Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 31

Madhura-Rasa: Krsna's Svarupa, de Nayaka & Svakiya-Nayikas


Het najaar was een heel aangename tijd. Op een avond rond tien uur had de aarde een sari van koel en zacht maanlicht omgeslagen, die haar schoonheid buitengewoon aantrekkelijk maakte. Vijaya Kumāra zat de Ujjvala-nīlamaṇi te lezen en peinsde over de onderwerpen daarin, toen zijn blik plotseling op de heilzame stralen van het maanlicht viel. Zijn hart raakte vervuld van een onbeschrijflijke vervoering en hij dacht, "Dit is een schitterende tijd. Waarom ga ik niet onmiddellijk darśana nemen van Sundarācala? Ik heb gehoord, dat Śrī Caitanya Mahāprabhu, als hij darśana kreeg van Sundarācala, een sphūrti van vraja-dhāma zag." Terwijl hij dit dacht aanvaardde Vijaya Kumāra instructies voor de beoefening van bhajana in zuivere madhura-rasa. Zijn gedachten vloeiden uitsluitend naar het horen over Kṛṣṇa's vraja-līlā en in het bijzonder Śrī Kṛṣṇa's spel met de gopī's, terwijl alle andere onderwerpen hem smakeloos voorkwamen.


Hij passeerde Balagaṇḍī en vervolgde zijn weg naar Śraddhābāli. Toen hij de kleine bossen aan weerszijden zag, manifesteerde zich vlak voor zijn ogen een sphūrti van Vṛndāvana. Hij werd overweldigd door prema en zei, "Aho ! Wat ben ik fortuinlijk! Ik krijg darśana van die vraja-bhūmi, die zeer moeilijk is te verkrijgen zelfs voor de devatā's, zoals Brahmā. Wat zijn deze schaduwrijke huiskamers in het bos toch mooi! Kijk eens, die kuŮja-vana ! Oh! Wat zie ik allemaal? Onder deze maṇḍapa van mādhavī-mālatī klimranken zit de meester van mijn leven, Śrī Kṛṣṇa, met de gopī's te lachen en grapjes te maken!" Vijaya Kumāra werd helemaal rusteloos. Hij deed afstand van de gevoelens van angst en consideratie voor formaliteiten en rende er in volle vaart op af zonder zich van zijn lichaam en geest bewust te zijn. Na een kleine afstand te hebben afgelegd viel hij echter bewusteloos op de grond. Een zacht briesje begon hem zijn dienst te verlenen en na enige tijd kwam hij weer bij zijn externe zinnen. Hij keek in alle richtingen, maar het visioen was nergens meer te bekennen. Even later keerde hij overmand door verdriet naar zijn verblijfplaats terug en ging op zijn bed liggen zonder iets tegen iemand te zeggen.

Vijaya was ontzettend blij met de sphūrti van vraja-līlā. In zijn hart dacht hij, "Morgen zal ik aan de lotusvoeten van Śrī Gurudeva een beschrijving geven van het vertrouwelijke mysterie, dat ik vanavond heb gezien." Het volgende moment echter herinnerde hij zich, dat je nooit iets aan anderen mag vertellen, als je met groot geluk de confidentiŽle aprākṛta-līlā hebt gezien. Hij lag hierover na te denken en viel geleidelijk in slaap.

Nadat hij prasāda had geŽerd, ging hij naar het huis van Kāśī Miśra en gaf zijn sāṣṭāṅga praṇāma aan zijn Gurudeva en ging voor hem zitten. Śrī Gurudeva omhelsde hem met genegenheid en informeerde naar zijn welzijn.

Vijaya Kumāra was heel blij om zijn Gurudeva te zien. Hij bracht zichzelf tot bedaren en zei, "Prabhu, door uw oneindige genade is mijn mensenleven een succes geworden. Nu verlang ik ernaar om een paar vertrouwelijke tattva's met betrekking tot śrī-ujjvala-rasa te horen. Ik heb Ujjvala-nīlamaṇi gelezen en er zijn bepaalde delen, waarvan ik de uitleg niet begrijp. Mag ik u er een paar vragen over stellen?"

Gosvāmī: Vijaya, je bent mijn geliefde leerling. Je mag gerust al je vragen stellen en ik zal proberen ze te beantwoorden, voor zover ik dat kan.

Vijaya: Prabhu, van alle mukhya rasa's wordt madhura-rasa de rasa genoemd, die aanleiding geeft tot een overvloed aan mysteriŽn. En waarom ook niet? Aangezien de kwaliteiten van de andere vier rasa's Ėśānta, dāsya, sakhya en vātsalya Ė eeuwigdurend in madhura-rasa aanwezig zijn, worden alle verbazingwekkende en wonderbaarlijke kwaliteiten, die ze ontberen, op volmaakt esthetische wijze in madhura-rasa gevestigd. Hieruit volgt, dat madhura-rasa zonder twijfel superieur is aan alle andere. Madhura-rasa is totaal ongeschikt voor degenen, die hun toevlucht nemen tot het pad van onpersoonlijke verzaking, omdat hun hart gortdroog is. Tegelijkertijd vinden degenen, die worden aangetrokken tot wereldse lustbevrediging, madhura-rasa onverteerbaar, omdat hij exact is tegengesteld aan de materiŽle natuur. De madhura-rasa van Vraja wordt niet gemakkelijk bereikt, omdat hij totaal verschillend is van śṛṅgāra-rasa in de materiŽle wereld. Waarom lijkt dan de aprākṛta-madhura-rasa zoveel op de verachtelijke, wereldse rasa tussen mannen en vrouwen in het materiŽle bestaan?

Gosvāmī: Vijaya, je weet, dat alle variŽteiten in de aardse sfeer afspiegelingen zijn van de variŽteiten in de transcendentale sfeer en dat de materiŽle wereld zelf ook een reflectie is van de spirituele wereld. Hierin schuilt een diep geheim, namelijk, dat de aard van de gereflecteerde ervaring van nature omgekeerd is. Alles, wat uiterst verheven is in het oorspronkelijke bestaan of in de oorspronkelijke vorm, wordt in de reflectie uiterst abominabel en alles, wat het laagste is in de oorspronkelijke vorm wordt als het hoogste beschouwd in zijn gereflecteerde vorm. Ieder onderdeel van het lichaam verschijnt in omgekeerde vorm in zijn spiegelbeeld; op dezelfde manier wordt de parama-vastu (allerhoogste, transcendentale Realiteit) onder invloed van Zijn eigen, onbevattelijke śakti gereflecteerd. De schaduw van die śakti heeft zich tot in ieder detail naar het materiŽle bestaan verplaatst. Het gevolg is, dat alle eigenschappen van de parama-vastu in de materiŽle wereld op hun kop verschijnen.

Transcendentale rasa, die zelf nu juist de natuur is van parama-vastu, wordt in deze onbewuste materiŽle wereld als de verschrikkelijke, aardse rasa gereflecteerd. Het verbazingwekkende, weergaloze, gedifferentieerde geluk in de parama-vastu is zijn hoogst eigen, inherente rasa, maar als deze wordt weerspiegeld op het verdichte platform van de materiŽle wereld, beeldt de geconditioneerde jīva zich in, dat dit heilige principe materiŽle kenmerken en eigenschappen heeft. Dan neemt hij aan, dat de spirituele substantie slechts vormloos en ongedifferentieerd (nirviśeṣa) is en hij beeldt zich in, aangezien variatie in de nirviśeṣa-tattva afwezig is, dat alle vormen van variatie wezenlijk aards moeten zijn. Het gevolg is, dat hij de eeuwige natuur van het transcendentale bestaan, dat vrij is van alle materiŽle eigenschappen, niet kan bevatten, omdat het er totaal aan voorbij gaat. Dit is het onvermijdelijke resultaat van het gebruik van logica in een poging de waarheid te leren kennen.

De parama-vastu is in feite vol verbazingwekkende variŽteiten, want Hij is de belichaming van alle rasa. Aangezien spirituele variŽteiten in de aardse rasa worden gereflecteerd, kun je van de aardse rasa gebruik maken om daaruit het bestaan en de kwaliteiten van de spirituele rasa af te leiden, die zich buiten je zintuiglijke waarneming bevinden. De variŽteiten van rasa in de parama-vastu zijn alsvolgt. In de spirituele wereld bevindt de śānta-dharma, die śānta-rasa belichaamt, zich in de laagste positie; hierboven bevindt zich dāsya-rasa, daarboven sakhya-rasa; boven sakhya-rasa bevindt zich vātsalya-rasa, en madhura-rasa heerst schitterend boven alle andere. In de materiŽle wereld staat alles ondersteboven, dus madhura-rasa staat hier op het laagste niveau, vātsalya staat erboven, sakhya staat boven vātsalya en śānta-rasa is de hoogste van allemaal.

De positie en activiteiten van de reflectie van madhura-rasa in de gewone wereld zijn buitengewoon triviaal en beschamend. Het gevolg is, dat mensen, die vanuit het wereldse perspectief over rasa-tattva nadenken, tot de conclusie komen, dat madhura-rasa ellendig en verachtelijk is. In de spirituele wereld is hij in feite volkomen zuiver, onbevlekt en vol verbijsterende lieftalligheid. Daar is het ontmoeten van Kṛṣṇa met Zijn uiteenlopende typen śakti als puruṣa-prakṛti volslagen zuiver en de oorsprong van alle waarheid.

In de materiŽle wereld is het gedrag tussen mannen en vrouwen inderdaad beschamend. Maar in de spirituele wereld bestaat geen overschrijding van de dharma, want Kṛṣṇa is de enige puruṣa en alle cit-tattvas in deze rasa zijn prakṛti. In de materiŽle wereld daarentegen is de ene jīva de genieter en de andere jīva wordt genoten en ze willen zich dan ook op die manier tot elkaar verhouden. Deze affaire ontwikkelt zich tot iets vreselijks en is beschamend, want het is volkomen tegengesteld aan fundamentele tattva. In tattva is niet de ene jīva de genieter van de andere jīva. In tegendeel, Śrī Kṛṣṇa is de enige genieter en alle jīvaís zijn er om door Hem te worden genoten. De situatie, waarin de jīva de genieter wordt, druist in tegen zijn eeuwige dharma. Er bestaat dus geen enkele twijfel over, dat deze gang van zaken buitengewoon beschamend en verachtelijk is. Gezien vanuit het perspectief van de realiteit en haar reflectie is het onvermijdelijk, dat het gedrag van gewone mannen en vrouwen identiek lijkt aan Kṛṣṇa's vlekkenloze spel en vermaak, zelfs al is het ene zeer minderwaardig en is het andere het meest verheven en uiterst betekenisvol.

Vijaya: Prabhu, nu ik deze ongekende siddhānta en het begrip ervan heb gehoord, is aan mijn bedoeling tegemoet gekomen. Mijn vanzelfsprekende overtuiging is nu vastberaden geworden en al mijn twijfels zijn opgelost. Nu heb ik de positie van madhura-rasa in de spirituele wereld begrepen. Aho ! Evenals juist het woord madhura-rasa 'zoet' betekent, zo geeft ook zijn transcendentale bhāva aanleiding tot de allerhoogste, zegenrijke vreugde (paramānanda). Wie is er nu zo onfortuinlijk om zijn voldoening in śānta-rasa te zoeken, terwijl er een rasa is, zoals madhura-rasa? Prabhu, ik wil graag de uitgebreide en volledige uitleg horen van de filosofie en de principes van de vertrouwelijke madhura-rasa.

Gosvāmī: Luister, Bābā! Kṛṣṇa is de viṣaya van madhura-rasa, Zijn dierbaar geliefde gopī's zijn de āśraya en beiden tesamen zijn de ālambana van deze rasa.

Vijaya: Wat is de prachtige vorm van Kṛṣṇa als viṣaya van deze rasa?

Gosvāmī: Aho, wat een zoete vraag! Kṛṣṇa's gelaatskleur heeft de tint van een moessonwolk. Hij is bekoorlijk en beminnelijk en Hij heeft alle heilzame lichaamseigenschappen. Hij is een sterke, ontluikende jongeling en Hij is een welbespraakt en geliefd redenaar. Hij is intelligent, schitterend, nuchter, handig, slim, gelukkig, dankbaar, oprecht en Hij wordt beheerst door liefde. Hij is diepzinnig, superexcellent en beroemd. Hij steelt het hart van jonge meisjes en Hij is altijd levendig en nieuw. Hij geniet van onvergelijkbare spellen en avonturen, Hij beschikt over een verfijnde schoonheid en Hij is de meest dierbare geliefde, die op Zijn vaṁśī speelt. Kṛṣṇa is de enige persoon, die deze kwaliteiten heeft. De schoonheid van Zijn twee lotusvoeten heeft Kandarpa's trots in puin geslagen. Zijn zijdelingse blikken betoveren ieders hart en Hij is een schatkamer van speelse avonturen.

Vijaya: Ik heb volkomen gerealiseerd, dat Śrī Kṛṣṇa met Zijn aprākṛta vorm en kwaliteiten de enige nāyaka van de allerhoogste, wonderbaarlijke, transcendentale madhura-rasa is. Toen ik voorheen diverse śāstraís bestudeerde, gebruikte ik logica en rede om op de vorm van Kṛṣṇa te mediteren, maar mijn vertrouwen in Zijn vorm werd niet stevig gevestigd. Door uw genade echter is bhakti gebaseerd op ruci in mijn hart verrezen. Doordat mijn hart door toewijding is gezuiverd, ervaar ik daar constant de sphūrti van Kṛṣṇa, dag en nacht. Zelfs al verlaat ik Kṛṣṇa, Kṛṣṇa verlaat niet mijn hart. Aho ! Wat is Hij genadig! Nu begrijp ik werkelijk,

sarvathaiva durūho 'yam abhaktair bhagavad-rasaḥ
tat-pādāmbuja-sarvasvair bhaktair evānurasyate
vyatītya bhāvanā-vartma yaś camatkāra-bhāra-bhuḥ
hṛdi sattvojjvale bāḍhaṁ svadate sa raso mataḥ
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Bhakti-rasāmṛta-sindhu (Zuidelijke Divisie, 5.78-79)

Alleen de śuddhā-bhakta's, die Śrī Kṛṣṇa's lotusvoeten als hun enige bezit aanvaarden, kunnen deze bhagavad-rasa ervaren. Men kan deze rasa nimmer ervaren of verwezenlijken, als het hart niet het minste spoor van bhakti heeft, als men vol aardse gevoelens zit, of als zijn saṁskāraís zijn natuur zodanig hebben vervormd, dat men aan logica verslaafd is.

Prabhu, ik heb me gerealiseerd, dat rasa de allerhoogste, zuivere en wonderbaarlijke bhāva is, die in het hart verschijnt, wanneer het door śuddhā-sattva wordt verlicht en dat het de grenzen van het menselijke denkvermogen overstijgt. Rasa is de entiteit van de spirituele wereld en is afwezig in de gewone wereld. Hij manifesteert zich op de zuivere existentie (sattā) van de jīva, die van nature een atomisch deeltje bewustzijn (cit-kaṇa) is. Deze rasa wordt ervaren in de staat van bhakti-samādhi. Iemand, die de genade van Śrī Gurudeva heeft ontvangen en onderscheid kan maken tussen śuddhā-sattva (zuivere goedheid) en miśra-sattva (vermengde goedheid), laat hierover in het geheel geen twijfel bestaan.

Gosvāmī: Wat je zegt, is volstrek waar. Nu ga ik je een vraag stellen om veel van je twijfels weg te nemen. Door hem eenvoudig te beantwoorden zal je een transcendentale tattva realiseren. Vertel me eens, wat het verschil is tussen śuddhā-sattva en miśra-tattva?

Vijaya Kumāra gaf sāṣṭāṅga-daṇḍavat-praṇāma aan Śrī Gurudeva's voeten en zei op nederige toon, "Prabhu, met uw genade zal ik het zo goed ik kan uitleggen. Verbetert u me alstublieft, als ik fouten maak. Datgene, wat bestaan heeft heet sattā en een substantie, die een feitelijke positie, vorm, kwaliteit en activiteit heeft, kan sattva worden genoemd. Śuddhā-sattva is sattva, die geen begin en eind heeft en waarvan de vorm eeuwigdurend nieuw is. Ze is niet besmet door de onderverdelingen van verleden en toekomstige tijd en blijft altijd volmaakt verbazingwekkend. Śuddhā-sattva sluit alle bestaansaspecten in, die de producten zijn van de zuivere, spirituele energie (śuddhā-cit-śakti).

"In māyā, die de schaduw is van de cit-śakti, heeft de transformatie van tijd plaats in de vorm van verleden en toekomst. Alle bestaansaspecten in deze māyā bevatten de rajo-dharma (functie van de geaardheid hartstocht) van māyā, want ze hebben een begin. Ze bevatten ook de tamo-dharma (functie van de geaardheid onwetendheid), want ze hebben een eind. Miśra-sattva verwijst naar aspecten van māyika-sattva, die een begin en een eind hebben.

"Welnu, de zuivere jīva is śuddhā-sattva en zijn vorm, kwaliteiten en activiteiten zijn ook samengesteld uit śuddhā-sattva. Aangezien echter de śuddhā-jīva werd geconditioneerd, werden de twee kwaliteiten van māyā Ė rajo-guṇa en tamo-guṇa Ė met zijn zuivere sattva vermengd. Daarom wordt de geconditioneerde jīva miśra-sattva (gemengd bestaan of vermengde goedheid) genoemd.

Gosvāmī: Bābā, je hebt een uiterst subtiele siddhānta gepresenteerd. Nu moet je me eens vertellen, hoe het hart van de jīva door śuddhā-sattva wordt verlicht.

Vijaya: De śuddhā-sattva (zuivere existentie) van de jīva treedt niet duidelijk op de voorgrond, zolang hij geconditioneerd blijft in de materiŽle wereld. Hij verwezenlijkt zijn svarūpa naarmate zijn śuddhā-sattva verrijst, maar hij kan dit resultaat niet bereiken met de sādhana van karma of jŮāna. De reden hiervoor is alsvolgt. Geen lichamelijke onzuiverheid kan worden weggenomen door een andere substantie, die zelf onzuiver is. Aards karma is van nature onzuiver, dus hoe kan het de besmetting van māyika onzuiverheid van de jīva wegnemen? Wat jŮāna betreft, dit is als vuur, want het verbrandt de onzuiverheid, maar vaagt tegelijkertijd de fundamentele sattva (existentie) weg. Hoe kan dit aanleiding geven tot het geluk, dat voortkomt uit het reinigen van de onzuiverheid? Śuddhā-sattva kan dus alleen verschijnen door bhakti, dat verrijst door de genade van Kṛṣṇa en de Vaiṣṇavaís. Zodra bhakti verschijnt, verlicht śuddhā-sattva het hart.

Gosvāmī: Het is een groot genoegen om instructies te geven aan iemand, die zo gekwalificeerd is als jij. Welnu, waarnaar wil je nog meer informeren?

Vijaya: U hebt al uitgelegd, dat er vier typen nāyaka zijn: dhīrodātta, dhīra-lalita, dhīra-śānta en dhīroddhata. Welke van deze is Kṛṣṇa?

Gosvāmī: Al deze vier typen heroÔsche karakteristieken zijn in Kṛṣṇa aanwezig. De wederzijds tegenstrijdige bhāva's, die in deze vier typen nāyaka worden waargenomen, zijn allemaal door Zijn acintya-śakti aanwezig in nāyaka Kṛṣṇa en Hij beschikt over de śakti, waarmee Hij alle rasa's tegelijkertijd in stand houdt. Deze bhāva's treden in overeenstemming met Kṛṣṇa's wensen op. Kṛṣṇa, die beschikt over de eigenschappen van al deze vier typen nāyaka, heeft ook nog een andere fascinerende en geheime bijzonderheid, die alleen buitengewoon gekwalificeerde personen in staat zijn te kennen.

Vijaya: Aangezien u me reeds uw grote zegen hebt gegeven, wil ik u vragen, om me deze tattva ook te vertellen.

Vijaya Kumāra's ogen vulden zich met tranen, toen hij dit zei, en viel aan Gosvāmījī's voeten. Gosvāmījī tilde hem op en omhelsde hem. Zijn eigen ogen vulden zich ook met tranen, toen hij met een door emoties gebroken stem zei, "Bābā, het confidentiŽle mysterie is, dat in madhura-rasa Kṛṣṇa twee verschillende typen nāyaka is: Hij is echtgenoot (pati) en tevens minnaar (upapati)."

Vijaya: Prabhu! Kṛṣṇa is onze eeuwige pati. Hij mag alleen pati worden genoemd, dus waarom bestaat de relatie van upapati?

Gosvāmī: Dit is een groot mysterie. Spirituele aangelegenheden zijn als mysterieuze juwelen en hiervan is parakīya-madhura-rasa de Kaustubha-maṇi.

Vijaya: Bhakta's, die hun toevlucht hebben genomen tot madhura-rasa houden zich bezig met bhajana in de bhāva, dat Kṛṣṇa hun pati is. Wat betekent het om Kṛṣṇa als je upapati te beschouwen?

Gosvāmī: Geen enkele rasa verschijnt, als je para-tattva als onpersoonlijk beschouwd en het met een onpersoonlijk gevoel (nirviśeṣa-bhāva) vereert. Dit proces ontkent de geldigheid van Vedische uitspraken, zoals raso vai saḥ: "Die Allerhoogste Absolute Waarheid is de verpersoonlijking van alle rasa's" (Chāndogya Upaniṣad 8.13.1). Nirviśeṣa-bhāva is zinloos vanwege zijn ernstige gebrek aan geluk. Vanuit een andere gezichtshoek bezien kan de ervaring van rasa zich progressief ontwikkelen in overeensteming met de variŽteit van saviśeṣa-bhāva. Je moet begrijpen, dat rasa de primaire tattva van de para-tattva is. De saviśeṣa-bhāva genaamd īśvara-bhāva, waarin men zich relateert aan de Allerhoogste als Bestuurder, is ietwat superieur aan nirviśeṣa-bhāva en de prabhu-bhāva van dāsya-rasa is hoger dan de īśvara-bhāva van śānta-rasa. Sakhya-bhāva is verhevener dan dāsya-bhāva, vātsalya-bhāva is nog hoger en madhura-rasa is de hoogste van allemaal. Zoals er een volgorde in deze reeks bhāva's bestaat, waarbij iedere volgende bhāva beter is dan de voorgaande, zo is parakīya-madhura-rasa superieur aan svakīya.

Er zijn twee tattva's: ātmā (die van jezelf) en para (die van anderen als āśraya). De natuurlijke neiging om in het zelf verankerd te zijn (ātmā-niṣṭhā-dharma) wordt ātmārāmatā (de voldoening van zelfconcentratie) genoemd en in deze ātmārāmatā krijgt rasa geen assistentie van afzonderlijke entiteiten. Kṛṣṇa heeft deze kwaliteit van eeuwigdurend zichzelf genoeg zijn. Op hetzelfde moment echter bestaat in Hem ook eeuwigdurend de kwaliteit van plezier maken met assistentie van anderen (parārāmatā-dharma). Het totaal van tegenstrijdige eigenschappen is in parama-puruṣa, Śrī Kṛṣṇa gelijktijdig aanwezig. Dit is de intrinsieke en wezenlijke aard van de Allerhoogste Absolute Waarheid (para-tattva). In ťťn aspect van kṛṣṇa-līlā is ātmārāmatā aanwezig, terwijl in de tegenhanger van die kṛṣṇa-līlā de kern van parārāmatā schitterend heerst in zijn volle glorie. Het hoogtepunt van deze parārāmatā is parakīya-bhāva. Parakīya-rasa is de verbijsterende rasa, die verschijnt, wanneer de nāyaka en nayīka door rāga (aantrekking) zijn verenigd, zelfs al is de relatie tussen hen para-bhāva (bhāva van het aanvaarden van para Ė de gade van een ander).

Het volledige spectrum van rasa loopt dus van ātmārāmatā naar parakīya-madhura-rasa. Als rasa in de richting van ātmārāmatā wordt getrokken, wordt hij geleidelijk droger, terwijl de mate, waarin hij naar parakīya wordt getrokken, hem in volle bloei zet. Als Kṛṣṇa de nāyaka is, kan parakīya-rasa nimmer uit de gratie vallen, maar als een gewone jīva de nāyaka wordt, noopt dat tot de inachtneming van dharma en adharma en dan wordt parakīya-bhāva uiterst minderwaardig. Daarom hebben de dichters besloten, dat de vereniging tussen een mannelijke minnaar en een getrouwde vrouw uiterst verachtelijk is. Śrī Rūpa Gosvāmī echter heeft gezegd, dat, hoewel alaṅkāra-śāstra de upapati als gehaat en verachtelijk heeft beschreven, dit alleen van toepassing is op een wereldse (prākṛta) nāyaka. Zulke conclusies gelden geenszins voor Śrī Kṛṣṇa, die de rechtstreekse, transcendentale bron van alle avatāra's is.

Vijaya: Weest u alstublieft zo goed me te vertellen over de verschillende eigenschappen van pati.

Gosvāmī: Een pati is iemand, die de hand van een bruid in het huwelijk heeft geaccepteerd.

Vijaya: Wilt u nu alstublieft de eigenschappen van upapati en parakīya uitleggen?

Gosvāmī: De upapati is een man, die wordt gedreven door een intens verlangen om de dharma te tarten en een parakīya als zijn meest dierbare geliefde te aanvaarden. Een parakīya is een vrouw, die de dharma van deze wereld en de volgende veronachtzaamt, de regulerende principes van het huwelijk overtreedt en zichzelf volkomen aanbiedt aan een andere man dan haar echtgenoot. Er zijn twee typen parakīya, namelijk ongehuwd (kanyā) en gehuwd (paroḍhā).

Vijaya: Welke zijn de symptomen van svakīya?

Gosvāmī: Een kuise vrouw, die volgens de regulerende principes is getrouwd en die altijd is verzonken in het volgen van de orders van haar echtgenoot, wordt svakīya genoemd.

Vijaya: Wie zijn svakīya en wie zijn parakīya voor Śrī Kṛṣṇa?

Gosvāmī: De gehuwde dames van Dvārakā Purī zijn svakīya en de jonge gopī's van Vraja zijn voornamelijk parakīya.

Vijaya: Waar zijn deze twee typen gemalinnen in de aprakaṭa-līlā gesitueerd?

Gosvāmī: Dit is zeer vertrouwelijke materie. Je weet, dat het domein van de para-tattva uit vier kwarten bestaat. Driekwart van Zijn vermogens (vibhūti) zijn manifest in het spirituele veld en ťťn kwart in het materiŽle veld. Dus het totale veld van māyā, dat uit veertien planetaire stelsels bestaat, ligt in ťťn kwart van Zijn vibhūti. De rivier Virajā stroomt tussen de materiŽle en spirituele gebieden door, met de wereld van māyā aan deze zijde en het spirituele gebied aan de overzijde. Brahma-dhāma, dat bestaat uit licht, omringt de spirituele wereld (cit-jagat) aan alle zijden. Als je door dat lichtveld heengaat en voorbij de Virajā doordringt, wordt het spirituele veld (paravyoma) als saṁvyoma-rūpa Vaikuṇṭha gezien. Daar is aiśvarya prominent en Nārāyaṇa regeert er als de Heer der heren bijgestaan door onbegrensde, transcendentale, majesteitelijke śakti's. In Vaikuṇṭha heeft Bhagavān svakīya-rasa en de śrī, bhū en nīlā-śakti's dienen Hem daar als svakīya gemalinnen. In Vaikuṇṭha blijven de svakīya gemalinnen van de stad (pura) verzonken in hun respectievelijke, toegewezen diensten. Boven Vaikuṇṭha ligt Goloka. In Goloka dienen de jongedames van Vraja Kṛṣṇa in hun bepaalde rasa.

Vijaya: Als Kṛṣṇa's hoogste dhāma Goloka is, waarom is dan de wonderbaarlijke glorie van Vraja de hemel in geprezen?

Gosvāmī: Plaatsen zols Vraja, Gokula en Vṛndāvana bevinden zich binnen Śrī Mathurā-maṇḍala. Mathurā-maṇḍala en Goloka zijn niet-verschillend van elkaar (abheda-tattva). Als dit ene fenomeen zich in de hoogste regionen van de cit-jagat bevindt, wordt het gekend als Goloka en als het in dit materiŽle universum wordt gemanifesteerd, heet het Mathurā-maṇḍala. Het wordt dus in deze twee svarūpa's gelijktijdig gevierd.

Vijaya: Hoe is dat mogelijk? Ik begrijp het niet.

Gosvāmī: Zulke fenomenen zijn alleen mogelijk door Kṛṣṇa's acintya-śakti. Alle activiteiten binnen de rechtsgeldigheid van acintya-śakti liggen buiten het mentale bevattingsvermogen en buiten de empirische ratio. Die eeuwige verblijfplaats Goloka wordt in de prakaṭa-līlā binnen de wereld van de grof materiŽle elementen (prapaŮca) Mathurā-dhāma genoemd en precies dezelfde plaats wordt Goloka genoemd in aprakaṭa-līlā. Kṛṣṇa's transcendentale spel is eeuwig en Goloka is eeuwigdurend manifest in de nitya-jagat. Degenen, die bekwaam zijn geworden om darśana van de zuivere, spirituele substantie te krijgen, zien Goloka. Dat niet alleem, ze kunnen zelfs darśana van Goloka krijgen in Gokula zelf. De jīva echter met een materiŽle intelligentie kan geen darśana van Goloka krijgen. Zelfs al is Gokula hetzelfde als Goloka, jīva's met een wereldse intelligentie zien Gokula als een doorsnee plek van deze materiŽle wereld bestaande uit vijf grove elementen.

Vijaya: Wat is de kwalificatie om darśana van Goloka te krijgen?

Gosvāmī: Śrī Śukadeva Gosvāmī heeft gezegd,

iti saŮcintya bhagavān mahākāruṇiko vibhuḥ
darśayāmāsa svaṁ lokaṁ gopānāṁ tamasaḥ param
satyaṁ jŮānam anantaṁ yad brahma-jyotiḥ sanātanam
yad dhi paśyanti munayo guṇāpāye samāhitāḥ
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Śrīmad-Bhāgavatam (10.28.14-15)

Hoewel de gopa's eeuwigdurend volmaakt zijn, dalen ze niettemin als assistenten in Kṛṣṇa's spel naar deze wereld af. De sādhana-siddha-gopa's waren de volgelingen van deze nitya-siddha-gopa's. De sādhana-siddha-gopa's dachten, "Door onwetendheid identificeren de jīvaís in deze wereld zich met hun materiŽle lichaam. Ze hunkeren dus door allerlei soorten verlangens te hebben en houden zich met uiteenlopende soorten werk bezig om aan hun verlangens tegemoet te komen. Het gevolg is, dat ze doelloos ronddwalen en herhaaldelijk geboorten in hogere en lagere levenssoorten aanvaarden. Wij zijn ook met dezelfde activiteiten bezig."

Dit in overweging nemend stond de oneindig mededogende Bhagavān Śrī Kṛṣṇa, die onbevattelijke, majesteitelijke vermogens heeft, die gopa's darśana toe van Zijn parama-dhāma, Goloka, die zich boven de verdichte duisternis van māyā bevindt. De variŽteit in die dhāma is eeuwig, is absolute realiteit en vol onbegrensde, spirituele avonturen. Die dhāma straalt eeuwigdurend licht van brahma uit en wordt door massa's wijzen en sādhakaís in trance voorbij de invloed van de drie guṇa's gezien.

Bābā, je kunt zonder Kṛṣṇa's zegen geen darśana van Goloka krijgen. Kṛṣṇa gaf Zijn zegen aan de vraja-vāsī's en stond hen darśana van Goloka toe. Deze Goloka is de uitmuntende, transcendentale verblijfplaats boven de materiŽle natuur en zijn gevarieerdheid is de belichaming van eeuwige waarheid en oneindig, spiritueel spel en vermaak. Het spirituele licht van de brahmajyoti bestaat daar eeuwigdurend als de schitterende uitstraling (prabhā) van Zijn ledematen. Zodra de sādhaka vrij is van alle wereldse verbindingen met de materie, kan hij darśana van die speciale tattva krijgen.

Vijaya: Kunnen alle bevrijde personen darśana van Goloka krijgen?

Gosvāmī: Zelfs onder miljoenen bevrijde zielen is een bhakta van Bhagavān uitermate zeldzaam. De jīvaís, die in brahma-dhāma onder invloed van de beoefening van aṣṭāṅga-yoga en brahma-jŮāna bevrijd worden, genieten van de vergetelheid van het zelf. Zoals een mens in de staat van diepe slaap (suṣupti) volledig inactief blijft en ontdaan is van zijn vermogen om waar te nemen, te begrijpen, te verlangen, enzovoort, zo zijn de jīvaís, die brahma-dhāma bereiken, onbewust van hun eigen ātmā, dus ze blijven zich gedragen als levenloze hompen materie. Maar waarom spreken we eigenlijk over hen, zelfs bhakta's die in aiśvarya zijn verzonken, kunnen Goloka niet ziet. Bhakta's met een gevoel van aiśvarya verlenen in overeenstemming met hun respectievelijke bhāva's diensten aan een schatrijke vorm van de Heer in Vaikuṇṭha. Zelfs iemand, die zich met kṛṣṇa-bhajana in vraja-rasa bezighoudt, kan alleen van Goloka darśana krijgen, indien hij zoveel geluk heeft, dat Kṛṣṇa hem genade geeft en hem van māyā's eindeloze gebondenheid bevrijdt.

Vijaya: Welnu, indien alleen dit type bevrijde bhakta's Goloka kan zien, waarom is Goloka dan in śāstraís, zoals Śrī Brahma-saṁhitā, Hari-vaṁśa en de Padma Purāṇa beschreven? Als Kṛṣṇa's genade alleen ter beschikking komt door vraja-bhajana, wat is dan de strekking van het vermelden van Goloka in die geschriften?

Gosvāmī: Die vraja-rasika-bhakta's, die Kṛṣṇa vanuit deze wereld van vijf grofstoffelijke elementen (prapaŮca) naar Goloka verheft, kunnen Goloka in zijn geheel aanschouwen. En verder kunnen śuddhā-bhakta's in vraja-bhāva tot op zekere hoogte Goloka ook zien. Er zijn twee soorten bhakta's, sādhaka en siddha. Sādhakaís zijn niet gekwalificeerd om Goloka te zien. Er zijn ook twee soorten siddha-bhakta's, namelijk vastu-siddha-bhakta's en svarūpa-siddha-bhakta's. Vastu-siddha-bhakta's worden door Kṛṣṇa's genade rechtstreeks naar Goloka gebracht, terwijl svarūpa-siddha-bhakta's de svarūpa van Goloka zien, maar zich nog in de prapaŮca (materiŽle bestaan) bevinden en niet rechtstreeks in Goloka. Door Kṛṣṇa's genade zijn hun bhakti-ogen zich in het proces geleidelijk aan het openen, dus in deze groep worden vele gradaties van bekwaamheid aangetroffen. Sommigen zien een beetje, sommigen zien meer en weer anderen zien nog meer. Ze zien Goloka in de mate, waarin Kṛṣṇa hen genadig is. Zolang ze zich in het sādhana-stadium van bhakti bevinden, zal iedere darśana, die ze van Gokula krijgen, een spoor van māyika-bhāva bevatten. Nadat ze het stadium van sādhana voorbij zijn en het niveau van bhāva hebben bereikt, wordt hun darśana iets zuiverder en als ze in het stadium van prema belanden, beginnen ze darśana in zijn volle omvang te krijgen.

Vijaya: Prabhu, in welke opzichten zijn Goloka en Vraja van elkaar verschillend?

Gosvāmī: Alles, wat men in Vraja waarneemt, is aanwezig in Goloka, maar de aspecten doen zich iets verschillend voor vanwege verschillen in de niṣṭhā van de waarnemers. Er is in feite geen verschil tussen Goloka en Vṛndāvana; ze lijken verschillend in de ogen van verschillende waarnemers afhankelijk van hun uiteenlopende visies. Extreem onwetende mensen nemen alles in Vraja in materieŽle zin waar. De kijk van een persoon in rajo-guṇa is iets gunstiger vergeleken met onwetenden en degenen, die zich in sattva-guṇa bevinden, krijgen darśana van śuddhā-sattva in overeenstemming met hun bekwaamheid om te schouwen. Ieders visie is verschillend in overeenstemming met hun adhikāra.

Vijaya: Prabhu, ik heb wat realisatie, maar wilt u zo goed zijn me een voorbeeld te geven om het onderwerp te verhelderen? Een materieel voorwerp kan niet dienen als compleet voorbeeld teneinde spirituele onderwerpen te illustreren, maar toch kan zelfs een gedeeltelijke aanwijzing tot een volledige realisatie aanleiding geven.

Gosvāmī: Dit is een zeer gecompliceerde kwestie. Het is ons verboden om onze vertrouwelijke realisaties aan anderen te openbaren. Als jij ook enige vertrouwelijke realisatie door Kṛṣṇa's genade hebt ontvangen, moet je deze altijd verborgen houden. Ik zal je dit onderwerp uitleggen, alleen voorzover je voorgaande ācāryaís het aan je hebben onthuld en met Kṛṣṇa's genade zal je in staat worden gesteld de rest zelf te ontdekken. Waarneming in Goloka is zuiver spiritueel en er speelt niet het minste geringste van materiŽle perceptie in mee. Teneinde de rasa daar te voeden heeft de cit-śakti op allerlei plaatsen een scala aan bhāva gemanifesteerd en daaronder bevindt zich ťťn spirituele conceptie, welke abhimāna heet. Bijvoorbeeld, Kṛṣṇa kent geen begin en geen geboorte in Goloka, maar om de līlā te ondersteunen, wordt in het spirituele bestaan vātsalya-rasa door de identificaties of zelfbeelden (abhimāna) van vaderschap en moederschap in de vormen van Nanda en Yaśodā verpersoonlijkt. En ik zeg het opnieuw, er bestaan wonderbaarlijke variŽteiten van śṛṅgāra-rasa, zoals afgescheidenheid (vipralambha) en vereniging (sambhoga) in deze vormen van identificatie (abhimāna). Hoewel de werkelijke situatie in parakīya-bhāva śuddhā-svakīya is, zijn de zelfbeelden (abhimāna) in de vormen van minnares (parakīya) en minnaar (upapati) er eeuwigdurend in aanwezig.

Dit moet je zien! Al deze abhimāna zijn in Vraja volkomen overtuigend, want ze worden door het vermogen van yogamāyā in een uiterlijke vorm zichtbaar gemaakt. In Vraja bijvoorbeeld heeft Yaśodā barensweeŽn om Kṛṣṇa in haar kraamkamer geboren te laten worden. Een ander voorbeeld zijn de nitya-siddha-gopī's, die een parakīya-abhimāna hebben, welke voortkomt uit hun huwelijk met echtgenoten, zoals Abhimanyu en Govardhana-gopa. Met andere woorden, alle abhimāna van Goloka zijn in Vraja in zeer tastbare vorm zichtbaar en ze worden door yogamāyā vanuit de buitengewoon subtiele, oorspronkelijke realiteit gerangschikt. In Vraja bestaat zelfs niet het geringste spoor van valse voorstelling en Vraja lijkt in alle opzichten op Goloka. Verschillen in het schouwen doen zich alleen voor naargelang de materiŽle belemmeringen van de waarnemer toenemen of afnemen.

Vijaya: Dient men dan door zorgvuldige afwegingen op de juiste aspecten van aṣṭa-kālīya-līlā te mediteren?

Gosvāmī: Nee, zo gaat dat niet. Iemand, die darśana van vraja-līlā heeft, dient zich aṣṭa-kālīya-līlā volgens zijn eigen realisatie in gedachten te houden. Door Kṛṣṇa's genade manifesteert de līlā zichzelf in het hart van de sādhaka onder invloed van de kracht van zijn bhajana. Het is niet nodig om pogingen te ondernemen en de bhāva's van de līlā op eigen kracht te verbeteren.

Vijaya: Yadṛśī bhāvanā yasya siddhir bhavati tādṛśī. Volgens deze logica correspondeert de perfectie, die je verkrijgt, exact aan het type meditatie uitgevoerd in het stadium van sādhana, dus het lijkt erop, dat men gezuiverde, vlekkeloze meditatie op Goloka dient te verrichten.

Gosvāmī: Wat je zegt is juist. Alle waarnemingen in Vraja zijn zuivere realiteit en zelfs geen enkele is hieraan tegengesteld; anders zou er een fout bestaan. Perfectie treedt op, wanneer sādhana zuiver wordt en hoe zuiverder je meditatie is gedurende de tijd van sādhana, hoe sneller je siddhi bereikt. Je dient je pogingen op die manier te ondernemen en hopen, dat je sādhana op schitterende wijze mag worden voltooid, maar desalniettemin ligt het buiten je vermogen om je eigen sādhana te zuiveren. Alleen Kṛṣṇa kan dit doen door Zijn acintya-śakti. Als je dit zelf tracht te bewerkstelligen, raak je verstrikt in de kaktusvelden van jŮāna, maar als Kṛṣṇa je Zijn genade geeft, leidt deze niet tot een dergelijk mishandeld resultaat.

Vijaya: Ik ben vandaag gelukkig en fortuinlijk geworden. Ik wil nog ťťn vraag stellen. Bestaat de woonplaats van de gemalinnen van Dvārakā alleen in Vaikuṇṭha, of ook in Goloka?

Gosvāmī: De eindeloze ānanda van de cit-jagat wordt in Vaikuṇṭha verkregen; er is geen hoger bereik dan Vaikuṇṭha. Daar bevinden zich steden, zoals Dvārakā, en de jongedames van die steden houden ieder hun residentie in hun eigen paleizen, waar ze diensten aan Kṛṣṇa verlenen. De enigen, die zich in de madhura-rasa van Goloka bevinden, zijn de vraja-ramaṇī's. Al het spel en vermaak, dat zich in Vraja afspeelt, bevindt zich ook in Goloka. Maar in Gopāla-tāpanī Upaniṣad wordt vermeld, dat Rukniṇījī is gesitueerd in svakīya-rasa in Mathurā Purī, dat zich in Goloka bevindt.

Vijaya: Prabhu, spelen alle activiteiten in Goloka zich in dezelfde volgorde af, zoals ik ze in Vraja schouw?

Gosvāmī: Ja, ze ontvouwen zich daar in dezelfde volgorde, maar zonder de tijdsindelingen gebaseerd op māyika concepties. Niettemin hebben al dergelijke māyika concepties hun eigen supreme, zuiver spirituele oorsprongen, die ik echter niet kan uitleggen, want deze realisaties kun je alleen op kracht van je bhajana doorschouwen.

Vijaya: Het totaal van het materiŽle bestaan (prapaŮca) wordt volkomen teniet gedaan op het moment van de universele ineenstorting (mahā-pralaya). In welke zin blijft vraja-līlā dan eeuwigdurend aanwezig?

Gosvāmī: Vraja-līlā is eeuwig, zowel in het prakaṭa als in het aprakaṭa perspectief. De huidige waarneming (sāmprata-pratīti) van vraja-līlā bestaat eeuwigdurend in ťťn van de onbegrensde universa, die zich cyclisch als een wiel omwentelen. Een bepaalde līlā, die op dit moment in een bepaalde brahmāṇḍa aanwezig is, verschijnt het volgende moment in een andere brahmāṇḍa. Die bepaalde līlā is in de eerste brahmāṇḍa een aprakaṭa-līlā, maar is in de volgende brahmāṇḍa als prakaṭa-līlā aanwezig. Op deze manier zijn alle vormen van prakaṭa-līlā eeuwig. Zelfs in hun aprakaṭa stadium, zijn alle līlā eeuwigdurend aanwezig.

Vijaya: Als prakaṭa-līlā in alle brahmāṇḍa's optreedt, bestaat vraja-dhāma dan ook in iedere brahmāṇḍa?

Gosvāmī: Ja. Goloka is een zelfmanifesterende realiteit, die in ieder universum als de plaats van kṛṣṇa-līlā aanwezig is. Goloka manifesteert zich tevens in het hart van alle śuddhā-bhakta's.

Gosvāmī: De aprakaṭa-līlā is eeuwigdurend in de dhāma aanwezig, die daar blijft om de bhakta's, die daar wonen, genade te geven.

De discussie van die dag liep ten einde. Op de terugweg naar zijn verblijfplaats mediteerde Vijaya Kumāra herhaaldelijk op zijn sevā in aṣṭa-kālīya-līlā.

 

Aldus eindigt het Eenendertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Madhura-rasa: Kṛṣṇa's Svarūpa, de Nāyaka & Svakīya-Nayīka's"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 30 Ė "Rasa-Tattva: Anubhavas in Vatsalya & Madhura-Rasas"

Volgende: Hoofdstuk 32 Ė "Madhura-Rasa: Parakiya-Nayikas"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl