Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 32

Madhura-Rasa: Parakiya-Nayikas


Het was nacht. Vrajanātha had zijn bhajana voor die dag afgerond. Hij legde zijn hari-nāma-mālā opzij en viel in slaap. Vijaya Kumāra had prasāda geŽerd en lag op zijn bed, maar hij kon niet slapen, want hij lag diep na te denken. Aanvankelijk had hij het idee, dat Goloka en Gokula verschillende plaatsen waren. Nu echter was hij tot de slotsom gekomen, dat Goloka en Gokula niet-verschillend zijn. De bron van parakīya-rasa ligt in Goloka. Maar hoe kan Kṛṣṇa daar upapati (minnaar) zijn? Dit kon hij niet begrijpen.


"Als Kṛṣṇa de allerhoogste substantie is," dacht hij, "en śakti en śaktimān zijn niet-verschillend, hoe kan śakti, zelfs als śakti van śaktimān wordt gescheiden, dan paroḍhā (gehuwd met een andere gopa dan Kṛṣṇa) worden genoemd en hoe kan Kṛṣṇa dan upapati (minnaar) worden genoemd?"

Eerst dacht hij, "Morgen ga ik de vraag voorleggen aan Śrī Gurudeva, zodat mijn twijfel wordt opgelost," maar daarna dacht hij, "Het is niet gepast om Gurudeva nog meer vragen over Goloka te stellen. En toch moet de kwestie worden opgelost."

Terwijl hij zo lag te piekeren, viel hij in slaap. In zijn slaap droomde hij, dat hij in de aanwezigheid van zijn Gurudeva was en om zijn twijfel op te lossen stelde hij dezelfde vraag, die hem, vlak voordat hij in slaap viel, had beziggehouden. Gurudeva antwoordde, "Bābā Vijaya, Kṛṣṇa is in alle activiteiten volkomen onafhankelijk en Zijn ongehinderde verlangens zijn niet afhankelijk van de wensen van anderen. Het is Zijn eeuwige wens, dat Zijn aiśvarya wordt verborgen en Zijn mādhurya wordt gemanifesteerd. Daartoe wijst hij Zijn śakti een afzonderlijk bestaan van Zichzelf toe. Het gevolg is, dat Zijn parā-śakti de vorm van miljoenen aantrekkelijke, jonge gopī's aanneemt, die allemaal pogingen doen Hem uiteenlopende diensten te bewijzen. Toch is Kṛṣṇa niet helemaal tevreden met de service van Zijn śakti, omdat zij wordt beÔnvloed door de kennis van Zijn rijkdom en vermogens. Daarom voorziet Hij die beeldschone gopī's onder invloed van Zijn wonderbaarlijke yogamāyā-śakti van de abhimāna (zelfbeeld), dat ze tot afzonderlijke huishoudens behoren. Dat wil zeggen, dat ze zich onder invloed van die śakti (yogamāyā) als echtgenotes van anderen beschouwen en tegelijkertijd neemt Kṛṣṇa de relatie van hun upapati (minnaar) aan.

"Uit lobha (begeerte) naar parakīya-rasa transcendeert Kṛṣṇa Zijn ātmārāma-dharma (zelfgenoegzame natuur) en voert allerlei wonderbaarlijke līlā, zoals rāsa-līlā, met die jonge gopī's uit, die impliciet geloven, dat ze met anderen zijn getrouwd. Vaṁṣī is Zijn priyā-sakhī (geliefde vriendin), met wie Hij deze activiteit tot stand brengt. Om te zorgen, dat Kṛṣṇa deze speciale hoogtepunten kan proeven, is de eeuwige parakīya-bhāva in Goloka gevestigd. Om die reden blijven alle speelbossen van Goloka en de plaatsen van Kṛṣṇa's liefdesspel, zoals Vṛndāvana, eeuwigdurend aanwezig. Alle līlā-sthāna's (speelplaatsen) in Vraja Ė zoals de arena van de rāsa, de Yamunā en Giri-Govardhana Ė bevinden zich in Goloka en op die manier zijn daar de gevoelens van getrouwd te zijn (dāmpatya-bhāva) en trouw te zijn aan de echtgenoot (svakīyatva-bhāva) aanwezig. Śuddhā-svakīyatma, de zuivere, echtelijke liefde, heerst in Vaikuṇṭha op schitterende wijze. De kwaliteiten van svakīya en parakīya worden dus als onbevattelijk verschillend en niet-verschillend beschouwd.

"Kijk, dit onderwerp is zo verbluffend. In Goloka is parakīya-bhāva alleen als abhimāna (een idee) aanwezig. In Vraja lijkt het een affaire met iemand anders' vrouw te zijn, maar er is in feite geen sprake van overspel, want de jonge gopī's zijn Kṛṣṇa's eigen śakti. Kṛṣṇa is vanaf het begin der tijd reeds met hen verbonden; hun fundamentele eigenschap is dus eigenlijk volmaakte trouw aan hun echtgenoot (svakīyatma) en de kwaliteit gehuwd te zijn (dāmpatya). De gopa's, zoals Abhimanyu, zijn in Goloka de speciale avatāra's van hun respectievelijke ideeŽn. Ze worden echtgenoten om Kṛṣṇa's līlā te voeden en Hem op het platform van Vraja de leider van vilāsa (spel en vermaak) in het gevoel van upapati te laten zijn. In Goloka, dat zich ver boven deze materiŽle wereld bevindt, wordt rasa alleen door deze conceptie gevoed. Binnen het materiŽle universum in Gokula manifesteren alle ideeŽn hun individuele bestaan en nemen onder invloed van yogamāyā lichamen aan om de ervaring van getrouwd te zijn te creŽren en op basis daarvan de codes van het echtelijke leven te overschrijden. Dit wordt allemaal door de acties van yogamāyā tot stand gebracht."

Toen Vijaya Kumāra op deze wijze over de svakīya en parakīya-tattva's had gehoord, die in zijn droom door Gurudeva werden uiteengezet, waren zijn twijfels opgelost. Goloka, dat zich buiten de wereld bevindt, is in feite dezelfde bhauma (aardse) Gokula Ė zijn overtuiging van dit feit werd standvastig en de allerhoogste, zegenrijke identiteit van vraja-rasa verrees in zijn hart. Op hetzelfde moment voelde hij een impliciet vertrouwen in de nitya-aṣṭa-kālīya-līlā van Vraja ontwaken. Hij stond de volgende ochtend vroeg op en dacht, "Śrī Gurudeva heeft me oneindig veel genade geschonken. Nu ga ik van hem over de componenten van rasa horen en dan krijg ik niṣṭhā voor bhajana."

Vijaya Kumāra eerde prasāda en kwam bij zijn Gurudeva op het afgesproken tijdstip binnen. Hij vergoot tranen van prema en bood zijn praṇāma aan. Gurudeva omhelsde hem liefdevol en zei, "Bābā, Kṛṣṇa heeft je met Zijn zuivere genade bevoorrecht. Ik ben dus door je eenvoudig te zien fortuinlijk geworden." Toen hij dit zei, maakte de krachtige invloed van prema zijn geest wankel.

Na een korte tijd, toen Gosvāmījī zijn externe waarneming weer hernam, bood Vijaya Kumāra zijn sāṣṭāṅga-praṇāma aan en zei, "Prabhu, ik ken Kṛṣṇa's genade niet; ik ken alleen uw genade. Ik heb nu de poging opgegeven om Goloka te realiseren. Ik voel me helemaal voldaan in de poging om realisatie van Vraja te krijgen. Ik wil de fascinerende variŽteiten van vraja-rasa diepgaand begrijpen. Wilt u zo goed zijn me te vertellen, of de ongehuwde gopī's, die het gevoel in stand hielden, dat Kṛṣṇa hun echtgenoot was, svakīya genoemd kunnen worden, of niet?"

Gosvāmī: Die ongehuwde gopī's van Gokula waren op dat moment svakīya vanwege hun niṣṭhā voor het gevoel Kṛṣṇa als hun echtgenoot te benaderen, maar hun intrinsieke stemming is parakīya. Hoewel hun svakīya-stemming niet natuurlijk is, is hun svakīya-relatie in die bepaalde conditie van Gokula-līlā geperfectioneerd, omdat Kṛṣṇa hen als Zijn echtgenotes heeft aanvaard door middel van de gandharva-vivāha-rīti (het gebruik van de huwlijksvoltrekking door het uitwisselen van bloemenkransen).

Vijaya: Prabhu, in de loop der tijd ga ik vele vragen stellen, de een na de ander. Ik wil alle onderwerpen van Śrī Ujjvala-nīlamaṇi begrijpen in de volgorde, waarin ze zijn gepresenteerd. Eerst wil ik alles weten over nāyaka (helden). Er zijn vier typen nāyaka, namelijk anukūla, dakṣiṇa, śaṭha en dhṛṣṭa. Wilt u alstublieft de anukūla (gunstig gezinde) nāyaka beschrijven?

Gosvāmī: De anukūla-nāyaka is Hij, die het verlangen naar andere aantrekkelijke meisjes opgeeft wegens zijn extreme aantrekking tot slechts ťťn nayīkā (heldin). De bhāva van Śrī Rāmacandrajī voor Śrī Sītā-devī en van Śrī Kṛṣṇa voor Śrīmatī Rādhikājī is die van de anukūla-nāyaka.

Vijaya: Ik wil de identiteit weten van de diverse bhāva's Ė zoals anukūla Ė van de vier typen nāyaka, zoals dhīrodātta. Wilt u zo goed zijn de symptomen van de dhīrodātta-anukūla-nāyaka te beschrijven?

Gosvāmī: De dhīrodātta-anukūla-nāyaka is ernstig, nederig, vergevingsgezind, mededogend, doortastend, standvastig in zijn geloften, vrij van ijdelheid, bescheiden en zeer genadig. Toch geeft Hij al die kwaliteiten op omwille van Zijn nayīkā en ontmoet haar in het geheim.

Vijaya: Vertelt u me alstublieft de symptomen van dhīra-lalita-anukūla-nāyaka.

Gosvāmī: De dhīra-lalita-nāyaka is van nature een kenner van rasa, altijd jeugdig, een gewiekst grappenmaker en vrij van zorgen. De dhīra-lalita-anukūla-nāyaka heeft al deze symptomen gecombineerd met het symptoom ononderbroken van plezier te genieten.

Vijaya: Wat is dhīra-śānta-anukūla-nāyaka?

Gosvāmī: De dhīra-śānta-anukūla-nāyaka is van nature sereen en tolerant, wijs en voorkomend.

Vijaya: Wilt u alstublieft de symptomen uitleggen van de dhīroddhata-anukūla-nāyaka?

Gosvāmī: Wanneer de nāyaka, die jaloers is, trots, misleidend, lichtontvlambaar en opschepperig, gunstig gestemd is, wordt Hij dhīroddhata-anukūla-nāyaka genoemd.

Vijaya: Wat is een dakṣiṇa-nāyaka?

Gosvāmī: Het woord dakṣiṇa betekent 'simpel en eerlijk'. Een dakṣiṇa-nāyaka is Hij, die het respect, het ontzag en de ondergeschikte liefde voor Zijn voorgaande geliefde niet opgeeft, zelfs wanneer Hij Zijn hart aan een andere nayīkā geeft. Iemand, die jegens vele heldinnen gelijk gestemd is, wordt ook een dakṣiṇa-nāyaka genoemd.

Vijaya: Welke zijn de symptmen van een śaṭha-nāyaka?

Gosvāmī: Een śaṭha-nāyaka is charmant in de aanwezigheid van Zijn geliefde, maar Hij begaat in het geheim grote overtredingen door zich achter haar rug op een liefdeloze wijze te gedragen.

Vijaya: Welke zijn de karakteristieken van een dhṛṣṭa-nāyaka?

Gosvāmī: Een dhṛṣṭa-nāyaka is totaal onbevreesd en een expert in liegen, zelfs al kan iedereen duidelijk de aanwijzingen zien van Zijn plezier in het gezelschap van een andere geliefde.

Vijaya: Prabhu, hoeveel verschillende typen nāyaka zijn er in totaal?

Gosvāmī: Wat ons betreft, is Kṛṣṇa de enige nāyaka. Er is geen andere behalve Hij. Die ene Kṛṣṇa is pūrṇa (perfect) in Dvārakā, pūrṇatara (perfecter) in Mathurā en pūrṇatama (meest perfect) in Vraja. In al deze drie plaatsen is Hij zowel pati (echtgenoot) als upapati (minnaar). Hij is dus (2x3=) 6 typen nāyaka. Verder, vanwege de vier categorieŽn te beginnen met dhīrodātta, belichaamt Hij (6x4=) 24 typen. Deze typen worden opnieuw verdeeld in anukūla, dakṣiṇa, śaṭha en dhṛṣṭa, dus er zijn (24x4=) 96 typen nāyaka. Nu moet je weten, dat er 24 typen nāyaka in svakīya-rasa zijn en ook 24 typen nāyaka in parakīya-rasa. In vraja-līlā is svakīya-rasa een samengetrokken bhāva en parakīya-rasa overheerst. Dus de 24 typen nāyaka in parakīya-rasa zijn in Śrī Kṛṣṇa eeuwigdurend en schitterend in Vraja manifest. Hij wordt gezien als ieder type nāyaka, dat nodig is om iedere bepaalde partij in ieder aspect van een līlā te spelen.

Vijaya: Prabhu, ik heb de verscheidene kwaliteiten van nāyaka en nayīkā gerealiseerd. Nu wil ik weten hoeveel typen assistenten (sahāyaka) de nāyaka heeft.

Gosvāmī: De nāyaka heeft vijf soorten assistenten, namelijk ceṭa, viṭa, vidūṣaka, pīṭha-mardda en priya-narma-sakhā. Ze zijn allemaal deskundig in het gebruik van grappige woordspelletjes; ze zijn altijd intens met anurāga (diepe liefde) aan Kṛṣṇa toegewijd; ze weten hoe ze zich naar gelegenheid en omstandigheid moeten gedragen; ze zijn deskundig; en ze zijn bekwaam in de kunst om de gopī's te vleien, wanneer ze boos worden, en in het geven van vertrouwelijk advies. Alle vijf typen assistenten hebben deze kwaliteiten.

Vijaya: Welke zijn de eigenschappen van de ceṭa assistenten?

Gosvāmī: Zij zijn deskundig in het ontdekken van allerlei zaken, ze voeren geheime missies uit en hun houding is enigszins stoer en arrogant. In Gokula voeren sakhā's, zoals Bhaṅgura en Bhṛṅgara, de activiteiten van Kṛṣṇa's ceṭa uit.

Vijaya: Wie worden viṭa genoemd?

Gosvāmī: Kṛṣṇa's viṭa, zoals Kaḍāra en Bhāratī Bandha, zijn buitengewoon getalenteerd in activiteiten, zoals het aankleden en decoreren van Kṛṣṇa. Ze zijn listig, bedreven in het converseren en experts in het manipuleren van anderen.

Vijaya: Wie zijn de vidūṣaka's?

Gosvāmī: De vidūṣaka's zijn dol op eten en bekvechten. Ze zijn er bedreven in om anderen met hun komische gebaren, woorden en uitdossingen aan het lachen te maken. Madhumaṅgala en gopa's, zoals Vasanta, zijn de belangrijksten onder Kṛṣṇa's vidūṣaka's.

Vijaya: Wie zijn in de categorie van pīṭha-mardda?

Gosvāmī: Śrīdāmā is Kṛṣṇa's pīṭha-mardda. Hoewel zijn kwaliteiten dezelfde zijn als een nāyaka, voert hij alle activiteiten uit volgens de opdrachten van de nāyaka.

Vijaya: Welke zijn de symptomen van de priya-narma-sakhā's?

Gosvāmī: Zij zijn bevoegd voor uitermate vertrouwelijke geheimen en hebben hun toevlucht genomen tot de bhāva's van de sakhī's. Subala en Arjuna zijn de belangrijksten onder Kṛṣṇa's priya-narma-sakhā's. Zij zijn dus de besten van Kṛṣṇa's vrienden. Van deze vijf Ė ceṭa, viṭa, vidūṣaka, pīṭha-mardda en priya-narma-sakhā Ė zijn de ceṭa's in dāsya-rasa, de pīṭha-mardda's zijn in vīra-rasa, en alle anderen zijn in sakhya-rasa. De ceṭa's zijn dienaren (kiṅkara) en de andere vier zijn sakhā's.

Vijaya: Zijn er geen vrouwelijke assistenten (sahāyakā's)?

Gosvāmī: Ja, die zijn er en ze worden dūtī's (boodschappers) genoemd.

Vijaya: Hoeveel typen dūtī zijn er?

Gosvāmī: Er zijn twee soorten: svayaṁ-dūtī en āpta-dūtī. Katākṣa (de zijdelingse blik) en vaṁśī-dhvani (het geluid van Kṛṣṇa's fluit) zijn svayaṁ-dūtī's.

Vijaya: Ahā! Wie zijn de āpta-dūtī's?

Gosvāmī: Vīrā is vakkundig in het spreken van krachtig taalgebruik en Vṛndā is een expert in overtuigende vleierij. Ze zijn beiden Śrī Kṛṣṇa's āpta-dūtī's. De svayaṁ-dūtī's en āpta-dūtī's zijn bijzondere dūtī's. Behalve deze zijn er gewone boodschappers, zoals liṅginī, daiva-jŮā en śilpa-kāriṇī. Ik zal ze later uitgebreid bespreken in de context van nayīka's en dūtī's.

Vijaya: Ik heb de stemming en de attributen van Śrī Kṛṣṇa als nāyaka begrepen en ik heb ook gehoord, dat Śrī Kṛṣṇa nitya-līlā zowel in pati als in upapati bhāva uitvoert. Hij voert in Dvārakā Zijn spel uit in pati-bhāva en in vraja-purī in upapati-bhāva. Onze Kṛṣṇa is upapati, dus het is voor ons van essentieel belang om de vraja-ramaṇī's, de betoverende jonge gopī's, te kennen.

Gosvāmī: De meesten van de meisjes van Vraja, met wie Vrajendra-nandana Śyāmasundara zijn spel uitvoert, zijn in parakīya-bhāva, omdat madhura-rasa zonder parakīya niet tot ontwikkeling komt. De rasa van de charmante dames van Dvārakā-purī blijft door hun echtelijke relatie beperkt, terwijl de rasa van de vrouwelijke residenten van Vraja, die beschikken over die śuddhā-kāma, waaruit Kṛṣṇa het grootste geluk put, onbeperkt (akuṇṭha) is.

Vijaya: Wat is de strekking hiervan?

Gosvāmī: Śrī Rudra, die zeer goed op de hoogte is met het onderwerp śṛṅgāra-rasa, zegt, dat de allerbeste wapens van Kandarpa (Cupido) de belemmeringen zijn, zoals de tegendraadse houding van vrouwen (vāmatā) en de extreme moeilijkheid om vrouwen te ontmoeten (durlabhatā), vanwege de restricties, die de samenleving oplegt. Cāṇakya Paṇḍita heeft gezegd, dat het hart van de nāyaka des te dieper gehecht raakt, wanneer Hem wordt verboden Zijn geliefde te ontmoeten en wanneer de lotusogige geliefde moeilijk is te bereiken. Kijk! Hoewel Kṛṣṇa ātmārāma is, manifesteerde Hij Zichop het moment van rāsa-līlā in evenveel svarūpa's als er gopī's waren en voerde toen līlā met hen uit. Iedere sādhaka dient rāsa-līlā te volgen. De speciale instructie is hier, dat, indien de sādhakaís het beste wensen, ze deze rāsa-līlā als een bhakta dienen binnen te gaan, maar dat ze Kṛṣṇa nooit mogen imiteren. Met andere woorden, ze dienen deze līlā alleen binnen te gaan door een volgeling van een gopī te worden en de stemming van gopī-bhāva aan te nemen.

Vijaya: Kunt u alstublieft het onderwerp gopī-bhāva uitgebreider uiteenzetten?

Gosvāmī: Nandanandana Kṛṣṇa, de zoon van Nanda Mahārāja, is een gopa en Hij speelt geen amoureus spel met anderen dan de gopī's. De sādhaka, die bekwaam is voor śṛṅgāra-rasa, dient zich met kṛṣṇa-bhajana in dezelfde bhāva bezig te houden, waarmee de gopī's liefdevolle toegewijde dienst aan Śrī Kṛṣṇa verlenen. In de loop van zijn bhajana dient de sādhaka op zichzelf te mediteren in de vorm van een vraja-gopī. De sādhaka dient zichzelf te beschouwen als de dienstmaagd van een zeer gelukkige vraja-vāsinī (vrouwelijke inwoonster van Vraja) en dient onder haar leiding diensten aan Rādhā-Kṛṣṇa te verlenen. Men kan rasa onmogelijk opwekken, tenzij men zichzelf als paroḍhā beschouwt, dat betekent gehuwd te zijn met een andere gopa dan Kṛṣṇa. Het is deze paroḍhā-abhimāna, het zelfbeeld te zijn getrouwd met een andere gopa dan Kṛṣṇa, dat het specifieke dharma van de vraja-gopī's is. Śrī Rūpa Gosvāmī heeft geschreven,

māyā-kalita-tādṛk-strī-śīlanenānusūyibhiḥ
na jātu vrajadevīnāṁ patibhiḥ saha saṅgamaḥ
††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Śrī Ujjvala-nīlamaṇi,
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Kṛṣṇa vallabhā prakaraṇa (19)

De vraja-devī's, die onder invloed van yogamāyā van zichzelf denken, dat ze zijn getrouwd met andere gopa's dan Kṛṣṇa, komen nooit in fysiek contact met hun dharmika gehuwde echtgenoten. Op het moment van de gopī's' abhisāra (afspraak met Kṛṣṇa), enzovoort, zien de gopa's in hun huis een vorm van een gopī, die exact overeenkomt met die van hun eigen vrouw. Deze vormen worden door yogamāyā gefabriceerd, zodat de gopa's bij zichzelf denken, "Mijn vrouw is mooi hier thuis," zodat ze nooit de gelegenheid hebben jaloers te zijn, of zich een vijand van Kṛṣṇa te voelen.

De vraja-devi's hadden nooit fysiek contact met hun wettig getrouwde echtgenoten, die allemaal door yogamāyā waren ontworpen. Iedere echtgenoot van de vraja-gopī's is slechts de manifestatie uit hun respectievelijke bhāva's in de Goloka-līlā. Hun huwlijk is dan ook niets anders dan een impliciete overtuiging gecreŽerd door yogamāyā. De gopī's zijn in werkelijkheid niet met andere gopa's getrouwd, maar de abhimāna, of het zelfbeeld, met een andere gopa te zijn getrouwd is eeuwigdurend aanwezig. Indien dit niet het geval zou zijn, zou het voor de ongekende parakīya-rasa van nature onmogelijk zijn zich te manifesteren vanwege tegenstribbeling (vāmatā), ontoegangkelijkheid (durlabhatā), belemmeringen, sociale restricties, angst, enzovoort. De nayīkā-bhāva van vraja-rasa kan zonder deze conceptie niet worden bereikt. Lakṣmījī van Vaikuṇṭha is hiervan een voorbeeld.

Vijaya: Wat is de bhāva zichzelf als paroḍhā te kennen?

Gosvāmī: Een gopī denkt, "Ik ben een meisje, dat in het huis van een vraja-gopa werd geboren en toen ik opgroeide tot een jonge volwassene, werd ik uitgehuwlijkt aan een jonge gopa." Alleen door deze overtuiging wordt de intense hunkering om Kṛṣṇa intiem te ontmoeten pas krachtig. Gopī-bhāva is het aan jezelf toeschrijven (āropa) van het gevoel de vrouw van een gopa te zijn, die nog geen kind heeft gebaard.

Vijaya: Als de sādhaka een man is, hoe kan hij dan gopī-bhāva aan zichzelf toeschrijven?

Gosvāmī: De mensen beschouwen zichzelf een man, omdat ze onder invloed staan van de illusoire natuur, die wordt opgelegd door māyā. Behalve Kṛṣṇa's eeuwige, mannelijke metgezellen, is de zuivere, inherente spirituele natuur van alle anderen vrouwelijk. Er zijn werkelijk geen mannelijke en vrouwelijke eigenschappen in de spirituele structuur, maar de sādhaka kan de bekwaamheid van vraja-vāsinī bereiken, wanneer hij door svabhāva en een steevaste abhimāna daartoe wordt aangezet. Alleen degene, die ruci hebben voor madhura-rasa zijn bekwaam om vraja-vāsinī's te worden. Als je sādhana uitvoert volgens je ruci, krijg je een geperfectioneerde staat, die exact overeenkomt met de natuur van die sādhana.

Vijaya: Wat is de glorie een gopī te zijn, die met een andere gopa dan Kṛṣṇa is getrouwd?

Gosvāmī: De vraja-gopī's, die met een ander zijn getrouwd worden van nature schatkamers van superovervloedige schoonheid en buitengewoon krachtige, transcendentale deugden, wanneer de intense hunkering om Kṛṣṇa intiem te ontmoeten in hun hart verschijnt. Ze worden tevens gedecoreerd met de voortreffelijke lieflijkheid van prema. De lieftalligheid van hun rasa overtreft die van alle śakti's van Bhagavān, die worden aangevoerd door de geluksgodin, Lakṣmī.

Vijaya: Hoeveel soorten vraja-sundarī (schoonheden) zijn er?

Gosvāmī: Er zijn drie soorten: sādhana-parā, devī en nitya-priyā.

Vijaya: Zijn er ook verschillende typen sādhana-parā-sundarī?

Gosvāmī: Ja, er zijn twee soorten sādhana-parā-sundarī: yauthikī en ayauthikī.

Vijaya: Wie zijn de yauthikī ?

Gosvāmī: De yauthikī sundarī's hebben in Vraja en groupe geboorte genomen, nadat ze in de sādhana voor vraja-rasa verzonken zijn geweest. Met andere woorden, ze zijn leden van een bepaalde groep. Er zijn twee soorten yauthikī: muni-gaṇa en upaniṣad-gaṇa.

Vijaya: Welke muni's hebben in Vraja als gopī's geboorte genomen?

Gosvāmī: Sommie muni's gaven hun verering aan Gopāla, maar waren niet in staat om siddhi (perfectie) te bereiken. Nadat ze darśana van Śrī Rāmacandra's schoonheid hadden gekregen, ondernamen ze in overeenstemming met hun gekoesterde verlangens verdere pogingen in sādhana. Ze accepteerden dus gopī-bhāva en namen geboorte als gopī's. Padma Purāṇa verwijst naar hen op deze manier en Bṛhad-Vāmana Purāṇa stelt, dat sommigen van hen perfectie bereikten bij het begin van de rāsa-līlā.

Vijaya: Hoe namen de upaniṣaden een geboorte als gopī in Vraja?

Gosvāmī: De verpersoonlijkte Mahā-Upaniṣaden, die begaafd waren met een uiterst verfijnd onderscheidingsvermogen, waren zeer onder de indruk, toen ze het grote geluk van de gopī's zagen en nadat ze met śraddhā zware boetedoening hadden ondergaan, kregen ze een geboorte in Vraja als gopī.

Vijaya: Wie zijn ayauthikī ?

Gosvāmī: Er zijn twee typen sundarī's, die gevierd zijn onder de naam ayauthikī: oude (prācīnā) en nieuwe (navīnā). Ze zijn uitzonderlijk gehecht aan gopī-bhāva en voeren sādhana uit met een intense begeerte en een natuurlijke anurāga. Sommigen nemen individueel geboorte en anderen nemen geboorte op hetzelfde moment in groepjes van twee, drie of zelfs meer. De prācīnā ayauthikī-gopī's kregen lang geleden sālokya (vestiging op dezelfde planeet) samen met de nitya-priyā gopī's. De navīnā-ayauthikī gopī's komen naar Vraja door geboorte te nemen in de levensvorm van deva's, mensen en andere wezens. Ze worden geleidelijk prācīnā en kijgen sālokya op dezelfde wijze, als ik hiervoor heb vermeld.

Vijaya: Ik heb het onderwerp van sādhana-parā begrepen. Wilt u nu zo goed zijn om over de devī's te vertellen?

Gosvāmī: Wanneer Kṛṣṇa door middel van zijn aṁśa onder de deva's in Svarga afdaalt, manifesteren de aṁśa's van Zijn nitya-kāntā's ook als devī's om Hem tevreden te stellen. Diezelfde devī's nemen geboorte in kṛṣṇa-līlā als de dochters van gopa's en worden de prāṇa-sakhī's van de nitya-priyā-gopī's, van wie zij de aṁśa's zijn Ė met andere woorden, van hun eigen aṁśanī's.

Vijaya: Prabhu, wanneer neemt Kṛṣṇa door Zijn aṁśa geboorte onder de deva's?

Gosvāmī: Kṛṣṇa neemt met behulp van Zijn svāṁśa-vorm als Vāmana geboorte via Aditi's baarmoeder en door middel van zijn vibhinnāṁśa's (afgescheiden expansies), wordt Hij de devatā's. Śiva en Brahmā zijn niet via de baarmoeder van een biologische moeder geboren en hoewel ze niet behoren tot de categorie van gewone jīvaís, die in geringe mate over vijftig kwaliteiten beschikken, zijn ze toch slechts vibhinnāṁśa. Die vijftig kwaliteiten zijn in Brahmā en Śiva beslist in iets grotere mate aanwezig en beide heren hebben bovendien vijf kwaliteiten meer, die niet in gewone jīvaís worden aangetroffen. Daarom worden deze twee de leiders van de devatā's genoemd. Gaṇeśa en Sūrya bevinden zich om dezelfde reden in dezelfde categorie als Brahmā, maar alle andere deva's worden als jīvaís geclassificeerd. Alle devatā's zijn Kṛṣṇa's vibhinnāṁśa's en hun echtgenotes (devī's) zijn de vibhinnāṁśa's van cit-śakti. Vlakvoor Kṛṣṇa's verschijning droeg Brahmā hen op een geboorte te nemen om Kṛṣṇa een plezier te doen en in antwoord op zijn oproep namen sommigen geboorte in Vraja en anderen in Dvārakā in overeenstemming met hun verschillende smaken en sādhana. De devī's, die geboorte nemen in Vraja wegens hun intense begeerte naar Kṛṣṇa, zijn de prāṇa-sakhī's van de nitya-priyā-gopī's.

Vijaya: Prabhu, de upaniṣaden kregen een geboorte als gopī, maar kunt u me alstublieft vertellen of er ook andere, vooraanstaande devī's van de veda's een geboorte in Vraja aanvaardden?

Gosvāmī: Er staat in de sṛṣṭi-khaṇḍa van Padma Purāṇa, dat Gāyatrī, die Veda-mātā is, de moeder der veda's, ook een geboorte als gopī nam en Kṛṣṇa's associatie kreeg. Sinds die tijd nam ze de vorm aan van kāma-gāyatrī.

Vijaya: Maar is kāma-gāyatrī niet zonder begin (anādi)?

Gosvāmī: Kāma-gāyatrī is zeker anādi en deze anādi-gāyatrī manifesteerde zich eerst in de vorm van Veda-mātā. Later, onder invloed van sādhana en nadat ze het grote geluk van vele upaniṣaden zag, nam ze een geboorte in Vraja samen met de Gopāla Upaniṣad. Hoewel de vorm van kāma-gāyatrī eeuwig is, existeert ze schitterend in een eeuwige en afzonderlijke vorm als Veda-mātā Gāyatrī.

Vijaya: Al diegenen, zoals de upaniṣaden, die geboorte in Vraja namen, hadden de abhimāna een dochter van een gopa te zijn en ze accepteerden Kṛṣṇa als hun eigen echtgenoot met het idee, dat Hij een gopa-nāyaka was. Kṛṣṇa werd toen hun echtgenoot door middel van het gebruik van gandharva-vivāha. Tot zover heb ik het begrepen. Kṛṣṇa's eeuwig geliefde gemalinnen echter zijn sinds onheuglijke tijden Zijn metgezellen, maar is Kṛṣṇa's relatie als upapati met hen dan slechts een truc van māyā?

Gosvāmī: Het is beslist een creatieve uitingsvorm van māyā, maar niet van jaḍa-māyā, de illusoire energie, die in de materiŽle wereld tentoon wordt gespreid. Jaḍa-māyā kan kṛṣṇa-līlā nimmer bereiken. Hoewel vraja-līlā zich binnen de materiŽle wereld bevindt, ligt hij volkomen buiten de rechtsgeldigheid van jaḍa-māyā. Een andere naam voor cit-śakti is yogamāyā en in kṛṣṇa-līlā handelt diezelfde yogamāyā op een dusdanige manier, dat iemand, die onder invloed staat van jaḍa-māyā, diezelfde kṛṣṇa-līlā in een externe verschijningsvorm ziet. Yogamāyā brengt met iedere nitya-priyā de paroḍhā-abhimāna van Goloka naar Vraja over en geeft die abhimāna-vorm dan een afzonderlijke, individuele existentie. Door vervolgens de huwlijken tussen de nitya-priyā-gopī's en die afzonderlijke bestaansvormen[1] te arrangeren maakt ze Kṛṣṇa de upapati.

De alwetende puruṣa en de alwetende śakti's, die in hun respectievelijke rasa zijn verzonken, aanvaarden deze bhāva's. Dit is een indicatie voor de superieuriteit van rasa en de superexcellentie van de geheel onafhankelijke icchā-śakti. Zulke uitmuntendheid bestaat niet in Vaikuṇṭha en Dvārakā. Wanneer de prāṇa-sakhī's samen met de nitya-priyā gopī's sālokya krijgen, wordt hun aan restricties gehouden pati-bhāva breder en omvat upapati-bhāva. Dit is hun hoogst bereikbare voltooiing.

Vijaya: Deze siddhānta is heel exceptioneel. Mijn hart voelt als vernieuwd aan. Wilt u me nu alstublieft alles uitleggen over de nitya-priyā gopī's?

Gosvāmī: Śrī Gauracandra had zulke esoterische principes niet door mijn mond kunnen openbaren, als er niet zo'n gekwalificeerde toehoorder was geweest als jij, goed persoon. Kijk eens hier, Śrī Jīva Gosvāmī, die alwetend (sarva-jŮā) is, heeft zich op diverse plaatsen op een zeer vertrouwelijke manier over dit onderwerp beraden, hetgeen je kunt begrijpen door zijn commentaren en literatuur te lezen, zoals Kṛṣṇa-sandarbha. Śrī Jīva Gosvāmī was altijd bevreesd, dat, indien ongekwalificeerde personen zich tegoed zouden doen aan deze zeer esoterische principes, ze later zouden kunnen onderduiken in een gecorrumpeerde vorm van dharma. In die tijd was Śrī Jīva Gosvāmī bezorgd over alle fouten, zoals rasābhāsa en de verminking van rasa, die we tegenwoordig in zogenaamde Vaiṣṇavaís aantreffen. Ondanks dat hij zo voorzichtig was, heeft hij deze tegenspoed niet kunnen voorkomen. Je mag over deze siddhānta dus niet spreken in aanwezigheid van anderen, behalve degenen, die gekwalificeerd zijn om dit te ontvangen. Nu ga ik de nitya-priyā gopī's beschrijven.

Vijaya: Wie zijn de nitya-priyā gopī's? Hoewel ik in het verleden vele śāstra's heb bestudeerd, is mijn enige wens deze nectar te drinken uit de lotusmond van Śrī Gurudeva.

Gosvāmī: Evenals Kṛṣṇa zijn de nitya-priyā gopī's in Vraja de rustplaats van alle kwaliteiten, zoals schoonheid en vernuft. Rādhā en Candrāvalī zijn de belangrijksten onder hen. Er wordt in de Brahma-saṁhitā (5.37) naar hen verwezen.

ānanda-cinmaya-rasa-pratibhāvitābhis
tābhir ya eva nija-rūpatayā kalābhiḥ
goloka eva nivasaty akhilātma-bhūto
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi

Wanneer de ānanda-aṁśa van de sac-cid-ānanda-para-tattva de cid-aṁśa stimuleert, die vervolgens door de afzonderlijk manifeste hlādinī pratibhā (schittering) wordt geŽnthousiasmeerd, worden Śrīmatī Rādhikā samen met Haar sakhī's, die allemaal extensies van Haar spirituele vorm zijn, manifest. Ik voer bhajana uit voor die Govinda, de allerhoogste, oorspronkelijke Ziel der zielen. In Goloka-dhāma resideert Hij eeuwigdurend met die meisjes, die allemaal beschikken over de vierenzestig kunstvormen.

De nitya-priyā gopī's zijn door Brahmā genoemd in deze uitspraak, die de essentie van alle veda's is. Ze zijn nitya, wat betekent, dat ze een manifestatie zijn van cit-śakti, en staan daarom buiten de dimensies van tijd en plaats Ė dit is waarheid. Aldaar is de nitya-līlā een uitdrukking van de vierenzestig kunstvormen: kalābhiḥ svāṁśa-rūpābhiḥ śaktibhīḥ. Hoewel er door de ācāryaís in andere commentaren op Bhrama Saṁhitā verschillende betekenissen zijn gegeven, heb ik hier het uiterst confidentiŽle commentaar van Śrī Svarūpa Dāmodara Gosvāmī uitgelegd. Deze geheime schat ligt verborgen in de gewelven van het hart van Śrī Rūpa-Sanātana en Śrī Jīva Gosvāmī's.

Vijaya: Ik ben intens begerig om de diverse namen van de nitya-priyā gopī's te horen.

Gosvāmī: Śāstraís, zoals de Skanda Purāṇa en Prahlāda-saṁhitā, hebben namen genoemd, zoals Rādhā, Candrāvalī, Viśākha, Lalitā, Śyāmā, Padmā, Śaibyā, Bhadrikā, Tārā, Vicitrā, Gopālī, Dhaniṣṭhā en Pālī. Een andere naam van Candrāvalī is Somātā, en Śrīmatī Rādhikā wordt ook Gāndharvā genoemd. Vraja-gopī's, zoals KhaŮjanākṣī, Manoramā, Maṅgalā, Vimalā, Līlā, Kṛṣṇā, Śārī, Viśāradā, Tārāvalī, Cakorākṣī, Śaṅkarī en Kuṁkumā zijn in deze wereld ook befaamd.

Vijaya: Wat hun onderlinge relatie?

Gosvāmī: Deze gopī's zijn yūtheśvarī's (groepleidsters). Er zijn niet ťťn of twee groepen, maar honderden en in iedere groep zitten duizenden prachtige, individuele gopī's. Alle bovengenoemde gopī's, van Śrīmatī Rādhikā tot Kuṁkumā, zijn yūtheśvarī's. Viśākhā, Lalitā, Padmā en Śaibyā zijn in de śāstraís uitgebreider beschreven dan de anderen. Van deze yūtheśvarī's zijn de acht gopī's te beginnen met Rādhā pradhānā genoemd, omdat ze het meest fortuinlijk zijn.

Vijaya: Viśākhā, Lalitā, Padmā en Śaibyā zijn pradhānā gopī's en ze zijn in het bijzonder deskundig in het voeden van Kṛṣṇa's spel en vermaak. Waarom worden ze niet geaccepteerd als onderscheiden yūtheśvarī's?

Gosvāmī: Ze zijn dermate gekwalificeerd, dat, hoewel het juist zou zijn hen yūtheśvarī te noemen, Lalitā en Viśākhā zo betoverd blijven door de allerhoogste, zegenrijke bhāva van Śrīmatī Rādhikā, dat ze zich geen onafhankelijke yūtheśvarī willen noemen. Sommigen van hen volgen in de voetsporen van Śrīmatī Rādhikā en anderen in die van Candrāvalī.

Vijaya: Ik heb gehoord, dat Lalitā een gaṇa (subgroep) heeft. Wat is dat voor een groep?

Gosvāmī: Śrīmatī Rādhājī is prominent onder alle yūtheśvarī's. Sommige gopī's in Haar afhankelijke yūtha's worden door de speciale bhāva van Śrī Lalitājī aangetrokken en noemen zich Lalitā gaṇa. Andere gopī's verwijzen naar zichzelf als Viśākhā gaṇa, enzovoort. De aṣṭa-sakhī's aangevoerd door Lalitā en Viśakhā zijn de heldinnen van Śrīmatī Rādhikā's verschillende gaṇa's. Als je heel veel geluk hebt, kun je de kwalificatie bemachtigen om de gaṇa van Śrīmatī Lalitā binnen te gaan.

Vijaya: In welke śāstraís kunnen de namen van deze gopī's worden aangetroffen?

Gosvāmī: Hun namen worden genoemd in śāstraís, zoals Padma Purāṇa, Skanda Purāṇa en de Uttara khaṇḍa van Bhaviṣya Purāṇa. Er worden ook een aantal namen genoemd in Sātvata-tantra.

Vijaya: Śrīmad-Bhāgavatam is in het totale universum het kroonjuweel van alle śāstraís, dus het zou een groot plezier betekenen, als deze namen daar ook werden vermeld.

Gosvāmī: Śrīmad-Bhāgavatam is een tattva-śāstra, maar hij is tevens een oceaan van rasa. Vanuit het gezichtspunt van de rasika-bhakta's staat Śrīmad-Bhāgavatamvol met zorgvuldige afwegingen van rasa-tattva, alsof een hele oceaan in een enkele waterkruik is gegoten. Śrī Rādhā's naam en de bhāva's en identiteiten van alle gopī's zijn daar op een uiterst vertrouwelijk wijze beschreven. Als je diepgaand nadenkt over de ślokaís van het Tiende Canto, kun je daar alles vinden. Śrī Śukadeva Gosvāmī heeft dit onderwerp op een vertrouwelijke manier beschreven om ongekwalificeerde lieden op een afstand te houden. Vijaya, wat zou het gevolg zijn, als we heilige mālā's om te chanten en uitdrukkelijke beschrijvingen aan jan en alleman zouden geven? De lezer kan de vertrouwelijke onderwerpen alleen begrijpen, voor zover de ontwikkeling van zijn begripsvermogen dat toelaat. Vandaar, dat het de kwaliteit van een ware paṇḍita is, om onderwerpen op een versleutelde manier te openbaren, die niet zijn geschikt om in aanwezigheid van iedereen te onthullen. Alleen gekwalificeerde mensen begrijpen ze, voor zover hun adhikāra het hen toestaat. Er bestaat geen kennis van de wezenlijke vastu zonder de śrī-guru-paramparā. Je kunt wel op andere manieren kennis vergaren, maar dat heeft geen enkel effect. Je kunt alleen bij de volledige rasa van Śrīmad-Bhāgavatam komen, nadat je Ujjvala-nīlamaṇi diepgaand hebt begrepen.

Op dat moment was na een lange zitting van vraag en antwoord de iṣṭagoṣṭhi voor die dag voltooid. Vijaya keerde naar zijn residentie terug en mediteerde onophoudelijk op de onderwerpen, waarover hij had horen vertellen. Omdat alle vicāra (overwegingen) in relatie tot nāyaka en nayīkā in het veld van zijn hart ontwaakte, raakte hij verzonken in paramānanda en naarmate hij zich de gesprekken over vaṁśī en svayaṁ-dūtī herinnerde, vloeide er een dikke stroom tranen uit zijn ogen. Op dat moment verscheen het spel, dat hij de vorige nacht in het bos op weg naar Sundarācala had gezien, in levende lijve op het scherm van zijn hart.

 

Aldus eindigt het TweeŽndertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Madhura-rasa: Parakīya-nayīkā's"


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 31 Ė "Madhura-Rasa: Krsna's Svarupa, de Nayaka & Svakiya-Nayikas"

Volgende: Hoofdstuk 33 Ė "Madhura-Rasa: Sri Radha's Svarupa, vijf typen Sakhis & Koeriers"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl