Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 29

Rasa-Tattva: Anubhavas in Santa, Dasya & Sakhya Rasas


Vrajanātha en Vijaya Kumāra namen hun situatie zorgvuldig onder de loupe en besloten, dat ze Cāturmāsya in Purī zouden doorbrengen en alle aspecten van rasa-tattva bij Śrī Gopāla Guru zouden gaan beluisteren. Toen Vrajanātha's grootmoeder over de glorie van het verblijf in Purī tijdens Cāturmāsya hoorde, stemde ze ook in met hun voorstel. Vanaf die dag gingen ze regelmatig op pad om 's morgens en 's avonds darśana van Śrī Jagannāthadeva te ontvangen, ze gingen baden in Narendra Sarovara en bezochten de belangrijke heilige plaatsen in en rond Purī. Bovendien ontvingen ze met grote toewijding darśana van Śrī Jagannāthadeva, als er speciale diensten, ceremonin of wisseling van outfits plaatshadden. Op deze manier brachten ze hun tijd op een zeer gereguleerde en sublieme wijze door. Ze drukten hun diepste gevoelens uit bij Śrī Gopāla Guru.


Toen ze hun plannen aan Śrī Guru Gosvāmī voorlegden, was hij verheugd en zei, "Ik heb nu al in mijn hart zo'n grote vaderlijke genegenheid voor jullie beiden ontwikkeld, dat ik denk, dat ik een groot verdriet zal hebben, wanneer jullie vertrekken. Hoe langer jullie blijven, hoe liever het me is. Je kunt gemakkelijk een sad-guru vinden, maar het is niet eenvoudig om een sat-śiṣya te vinden."

Vrajanātha vroeg heel nederig, "Wilt u alstublieft zo goed zijn om rasa-tattva op zo'n manier uit te leggen, dat we de vibhāva's en andere vormen van de verschillende rasa's gemakkelijk kunnen bevatten?"

Gosvāmī: Het is een buitengewoon mooi onderwerp. Luister goed en ik zal met plezier vertellen, wat Śrī Gaurasundara me inspireert te zeggen. Eerst komt śānta-rasa, waarin śānti-rati de sthāyībhāva is.

De ānanda in brahmānanda van de nirviśeṣa-vādī's is zeer beperkt en zwak en zo is ook de ātmānanda van de yogī's. De ānanda in de realisatie van Īśa (īśvara) is hieraan enigszins superieur en de realisatie van de svarūpa van īśvara is de bron van zoveel bevrediging en vreugdevolle zegen. De drager (ālambana) van śānta-rasa is de vierarmige vorm van Nārāyaṇa, die kwaliteiten heeft, zoals suprematie en overvloed. Śānta-rati vindt ook haar rustplaats in kalme persoonlijkheden (śānta-puruṣa), namelijk degenen, die ātmārāma zijn en asceten, die vertrouwen in Bhagavān hebben.

De vier Kumāra's Sanaka, Sanātana, Sanat-kumāra en Sanandana die in de vorm van bāla-sannyāsīs rondlopen, zijn de belangrijksten onder degenen, die ātmārāma zijn. Aanvankelijk hadden ze een neiging tot het volgen van nirviśeṣa-brahma, maar later werden ze aangetrokken door de beminnelijkheid van Bhagavāns vorm en gingen zich toeleggen op de verering van de mūrti, die de geconcentreerde belichaming van cit (transcendentie) is. Asceten, die śānta-rasa binnengaan, hebben voldoende onthouding (yukta-vairāgya) ondergaan, waardoor ze reeds alle obstakels hebben opgeruimd en alle gehechtheid aan de zintuigobjecten hebben overstegen. Ze hebben echter nog steeds een verlangen naar bevrijding.

De uddīpana (stimuli) van śānta-rasa zijn alsvolgt: het horen van de belangrijkste upaniṣaden; zich op een afgelegen plek vestigen; het bespreken en overdenken van tattva; het vestigen van de overheersing van het kennisvermogen (vidyā-śakti); het eren van de universele gedaante (viśva-rūpa); het associren met degenen, die zijn toegewijd aan Śrī Hari en die tevens empirische kennis en filosofische speculatie (jāna-miśra-bhakta's) cultiveren; het reflecteren op de tattva van de upaniṣaden in het gezelschap van evenredige geleerden. Verder zijn de uddīpana's de geur van tulasī geofferd aan Bhagavāns lotusvoeten; het geluid van de schelphoorn; heilige bergen en oerwouden; siddha-kṣetra; de Gaṅgā; de neiging om het contact met de zintuigobjecten te reduceren (dat wil zeggen, het verlangen om alle zondige reacties uit te bannen); en de beschouwing van het begrip van de allesverslindende invloed van tijd. Dit zijn de vibhāva's (impulsen voor het proeven) van śānta-rasa.

Vrajanātha: Welke zijn de zichtbare symptomen (anubhāva's) van deze rasa?

Gosvāmī: Sommige anubhāva's van śānta-rasa, die specifiek (asādhāraṇa) zijn voor degenen met śānti-rati, zijn het staren naar de punt van de neus; zich gedragen als een asceet buiten alle normen van sociaal gedrag (avadhūta) om; lopen met een gezichtsveld, dat niet verder reikt dan vier handlengten vooruit; vertonen van de jāna-mudrā; geen wrok koesteren tegen degenen, die vijandig gestemd zijn jegens Bhagavān; afwezigheid van excessieve genegenheid jegens premī-bhakta's van Bhagavān; een gevoel van verering en ontzag voor bevrijding en voor de desintegratie van het materile bestaan; onverschilligheid; vrijheid van gevoelens van eigendom en vals ego (mamatā); en het inachtnemen van zwijgzaamheid. Geeuwen, het verwringen van de ledematen, instructies over bhakti; het aanbieden van praṇāma en stava-stuti aan Hari zijn enkele algemene emoties van śānta-rasa.

Vrajanātha: Welke zijn de sāttvika transformaties in śānta-rasa?

Gosvāmī: Praktisch alle sāttvika-vikāra's zoals het rechtop staan van romāca (lichaamshaar), sveda (transpiratie) en stambha (bewegingloos worden) zijn in deze rasa zichtbaar. De enige uitzondering maakt pralaya (flauwte en bewusteloos op de grond vallen). Deze sāttvika transformaties echter strekken zich niet uit tot het stadium van dīpta (branden).

Vrajanātha: Welke sacārī-bhāva's worden in deze rasa zichtbaar?

Gosvāmī: De sacārī-bhāva's, die over het algemeen in śānta-rasa worden aangetroffen zijn: wroeging en nirveda (geringschatten van zichzelf), geduld, blijdschap, overtuiging of begrip, herinnering, wanhoop, hevig verlangen, absorbtie en opwinding, en rede.

Vrajanātha: Hoeveel soorten śānti-rati zijn er?

Gosvāmī: Śānti-rati is de sthāyībhāva in śānta-rasa en is onderverdeeld in twee vormen: evenredig (samā) en gecondenseerd (sāndrā). Samā śānti-rati treedt op in asamprajāta-samādhi (het stadium, waarin de beoefenaar trance heeft bereikt, maar waarin de ātma nog niet het platform heeft bereikt, waarop hij zijn eigen svarūpa kan waarnemen), waarin jubelstemming, beven en kippenvel in het lichaam manifest zijn wegens de ervaring van een sphūrti van Bhagavān.

Sāndrā-śānti-rati is de rati, waarin sāndrānanda manifest is. Dit gebeurt in nirvikalpa-samādhi, de trance, waarin alle functies van het verstand worden stilgelegd door een volkomen vernietiging van avidyā, waardoor men Bhagavān rechtstreeks voor zich ziet. De extreem geconcentreerde zegen, die daarop ontstaat, wordt sāndrānanda genoemd.

Śānta-rasa wordt ook verdeeld in pārokṣa (indirect) en sākṣātkāra (direct). Śukadeva en Bilvamaṅgala wezen de brahmānanda voortkomend uit jāna af en dompelden zich onder in de oceaan van bhakti-rasānanda. Hetzelfde geldt voor de vermaarde geleerde, Śrī Sārvabhauma Bhaṭṭācārya.

Vrajanātha: Hoe komt het, dat śānta-rasa niet is geaccepteerd in de mondaine, literaire traditie (alaṅkāra)?

Gosvāmī: De reden, dat wereldse auteurs śānti-rati niet hebben aanvaard is, dat in wereldse aangelegenheden variteit en diversiteit verdwijnen, zodra śānti (kalmte) verschijnt. Maar in transcendentale onderhandelingen neemt de aprākṛta-rasa door het verschijnen van śānta-rasa progressief toe. Bhagavān heeft gezegd, dat de kwaliteit van het in Hem vasthouden van de intelligentie śama wordt genoemd. Aangezien het onmogelijk is de intelligentie stevig op Bhagavān gericht te houden, tenzij je śānti-rati hebt, moet śānta-rasa noodzakelijkerwijs in de cit-tattva worden toegelaten.

Vrajanātha: Ik heb śānta-rasa grondig begrepen. Weest u nu alstublieft zo goed om dāsya-rasa en zijn vibhāva enzovoort uit te leggen.

Gosvāmī: De geleerden noemen dāysa-rasa 'prīta-rasa'. Er zijn twee soorten prīta-rasa: sambhrama en gaurava. Dienaren in sambhrama-prīta-rasa hebben het gevoel, dat ze in aanmerking komen om de vriendelijkheid van hun meester te ontvangen en degenen in gaurava-prīta-rasa koesteren de opvatting, dat ze door Kṛṣṇa in stand worden gehouden of door Kṛṣṇa worden grootgebracht.

Vrajanātha: Wat is sambhrama-prīta-rasa?

Gosvāmī: Sambhrama-prīti voor Vrajendranandana Kṛṣṇa treedt op in degenen met het zelfbeeld, "Ik ben Kṛṣṇa's dienaar." Als die prīti geleidelijk meer en meer wordt gevoed, wordt het sambhrama-prīti-rasa genoemd. Kṛṣṇa en Zijn dienaren zijn de ālambana (dragers) in deze rasa.

Vrajanātha: Wat is Kṛṣṇa's svarūpa in deze rasa?

Gosvāmī: In Gokula is de ālambana voor sambhrama-prīti Kṛṣṇa's tweearmige vorm. In andere plaatsen is Hij soms ālambana in Zijn tweearmige vorm en soms in Zijn vierarmige vorm. In Gokula is Śrī Kṛṣṇa ālambana in de vorm van die Prabhu, die gekleed is als een koeherdersjongen, wiens gelaatskleur straalt als een pas geformeerde moessonwolk, die een muralī-fluit in zijn hand houdt, wiens taille wordt versierd door een gele sjaal, die de schittering van goud verslaat, en die een kroon van pauwenveren op Zijn hoofd draagt.

Op andere plaatsen is Hij aanwezig in een vorm met twee handen, maar Hij is ālambana in zijn overvloedige gedaante, waarbij Hij de śaṅkha en de cakra, enzovoort, in Zijn handen draagt en op al Zijn ledematen parels en met juwelen bezette ornamenten draagt. Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft in Bhakti-rasāmṛta-sindhu (Westelijke Divisie 2.3.5) geschreven,

brahmāṇḍa-koṭi-dhāmaika-roma-kūpaḥ kṛpāmbudhiḥ
avicintya-mahāśaktiḥ sarvva-siddhi-niṣevitaḥ

avatārāvalī-bījaṁ sadātmārāma-hṛd-guṇaḥ
īśvaraḥ paramārādhyaḥ sarvva-jaḥ sudṛḍha-vrataḥ

samṛddhimān kṣamā-śīlaḥ śaraṇāgata-pālakāḥ
dakṣiṇaḥ satya-vacano dakṣaḥ sarvva-śubhaṅkaraḥ

pratāpī dhārmikaḥ śāstra-cakṣur bhakta-suhṛttamaḥ
vadānyas tejasā yuktaḥ kṛta-jah kīrtti-saṁśrayaḥ

varīyān balavān prema-vaśya ity ādibhir guṇaiḥ
yutaś catur vidheṣv eṣa dāseṣv ālambhano hariḥ

Die Śrī Hari, die de belichaming van ālambana voor de vier soorten dāsya-bhakta's is, beschikt over de volgende kwaliteiten: miljoenen universa drijven rond in ieder porie van Zijn transcendentale lichaam (koṭi-brahmāṇḍa-vigraha); Hij is de oceaan van mededogen (kṛpāmbudhi); Hij beschikt over onbevattelijk vermogen, dat boven ieder begrip van de jīvas onbeduidende intelligentie uitgaat (aintya-mahā-śakti); Hij wordt gediend door allerlei soorten mystieke perfecties (sarva-siddhi-niṣevita); Hij is de oorsprong van alle avatāra's, zoals de guṇa-avatāra's, līlā-avatāra's en śaktyāveśa-avatāra's (avatārāvalī-bīja): Hij steelt het hart van zelfgenoegzame yogī's, zoals Śukadeva (ātmārāma-gaṇākarṣī); Hij reguleert alles (īśvara); Hij is de meest vererenswaardige voor alle jīvas en devatā's (paramārādhya); Hij is alwetend (sarva-ja); Hij is stevig verankerd in Zijn gelofte (sudṛḍha-vrata); Hij is weelderig (samṛddhimān); Hij is vergevingsgezind (kṣamā-śīla); Hij is de beschermer van de zielen, die zich hebben overgegeven (śaraṇāgata-pālaka); Hij is uitermate ruimdenkend (dakṣiṇa); Zijn woorden zijn nooit onjuist (satya-vacana); Hij kan moeilijke taken met gemak uitvoeren (dakṣa); Hij handelt in ieders belang (sarva-śubhaṅkara); Hij heeft heldenmoed (pratāpī); Hij is religieus (dhārmika); Hij schouwt en handelt in overeenstemming met śāstra (śāstra-cakṣu); Hij is de grootste weldoener van Zijn bhakta's (bhakta-suhṛt); Hij is grootmoedig (vadānya); Zijn lichaam straalt licht uit en is buitengewoon krachtig en invloedrijk (tajasvī); Hij is dankbaar (kṛtaja); Hij is beroemd (kīrtimān); Hij is de meest voortreffelijke (varīyān); Hij is sterk (balavān); en Hij wordt overwonnen door de liefde van Zijn bhakta's (prema-vaśya).

Vrajanātha: Wie zijn de vier typen dāsa?

Gosvāmī: Er zijn vier typen dāsa, die als āśraya (plaats) de ālambana (drager) van dāsya-rati zijn. Dit zijn: (1) degenen, die zich volkomen aan Zijn bescherming hebben overgegeven en die altijd hun ogen terneergeslagen houden; (2) degenen, die de opdrachten van Bhagavān uitvoeren; (3) degenen, die betrouwbaar zijn; (4) degenen, die Kṛṣṇa als Prabhu beschouwen en daardoor over een nederig karakter beschikken. Hun tāttvika namen zijn (1) adhikṛta-dāsa, (2) āśrita-dāsa, (3) pāriṣada-dāsa, (4) anugata-dāsa.

Vrajanātha: Wie zijn voorbeelden van adhikṛta-dāsa?

Gosvāmī: De deva's en devī's, die worden aangevoerd door Brahmā, Śiva en Indra zijn adhikṛta-dāsa's en dāsī's. Ze houden zich bezig met Bhagavāns dienst, wanneer ze de kwalificatie hebben bereikt om taken uit te voeren, die zijn gerelateerd aan het materile universum.

Vrajanātha: Wie zijn āśrita-dāsa?

Gosvāmī: Er zijn drie typen āśrita-dāsa: degenen, die zich hebben overgegeven (śaraṇāgata); degenen, die jānis zijn en aan het pad van jāna zijn gehecht; en degenen, die zijn verankerd in de dienst van Bhagavān (sevā-niṣṭha). Kāliya-nāga en de koningen, die door Jarāsandha gevangen waren genomen, bevinden zich in de categorie van śaraṇāgata-dāsa. De ṛṣi's aangevoerd door Śaunaka worden jāna-niṣṭha dāsa genoemd, omdat ze het verlangen naar mukti hadden opgegeven en hun toevlucht zochten bij Śrī Hari. De sevā-niṣṭhā dāsa's zijn bhakta's, zoals Candradhvāja, Harihara, Bahulāśva, Ikṣvāku en Puṇḍarīka, die vanaf het begin waren gehecht aan bhagavad-bhajana.

Vrajanātha: Wie zijn pāriṣada-dāsa?

Gosvāmī: Uddhava, Dāruka, Sātyaki, Śrutadeva, Śatrujit, Nanda, Upananda en Bhadra bevinden zich in de categorie van pāriṣada-dāsa. Hoewel ze zijn betrokken in activiteiten, zoals het geven van advies, houden ze zich ook bezig met geschikte diensten volgens tijd en omstandigheid. Bhīṣma, Parīkṣit en Vidura zijn ook pāriṣada-bhakta's en premī-dāsa, Uddhava, is de beste van hen allemaal.

Vrajanātha: Wie zijn anugata-dāsa?

Gosvāmī: Die dienaren, wier hart altijd is gehecht aan het uitvoeren van sevā, worden anugata-dāsa genoemd. Ze bestaan uit vier typen: degenen, die in Vraja zijn gevestigd en degenen, die in Dvārakā Purī resideren. Anugata-dāsa's in Dvārakā Purī zijn Sucandra, Maṇḍala, Stambha en Sutamba. Degenen in Vraja zijn Raktaka, Patraka, Patrī, Madhukaṇṭha, Madhuvrata, Rasāla, Suvilāsa, Premakandha, Makarandaka, Ānanda, Candrahāsa, Pāyoda, Vakula, Rasada en Śārada. Raktaka is de belangrijkste van al deze anugata-dāsa's in Vraja.

Pāriṣada en anugata-dāsa's worden verder verdeeld in drie categorien, namelijk dhūrya, dhīra en vīra. De dhūrya-pāriṣada's zijn degenen, die ware genegenheid tonen voor Kṛṣṇa, voor Zijn geliefde gopī's en Zijn dienaren. Dhīra-pāriṣada's zijn degenen, die niet specifiek zijn betrokken in Kṛṣṇa's dienst, maar die hun toevlucht zoeken bij Kṛṣṇa's geliefden, zoals Satyabhāmā. Vīra-pāriṣada's zijn de bhakta's, die uitsluitend hun toevlucht in Kṛṣṇa's genade zoeken en daarom geen belangstelling hebben voor anderen. Deze drie typen kṛṣṇa-dāsa āśrita, pāriṣada en anugata worden weer in drie typen verdeeld op basis van nitya-siddha, siddha en sādhaka.

Vrajanātha: Wilt u zo goed zijn om de verschillende typen uddīpana in dāsya-rasa uit te leggen?

Gosvāmī: De uddīpana's in dāsya-rasa zijn het geluid van de muralī en śṛṅga (buffelhoorn); Kṛṣṇa's glimlach; het horen van Zijn kwaliteiten; een lotusbloem; Kṛṣṇa's voetafdrukken; een pas geformeerde moessonwolk; en de zoete geur van Kṛṣṇa's ledematen.

Vrajanātha: Welke zijn de anubhāva's in deze rasa?

Gosvāmī: De anubhāva's, die voor dāsya-rasa specifiek (asādhāraṇa) zijn, betreffen het volkomen betrokken zijn in de voorgeschreven plichten, het gehoorzamen van de opdrachten van Bhagavān, het vrij blijven van jaloezie en wrok in de dienst van Bhagavān, vriendschap met Kṛṣṇa's dienaren, en het hebben van een vast vertrouwen in Kṛṣṇa. De uitdrukkingen (udbhāsvara's), die ook gebruikelijk (sādhāraṇa-anubhāva's) zijn in andere rasa's, betreffen dansen, het tonen van respect aan Kṛṣṇa's vrienden en geliefden, en onthechting van al het andere.

Vrajanātha: Welke soorten sāttvika-vikāra zijn in prīta-rasa aanwezig?

Gosvāmī: Alle sāttvika-bhāva's, zoals stambha zijn in deze rasa aanwezig.

Vrajanātha: Welke soorten vyabhicārī-bhāva's komen in deze rasa voor?

Gosvāmī: Vierentwintig vyabhicārī-bhāva's zijn in deze rasa zichtbaar. Het zijn jubelstemming, trots, vastberadenheid, geringschatting van zichzelf, depressie, nederigheid, bezorgdheid, herinnering, begrip, vastberadenheid, hevig verlangen, redenering, overweging, opwinding, verlegenheid, luiheid, verwarring, waanzin, verhullen van emoties, ontwaken, dromen, vermoeidheid, ziekte en verlangen naar de dood. De bhāva's jubelstemming, trots en vastberadenheid worden in de ontmoeting (milana) vertoond en de bhāva's zwakte, ziekte en dood worden in afgescheidenheid vertoond. De andere achttien bhāva's, zoals geringschatting van zichzelf, zijn zowel in de ontmoeting als in de afgescheidenheid zichtbaar.

Vrajanātha: Ik zou graag iets willen weten over de sthāyībhāva van prīta-rasa.

Gosvāmī: De sthāyībhāva van deze rasa is de prīti, die het gevolg is van het combineren van een houding van respect jegens Kṛṣṇa gepaard gaand met het sidderen van het hart, dat wordt opgeroepen door ontzag, en het idee, dat Hij de meester is.

In śānta-rasa is de sthāyībhāva alleen rati, terwijl in deze rasa de sthāyībhāva zich voordoet, wanneer rati de stemming van mamatā (bezitsdrang) bereikt en prīti wordt. Als deze sambhrama-prīti geleidelijk toeneemt, breidt hij zich uit via de stadia van prema en sneha tot het stadium van rāga. Wanneer sambhrama-prīti vrij is van vrees en angst, neemt het de vorm aan van prema. Wanneer een geconcentreerde vorm van prema aanleiding geeft tot het smelten van het hart, wordt dit sneha genoemd, het stadium waarin de bhakta zelfs geen moment van afgescheidenheid kan verdragen. Sneha wordt rāga, wanneer het zich heeft ontwikkeld tot het punt, waar zelfs verdriet geluk lijkt te zijn. In die condition bestaat het verlangen om op het moment van afscheid van Kṛṣṇa het leven op te geven. Degenen, die zich in de categorien adhikṛta en āśrita-dāsa bevinden, kunnen het stadium van prema bereiken, maar ze komen niet verder dan dat. Pāriṣada's kunnen het niveau van sneha bereiken. Sthāyībhāva ontwikkelt zich tot de grens van rāga in Parīkṣit, Dāruka, Uddhava en de anugata-dāsa's van Vraja. Zodra rāga zich voordoet, is er een gedeeltelijke verschijning van sakhya-bhāva. Paṇḍita's noemen de ontmoeting met Kṛṣṇa in deze rasa "yoga" en afgescheidenheid van Kṛṣṇa "ayoga". Er bestaan twee soorten ayoga zorgelijk verlangen (utkaṇṭhita) en afgescheidenheid (viyoga) en er zijn drie soorten yoga siddhi (perfectie), tuṣṭi (tevredenheid) en sthiti (residentie). Siddhi is het ontmoeten van Kṛṣṇa na de conditie van zorgelijk verlangen en tuṣṭi betekent het ontmoeten van Kṛṣṇa na de afgescheidenheid (viyoga). Sthiti betekent leven met Kṛṣṇa.

Vrajanātha: Ik heb sambhrama-prīti begrepen. Wilt u nu alstublieft gaurava-prīti uitleggen?

Gosvāmī: Gaurava-mayī-prīti is het gevoel van degenen, die de abhimāna hebben, "Kṛṣṇa moet voor me zorgen me voeden en me in stand houden". Als deze prīti wordt gevoed door de corresponderende vibhāva's, anubhāva's, enzovoort, wordt hij gaurava-prīta-rasa genoemd. Bhagavān Śrī Kṛṣṇa, Zijn beschermelingen en afhankelijke dienaren zijn de ālambana van deze rasa. De viṣaya-ālambana in gaurava-prīti is Kṛṣṇa in de vorm van de grote guru; de bezitter van immense roem, intelligentie en kracht; de beschermer; en de instandhouder. Kṛṣṇa's beschermelingen (lālya-bhakta's) worden in twee categorien onderverdeeld: junioren en zonen. Sāraṇa, Gada en Subhadra beschouwen zichzelf als junioren, terwijl persoonlijkheden, zoals Pradyumna, Cārudeṣṇa en Sāmba beschikken over de abhimāna, dat ze Zijn zonen zijn. De uddīpana van deze rasa zijn Śrī Kṛṣṇa's ouderlijke genegenheid en Zijn vriendelijke glimlach. Voorbeelden van anubhāva's zijn: zitten op een lagere zitplaats in Kṛṣṇa's aanwezigheid, het volgen van de aanwijzingen van vererenswaardige authoriteiten en het opgeven van onafhankelijke activiteiten. Je dient te weten, dat de sacārī of vyabhicārī-bhāva's dezelfde zijn, als die ik eerder heb genoemd met betrekking tot sambhrama-prīta-rasa.

Vrajanātha: Wat betekent het woord gaurava?

Gosvāmī: Gaurava refereert aan de relatie met Kṛṣṇa gebaseerd op het idee, "Kṛṣṇa is mijn biologische vader", of "Kṛṣṇa is mijn guru". Gaurava-prīti is genegenheid, waarbij je volledig in Kṛṣṇa bent geabsorbeerd met het gevoel, dat Hij je voedt en in stand houdt. Dit is de sthāyībhāva van deze rasa.

Vrajanātha: Prabhu, ik heb prīta-rasa begrepen. Wilt u nu alstublieft preyo-bhakti-rasa (sakhya-rasa) uitleggen?

Gosvāmī: In deze rasa is de ālambana (drager) Kṛṣṇa en Zijn vrienden; de vorm van Vrajendranandana Śrī Kṛṣṇa met twee handen, die een muralī vasthouden, is viṣaya-ālambana en Zijn vrienden zijn āśraya-ālambana.

Vrajanātha: Ik zou graag willen weten, welke de karakteristieken en onderverdelingen van Kṛṣṇa's sakhā's zijn.

Gosvāmī: Kṛṣṇa's vrienden hebben vormen, kwaliteiten en kleding, die precies lijkt op die van de dāsya-bhakta's, maar ze hebben niet de sambhrama-bhāva van de dienaren; ze beschikken eerder over de viśrambha-bhāva. Kṛṣṇa's vrienden worden in twee categorien onderverdeeld: degenen, die in de stad (pura) wonen en degenen, die in Vraja wonen. Arjuna, Bhīma, Draupadī en Śrīdāma brāhmaṇa (Sudāma vipra) zijn sakhā's uit de stad, van wie Arjuna de beste is.

De sakhā's, die in Vraja zijn gevestigd, willen altijd bij Kṛṣṇa zijn en ze hunkeren er op intense wijze naar Hem te zien, want Hij is hun hart en ziel. Om die reden zijn ze de belangrijkste sakhā's. Er zijn in Vraja vier typen sakhā's: (1) suhṛt, (2) sakhā, (3) priya-sakhā, en (4) priya-narma-sakhā. De suhṛt-sakhā's zijn iets ouder dan Kṛṣṇa en hebben enige vātsalya-bhāva vermengd met hun eigen gevoelens jegens Hem. Ze dragen wapens en beschermen Kṛṣṇa altijd tegen bandieten. Hiertoe behoren Subhadra, Maṇḍalībhadra, Bhadravardhana, Gobhaṭa, Yakṣa, Indrabhaṭa, Bhadrāṅga, Vīrabhadra, Mahāguṇa, Vijaya en Balabhadra. Maṇḍalībhadra en Balabhadra zijn de belangrijksten onder hen.

De sakhā's zijn iets jonger dan Kṛṣṇa en hun gevoel van vriendschap is vermengd met een spoor van dāsya-bhāva. Hiertoe behoren Viśāla, Vṛṣabha, Ojasvī, Devaprastha, Varūthapa, Maranda, Kusumāpīḍa, Maṇibaddha en Karandhama. Dvaprastha is van hen de beste.

De priya-sakhā's zijn vrienden van dezelfde leeftijd als Kṛṣṇa met onvermengde sakhya-bhāva. Hiertoe behoren Śrīdāma, Sudāma, Dāma, Vasudāma, Kiṅkiṇī, Stoka-Kṛṣṇa, Aṁśu, Bhadrasena, Vilāsī, Puṇḍarīka, Vitaṅka en Kalaviṅka.

Kṛṣṇa's priya-narma-sakhā's zijn superieur aan de drie andere groepen sakhā's namelijk de suhṛt-sakhā's, de sakhā's en de priya-sakhā's en ze zijn deskundig in de uitvoering van buitengewoon vertrouwelijke activiteiten. Tot deze groep behoren Subala, Arjuna, Gandharva, Vasanta en Ujjvala, die altijd grappen maakt. Onder de sakhā's zijn sommigen nitya-priya (nitya-siddha's); sommigen waren voorheen devatā's, die de positie van Kṛṣṇa's vrienden door middel van sādhana verwierven; en sommigen zijn sādhakas. Zij geven Kṛṣṇa plezier en creren een variteit aan amusement door een schakering van onderscheiden gevoelens en gebaren in vriendendienst.

Vrajanātha: Wat is de uddīpana in deze rasa?

gosvami: Uddīpana in sakhya-rasa zijn Kṛṣṇa's leeftijd; Zijn prachtige vorm; Zijn hoorn, veṇu en schelphoorn; Zijn grappen en grollen; Zijn heldhaftige daden; en de uitvoering van Zijn spel en vermaak. In de weilanden (goṣṭha) is Zijn kumāra leeftijd de uddīpana en in Gokula is Zijn kaiśora leeftijd de uddīpana.

Vrajanātha: Ik zou graag willen weten, welke de anubhāva's zijn, die gebruikelijk (sādhāraṇa) zijn voor alle groepen sakhā's.

Gosvāmī: Sommige sādhāraṇa-anubhāva's van de sakhā's zijn worstelen; balspelen; op elkaars schouders klimmen; stokgevechten; achterover liggen of samen met Kṛṣṇa op een bed, een zitplaats of een schommel zitten; bij elkaar zitten en grapjes maken; waterspelen; spelen met de apen; trachten Kṛṣṇa een plezier te doen; dansen; en zingen. Bij deze algemene activiteiten geven vooral de suhṛt-sakhā's goede adviezen en nemen zij bij alle activiteiten de leiding. De speciale activiteiten van de sakhā's zijn het aanbieden van tāmbūla, het aanbrengen van tilaka-tekens, het beschilderen van Kṛṣṇa met sandalhoutpasta, enzovoort. De speciale activiteiten van de priya-sakhā's zijn Kṛṣṇa in gevechten verdedigen, Kṛṣṇa aan Zijn kleding trekken en door Kṛṣṇa worden gedecoreerd. Het speciale voorrecht van de priya-narma-sakhā's is het bijstaan van Kṛṣṇa in madhura-līlā. Evenals de dāsa's decoreren ze Kṛṣṇa met bloemen uit het bos en verlenen ze diensten, zoals Hem wind toewuiven.

Vrajanātha: Welke zijn de sāttvika en sacārī-bhāva's in sakhya-rasa?

Gosvāmī: Die zijn dezelfde als in dāsya-rasa, alleen wat intenser.

Vrajanātha: Wat is de aard van de sthāyībhāva in deze rasa?

Gosvāmī: Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft in Śrī Bhakti-rasāmṛta-sindhu (Westelijke Divisie 9.3.45) geschreven,

vimukta-sambhramā yā syād viśrambhātmā ratir dvayoḥ
prāyaḥ samānayor atra sā sakhyaṁ sthāyī-śabda-bhāk

Sakhya-sthāyībhāva is rati, welke vol intimiteit is en vrij is van gevoelens van wraak tussen twee persoonlijkheden, die gewoon elkaars gelijken zijn.

Vrajanātha: Wat is viśrambha?

Gosvāmī:

viśrambho gāḍha-viśvāsa-viśeṣo yantraṇojjhitaḥ
Śrī bhakti-rasāmṛta-sindhu (Westelijke Divisie 3.46)

Viśrambha is het diepe vertrouwen zonder reserves, dat je laat denken, dat er totaal geen verschil is tussen jezelf en Kṛṣṇa.

Vrajanātha: Wilt u zo goed zijn me over de geleidelijke ontwikkeling van deze viśrambha te vertellen?

Gosvāmī: Deze sakhya-rasa komt tot het stadium van praṇaya, nadat hij prema, sneha en rāga heeft gentegreerd.

Vrajanātha: Welke zijn de symptomen van praṇaya?

Gosvāmī: Praṇaya is rati, die volkomen vrij is van het minste spoor van ontzag, zelfs in omstandigheden, die zulke gevoelens normaliter zouden oproepen.

De grootheid van sakhya-rasa is ongekend. In prīta-rasa en vātsalya-rasa zijn Kṛṣṇa's bhāva en de bhāva van Zijn bhakta van elkaar verschillend. Van alle rasa's is prema-rasa namelijk sakhya-rasa beslist geliefd (priya), want in deze rasa hebben Kṛṣṇa en Zijn bhakta's dezelfde liefdevolle bhāva.

 

Aldus eindigt het Negenentwintigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Rasa-tattva: Anubhāvas in Śānta, Dāsya & Sakhya Rasas"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 28 "Rasa-Tattva: Mukhya-Rati"

Volgende: Hoofdstuk 30 "Rasa-Tattva: Anubhavas in Vatsalya & Madhura-Rasas"

Inhoud: Inhoud



Top

2017 Jayaradhe.nl