (4) priyā-sakhī, (5) parama-preṣṭha-sakhī.

Vijaya: Wie zijn de sakhī's?

Gosvāmī: De sakhī's zijn Kusumikā, Vṛndā en Dhaniṣṭhā.

Vijaya: Wie zijn de nitya-sakhī's?

Gosvāmī: Kastūrī, Maṇi-mañjarī en anderen zijn nitya-sakhī's.

Vijaya: Wie zijn de prāṇa-sakhī's?

Gosvāmī: De prāṇa-sakhī's zijn Śāśimukhī, Vāsantī en Lāsikā. Zij hebben vormen en kwaliteiten gekregen, die gelijk zijn aan die van Vṛndāvaneśvarī, Śrīmatī Rādhikā.

Vijaya: Wie zijn de priyā-sakhī's?

Gosvāmī: Kurāṅgākṣī, Sumadhyā, Madanālasā, Kamalā, Mādhurī, Mañjukeśī, Kandarpa-sundarī, Mādhavī, Mālatī, Kāma-latā, Śaśikalā en vele anderen zijn priyā-sakhī's.

Vijaya: Wie zijn de parama-preṣṭha-sakhī's?

Gosvāmī: Lalitā, Viśākhā, Citrā, Campaka-latā, Tuṅga-vidyā, Indu-lekhā, Raṅgadevī, Sudevī – deze acht zijn pradhānā en parama-preṣṭha-sakhī's. Hun prema voor Rādhā-Kṛṣṇa is tot het hoogste niveau ontwikkeld. Ze plezieren Rādhā en Kṛṣṇa door soms meer liefde te tonen voor Kṛṣṇa en soms meer voor Rādhā.

Vijaya: Ik heb de betekenis van yūtha begrepen. Vertelt u me nu alstublieft over gaṇa.

Gosvāmī: In iedere yūtha zijn diverse onderverdelingen, die gaṇa worden genoemd. In de yūtha van Śrīmatī Rādhikā worden de sakhī's, die Lalitā volgen, Lalitā gaṇa genoemd.

Vijaya: De paroḍhā-bhāva (overspelige liefde) van de gopī's van Vraja is een zeer belangrijke karakteristiek. Maar onder welke omstandigheden wijst paroḍhā-bhāva niet op een wenselijke hoedanigheid?

Gosvāmī: In deze aardse omgeving zijn vrouwelijkheid en mannelijkheid slechts aanduidingen. Ze zijn het resultaat van karma (activiteiten) onder invloed van illusie, waardoor de ene mens als een vrouw wordt geboren en een ander als een man. Mensen in māyā houden er nogal wat triviale en adharmika verlangens op na, dus de ṛṣi's hebben de man verboden met vrouwen te associëren behalve met degene, die hij volgens de voorschriften van śāstra heeft gehuwd. Dichters en schrijvers uit de wereldse alaṅkāra hebben ook de overspelige liefde afgewezen om anderen duidelijk te maken, dat deze instructie van de ṛṣi's met dharma overeenkomt. De rasa van het transcendentale spel en vermaak daarentegen is nitya-rasa, terwijl de śṛṅgāra-rasa van mannen en vrouwen, die producten zijn van de materiële energie, louter een geperverteerde weerschijn van de oorspronkelijke rasa is. Het aardse vertoon van śṛṅgāra-rasa is uitermate beperkt en onderhevig aan regulerende principes, hetgeen de reden is, dat de paroḍhā-bhāva van de onbeduidende, wereldse nayīka's wordt afgewezen. Śrī Kṛṣṇa echter is sac-cid-ānanda, dus als Hij de enige puruṣa of nāyaka is, staat geen enkele ontmoeting, die met een minnares plaatsvindt om de rasa te voeden, bloot aan kritiek. In deze tattva is geen plaats voor het conventionele huwelijk, dat een uitermate onbeduidende, illusoire aangelegenheid is. De kritiek op overspelige minnaars en minaressen is in de wereldse literatuur op zijn plaats, maar deze kan niet worden toegepast op de jonge dienstmaagden van Gokula op het moment, dat Goloka-bihārī zowel Zijn allerhoogste parakīya-rasa als Goloka in deze wereld manifesteert.

Vijaya: Kunt u me alstublieft vertellen, welke de excellente eigenschappen zijn, die door de jonge gopī's van Gokula onder invloed van hun kṛṣṇa-prema worden vertoond?

Gosvāmī: De jonge koeherderinnen van Gokula aanvaarden Kṛṣṇa alleen als Nanda Mahārāja's zoon, omdat Hij als zodanig verschijnt, en als niets meer. De bhāva's en eigenschappen, die uit deze overtuiging voortkomen, zijn geen onderwerpen voor abhakta's (niet-toegewijden), die zijn verslaafd aan logica, en ze worden maar zelden begrepen door bhakta's zelf. Śrī Nandanandana gaat niet in gebreke van aiśvarya-bhāva, maar deze blijft praktisch geheel verborgen, omdat mādhurya altijd op de voorgrond treedt. Bijvoorbeeld, toen de gopī's waren aangedaan door gevoelens van afgescheidenheid van Kṛṣṇa, haalde Hij een grapje met hen uit door Zijn tweearmige vorm voor hen te verbergen en zijn vierarmige vorm te laten zien, maar ze gaven Hem geen aandacht. Toen Hij Zich zo bij Śrī Rādhikāji vertoonde, verdween de vierarmige vorm en werd Zijn tweearmige vorm weer zichtbaar. Dit is het gevolg van de uiterst vertrouwelijke parakīya-bhāva van Śrī Rādhā.

Vijaya: Ik ben zo gelukkig door dit te horen. Prabhu, wilt u nu de verschillende typen nayīkā beschrijven?

Gosvāmī: Er zijn drie soorten nayīka's, namelijk svakīya, parakīya en sāmānyā. Ik heb je eerder de transcendentale rasa van de svakīya en parakīya-nayīka's beschreven en nu ga ik je iets uitleggen over de sāmānyā-nayīkā. Paṇḍita's van de wereldse alaṅkāra (retoriek, redekunst) hebben ons verzekerd, dat sāmānyā-nayīka's prostituee's zijn. Ze zijn eenvoudig vrekkig. Ze haten de nāyaka, die goede kwaliteiten heeft, niet, maar ze houden ook niet echt van de deugdzame nāyaka. Ze houden alleen van geld. Het gevolg is, dat hun śṛṅgāra-rasa in feite geen śṛṅgāra-rasa is, maar slechts schijn. Niettemin wordt de dienstmaagd, Kubjā van Mathurā, als een sāmānyā-nayīkā in de categorie van parakīya geplaatst vanwege enkele kwalificaties in haar bhāva, zelfs hoewel haar relatie met Kṛṣṇa in gebreke gaat van śṛṅgāra-rasa.

Vijaya: Wat is haar kwalificatie in bhāva?

Gosvāmī: Kubjā had, zolang ze was gedeformeerd, voor geen mens ooit rati, maar toen ze Kṛṣṇa's schoonheid zag, kreeg ze in haar hart het verlangen om met het gevoel van een geliefde Kṛṣṇa's ledematen met sandalpasta te beschilderen. Om deze reden kan ze parakīya worden genoemd. Maar haar rati is inferieur aan die van de mahiṣī's, want in tegenstelling tot de koninginnen van Dvārakā toonde ze weinig animo om Kṛṣṇa gelukkig te maken. Ze trok aan Kṛṣṇa's kleren en smeekte Hem vurig met haar plezier te maken, maar vanwege haar eigenbelang, of omdat het verlangen naar haar eigen plezier was vermengd met de bhāva van een geliefde, wordt haar rati als sādhāraṇī (ordinair) beschouwd.

Vijaya: In cid-rasa bestaat een onderscheid tussen svakīya en parakīya-nayīka's. Indien er nog meer verschillende categorieën in deze twee vormen zijn, wilt u dan zo genadig zijn om deze te omschrijven?

Gosvāmī: In de spirituele rasa hebben beide soorten nayīkā – namelijk svakīya en parakīya – drie onderverdelingen: mughdā, madhyā en pragalbhā.

Vijaya: Prabhu, precies nu kwam door uw genade in een flits de cid-rasa mijn hart binnen en u verscheen aan mij als een vraja-gopī. Ik heb geen idee, wat er met mijn illusoire puruṣa-bhāva (mannelijk gevoel) gebeurde. Nu word ik nog gretiger om over de diverse bhāva's van de nayīka's te horen. Hoewel ik ramaṇī-bhāva heb gekregen, ken ik de geschikte activiteiten van de ramaṇī's eigenlijk niet. Terwijl ik uw transcendentale vorm herinner, informeer ik aan uw lotusvoeten naar het proces van het verlenen van kṛṣṇa-sevā. Wilt u me nu alstublieft vertellen, wie de mughdā nayīkā (onschuldige heldin) is?

Gosvāmī: Hier volgen de symptomen van de nayīkā, die onschuldig en in de war is en onlangs haar puberteit (nava-yauvanā) heeft ontdekt. Ze verlangt naar vereniging met Kṛṣṇa (kāminī), maar in liefdesaangelegenheden gedraagt ze zich op een tegenstrijdige manier. Haar vriendinnen beheersen haar. Hoewel ze uiterst verlegen met de intieme activiteiten van de sensuele liefde omgaat, doet ze toch haar best om op bedekte wijze en buiten het gezichtsveld van anderen sambhoga met haar minnaar te bewerkstelligen. Als de nāyaka een overtreding begaat, is ze uit het veld geslagen en staart ze Hem met tranen in haar ogen aan en geeft geen reactie met liefdevolle woordjes, noch zal ze Hem berispen; ze toont zelfs geen jaloerse boosheid.

Vijaya: Welke zijn de eigenschappen van de madhyā nayīkā?

Gosvāmī: Hier volgen de symptomen van de madhyā. Haar drang naar hartstochtelijke liefde is zeer sterk, maar ze is tevens verlegen. Ze is een jonge, ontluikende tiener (nava-yauvanā) en in haar spraak geeft ze blijk van een zweem van arrogantie. Ze ervaart een erotische vereniging met Kṛṣṇa, totdat ze in de war raakt en bezwijkt. Als ze in māna is, is ze soms zacht en soms ruw. Er zijn drie categorieën van madhyā nayīkā in overeenstemming met hun gedrag op het moment, dat māna optreedt: dhīrā, adhīrā en dhīrādhīrā. De nayīkā, die op grappige wijze kromme woordjes tegen haar geliefde spreekt, nadat Hij haar heeft beledigd, wordt dhīrā madhyā genoemd; de nayīkā, die haar priya-vallabha met scherpe woorden op het matje roept, wordt adhīrā madhyā genoemd; en de nayīkā, die met een betraand gezicht kromme woorden tegen haar priya-vallabha gebruikt, wordt dhīrādhīrā madhyā genoemd. De grootste uitmuntendheid van alle rasa is alleen duidelijk aanwezig in de madhyā nayīkā vanwege de mengvorm van mugdhā en pragalbhā in haar natuur.

Vijaya: Wilt u zo goed zijn om de symptomen en de natuur van de pragalbhā (schaamteloze) nayīkā te omschrijven?

Gosvāmī: De pragalbhā nayīkā bevindt zich in haar volop bloeiende jeugd (pūrna-yauvanā). Ze is verblind door trots en uitermate begerig naar zinnelijke liefde. Ze is een expert in het ten volle uitdrukken van een scala aan bhāva's en ze is in staat om haar geliefde met prema-rasa te overdonderen. Haar woorden en daden zijn buitengewoon diepgaand (gambhīra) en rijp, maar als haar māna wordt opgewekt, is haar gedrag zeer hartvochtig. Pragalbhā nayīka's vertonen drie soorten gedrag op het moment van māna: dhīrā, adhīrā en dhīrādhīrā. De dhīrā pragalbhā wordt ofwel apathisch in het liefdesspel, of ze behandelt haar geliefde uiterlijk met buitensporig respect, terwijl ze haar ware bhāva's verbergt. De adhīrā pragalbhā wordt wrang, bedreigt haar minnaar, vaart tegen Hem uit en straft Hem met luide scheldwoorden. De dhīrādhīrā pragalbhā heeft deugden, zoals die van de dhīrādhīrā madhyā nayīkā.

Madhyā en pragalbhā nayīka's worden beiden verder verdeeld in twee categorieën, namelijk jyeṣṭha (senior) en kaniṣṭha (junior). Er zijn dus jyeṣṭha-madhyā en kaniṣṭha-madhyā, jyeṣṭha-pragalbhā en kaniṣṭha-pragalbhā nayīka's. Het onderscheid tussen jyeṣṭha en kaniṣṭha is helemaal afhankelijk van de mate van de nayīka's praṇaya voor haar geliefde.

Vijaya: Prabhu, hoeveel typen nayīka's zijn er in totaal?

Gosvāmī: Er zijn vijftien typen nayīka's. Er is slechts één type kanyā (ongehuwde nayīkā), want deze is alleen mughdā. De andere nayīka's worden geclassificeerd als mugdhā, madhyā en pragalbhā. En van deze worden zowel de madhyā als de pragalbhā onderverdeeld in drie volgende categorieën: dhīrā, adhīrā en dhīrādhīrā. Dit betekent, dat er zeven typen svakīya nayīkā's zijn en ook zeven typen parakīya nayīkā's. Er zijn dus alles bij elkaar (7+7+1=) 15 typen nayīka's.

Vijaya: Hoeveel avasthā's (condities of situaties) hebben de nayīka's?

Gosvāmī: Er zijn acht avasthā's: abhisārikā (heimelijk), vāsaka-sajjā (voorbereid en geparfumeerd), utkaṇṭhitā (ongeduldig hunkerend), khaṇḍitā (jaloers), vipralabdhā (teleurgesteld), kalahāntaritā (gekweld door afgescheidenheid wegens ruzie), proṣita-bhartṛkā (in afgescheidenheid van de geliefde) en svādhīna-bhartṛkā (haar geliefde beheersend). Deze acht condities treden op in de vijftien typen nayīka's, die ik eerder heb genoemd.

Vijaya: Wie is de abhisārikā?

Gosvāmī: De abhisārikā organiseert met haar minnaar een heimelijke ontmoeting (abhisāra) op een afgesproken plaats en gaat er naartoe voor haar afspraakje met Hem. De jyotsna-abhisārikā gaat tijdens de volle maan (śukla-pakṣa) in het wit gekleed naar abhisāra en de tamo 'bhisārikā kleedt zich tijdens kṛṣṇa-pakṣa (donkere maan) in het zwart. Op het moment, dat ze naar abhisāra gaat, zwijgt ze volledig en is ze van top tot teen grandioos gedecoreerd, alsof dit uit verlegenheid is. Ze trekt haar ledenmaten samen en ze wordt vergezeld door één liefhebbende sakhī.

Vijaya: Vertelt u alstublieft over de vāsaka-sajjā nayīkā.

Gosvāmī: De vāsaka-sajjā nayīkā versiert en parfumeert haar lichaam, bereidt zich voor en decoreert de ontmoetingsplaats in ontstuimige anticipatie op het arriveren van haar minnaar, waarbij ze vast besloten is zich aan smara-krīḍā (het spel van Kāmadeva) over te geven. In de hoop, dat haar minnaar komt, zodra Hij in de gelegenheid is, tuurt ze het pad af, waarover haar minnaar zal naderen; ze hemelt haar minnaar op, ze hoort Zijn līlā-kathā in het gezelschap van haar sakhī's en ze verwacht gretig ieder ogenblik een koerier, die enig nieuws van haar geliefde brengt – al deze bezigheden zijn kenmerkend voor de vāsaka-sajjā.

Vijaya: Omschrijft u alstublieft de utkaṇṭhitā.

Gosvāmī: Als de nāyaka buiten Zijn schuld te laat op de afspraak komt, wordt de onrustige nayīkā, die uitermate ongeduldig en gretig wordt om haar minnaar te ontmoeten, utkaṇṭhitā genoemd. Door een ondraaglijke pijn brandt haar hart, haar lichaam beeft, ze speculeert over de vraag, waarom haar minnaar niet is komen opdagen, ze verliest alle lust om wat dan ook te doen en ze beschrijft haar eigen, hopeloze toestand, waarbij ze weent van treurnis – deze zijn de activiteiten van de utkaṇṭhitā nayīkā.

De conditie van vāsaka-sajjā transformeert zich uiteindelijk ook in die van utkaṇṭhitā. Als de vāsaka-sajjā vanaf de afgesproken tijd van haar kānta's aankomst heeft zitten wachten en ziet, dat Hij niet is gekomen, verandert ze van gedachten, "Misschien kon Hij niet komen door tussenkomst van een andere nayīkā." Verstoken van het gezelschap van haar meest geliefde kānta wordt ze steeds begeriger en buitengewoon rusteloos. Op dat moment wordt ze utkaṇṭhitā nayīkā genoemd.

Vijaya: Wie is de khaṇḍitā nayīkā?

Gosvāmī: De khaṇḍitā nayīkā is degene, wier nāyaka lang na de afgesproken tijd in de laatste prahara (drie uren) van de nacht eindelijk verschijnt, terwijl hij aanwijzingen van Zijn amoureuze avonturen met een andere nayīkā vertoont. Op dat moment haalt de khaṇḍitā nayīkā uit boosheid diep en langgerekt adem zonder een woord tegen haar geliefde te spreken.

Vijaya: Wie wordt vipralabdhā genoemd?

Gosvāmī: Soms is de nāyaka door de wil van de voorzienigheid niet in staat te komen, zelfs nadat tijd en plaats van de heimelijke ontmoeting met een signaal of een wenk zijn vastgesteld. De nayīkā, die op dat moment ernstig is aangedaan door pijnscheuten door de afgescheidenheid van haar geliefde, wordt vipralabdhā genoemd. Ze vertoont vele uiteenlopende soorten gedrag, zoals het uitroepen van haar eigen waardeloosheid; bezorgd worden; klagen; het vergieten van bittere tranen; diep ademhalen en bezwijken.

Vijaya: Welke zijn de symptomen van een kalahāntaritā?

Gosvāmī: De kalahāntaritā nayīkā geeft haar prāṇa-vallabha zware berispingen en wijst Hem daarna van de hand, zelfs nadat Hij ten overstaan van al haar vriendinnen aan haar voeten valt. Ze wordt kalahāntaritā genoemd vanwege haar activiteiten en emoties, zoals ijlend, onsamenhangend spraakgebruik; het hebben van leed; lichamelijke en mentale verzwakking en het slaken van lange, diepe zuchten.

Vijaya: Wie wordt proṣita-bhartṛkā genoemd?

Gosvāmī: De minnaar van de proṣita-bhartṛkā nayīka is naar een ver land vertrokken. Ze geeft blijk van vele activiteiten, waaronder melancholie; inertia; bezorgdheid en slapeloosheid; zich niet aankleden of baden.

Vijaya: Wie is svādhīna-bhartṛkā?

Gosvāmī: De nayīkā, wier priyatama aan haar is onderworpen en die altijd aan haar zijde is, wordt svādhīna-bhartṛkā genoemd. Ze ontwikkelt vele activiteiten, zoals met Hem in het bos plezier maken, met Hem in het water spelen en bloemen plukken.

Vijaya: Dus de conditie van svādhīna-bhartṛkā moet een bron van immens plezier zijn.

Gosvāmī: De svādhīna-bhartṛkā nayīkā, wier geliefde haar geen moment alleen kan laten, omdat hij door haar prema wordt beheersd, wordt mādhavī genoemd. Van de acht typen nayīka's hebben er drie – de svādhīna-bhartṛkā, vāsaka-sajjā en abhisārikā – een opgewekt hart en zijn met ornamenten en andere decoraties getooid. De resterende vijf nayīka's – namelijk khaṇḍitā, vipralabdhā, utkaṇṭhitā, proṣita-bhartṛkā en kalahāntaritā – dragen geen ornamenten en opsmuk. Hun hart is door ongerustheid geroerd, ze weeklagen bitter en ze zitten met hun linker wang op hun linker hand.

Vijaya: Hoe is het mogelijk, dat een dergelijk lijden in kṛṣṇa-prema bestaat? Wat is de bedoeling van deze aandoeningen?

Gosvāmī: Aangezien kṛṣṇa-prema cinmaya (transcendentaal) is, is ook dit schijnbare lijden louter een verbijsterende variant op paramānanda. Deze aandoeningen worden in de materiële wereld in feite als een bron van acuut verdriet ervaren, terwijl ze in de cit-jagat eenvoudig een transformatie zijn van extatische ānanda. Als je dit lijden proeft, geeft het aanleiding tot het immense geluk van cinmaya-rasa. Dit kan echter niet nader worden uitgedrukt in woorden.

Vijaya: Over welke maten van prema beschikken deze nayīka's?

Gosvāmī: De nayīka's zijn in drie categorieën verdeeld in overeenstemming met de mate van prema voor Vrajendranandana – namelijk uttamā, madhyamā en kaniṣṭha. Kṛṣṇa voelt bhāva voor een bepaalde nayīkā in de proportie, waarin die nayīkā bhāva voor Hem voelt.

Vijaya: Welke zijn de symptomen van uttamā?

Gosvāmī: De uttamā nayīkā is in staat al haar dharma's achterwege te laten, alsof ze een onbeduidend strootje is, met de bedoeling haar geliefde een moment gelukkig te maken. Zelfs al maakt de nāyaka dit type nayīkā ongelukkig, wordt ze niet jaloers; en haar hart stort in elkaar, als iemand haar vertelt, dat haar geliefde ongelukkig is, zelfs al is de tijding niet waar.

Vijaya: Wilt u alstublieft de symptomen van de madhyamā beschrijven?

Gosvāmī: Haar hart raakt eenvoudig terneergeslagen, wanneer ze over het ongeluk van haar geliefde hoort.

Vijaya: Welke zijn de symptomen van de kaniṣṭha?

Gosvāmī: De kaniṣṭha nayīkā is bang voor weerstanden – zoals de schaamte, die ontstaat onder invloed van de publieke opinie – die haar ervan zouden kunnen weerhouden om Kṛṣṇa te ontmoeten.

Vijaya: Hoeveel typen nayīkā zijn er in totaal?

Gosvāmī: Alles bij elkaar zijn er 360 typen nayīka's. Eerst zijn er de vijftien typen, die ik eerder heb genoemd, en deze vijftien typen zijn ieder verder onderverdeeld in acht typen. (15 x 8=) 120 typen, die ieder weer worden geclassificeerd als kaniṣṭha, madhyamā en uttamā. (120 x 3=) 360 typen nayīka's.

Vijaya: Nu ik de gegevens over de nayīka's heb vernomen, ben ik ook nieuwsgierig geworden naar de wederzijdse verschillen tussen de yūtheśvarī's. Ik vraag beleefd uw grondeloze genade te tonen en deze aan me uit te leggen.

Gosvāmī: Yūtheśvarī's worden verdeeld in svapakṣā, vipakṣā en taṭasthā. Daarna volgen er nog drie onderverdelingen in overeenstemming met de mate van saubhāgya (groot geluk): adhikā (groot), samā (gematigd) en laghvī (licht). Deze worden opnieuw in drie categorieën onderverdeeld: prakharā (scherp), madhyā (gematigd) en mṛdvī (zacht). De nayīkā, die haar woede en verdriet krachtig in woorden uitdrukt, wordt prakharā genoemd. De mṛdvī nayīkā spreekt zacht en lief en de natuur van de madhyā nayīkā bevindt zich tussen deze twee in.

De adhikā nayīka's worden in twee secties verdeeld, namelijk ātyantikī (extreem) en āpekṣikī (betrekkelijk). Iemand zonder hogere en zonder gelijke wordt ātyantika-adhikā genoemd. Dit heeft alleen betrekking op Śrīmatī Rādhā. Zij is madhyā en Ze heeft in Vraja geen gelijke.

Vijaya: Wie zijn de āpekṣika-adhikā's?

Gosvāmī: Āpekṣika-adhikā nayīka's zijn yūtheśvarī's, die superieur zijn aan één of meerdere andere yūtheśvarī's.

Vijaya: Wie zijn ātyantikī laghu?

Gosvāmī: Ātyantikī laghu is de nayīkā, aan wie alle andere nayīka's bovengeschikt zijn. Alle nayīka's zijn laghu in vergelijking met ātyantikī adhikā. Behalve de ātyantikī laghu zijn alle yūtheśvarī's adhikā. Er is dus geen sprake van, dat de ātyantikī-adhikā-yūtheśvarī gelijk is of ondergeschikt aan iemand anders en op dezelfde manier is er geen sprake van, dat de ātyantikī-laghu superieur is aan iemand anders. Er is slechts één type samā-laghu, die superieur is aan ieder ander. Er is slechts één type samā-laghu. De madhyā yūtheśvarī bestaat uit negen typen, die voortkomen uit de categorieën van adhikā, prakharā, enzovoort.

Op die manier zijn er twaalf divisies onder de yūtheśvarī's: (1) ātyantikī-adhikā, (2) samā-laghu, (3) adhika-madhyā, (4) samā-madhyā, (5) laghu-madhyā, (6) adhika-prakharā, (7) samā-prakharā, (8) laghu-prakharā, (9) adhika-mṛdvī, (10) samā-mṛdvī, (11) laghu-mṛdvī, (12) ātyantikī-laghu.

Vijaya: Nu zou ik over de verschillende typen dūtī's (koeriers) willen horen.

Gosvāmī: De nayīka's, die worden geteisterd door een intens verlangen om Kṛṣṇa te ontmoeten roepen de hulp in van koeriers (dūtī's), waarvan er twee soorten zijn: svayaṁ-dūtī en āpta-dūtī.

Vijaya: Wat is de aard van de svayaṁ-dūtī ?

Gosvāmī: Wanneer de nayīkā door anurāga (diepe gehechtheid) wordt overweldigd, wint haar excessieve begeerte het van haar verlegenheid, waardoor ze zich schaamteloos gaat gedragen en haar bhāva persoonlijk aan haar nāyaka mededeelt. Dit wordt svayaṁ-dūtī genoemd. De uitdrukking kan op drie manieren worden vormgegeven – met het lichaam (kāyika-abhiyoga), met woorden (vācika-abhiyoga) en met de ogen (cakṣuṣa-abhiyoga).

Vijaya: Wat is een vācika-abhiyoga?

Gosvāmī: Vācika-abhiyoga is slechts een hint of een suggestie (vyaṅga). Er zijn twee soorten suggesties: de suggestie door middel van intonatie (śabda-vyaṅga) en de suggestie in de vorm van betekenis (artha-vyaṅga). Soms wordt een suggestie gedaan door naar Kṛṣṇa te verwijzen en soms door te verwijzen naar iets, dat dichtbij is.

Vijaya: Welke zijn de suggesties, waarvan Kṛṣṇa het onderwerp is?

Gosvāmī: Er zijn twee soorten suggesties, waarvan Kṛṣṇa het onderwerp is: sākṣāt (rechtstreeks) en vyapadeśa (door misleiding).

Vijaya: Welke is de rechtstreekse suggestie?

Gosvāmī: Rechtstreekse suggesties worden gecategoriseerd als garva (stoutmoedige uitspraak), ākṣepa (beschuldiging) en yāñcā (rechtstreekse smeekbede). Er zijn vele soorten.

Vijaya: Wat is een suggestie, die wordt uitgedrukt door middel van een beschuldiging?

Gosvāmī: Er is één soort suggestie, die door middel van een beschuldiging wordt geuit en die is gebaseerd op de toon van de woorden en er is een andere, die is gebaseerd op betekenis. Het is niet nodig om voorbeelden te geven, die dit illustreren, want je bent op de hoogte met alaṅkāra (retoriek).

Vijaya: Goed. Wat is een suggestie, die wordt uitgedrukt door middel van een smeekbede (yāñcā)?

Gosvāmī: De suggesties, die worden uitgedrukt als smeekbeden, zijn verdeeld in twee soorten: svārtha en parārtha. Svārtha-yāñcā betekent alleen je eigen verzoek uiten en parārtha-yāñcā betekent, dat je verzoek door iemand anders wordt geuit. Binnen deze categorieën bestaan weer verschillende suggesties, die ofwel door intonatie (śabda-vyaṅga) of door middel van betekenis (artha-vyaṅga) worden uitgedrukt. Als de bhāva met de betreffende woorden is vermengd, wordt het een indicatie (saṅketika-yāñcā) genoemd.

Vijaya: Ik heb de sākṣāt-vyaṅga begrepen. Bij die rechtstreekse abhiyoga uitspraken aan Kṛṣṇa door de nayīka's zijn in hun spraakgebruik suggesties aanwezig in de vorm van intonatie (śabda-vyaṅga) en betekenis (artha-vyaṅga). Dat gebruik treffen we ook aan op het toneel en bij andere uitvoerende kunsten, en dichters hebben dit toegepast in hun redenaarskunst. Wilt u nu zo goed zijn om de betekenis van vyapadeśa uit te leggen?

Gosvāmī: Het woord vyapadeśa is een technische term, die in alaṅkāra-śāstra van het woord apadeśa is afgeleid. Vyapadeśa betekent 'door bedrog', wat betekent, dat je een vertrouwelijke boodschap doorgeeft onder het voorwendsel van een andere uitspraak. De strekking is, dat je tegen Kṛṣṇa op een manier spreekt, waarbij de klaarblijkelijke betekenis een idee overbrengt, maar waarin een serieus of emotioneel verzoek voor het verlenen van een of andere dienst verscholen zit. Deze communicatiemethode wordt vyapadeśa genoemd, die het werk van een dūtī uitvoert.

Vijaya: Dus vyapadeśa is een soort misleidende uitspraak, waarvan de geheime betekenis het gevoel van een smeekbede voor liefdevolle dienst uitdrukt. Gaat u nu alstublieft verder.

Gosvāmī: Er bestaat ook een uitdrukkingsvorm, die puruṣa-viṣaya-gata-viyoga wordt genoemd. Dit treedt op wanneer je denkt, "Kṛṣṇa is aanwezig en ofschoon Hij alles hoort, zit Hij niet echt te luisteren," waarna je met een vogel of een dier, dat in de buurt is, begint te converseren. Dit wordt ook in twee vormen verdeeld: de suggestie, die optreedt onder invloed van de intonatie van de woorden en de suggestie, die optreedt door de betekenis van de woorden.

Vijaya: Dit heb ik door uw genade begrepen. Wilt u me nu alstublieft vertellen, welke de lichamelijke suggesties zijn?

Gosvāmī: Lichamelijke abhiyoga is het uitvoeren van activiteiten in Kṛṣṇa's aanwezigheid, zoals knippen met de vingers; onder een of ander voorwendsel plotseling opstaan; uit vrees en verlegenheid de ledematen bedekken; met een teen op de grond schrijven; aan het oor krabben; tilaka aanbrengen; zichzelf aankleden; met de wenkbrauwen tekens geven; de sakhī omhelsen; de gopī-vriendin berispen; op de lippen bijten; een halssnoer rijgen; met sieraden geluid maken; de oksel tonen; Kṛṣṇa's naam schrijven; en klimranken rond een boom vlechten.

Vijaya: Vertelt u me alstublieft over suggesties met de ogen (cakṣuṣa-abhiyoga).

Gosvāmī: Met de ogen lachen; de ogen half sluiten; dansende bewegingen met de ogen maken; een snerpende blik werpen; een steelse blik werpen; met het linker oog kijken; en zijdelingse blikken werpen – zijn allemaal suggesties met de ogen.

Vijaya: Ik heb svayaṁ-dūtī begrepen. U hebt zojuist een hint gegeven om een idee met betrekking tot koeriers over te brengen en ik heb begrepen, dat daarvan ontelbaar veel variaties bestaan. Kunt u me nu alstublieft iets vertellen over āpta-dūtī ?

Gosvāmī: Deze dūtī's schenden nimmer het vertrouwen, of onthullen geheimen, die hen zijn toevertrouwd, zelfs al staat hun levensadem op het punt hen te verlaten. Ze zijn liefdevol en uitermate listig in de kunst van het converseren. Alleen die jeugdige gopī's, die over alle deugden beschikken, zijn de dūtī's van de vraja-sundarī's.

Vijaya: Hoeveel typen āpta-dūtī's zijn er?

Gosvāmī: Er zijn drie typen: amitārthā, nisṛṣṭārthā en patra-hārī. Amitārthā is een dūtī, die bepaalde hinten of signalen begrijpt en vervolgens de ontmoeting tussen nāyaka en nayīkā arrangeert. Nisṛṣṭārthā is een sakhī, die een ontmoeting tussen de geliefden bewerkstelligt met gebruikmaking van overtuigende argumenten en redenering, en de patra-hārī is een dūtī, die alleen een boodschap overbrengt.

Vijaya: Zijn er nog andere soorten āpta-dūtī's ?

Gosvāmī: Śilpa-kāriṇī (kunstenaars), daiva-jñā (astrologen), liṅgiṇī (asceten), paricārikā (dienstmaagden), dhātreyī (verpleegsters), vana-devī (bosgodinnen) en sakhī's behoren allemaal tot de categorie dūtī's. Śilpa-kāriṇī gebruiken hun artistieke schilderingen om de geliefden tot een ontmoeting te verleiden. De daiva-jñā dūtī's bewerkstelligen ontmoetingen door middel van hun astrologische voorspellingen. Lingiṇī dūtī's, zoals bijvoorbeeld Paurṇamāsī, dragen de kleding van tapasviṇī's (vrouwelijke asceten). Verscheidene sakhī's, inclusief Lavaṅga-mañjarī en Bhānumati, zijn paricārikā dūtī's. De vana-devī's zijn leidinggevende godinnen van de bossen van Vṛndāvana (adhiṣṭhātrī-devī's). De sakhī's, die ik eerder noemde, zijn ook dūtī's en zij voeren hun functie uit door hun boodschappen openlijk uit te drukken of door indirecte hinten te geven en suggesties te doen. Hiervoor gebruiken ze allerlei kunstgrepen, zoals vyapadeśa (bedrog), śabda-mūla (intonatie), artha-mūla (rechtstreekse betekenis van woorden), praśaṁsa (aanbevelingen), en ākṣepa (beweringen).

Toen Vijaya Kumāra deze uitleg had gehoord, gaf hij zijn daṇḍavat-praṇāma aan de lotusvoeten van Śrī Gopāla Guru Gosvāmī. Toen hij terugkeerde naar zijn verblijfplaats, dacht hij onderweg na over alles, wat hij had gehoord.

 

Aldus eindigt het Drieëndertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Madhura-rasa: Śrī Rādhā's Svarūpa, vijf typen Sakhī's & Koeriers"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 32 – "Madhura-Rasa: Parakiya-Nayikas"

Volgende: Hoofdstuk 33 – "Madhura-Rasa: verschillende categorieën Sakhis"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl