Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 28

Rasa-Tattva: Mukhya-Rati


Vijaya Kumāra en Vrajanātha kwamen de volgende dag zoals gebruikelijk naar de lotusvoeten van Śrī Gopāla Guru Gosvāmī en na hun sāṣṭāṅga-daṇḍavat-praṇāma te hebben aangeboden begonnen ze vragen te stellen, waarmee ze om opheldering vroegen over de onderwerpen van de vorige dag. Vrajanātha informeerde, "Prabhu, uit alles, wat u hebt uitgelegd over vibhāva, anubhāva, sāttvika-bhāva en vyabhicārī-bhāva blijkt, dat het bhāva's zijn. Welke van deze is dan de sthāyībhāva?"


Gosvāmī: Het is waar, dat het allemaal bhāva's zijn. Sthāyībhāva is die bhāva, welke alle vergelijkbare bhāva's, zoals hāsya, en onvergelijkbare bhāva's, zoals woede, onderwerpt door ze te overheersen en als keizer over alle andere bhāva's te blijven regeren. Sthāyībhāva is de rati, die de bhakta in zijn hart voor Kṛṣṇa voelt, waarmee hij zichzelf als āśraya (plaats) en Kṛṣṇa als viṣaya (object) identificeert. In de beschrijving over de ingrediŽnten van rasa, kun je zien, dat āśraya als ālambana (drager) in de categorie van vibhāva (oorzaak van rati) is geclassificeerd. En verder, dat sthāyībhāva de andere bhāva's onder zijn controle brengt, enkele ervan als motivaties voor rasa aanvaardt en andere als behulpzame sentimenten bij het proeven van rasa gebruikt. Hoewel sthāyībhāva zelf de vorm van een smaakvolle bhāva heeft, proeft sthāyībhāva in deze overheersende positie tegelijkertijd de andere bhāva's. Bestudeer dit grondig en denk er goed over na, hoe de sthāyībhāva van de andere bhāva's verschilt. Rati in de vorm van sthāyībhāva kan primair of secundair zijn, waardoor er twee soorten rati zijn: mukhya-rati en gauṇa-rati.

Vrajanātha: Wat is mukhya-rati?

Gosvāmī: In de context van bhāva-bhakti wordt mukhya-rati gekenschetst als śuddhā-sattva-viśeṣātmā svarūpa (de unieke svarūpa van de ātmā in de staat van zuivere goedheid).

Vrajanātha: Het horen van uw zuivere overwegingen heeft vandaag mijn misverstand opgehelderd, dat ik over rati ontwikkelde, toen ik de wereldse alaṅkāra-śāstra bestudeerde. Ik heb vandaag goed begrepen, dat bhāgavata-rasa in de zuivere svarūpa van de jīva als de aangeboren aanleg van zijn ātmā optreedt. De rati, waaraan wereldse auteurs refereren, wordt alleen in het grofstoffelijke lichaam en in de geest en citta (hart) van het subtiel stoffelijk lichaam van de geconditioneerde jīva ervaren. Door uw uitleg heb ik ook begrepen, dat rasa de exclusieve rijkdom van de zuivere jīva is. Door de genade van de hlādinī-śakti kan de geconditioneerde jīva het in zeer geringe mate realiseren. Wilt u alstublieft de verschillende soorten śuddhā of mukhya-rati aan ons uitleggen?

Toen Guru Gosvāmī Vrajanātha's begrip van tattva bemerkte, vloeiden de vreugdetranen over zijn wangen. Hij omhelsde Vrajanātha en zei, "Ik ben vandaag gezegend met zo'n leerling als jij. Nu moet je luisteren. Er zijn twee soorten mukhya-rati: mukhya-rati, die zichzelf voedt (svārthā mukhya-rati) en mukhya-rati, die andere rati's voedt (parārthā mukhya-rati)."

Vrajanātha: Wat is svārthā mukhya-rati?

Gosvāmī: Svārthā rati draagt en voedt zichzelf met behulp van vergelijkbare bhāva, terwijl onvergelijkbare bhāva's er spijt of apathie in creŽren.

Vrajanātha: Wat is parārthā mukhya-rati?

Gosvāmī: Parārthā mukhya-rati accommodeert zowel de vergelijkbare als de onvergelijkbare soorten bhāva door zelf terug te deinzen (saṅkucita). Er is nog een andere manier om mukhya-rati te classificeren.

Vrajanātha: Welke is dat?

Gosvāmī: Mukhya-rati wordt in vijf specialiteiten onderverdeeld: śuddhā, dāsya, sakhya, vātsalya en madhura. Zoals de zon in verschillende kleuren door de vlakken van een kristal schijnt, zo verschijnen de specialiteiten van sthāyībhāva in de verschillende ontvangers van rati.

Vrajanātha: Wilt u alstublieft śuddhā-rati uitleggen?

Gosvāmī: Er zijn drie soorten śuddhā-rati: algemeen (sāmānya), helder (svaccha) en vredig (śānta). Algemene of gewone (sāmānya) rati voor Kṛṣṇa is die van gewone mensen en van jonge meisjes. Svaccha (heldere) rati is variabel naargelang de relaties, die de sādhaka met verschillende typen bhakta's heeft, die ieder hun eigen karakter en hun eigen, bijzonder type sādhana uitvoeren. Svaccha-rati is als een volkomen helder en zuiver kristal en reflecteert de bhāva van ieder afzonderlijk type associatie (bhakta-saṅga), die de sādhaka heeft. Daarom wordt het svaccha (heldere) rati genoemd. Degenen, die deze rati hebben, noemen Kṛṣṇa soms 'Prabhu' en bieden hun gebeden (stava) aan, soms noemen ze Hem 'Mitra' (vriend) en maken grapjes met Hem, soms onderhouden en voeden ze Hem, waarbij ze Hem als hun zoon beschouwen, soms richten ze zich vol blijdschap tot Hem als 'Kānta' (geliefde) en soms hebben ze het gevoel, dat Hij Paramātmā is.

Sama-svabhāva is de ānanda, die in de geest oprijst van degene, die beschikt over de kwaliteit van evenwicht en daarmee alle verlangens naar lustbevrediging uit zijn geest bant. De rati voor Kṛṣṇa van zulke, van nature evenwichtige mensen komt voort uit de kennis van Paramātmā en wordt śānta-rati genoemd. Deze rati wordt zuiver en onvermengd (śuddhā) genoemd, omdat hij geen relatie heeft met de smaken, die aanwezig zijn in dāsya-rati, sakhya-rati, vātsalya-rati, enzovoort.

Deze drie typen rati Ė dāsya, sakhya en vātsalya Ė worden ook in twee categorieŽn verdeeld, namelijk exclusief (kevalā) en samengesteld (saṅkulā). In kevalā rati is slechts ťťn soort rati actief zonder zelfs een spoor van andere soorten te bevatten. In Vraja, wordt kevalā rati vertoond door dienaren, zoals Rasāla; vrienden, zoals Śrīdāmā; en Kṛṣṇa's authoriteiten, zoals Nanda Mahārāja. In samengestelde (saṅkulā) rati worden twee of meer soorten rati gecombineerd. De rati van Uddhava, Bhīma en Vrajeśvarī Śrīmatī Rādhikā's verzorgster, Mukharā, wordt saṅkulā rati genoemd.

Vrajanātha: Eerst dacht ik, dat er geen śānta-rati in de toegewijden van Vraja was, maar nu zie ik, dat dit in geringe mate ook in hen bestaat. Wereldse dichters denken, dat er in śānta-dharma geen rati is, maar het is in rati voor parabrahma zeker wel zichtbaar. Wilt u nu alstublieft de symptomen van dāsya-rati uitleggen?

Gosvāmī: Dāsya-rati of prīti is de rati, die is samengesteld uit gevoelens van eerbiedige dienstverlening voortkomend uit het idee, "Kṛṣṇa is de meester en ik ben de dienaar." Degenen, die aan dergelijke rati zijn gehecht, hebben geen prīti voor iets anders.

Vrajanātha: Wat is het symptoom van sakhya-rati?

Gosvāmī: In sakhya-rati heb je steevast vertrouwen in Śrī Kṛṣṇa en denk je over Hem als je gelijke. Sakhya-rati wordt gekenmerkt door gewoon lachen en grapjes maken.

Vrajanātha: Beschrijft u alstublieft de kenmerken van vātsalya-rati.

Gosvāmī: De vātsalya-rati van Śrī Kṛṣṇa's authoriteiten (guru-jana) bestaat uit het verlangen om goedgunstigheid en vriendelijkheid jegens Hem te tonen. In deze rati hebben activiteiten plaats, zoals het voeden en beschermen van Kṛṣṇa, rituelen uitvoeren voor het welzijn van Zijn leven, zegeningen geven en Zijn kin aanraken.

Vrajanātha: Weest u nu alstublieft zo goed om madhura-rati te omschrijven.

Gosvāmī: Madhura-rati is de rati tussen de lotusogige gopī's van Vraja en Śrī Kṛṣṇa, waarin zich acht soorten ontmoetingen en plezier afspelen, die beginnen met herinneren, elkaar zien, enzovoort. Deze madhura-rati wordt uitgedrukt in activiteiten, zoals het werpen van zijdelingse blikken, het vertonen van uitdrukkingen en het geven van aanwijzingen met de wenkbrauwen, het spreken van lieve woordjes en lachen. Rati neemt in smaak en vervoering toe naarmate ze zich ontwikkelt van śānta naar madhura en ze glanst eeuwigdurend in de variŽteiten van bhāva-bhakta's. Tot zover heb ik de kenmerken en symptomen van de vijf soorten mukhya-rati beschreven.

Vrajanātha: Wilt u nu alstublieft gauṇa-rati uitleggen in de context van aprākṛta-rasa?

Gosvāmī: Gauṇa-rati is de bijzondere bhāva, die voortkomt uit vibhāva (oorzaak van rati) en om precies te zijn uit de uitmuntendheid van ālambana (drager), die zich door middel van een samengetrokken rati uit zichzelf manifesteert. De zeven gauṇa-bhāva's zijn hāsya (humor), vismaya (verbazing), utsāha (enthousiasme), śoka of karuṇa (mededogen), raudra (boosheid), bhayānaka (angst) en jugupsā of bībhatsa (walging). Kṛṣṇa-bhāva is alleen mogelijk in de eerste zes gauṇa-bhāva's. Gezien vanuit het perspectief van rasa is de zevende rati de aversie of afkeer, die de bhakta's voor het inerte, materiŽle lichaam en zijn activiteiten hebben, zodra śuddhā-rati ontwaakt. Toch is het woord rati voor bhāva's als hāsya (humor) gebruikt vanwege hun combinatie met parārthā mukhya-rati (rati die andere bhāva's voedt), zelfs al zijn ze anders dan de onderscheiden (svārthā) rati (die zichzelf voedt) van śuddhā-sattva. Dat is de reden, waarom ze als hāsya-rati, vismaya-rati, enzovoort, worden aangemerkt. Soms krijgt gauṇa-rati, zoals hāsya, in sommige bhakta's een permanente status, maar dit gebeurt niet altijd. Daarom worden ze gezien als incidenteel en als 'dat wat niet als een constante, vloeiende stroom wordt gemanifesteerd'. Onder bepaalde omstandigheden worden ze zo sterk, dat ze zelfs de natuurlijke śuddhā-rati overweldigen en hun eigen superieuriteit vestigen.

Vrajanātha: De acht soorten bhāva, zoals śṛṅgāra (amoureuze liefde), hāsya en karuṇa, worden ook in de poŽtische literatuur van de materiŽle wereld (jaḍīya-alaṅkāra) gebruikt. Nu kan ik begrijpen, dat de vibhāva (oorzaak van rati) van deze soort bhāva alleen aardig kan lijken in de onbeduidende rasa tussen de aardse nāyaka en zijn heldin (nāyikā). Deze vibhāva heeft geen bestaansrecht in de cinmaya-rasa van Vraja, waarin alleen de zuivere ātmā (spirituele ziel) actief is; de activiteiten van het verstand kunnen die sfeer niet bereiken. Daarom hebben de mahājana's besloten, dat rati de sthāyībhāva is en hebben ze zijn mukhya-bhāva's in vijf soorten mukhya-rasa verdeeld en zijn gauṇa bhāva's in zeven vormen van gauṇa-rasa. Deze classificatie is heel toepasselijk. Wilt u nu alstublieft de symptomen van hāsya-rati (humor) beschrijven?

Gosvāmī: Het ontwaken van hāsya-rati is het tot bloei komen van het hart door een verkeerde presentatie van woorden, van een verschijning of van verkeerde activiteiten, die daardoor komisch worden; de symptomen zijn het opensprerren van de ogen en het trillen van de neus, de lippen en het hoofd. Deze humor wordt alleen hāsya-rati genoemd, als hij door saṅkucita-rati (samengetrokken rati) gevoed is geweest en voortkomt uit activiteiten, die aan Kṛṣṇa zijn gerelateerd.

Vrajanātha: Vertelt u me alstublieft over de symptomen van vismaya-rati (verbazing).

Gosvāmī: De transformatie van het hart, die zich voordoet, wanneer je van iets ongewoons getuigt, wordt vismaya genoemd en deze vismaya wordt vismaya-rati genoemd, als hij aan Kṛṣṇa is gerelateerd. In deze vismaya-rati zijn anubhāva's manifest, zoals met wijd open ogen kijken; uitroepen slaken, zoals, "Oh! Oh!" (vol verbazing) en het krijgen van kippenvel.

Vrajanātha: Welke zijn de symptomen van utsāha-rati (enthousiasme)?

Gosvāmī: Utsāha is de standvastige gehechtheid van de geest aan het zo snel mogelijk uitvoeren van een grote taak, waarvan de vrucht door sādhu's wordt geprezen. Het wordt gekarakteriseerd door dringende noodzaak, het verliezen van geduld, enorm zware inspanning, enzovoort.

Vrajanātha: Welke zijn de symptomen van krodha-rati?

Gosvāmī: Krodha (boosheid) is het branden van het hart, dat door een onvergelijkbare bhāva onstaat. In krodha ervaar je transformatie, zoals hardvochtigheid, het fronsen van de wenkbrauwen en rood doorlopen ogen.

Vrajanātha: Welke zijn de symtomen van bhaya-rati?

Gosvāmī: Bhaya (angst) is de excessieve rusteloosheid van het hart, die zich voordoet, wanneer je getuige bent van een afschuwlijke gebeurtenis. Jezelf verstoppen, pijn in het hart krijgen en pogingen doen om weg te rennen zijn karakteristieke symptomen van bhaya.

Vrajanātha: Kunt u nu zo vriendelijk zijn om over de symptomen van jugupsā-rati te vertellen?

Gosvāmī: Jugupsā (walging) is de samentrekking, of het terugschrikken, dat zich voordoet bij het zien, horen of herinneren van weerzinwekkende zaken. De symptomen zijn spugen, vieze gezichten trekken en uitroepen van walging slaken, "Bah! Bah!" Ze worden alleen als rati aanvaard, indien ze gunstig zijn jegens Kṛṣṇa; anders zijn het slechts wereldse sentimenten.

Vrajanātha: Hoeveel bhāva's zijn er in totaal in bhakti-rasa?

Gosvāmī: Er zijn acht sthāyībhāva's, drieŽndertig saŮcārī-bhāva's en acht sāttvika-bhāva's;bij elkaar dus negenenveertig bhāva's. Als deze bhāva's aards (prākṛta) zijn geÔnspireerd, zijn ze vol geluk en verdriet, welke gevoelens voorkomen uit de drie materiŽle geaardheden; en als ze zich in relatie tot Kṛṣṇa manifesteren, zijn ze transcendentaal (aprākṛta) en bestaan ze uit volop bloeiende ānanda, zich zich boven de drie materiŽle geaardheden bevindt.

Zelfs wanhoop (viṣāda) bestaat uit immens geluk, indien het is gerelateerd aan Kṛṣṇa. Śrī Rūpa Gosvāmī heeft gezegd, dat Kṛṣṇa en Zijn bhakta's aangevoerd door Zijn geliefde metgezellen als ālambana (dragers) de oorzaak zijn van rati. De sāttvika-bhāva's, zoals bewegingloos worden (stambha), zijn activiteiten van rati, en de saŮcārī-bhāva's, te beginnen met het geringschatten van zichzelf (nirveda), zijn de hulpmiddelen van rati.

Als rasa ontwaakt, worden de transformaties niet oorzaak, gevolg of hulpmiddel genoemd; ze worden dan vibhāva, enzovoort, genoemd. Paṇḍita's hebben vibhāva deze naam gegeven, omdat vibhāva in rati de kwalificatie implanteert (vibhāva) om specifiek smaakvol te worden. Anubhāva's, zoals nṛtya (dansen), enzovoort, worden zo genoemd, omdat ze de geÔmplanteerde (vibhāvita) rati verlichten (anubhāva), nadat ze hem hebben uitgebreid. Sāttvika-bhāva's worden zo genoemd, omdat ze sattva oproepen. SaŮcārī-bhāva's maken de geÔmplanteerde (vibhāvita) en verlichte (anubhāvita) rati op een groot aantal manieren betoverend door er gevoelens van voorbijgaande aard, zoals nirveda, op over te brengen. Volgens de bhakta's, die goed belezen zijn in de poŽzie en de toneelstukken over Bhagavān, vormt vibhāva, enzovoort, de fundamentele oorzaak van sevā (transcendentale liefdedienst). In feite vormen deze bhāva's als onderdeel van rati juist door hun eigen natuur de vilāsa (spel) van mahā-bhakti en ze beschikken over de kwaliteit van onderscheiden, onbevattelijke svarūpa (acintya-svarūpa-viśiṣṭa). Śāstraís zoals Mahābhārata beschrijven ze als onverklaarbaar en hebben tevens gezegd, dat het ongepast is over de groep bhāva's (bhāva-samūha) te redeneren, die zich buiten iedere rationele benadering bevindt. De tattva's, die zich buiten prakṛti (de geaardheden van de materiŽle natuur) bevinden, zijn acintya-tattva's.

Rati, dat een onderdeel is van de onbevattelijke rasa-tattva, speelt een betoverend spel in de geest. Het implanteert (vibhāvita) in zichzelf Kṛṣṇa's rūpa, enzovoort, en op deze manier voedt het zichzelf samen met vibhāva, enzovoort. Rati verlicht Kṛṣṇa's kwaliteiten, zoals Zijn rūpa, die de verblijfplaatsen zijn van alle vormen van mādhurya. Het gevolg is, dat ze de rati zelfs uitbreiden, wanneer Kṛṣṇa's rūpa en andere kwaliteiten worden geproefd. Dus vibhāva, anubhāva, sāttvika en vyabhicārī-bhāva's zijn rati behulpzaam en rati op haar beurt voedt deze bhāva's ook.

Vrajanātha: Wat is het verschil tussen viṣaya-rati en kṛṣṇa-rati?

Gosvāmī: Viṣaya-rati is werelds, terwijl kṛṣṇa-rati transcendentaal is. In wereldse rati wordt plezier in de ontmoeting ervaren en extreem verdriet in de afgescheidenheid. Maar wanneer bhakta's, die Bhagavān liefhebben, kṛṣṇa-rati bereiken, verandert deze in rasa en geeft aanleiding tot het plezier van het samenzijn. In de momenten van afgescheidenheid (vipralambha) neemt diezelfde rati de vorm aan van een uiterst wonderbaarlijke en verbijsterende draaikolk van plezier (ānanda-vivarta). In de conversatie tussen Śrīman Mahāprabhu en Rāya Rāmānanda, legt Rāya Rāmānanda deze verbazingwekkende ānanda-vivarta van afgescheidenheid uit in zijn eigen śloka, pahilehi rāga nayana-bhaṅge bhela (Caitanya-caritāmṛta, Madhya-līlā 8.194). De śloka lijkt een intens lijden te beschrijven, maar staat in feite bol van de hoogste vorm van geluk.

Vrajanātha: Geleerden in de logica zeggen, dat de rasa, die we zien, niet volledig manifest is, maar slechts een deel van de gehele rasa betreft. Hoe kunnen we op deze bewering een antwoord geven?

Gosvāmī: Het is in feite waar, dat de rasa, die wordt opgewekt door interacties in de materiŽle wereld (jaḍa-rasa), slechts een deel is van de gehele rasa, omdat rasa alleen wordt gemanifesteerd, wanneer sthāyībhāva met de ingrediŽnten (sāmagrī) van rasa combineert. Tot dat moment blijft hij ongemanifesteerd. Maar dat is niet het geval met de transcendentale rasa (aprākṛta-cinmaya-rasa). In het stadium van perfectie (siddha) is hij eeuwig, onverdeeld en zelfmanifest. Tijdens de fase van sādhana kun je dezelfde rasa in manifeste vorm in de mondaine wereld realiseren. Wereldse rasa houdt in afgescheidenheid geen stand, terwijl transcendentale rasa in de conditie van afgescheidenheid zelfs mooier wordt.

Deze aprākṛta-cinmaya-rasa heeft als speelse manifestatie (vilāsa-rūpa) van de hlādinī mahā-śakti tadātmya (eenheid) bereikt met de allerhoogste, zegenrijke vreugde (paramānanda). Met andere woorden, paramānanda is zelf rasa. Dit gaat de logica en de reden teboven, want dit is acintya (onbevattelijk).

Vrajanātha: Hoeveel soorten rasa zijn er in aprākṛta-tattva?

Gosvāmī: Er is ťťn mukhya vorm van rati en zeven gauṇa vormen, dus er zijn bij elkaar acht soorten rati. Op dezelfde manier is mukhya-rasa ook ťťn van de vijf soorten en er zijn zeven soorten gauṇa-rasa, dus er zijn ook acht soorten rasa.

Vrajanātha: Kunt u me alstublieft de namen van deze acht vertellen. Hoe meer ik hoor, hoe meer mijn smaak om meer te horen toeneemt.

Gosvāmī: Śrī Rūpa Gosvāmī heeft in Śrī Bhakti-rasāmṛta-sindhu (Zuidelijke Divisie 5.115) gezegd,

mukhyas tu paŮcadhā śantaḥ prītaḥ preyāṁś ca vatsalaḥ
madhuraś cety amī jŮeyā yathā pūrvvam anuttamāḥ
hasyo 'dbhutas tathā vīraḥ karuṇo raudra ity api
bhayānakaḥ sa vibhatsa iti gauṇaś ca saptadhā

Er zijn vijf soorten mukhya-bhakti-rasa: śānta, prīta, preya, vātsalya en madhura. Het dient duidelijk te zijn, dat de eerste lager is dan de tweede, de tweede lager dan de derde, enzovoort in volgorde. Behalve deze zijn er zeven soorten gauṇa-bhakti-rasa: hāsya, adbhuta, vīra, karuṇa, raudra, bhayānaka en bībhatsa.

Vrajanātha: Wat is de betekenis van het woord bhāva in de context van cinmaya-rasa?

Gosvāmī: In rasa-tantra wijst het woord bhāva op het gevoel, dat ontwaakt onder invloed van diep spirituele indrukken (gāḍha-saṁskāra's) van het object van meditatie in het hart van de geleerde, wiens intelligentie uitsluitend op spirituele objecten is gericht. Ik heb eerder gezegd, dat er twee soorten bhāva zijn: cintya (bevattelijke) en acintya (onbevattelijke). Logica kun je toepassen op de objecten van cintya-bhāva's, omdat al dergelijke bhāva's, die zich in de geconditioneerde geest van de baddha-jīva bevinden, voortkomen uit de onwetende, materiŽle natuur. Dit betekent, dat je concreet kunt nadenken over deze objecten. Op dezelfde manier zijn wereldse gedachten over Īśvara ook cintya-bhāva.

Eigenlijk zijn bhāva's gerelateerd aan Īśvara helemaal niet cintya, want īśvara-tattva bevindt zich voorbij de aardse substantie. Het is verkeerd om te denken, "Īśvara-tattva bevindt zich boven de onwetende, materiŽle energie en het gevolg daarvan is, dat er geen begrijpelijke bhāva in Hem aanwezig is. Er is daarom dus helemaal geen bhāva in īśvara-tattva." In werkelijkheid vinden alle bhāva's hun bestaan in relatie tot Īśvara, maar ze zijn acintya, omdat ze boven de cerebrale vermogens van het materiŽle verstand uitgaan. Breng die onbevattelijke bhāva's daarom naar het hart en ga met onverdeelde aandacht door ze te cultiveren. Je moet weten, dat ťťn van die bhāva's permanent (sthāyī) is en je dient de andere acintya-bhāva's als ingrediŽnten (sāmagrī) van rasa te aanvaarden. Als je dat doet, zal de eeuwig volmaakte (nitya-siddha) rasa, die volkomen en ononderbroken (akhaṇḍa) is, in jezelf naarboven komen.

Vrajanātha: Prabhu, welke zijn de diepe indrukken (gāḍha-saṁskāra's), waarover u in deze context sprak?

Gosvāmī: Bābā! Je hebt geboorte na geboorte in de kringloop van karma rondgewenteld en door je gehechtheid aan aardse lustbevrediging is je bewustzijn (citta) opgevuld met twee soorten indrukken (saṁskāra), namelijk degene, die je verzamelde in voorgaande levens (prāktana) en degene, die je in dit leven verwierf (ādhunika). In al die tijd is de zuivere aanleg van het hart, die in de zuivere existentie van je ātmā aanwezig was, verstoord geraakt. Welnu, onder invloed van spirituele aanwinsten (sukṛti) verzameld in vele voorgaande levens heb je in dit leven sat-saṅga verworven en ben je spirituele saṁskāraís aan het creŽren door bhajana in deze associatie uit te voeren. Als deze spirituele saṁskāraís de verstoorde saṁskāraís verdrijven, komen je oorspronkelijke saṁskāraís weer naar boven. De acintya-tattva manifesteert zich in je hart naarmate deze spirituele saṁskāraís zich verdiepen. Dit wordt gāḍha-saṁskāra genoemd.

Vrajanātha: Ik ben benieuwd te weten, wie de adhikāra (bekwaamheid) heeft on rasa-tattva binnen te gaan.

Gosvāmī: De enige candidaten voor rasa-tattva zijn sādhakaís, die de acintya-bhāva's voortkomend uit de gāḍha-saṁskāraís hun hart kunnen binnenbrengen in de volgorde, die ik heb beschreven. Anderen zijn niet gekwalificeerd. Śrī Rūpa Gosvāmī heeft gezegd,

vyatītya bhāvanā-vartma / yaś camatkāra-bhāra-bhūḥ
hṛdi sattvojjvale bāḍhaṁ / svadate sa raso mataḥ
††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Bhakti-rasāmṛta-sindu (Zuidelijke Divisie 5.79)

Rasa is de wonderbaarlijke sthāyībhāva, de ware rustplaats van verwondering, die wordt ervaren, nadat de sādhaka het pad van contemplatie heeft gepasseerd. De rasa wordt geproefd in het hart, dat ging stralen, nadat het diepgaand en volkomen werd gezuiverd door śuddhā-sattva.

Vrajanātha: Wie is niet gekwalificeerd (anadhikārī) voor deze rasa? Het is een overtreding om rasa uit te leggen aan iemand, die niet is gekwalificeerd, zoals het ook een overtreding is om hari-nāma aan een onbekwaam persoon te geven. Prabhu, we zijn lage en hulpbehoevende ellendelingen, geeft u ons daarom uw genade en maakt u ons behoedzaam met betrekking tot deze materie.

Gosvāmī: Onthouding, die onverschillig staat tegenover śuddhā-bhakti, kan pretentieuze onthechting (phalgu-vairāgya) worden genoemd en kennis, die onverschillig staat tegenover śuddhā-bhakti, kan droge speculatie (śuṣka-jŮāna) worden genoemd. Degenen, die zich niet gunstig opstellen ten aanzien van śuddhā-bhakti, zijn allemaal ongekwalificeerd voor het onderwerp rasa, bijvoorbeeld valse wereldverzakers; empirisch wetenschappers; degenen, die aan wereldse logica zijn toegewijd; degenen, die karma-mīmāṁsā volgen en die de afdeling gortdroge kennis (śuṣka-jŮāna) uit de uttara-mīmāṁsā prijzen; degenen, die gekeerd zijn tegen het proeven van bhakti en degenen, die het mondain filosofische systeem van kevala-advaita-vāda volgen. Rasika-bhakta's beschermen kṛṣṇa-bhakti-rasa tegen deze onbekwame figuren, zoals je een waardevolle schat tegen dieven beschermt.

Vrajanātha: We zijn vandaag gezegend. We zullen de instructies, die we van uw goddelijke lippen hebben vernomen, in alle opzichten gehoorzamen.

Vijaya: Prabhu, ik voorzie in mijn levensonderhoud met hetgeen ik collecteer met het reciteren uit Śrīmad-Bhāgavatam in open klassen met algemeen publiek, maar Śrīmad-Bhāgavatam is een rasa-grantha. Is er enige aparādha aanwezig in het inzamelen van geld voor het reciteren onder gewone mensen?

Gosvāmī: Aho ! Śrīmad-Bhāgavatam is het kroonjuweel van alle śāstra en het is de belichaming van de vrucht van alle Vedische śāstraís. Je dient eenvoudig de instructie uit het Eerste Canto (Śrīmad-Bhāgavatam 1.1.3) te volgen,

muhur aho rasikā bhuvi bhāvukāḥ

O rasika-bhakta's, die deskundig zijn in het proeven van de rasa van bhagavat-prīti, zelfs in je bevrijde stadium dien je door te gaan met het regelmatig drinken van de rasavan Śrīmad-Bhāgavatam, de rijpe vrucht van de wensboom der veda's.

Volgens deze śloka worden alleen bhāvuka of rasika-bhakta's als gekwalificeerd beschouwd om de rasa van Śrīmad-Bhāgavatam te drinken. Bābā, je moet deze bezigheid spoorslags opgeven. Je verlangt hevig naar rasa, dus bega dan geen aparādha meer tegen rasa. Raso vai saḥ - in deze uitspraak van de veda's is gezegd, dat rasa nu juist de svarūpa van Kṛṣṇa is. Er zijn vele andere beroepen, waarmee je in je levensonderhoud kunt voorzien en je dient je met ťťn ervan in leven te houden. Van nu af aan collecteer je geen rijkdommen meer met het reciteren van Śrīmad-Bhāgavatam onder algemeen publiek. Ja, als je een rasika toehoorder ontmoet, kun je hem met veel plezier Śrīmad-Bhāgavatam voorlezen, maar pak geen vergoeding of donatie aan.

Vijaya: Prabhu, vandaag hebt u me gered van het begaan van een ernstige aparādha. Vanaf nu zal ik dat niet meer doen, maar wat gaat het effect worden van de aparādha, die ik al heb begaan?

Gosvāmī: Die overtredingen worden weggevaagd. Als je je met een simpel hart aan rasa overgeeft, zal rasa je zeker vergeven. Maak je hierover geen zorgen.

Vijaya: Prabhu, ik zal mezelf in stand houden met een of ander ondergeschikt baantje en ik zal geen rasa meer aan ongekwalificeerde lieden voorleggen, zelfs niet als ze me geld bieden.

Gosvāmī: Bābā! Je bent fortuinlijk! Kṛṣṇa heeft je beslist aanvaard als Zijn eigen zelf, anders was het voor jou niet mogelijk geweest zo'n sterk vertrouwen in bhakti te hebben. Jullie beiden zijn inwoners van Śrī Navadvīpa-dhāma. Śrī Gaurahari heeft jullie met Zijn vermogen toegerust.

 

Aldus eindigt het Achtentwintigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Rasa-tattva: Mukhya-rati"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 27 Ė "Rasa-Tattva: Sattvika-Bhava, Vyabhicari-Bhava & Raty-Abhasa"

Volgende: Hoofdstuk 29 Ė "Rasa-Tattva: Anubhavas in Santa, Dasya & Sakhya Rasas"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl