Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 30

Rasa-Tattva: Anubhavas in Vatsalya & Madhura-Rasas


Op een dag, nadat ze bhagavat-prasāda hadden geëerd, gingen Vijaya en Vrajanātha op pad om darśana te nemen van Śrī Haridāsa Ṭhākura's samādhi en Śrī Gopīnātha in Śrī Gopīnātha-ṭoṭā. Daarna vervolgden ze hun wandeling naar de Śrī Rādhā-Kānta Maṭha. Na hun praṇāma aan Śrī Guru Gosvāmī's lotusvoeten te hebben aangeboden gingen ze zitten en begonnen met Śrī Dhyānacandra Gosvāmī een scala van onderwerpen te bespreken. In die tussentijd kwam Śrī Guru Gosvāmī, nadat hij mahāprasāda had geëerd, genadevol naar buiten en ging op zijn āsana zitten. Vrajanātha informeerde toen op nederige wijze naar vātsalya-bhakti-rasa en Śrī Guru Gosvāmī antwoordde, "In vātsalya-rasa is Śrī Kṛṣṇa viṣaya-ālambana en Zijn ouders (guru-jana) zijn āśraya-ālambana. Kṛṣṇa is prachtig met Zijn donker getinte ledematen. Hij beschikt over alle heilzame symptomen, Zijn gedrag is mild, Zijn spraak is zoet en Hij is eenvoudig en verlegen. Hij is bescheiden, Hij is respectvol tegen Zijn ouders en Hij is welwillend. Van Zijn ouders zijn Vrajeśvarī Yaśodā en Vrajeśvara Nanda Mahārāja de belangrijksten. Anderen zijn Rohiṇī en andere, oudere gopī's, die Kṛṣṇa's vererenswaardige authoriteiten zijn, maar ook Devakī, Kuntī, Vasudeva, Sāndīpanī, enzovoort. In deze rasa zijn de uddīpana's Kṛṣṇa's leeftijden, zoals kaumāra, Zijn schoonheid, Zijn kleding, Zijn kinderjaren, Zijn rusteloosheid, Zijn lieve woordjes, Zijn lachen, Zijn spelletjes en vermaak.


Vrajanātha: Wilt u me alstublieft over de anubhāva's van deze rasa vertellen?

Gosvāmī: De anubhāva's zijn ruiken op Kṛṣṇa's hoofd, Zijn ledematen met de handen schoonvegen, zegeningen geven, Hem opdrachten geven, Hem voeden, voor Hem zorgen, en heilzame instructies geven. De algemene (sādhāraṇa) anubhāva's van deze rasa zijn Kṛṣṇa kussen, Hem omarmen, Hem luid bij de naam noemen, Hem in toom houden en op geschikte momenten op Hem mopperen.

Vrajanātha: Welke sāttvika transformaties treden in deze rasa op?

Gosvāmī: Er zijn de acht symptomen, zoals huilen, beven, transpireren en bewegingloos worden. Er is ook het unieke symptoom van het vloeien van melk uit de borsten, waardoor er bij elkaar negen sāttvika-vikāra's in deze rasa aanwezig zijn.

Vrajanātha: Weest u alstublieft zo goed me ook over de vyabhicārī-bhāva's te vertellen.

Gosvāmī: In vātsalya-rasa zijn de vyabhicārī-bhāva's dezelfde als degenen, die ik hiervoor in relatie tot prīta-rasa (dāsya-rasa) uitlegde. Bovendien komt hier nog apasmāra (flauwvallen) bij.

Vrajanātha: Wat is de sthāyībhāva van deze rasa?

Gosvāmī: De sthāyībhāva is de rati van de goedgunstige meerdere voor het object van zijn liefdadigheid, dat geen enkel ontzag voor hem heeft. De vātsalya-rati van ouderen, zoals Yaśodā, is van nature rijp. De sthāyībhāva van deze rasa ontwikkelt zich via prema en sneha naar rāga. Baladeva Prabhu's bhāva is een combinatie van prīta (dāsya) en vātsalya; Yudhiṣṭhira's bhāva is gecombineerd uit vātsalya, prīta (dāsya) en sakhya; Ugrasena's prīti-dāsya-rasa is een combinatie van vātsalya en sakhya-rasa; terwijl Nakula, Sahadeva en Nārada een mengvorm hebben van sakhya en dāsya-rasa, evenals de bhāva van Rudra, Garuḍa en Uddhava.

Vrajanātha: Prabhu, vātsalya-rasa heb ik begrepen. Wilt u me nu alstublieft de hoogste smaak, madhura-rasa, uitleggen, want we zullen worden gezegend door er eenvoudig over te horen.

Gosvāmī: Men heeft madhura-bhakti-rasa mukhya-bhakti-rasa genoemd. De geconditioneerde jīva heeft zijn toevlucht genomen tot wereldse rasa, maar zodra zijn intelligentie aan Īśvara raakt toegewijd, bereikt hij van nature het pad van onthechting. Zelfs dan kan hij madhura-rasa niet toegenegen zijn, totdat hij geschikt wordt voor cid-rasa. Zulke mensen hebben voor deze rasa geen kwalificatie. Juist die natuur van madhura-rasa maakt hem moeilijk te bevatten en candidaten voor madhura-rasa worden zelden aangetroffen. Dat is de reden, waarom deze rasa een groot geheim is. Madhura-rasa is van nature een zeer uitgebreid onderwerp, maar ik zal er nu alleen een korte samenvatting van geven.

Vrajanātha: Prabhu, ik ben een volgeling van Subala. Ik weet, dat u mijn bekwaamheid voor het horen over madhura-rasa in ogenschouw neemt en me de geschikte instructies geeft.

Gosvāmī: De priya-narma-sakhā's zijn tot op zekere hoogte geschikt voor śṛṅgāra-rasa. Ik houd je kwalificatie in gedachten en vertel alleen datgene, wat voor jou geschikt is zonder iets te zeggen, dat ongepast is.

Vrajanātha: Wie zijn de ālambana van deze rasa?

Gosvāmī: Śrī Kṛṣṇa is de viṣaya-ālambana van deze rasa. Als galante minnaar is Hij de allerhoogste rustplaats voor de expertise in het proeven van het liefdesspel, dat zich kenmerkt door een ongeëvenaarde en onovertroffen esthetiek. De āśraya-ālambana van deze rasa zijn de gopī's van Vraja en Śrīmatī Rādhājī is de beste van alle door Kṛṣṇa geliefde gemalinnen. Het geluid van Kṛṣṇa's muralī is de uddīpana (stimulus) van deze rasa en de anubhāva's (activiteiten) zijn het werpen van zijdelingse blikken en glimlachjes. Alle sāttvika-bhāva's manifesteren zich volkomen in madhura-rasa en dat geldt ook voor alle vyabhicārī-bhāva's met uitzondering van luiheid en wreedheid.

Vrajanātha: Wat is de aard van de sthāyībhāva in deze rasa?

Gosvāmī: Madhura-rati wordt madhura-bhakti-rasa, wanneer zij gevoed is door de juiste vibhāva's, enzovoort, van de eigen ātmā. Zulke rati voor Rādhā-Mādhava is niet onderhevig aan enige vorm van belemmering (viccheda) onder invloed van vergelijkbare (svajātīya) of onvergelijkbare (vijātīya) bhāva's.

Vrajanātha: Hoeveel vormen van madhura-rasa zijn er?

Gosvāmī: Er zijn twee vormen van madhura-rasa: vipralambha (afgescheidenheid) en sambhoga (samenkomst).

Vrajanātha: Wat is vipralambha?

Gosvāmī: Er zijn vele soorten vipralambha, zoals pūrva-rāga, māna en pravāsa.

Vrajanātha: Wat is pūrva-rāga?

Gosvāmī: Pūrva-rāga is de bhāva van het moment, voordat ontmoeting met de geliefde plaatsheeft.

Vrajanātha: Wat zijn māna en pravāsa?

Gosvāmī: Ik hoef māna niet uit te leggen, want iedereen weet wat het is. Pravāsa betekent uit elkaar zijn, of afgescheidenheid (viraha).

Vrajanātha: Wat is sambhoga?

Gosvāmī: Sambhoga is de bhoga (ānanda), die zich voordoet, wanneer geliefden elkaar ontmoeten. Nu zeg ik verder niets meer over madhura-rasa. De sādhaka’s, die gekwalificeerd zijn voor madhura-rasa, dienen zijn confidentiële mysteriën te leren kennen door Śrī Ujjvala-nīlamaṇi te bestuderen.

Vrajanātha: Kunt u me dan iets vertellen over de positie van de gauṇa-bhakti-rasa's?

Gosvāmī: Er zijn zeven gauṇa-rasa's: hāsya (humor), adbhuta (verbazing), vīra (edelmoedigheid), karuṇa (mededogen), raudra (woede), bhayānaka (angst) en bībhatsa (walging). Als ze krachtig genoeg worden en de plaats van de mukhya-rasa innemen, verschijnen ze als afzonderlijke, individuele rasa's. Als ze op deze manier als onafhankelijke rasa's optreden, worden ze de sthāyībhāva en als ze door de juiste vibhāva's, enzovoort, worden gevoed, worden ze rasa. Eigenlijk zijn alleen de vijf mukhya-rasa's śānta, dāsya, sakhya, vātsalya en mādhuryarasa; de zeven gauṇa-rasa's te beginnen met hāsya worden over het algemeen in de categorie vyabhicārī-bhāva's ondergebracht.

Vrajanātha: Ik ben volledig bekend met hāsya enzovoort uit mijn studie van rasa-vicāra in alaṅkāra-śāstra. Wilt u me daarom over hun relatie met de mukhya-rasa's vertellen?

Gosvāmī: Dan zal ik je uitleggen op welke manier de verschillende rasa's, zoals śānta, wederzijds verenigbaar of onverenigbaar zijn.

Dāsya, bībhatsa, dharma-vīra (edelmoedigheid in de ten uitvoerlegging van religieuze rituelen) en adbhuta zijn allemaal verenigbaar met śānta.

Adbhuta is ook verenigbaar met dāsya, sakhya, vātsalya en madhura.

Śānta is onverenigbaar met madhura, yuddha-vīra, raudra en bhayānaka.

Dāsya is verenigbaar met bībhatsa, śānta, dharma-vīra en dāna-vīra en onverenigbaar met madhura, yuddha-vīra en raudra.

Sakhya is verenigbaar met madhura, hāsya en yuddha-vīra en onverenigbaar met vātsalya, bībhatsa, raudra en bhayānaka.

Vātsalya is verenigbaar met hāsya, karuṇa en bhayānaka en onverenigbaar met madhura, yuddha-vīra, dāsya en raudra.

Madhura is verenigbaar met hāsya en sakhya en onverenigbaar met vātsalya, bībhatsa, śānta, raudra en bhayānaka.

Hāsya is verenigbaar met bībhatsa, madhura en vātsalya en onverenigbaar met karuṇa en bhayānaka.

Adbhuta is verenigbaar met vīra, śānta, dāsya, sakhya, vātsalya en madhura en onverenigbaar met hāsya, sakhya, dāsya, raudra en bībhatsa.

Vīra-rasa is verenigbaar met adbhuta-rasa en onverenigbaar met bhayānaka. Volgens sommige opvattingen is vīra ook onverenigbaar met śānta.

Karuṇa is verenigbaar met raudra en vātsalya en onverenigbaar met vīra, hāsya, met het sambhoga-aspect van śṛṅgāra en adbhuta.

Raudra is verenigbaar met karuṇa en vīra en onverenigbaar met hāsya, śṛṅgāra en bhayānaka.

Bhayānaka is verenigbaar met bībhatsa en karuṇa en onverenigbaar met vīra, śṛṅgāra, hāsya en raudra.

Bībhatsa is verenigbaar met śānta, hāsya en dāsya en onverenigbaar met śṛṅgāra en sakhya.

De resterende combinaties zijn allemaal wederzijds neutraal (taṭastha).

Vrajanātha: Wilt u alstublieft het resultaat van de combinaties beschrijven?

Gosvāmī: Het proeven van rasa neemt toe door de combinatie van verenigbare rasa's. De combinatie van aṅga (toegevoegde) met aṅgī (essentiële) rasa's is goed. Of nu de verenigbare rasa mukhya of gauṇa is, het is altijd juist om hem complementair (mitra) te maken aan aṅgī-rasa.

Vrajanātha: Wilt u me vertellen over het verschil tussen aṅga en aṅgī ?

Gosvāmī: Wanneer een willekeurige rasa, hetzij mukhya of gauṇa, de andere rasa's overheerst en prominent wordt, wordt hij aṅgī genoemd en de rasa, die de aṅgī-rasa voedt, speelt als een aṅga de rol van een sańcārī-bhāva. Zoals wordt gesteld in Viṣṇu-dharmottara,

rasānāṁ samavetānāṁ yasya rūpaṁ bhaved bahu
sa mantavyo rasaḥ sthāyī śeṣāḥ sańcāriṇo matāḥ

Als rasa's met elkaar combineren, dient men te begrijpen, dat de rasa met een bijzonder prominente natuur de sthāyī-rasa is en dat de andere rasa's sańcārī-bhāva's zijn.

Vrajanātha: Hoe kan gauṇa-rasa aṅgī zijn?

Gosvāmī: Śrī Rūpa Gosvāmī heeft gezegd,

prodyan vibhāvanotkarṣāt puṣṭiṁ mukhyena lambhitaḥ
kuńcatā nija-nāthena gauṇo 'py aṅgitvam aśnute

mukhyas tv aṅgatvam āsādya puṣṇann indram upendravat
gaunam evāṅginaṁ kṛtvā nigūḍha-ṅija-vaibhavaḥ

anādi-vāsanodbhāsa vāsite bhakta-cetasi
bhāty eva na tu līnaḥ syād eva sańcāri-gauṇavat

aṅgī-mukhyaḥ svam atrāṅgair bhāvais tair abhivarddhayan
svajātīyair vijātīyaiḥ svatantraḥ sann virājate

yasya mukhyasya yo bhakto bhaven nitya-nijāśrayaḥ
aṅgī sa eva tatra syān mukhyo py anyo ṅgatāṁ vrajet
                                                              Bhakti-rasāmṛta-sindhu
                                                                                (Noordelijke Divisie, 8ste Vloedgolf, 46-50)

Soms krijgt zelfs een gauṇa-rasa de positie van aṅgī, wanneer hij wordt geďnspireerd door een overvloed aan vibhāva en wanneer hij ook gevoed is door de mukhya-rasa, die hem normaliter overheerst, maar die nu een samengetrokken conditie (gauṇa-bhāva) heeft ontwikkeld. Op dat moment wordt de vorige mukhya-rasa aṅga, verbergt zijn eigen schittering en voedt de gauṇa-rasa, die aṅgī is geworden, zoals Upendra Bhagavān, Vāmanadeva, Devarāja Indra in stand hield. Anders dan de gauṇa-sańcārī-bhāva's vloeit deze mukhya-rasa niet samen met het land van het hart van de bhakta, dat sublieme geur draagt in de vorm van de neiging tot transcendentale dienst uit een tijd zonder begin. Met andere woorden, de mukhya-rasa verdwijnt niet, zoals de gauṇa-rasa's wel doen, wanneer ze vyabhicārī worden en in de mukhya-rasa's verdwijnen. De mukhya-rasa blijft liever op onafhankelijke wijze manifest, waarbij hij zich voedt met het geheel aan verenigbare bhāva's, die de positie van aṅga's innemen.

Degenen, die zich een bepaalde rasa laten smaken, vinden voor de eeuwigheid een toevlucht in die ene specifieke rasa, die voor hen als aṅgī-rasa blijft stralen. Andere rasa's, zelfs al zijn ze mukhya, functioneren in de capaciteit van aṅga's van deze heersende aṅgī-rasa.

Je moet ook notitie nemen van het feit, dat aṅga-rasa alleen wordt aanvaard, wanneer hij combineert met aṅgī-rasa om de smaak van rasa te verhogen; anders blijft hij in zijn combinatie met een andere aṅga-rasa vruchteloos.

Vrajanātha: Wat gebeurt er, wanneer er onverenigbare rasa's worden gecombineerd?

Gosvāmī: Als je een zoet sap mengt met zure, zoute, of scherpe stoffen, wordt het sap onsmakelijk; op dezelfde manier resulteert de combinatie van een rasa met een onverenigbare rasa in iets zonder rasa of iets, wat smakeloos (virasatā) is. De gebrekkige combinatie van tegengestelde rasa's kan rasābhāsa worden genoemd.

Vrajanātha: Is de combinatie van onverenigbare rasa's onveranderlijk slecht?

Gosvāmī: Śrī Rūpa Gosvāmī heeft in Śrī Bhakti-rasāmṛta-sindhu gezegd,

dvayor ekatarasyeha bādhyatvenopavarṇane
smaryyamāṇatayāpy uktau sāmyena vacane 'pi ca

rasāntareṇa vyavadhau taṭasthena priyeṇa vā
viṣayāśraya-bhede ca gauṇena dviṣatā saha
ity ādisū na vairasyaṁ vairiṇo janayed yutiḥ
                                                          (Noordelijke Divisie, 8ste Vloedgolf, 63-64)

De combinatie van twee onverenigbare rasa's resulteert onder de volgende omstandigheden niet in virasatā: wanneer men de uitmuntendheid van één rasa vestigt door het geven van logische verklaringen en door de belemmeringen of inferieuriteit van een andere rasa te beschrijven, die onverenigbaar is met de eerste; wanneer men de herinnering aan een onverenigbare rasa beschrijft; wanneer men een gelijkenis vestigt; wanneer er tussenkomst van een neutrale of verenigbare rasa plaatsheeft; of wanneer er een verschil bestaat tussen de viṣaya of āśraya van een gauṇa-rasa en een mukhya-rasa, die met elkaar onverenigbaar zijn.

Verder kun je dit punt nog in ogenschouw nemen. In bhakta's, zoals Yudhiṣṭhira, zijn dāsya en vātsalya afzonderlijk manifest op verschillende tijdstippen. Wederzijds onverenigbare rasa's treden niet op hetzelfde moment gezamenlijk op. Echter in het stadium van adhirūḍha-mahābhāva, waarin alle onverenigbare bhāva's simultaan verschijnen, genereren ze geen rasābhāsa.

Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft gezegd (Śrī Bhakti-rasāmṛta-sindhu 80.57),

kvāpy acintya-mahāśaktau mahāpuruṣa-śekhare
rasāvali-samāveśaḥ svādāyaivopajāyate

Als vele tegenstrijdige rasa's tegelijkertijd met elkaar een combinatie aangaan in een persoonlijkheid, die het kroonjuweel van de mahā-puruṣa's is en die is verzadigd van onbevattelijke mahā-śakti, verhoogt dit juist de wonderbaarlijke natuur van de smaak.

Vrajanātha: Ik heb van geleerde en rasika Vaiṣṇava’s gehoord, dat Śrīman Mahāprabhu een lage dunk had van rasābhāsa en dat Hij nooit naar bhajana's, kīrtana's of poëzie wilde luisteren, die rasābhāsa bevatten. Kunt u me vertellen hoeveel soorten rasābhāsa er bestaan?

Gosvāmī: Rasa, die in gebreke gaat van een aṅgī, wordt rasābhāsa genoemd. Er zijn drie gradaties van rasābhāsa: groot (uttama), middelmatig (madhyama) en klein (kaniṣṭha). Ze worden respectievelijk uparasa, anurasa en aparasa genoemd.

Vrajanātha: Wat is uparasa?

Gosvāmī: Als één van de twaalf rasa's te beginnen met śānta een ingrediënt bevat, zoals de sthāyībhāva, vibhāva of anubhāva, die misvormd (virūpitā) is geraakt, kan hij uparasa worden genoemd. Uparasa wordt veroorzaakt door de deformatie van de sthāyībhāva, de vibhāva of de anubhāva.

Vrajanātha: Wat is anurasa?

Gosvāmī: Als de secundaire rasa's te beginnen met hāsya niet zijn gerelateerd aan Kṛṣṇa, worden ze anurasa genoemd. Als bijvoorbeeld vīra-rasa enzovoort manifest is in neutraal ingestelde persoonlijkheden, is deze ook anurasa.

Vrajanātha: Maar als ze optreden in het hart van iemand, die geen relatie heeft met Kṛṣṇa, zijn ze helemaal geen rasa. In dat geval zijn het wereldse rasa's. Waarom zijn dan zulke verschijnselen als  anurasa beschreven?

Gosvāmī: Rasa is anurasa alleen, wanneer hij geen rechtstreekse relatie heeft met Kṛṣṇa. Bijvoorbeeld, de gopī's lachten, toen ze de neus van Śrīmatī Rādhā's huisdier, het vrouwelijke aapje Kakkhaṭī, zagen. Een ander voorbeeld is Devarṣi Nārada, die een stel papagaaien op de tak van een boom in Bhāṇḍīravana zag zitten, die met elkaar de Vedānta bespraken. Toen hij dit zag bruiste er een grote verbazing (adbhuta-rasa) in zijn hart. Het lachen van de gopī's en de adbhuta-rasa in Nārada's hart hebben geen rechtstreekse relatie met Kṛṣṇa, maar er bestaat toch enige relatie met Hem op afstand. Daarom zijn dit voorbeelden van anurasa.

Vrajanātha: Wat is aparasa?

Gosvāmī: Als Kṛṣṇa's tegenstanders de āśraya zijn van één van de gauṇa-rasa's te beginnen met hāsya-rasa en de viṣaya is Kṛṣṇa Zelf, is het resultaat aparasa. Bijvoorbeeld, Jarāsandha's herhaald geschater, toen hij Kṛṣṇa van het slagveld zag wegrennen, is een voorbeeld van aparasa. Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft in Bhakti-rasāmṛta-sindhu (9.21) geschreven,

bhāvā sarve tad-ābhāsā rasābhāsāś ca kecana
amī proktā rasābhijńaiḥ sarve'pi rasanād rasāḥ

Sommige personen refereren aan bhāva in termen van tad-ābhāsa (een zwakke afspiegeling van de Allerhoogste Absolute Waarheid) en anderen refereren in termen van rasābhāsa. De geleerden echter, die rasa hebben gerealiseerd, gebruiken het woord bhāva om rasa aan te duiden, die wordt ontleend aan het proeven van transcendentale ānanda.

Toen Vijaya Kumāra en Vrajanātha deze rasika, betoverende en scherpzinnige loftuiging van rasa-tattva hoorden, vielen ze hevig wenend neer aan de lotusvoeten van Śrī Guru Gosvāmī en spraken met een door emoties hortende stem,

ajńāna-timirāndhasya jńanāńjana-śalākayā
cakṣur unmīlitaṁ yena tasmai śrī-guruve nāmaḥ

Ik bied mijn eerbiedige eerbetuigingen aan Śrī Gurudeva aan, die de zalf van divya-jńāna heeft aangebracht en daarmee de verdichte duisternis heeft uitgebannen van de verlangens naar dharma, artha, kāma en mokṣa, die voortkomen uit de vijf vormen van onwetendheid.[1] Op die wijze heeft hij mijn transcendentale ogen geopend, die nu zijn toegenegen tot de dienst van Hari.

Śrī Guru Gosvāmī tilde hen liefdevol op en omhelsde hen. Hij zegende hen door te zeggen, "Moge deze rasa-tattva zich in jullie hart manifesteren."

Iedere dag bespraken Vijaya en Vrajanātha spirituele onderwerpen met Śrī Dhyānacandra Gosvāmī en accepteerden caraṇāmṛta en de restanten van Śrī Guru Gosvāmī's prasāda. Op uiteenlopende tijden merkten ze op, dat vele śuddhā-vaiṣṇava's zich bezig hielden met bhajana – soms in hun bhajana-kuṭīra, soms bij de samādhi van Śrī Haridāsa Ṭhākura, soms in de tempel van Śrī Gopīnātha en soms in Siddha-Bakula. Dus door het voorbeeld van de Vaiṣṇava’s te zien raakten ze evenzeer verzonken in bhāva's, die gunstig waren voor hun bhajana. Ze kregen ook darśana van de plaatsen, die staan vermeld in Stavāvalī en Stavamālā, waar Śrīman Mahāprabhu volkomen absorbtie in bhāva ervoer. Overal waar śuddhā-vaiṣṇava’s nāma-kīrtana uitvoerden, sloten ze zich aan. Op deze manier werden ze in toenemende mate rijper in hun bhajana.

Vijaya zat zwaar te piekeren, "Śrī Guru Gosvāmī heeft ons śikṣā voor madhura-rasa gegeven, maar dat was eigenlijk slechts een korte samenvatting. Laat Vrajanātha zich maar onderdompelen in sakhya-rasa. Ik ga op een gunstig tijdstip zonder hem naar Śrī Guru Gosvāmī om zijn uitgebreide waardering van madhura-rasa te horen." Terwijl hij dit dacht, kreeg hij door de genade van Dhyānacandra Gosvāmī een exemplaar van Śrī Ujjvala-nīlamaṇi en ging het bestuderen. Alle twijfels, die in zijn hoofd opkwamen, zou Śrī Guru Gosvāmī genadevol tot overeenstemming brengen.

Op een keer, toen ze bij zonsondergang een ommetje maakten, kwamen ze uit bij de kust van de oceaan. Daar zaten ze op het strand naar de golven te staren. Aan de golven kwam geen eind. Toen ze dit waarnamen, overwogen ze, "Dit leven is ook vol van een onophoudelijke en oneindige vloed van golven. Niemand kan daarom weten, wat er boven ons hoofd hangt en wanneer het gaat gebeuren. Daarom moeten we spoorslags de methode van rāga-mārga bhajana gaan leren."

Vrajanātha zei, "Ik heb de bhajana-paddhati gezien, die door Śrī Dhyānacandra Gosvāmī is gecomponeerd. Het lijkt me, dat je met de studie daarvan onder leiding van Gurudeva een prachtig resultaat kunt boeken. Ik ga er een kopie van maken!"

Nadat hij dit besluit had genomen, vroeg hij toestemming aan Śrī Dhyānacandra Gosvāmī om zijn heilig handschrift te mogen kopiëren, maar Śrī Dhyānacandra weigerde het hem te geven, tenzij Guru Gosvāmī zijn permissie gaf. Vervolgens gingen ze naar Śrī Guru Gosvāmī en smeekten hem om toestemming voor het aan hen uitlenen van Dhyānacandra Gosvāmī's paddhati. Śrī Guru Gosvāmī gaf zijn goedkeuring en toen Vijaya en Vrajanātha het geschrift in handen hadden, maakten ze afzonderlijke kopieën. Ze bedachten, dat ze moesten wachten op een geschikt moment om Śrī Guru Gosvāmī te benaderen, die hen deze paddhati diepgaand zou leren begrijpen.

Śrī Dhyānacandra Gosvāmī was een geleerde met een brede en veelomvattende kijk op alle śāstra. Vooral met betrekking tot de procedures voor hari-bhajana (hari-bhajana-tantra) kon wat betreft de diepte van zijn ervaring geen enkele geleerde het tegen hem opnemen en hij was de belangrijkste van alle discipelen van Śrī Gopala Guru. Omdat hij zag, dat Vijaya en Vrajanātha voor bhajana waren gekwalificeerd, gaf hij hen grondige instructies. Bij gelegenheid benaderden ze Śrī Guru Gosvāmī's lotusvoeten om alle vormen van twijfel over hun beoefening van bhajana op te helderen. Door hun studie kwamen ze er geleidelijk achter, wat het dagelijkse tijdverdrijf van Śrīman Mahāprabhu en Śrī Kṛṣṇa was. Zo raakten ze betrokken bij aṣṭa-kālīya bhajana en verleenden liefdedienst in hun hart gedurende alle acht dagdelen per etmaal.

 

Aldus eindigt het Dertigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Rasa-tattva: Anubhāvas van Vātsalya & Madhura Rasas"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl




[1] De vijf vormen van onwetendheid zijn: (1) onwetendheid van de eigen svarūpa; (2) valse identificatie met het inerte, materiële lichaam als de ātmā; (3) bezitsdrang gericht op wereldse lustobjecten, of het koesteren van het zelfbeeld als genieter; (4) absorbtie in dualiteit, of gehechtheid aan andere substanties dan Kṛṣṇa; (5) angst en verwrongen waarneming (virūpa-grahaṇa).

_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 29 – "Rasa-Tattva: Anubhavas in Santa, Dasya & Sakhya Rasas"

Volgende: Hoofdstuk 31 – "Madhura-Rasa: Krsna's Svarupa, de Nayaka & Svakiya-Nayikas"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl