Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 27

Rasa-Tattva: Sattvika-Bhava, Vyabhicari-Bhava & Raty-Abhasa


De volgende dag, nadat Vijaya Kumāra en Vrajanātha prasāda hadden geëerd, gingen ze weer naar Śrī Rādhā-Kānta Maṭha, waar ze kort na het middaguur aankwamen. Śrī Gopāla Guru Gosvāmī had ook mahā-prasāda geëerd en zat op hen te wachten. Śrī Dhyānacandra Gosvāmī zat naast hem Upāsanā-paddhati (De Procedures voor Verering) te schrijven. Op dat moment was de verschijning van Śrī Guru Gosvāmī zeer opmerkelijk. Hij droeg het kleed van de sannyāsī, zijn voorhoofd was met ūrddhva-puṇḍra tilaka gemerkt, de lettergrepen van hari-nāma waren op al zijn ledematen geschreven en vier dikke tulasī-snoeren lagen om zijn hals. Hij hield een japa-mālā in zijn hand en met tussenpozen stroomden tranen op zijn borst uit zijn ogen, die in meditatie half gesloten waren. Wenend en zuchtend riep hij af en toe luid uit, "Gaurāṅga! Nityānanda!" Zijn lichaam was stevig en zijn gelaatskleur was donker en stralend. Zijn kom van een uitgeholde kokosnootbast stond vol water vlaknaast de zitplaats van bananenschors, waarop hij zat, terwijl zijn beide houten sandalen verderop lagen.


Toen Vijaya en Vrajanātha dit alles zagen, rees er een ongekende śraddhā in hun hart omhoog. Ze boden beiden hun sāṣṭāṅga-praṇāma aan en bleven lange tijd op de grond liggen. Over het algemeen respecteerden de bewoners van de Maṭha Vijaya en Vrajanātha, nadat ze hun vaiṣṇava-kwaliteiten, hun wijsheid en hun diepgaand begrip van vele śāstra’s hadden opgemerkt en ze bovendien te weten waren gekomen, dat ze inwoners van Śrī Navadvīpa-dhāma waren. Maar vandaag was iedereen zeer onder de indruk bij het zien van dergelijke, voorbeeldige vaiṣṇava-sentimenten. Toen Guru Gosvāmī hen zag liggen en zag hoe zij op die manier hun praṇāma aanboden, tilde hij hen op, omhelsde hen liefdevol en liet hen dichtbij hem zitten. Vrajanātha wachtte op een geschikt ogenblik en bracht toen langzaam en bedeesd het onderwerp rasa te berde. Śrī Gosvāmī begon met een hart vol prema te spreken, "Vandaag geef ik jullie inzicht in het onderwerp anubhāva enzovoort en ik zal ervoor zorgen, dat jullie rasa-tattva binnengaan.

"Er zijn vier ingrediënten van rasa: vibhāva, anubhāva, sāttvika en vyabhicārī. Gisteren heb ik vibhāva-tattva uitgelegd en vandaag ga ik eerst anubhāva uitleggen. Luister aandachtig.

"Vibhāva refereert aan de persoonlijkheden, die er de oorzaak van zijn, dat rati verschijnt. Welnu, anubhāva refereert aan die zichtbare symptomen, welke veroorzaken, dat rati duidelijk wordt en die ervoor zorgen, dat de bhāva's in het hart worden gerealiseerd. Met andere woorden, anubhāva bestaat uit activiteiten, zoals zijdelingse blikken en lichaamshaar, dat recht overeind gaat staan, die zich weliswaar als uiterlijke lichaamstransformaties manifesteren, maar die in feite de innerlijke bhāva's van het hart onthullen. Deze innerlijke bhāva's worden door de volgende uitingen van opwinding onthuld: dansen (nṛtya), over de grond rollen (viluṇṭhana), zingen (gīta), luid uitroepen (krośana), het lichaam uitrekken en kronkelen (tanu-moṭana), grommen (huṇkāra), geeuwen (jṛmbhana), zuchten en diep ademhalen (dīrgha-śvāsa), onverschillig zijn voor publieke opinie (lokānapekṣitā), kwijlen (lālāsrāva), luid lachen (aṭṭa-hāsa), duizelig worden (ghūrṇā) en hikken (hikkā)."

Vrajanātha: Hoe kunnen deze externe transformaties de smaak van de rasa van de innerlijke sthāyībhāva voeden? Ik heb ook nog een andere vraag. Op het moment dat rasa innerlijk wordt geproefd, worden deze anubhāva's extern op het lichaam gemanifesteerd, maar hoe kunnen ze dan afzonderlijke en onderscheiden ingrediënten van rasa zijn?

Gosvāmī: Bābā, je bent inderdaad een echte paṇḍita van nyāya-śāstra. Tot op heden heeft nog nooit iemand zulke subtiele vragen gesteld als jij. Toen ik rasa-śāstra in het gezelschap van Śrī Paṇḍita Gosvāmī studeerde, kwamen exact dezelfde argumenten in mijn hoofd op. Mijn twijfels werden echter door de genade van Śrī Gurudeva snel opgelost. De vertrouwelijke betekenis is, dat in het zuivere bewustzijn (śuddhā-sattva) van de jīva, op het moment dat vibhāva de functie van het bewustzijn (citta) stimuleert en tevens de functie zelf assisteert, er een natuurlijke verwondering (vaicittya) optreedt, die het hart op diverse wijzen doet opbloeien en dit veroorzaakt op zijn beurt een aantal uitwendige transformaties, die op het lichaam zichtbaar worden. Deze externe transformaties, zoals dansen, worden udbhāsvara genoemd en bestaan uit vele soorten. Wanneer het hart danst, begint ook het lichaam te dansen en wanneer het hart zingt, begint ook de tong te zingen. Je moet de activiteit van andere transformaties op dezelfde wijze beschouwen. De actie van udbhāsvara (externe transformaties) echter is niet de oorspronkelijke actie. Het zijn eerder de anubhāva's (zichtbare activiteiten), die de vibhāva's (personen) opwinden en voeden en zich dan over het lichaam verspreiden in de vorm van udbhāsvara (externe transformaties).

Zodra de sthāyībhāva in het hart door de vibhāva wordt gestimuleerd, begint anubhāva zijn functie als een volgende actie van het hart. Deze anubhāva is een afzonderlijk, individueel ingrediënt. Wanneer deze wordt onthuld door activiteiten, zoals zingen, wordt het 'koelen' (śīta) genoemd en wanneer het wordt onthuld door activiteiten, zoals dansen, wordt het 'werpen' (kṣepaṇa) genoemd. Er zijn ook vele andere symptomen van anubhāva – zoals het opzwellen van het lichaam, het opgeven van bloed, het uit elkaar vallen en samentrekken van de gewrichten – die heel zelden worden waargenoem, dus op deze anubhāva's zal ik niet verder ingaan. De uitermate verbijsterende anubhāva's, die in het lichaam van mijn Prāṇeśvara, Śrī Caitanya Mahāprabhu, werden aanschouwd, zoals op een schildpad gaan lijken, zijn in sādhaka-bhakta's niet mogelijk.

Nadat Vijaya en Vrajanātha deze vertrouwelijke instructies van Guru Gosvāmī hadden vernomen, bleven ze enige tijd zwijgen voor zich uitstaren en vroegen toen, "Prabhu, wat is sāttvika-bhāva?"

Gosvāmī: Het woord sattva verwijst naar de citta (zuiver hart of bewustzijn), dat door een willekeurige bhāva in relatie tot Kṛṣṇa wordt gestimuleerd, hetzij rechtstreeks, dan wel met enige weerstand. De bhāva's, die uit deze sattva voortkomen, worden sāttvika-bhāva's genoemd. Er bestaan drie typen sāttvika-bhāva's: glad (snigdha), gesmeerd (digdha) en ruw (rukṣa).

Vrajanātha: Wat is snigdha (glad) sāttvika-bhāva?

Gosvāmī: Snigdha sāttvika-bhāva bestaat uit twee vormen: mukhya (primair) en gauṇa (secundair). Mukhya-snigdha sāttvika-bhāva treedt op, wanneer mukhya-rati, die in rechtstreekse relatie staat tot Kṛṣṇa, het hart overdondert. Voorbeelden van mukhya-snigdha sāttvika-bhāva zijn als versteend blijven staan, transpireren, enzovoort. Gauṇa-snigdha sāttvika-bhāva ontstaat door een invasie van het hart door gauṇa-rati, wanneer Kṛṣṇa Zich op enige afstand bevindt, of wanneer er zich enige obstructie voordoet. Twee voorbeelden van gauṇa-sāttvika-bhāva's zijn: het verbleken van de lichaamskleur (vaivarṇya) en het stokken van de stem (svara-bheda). Gesmeerde (digdha) sāttvika-bhāva treedt op, wanneer andere bhāva's dan de functie van mukhya-rati en gauṇa-rati het hart overdonderen. Beven is een voorbeeld van de digdha (gesmeerde) sāttvika-bhāva's, die uit rati volgen.

Het gebeurt wel eens, dat iemand slechts een bhakta lijkt te zijn en over de uitzonderlijk wonderbaarlijke en zoete bhāva's van Kṛṣṇa hoort, die hem verbijsteren en verrukking doen ervaren, hoewel hij in feite geen rati heeft. Dit is het derde soort sāttvika-bhāva, dat als 'ruw' (rukṣa) bekend staat. Een voorbeeld van rukṣa sāttvika-bhāva wordt waargenomen, wanneer het haar door 'kippenvel' op het lichaam overeind gaat staan (romāńca).

Vrajanātha: Hoe ontstaat sāttvika-bhāva eigenlijk?

Gosvāmī: Als het hart (citta) van de sādhaka verzadigd raakt met sattva-bhāva (zuivere emotie gerelateerd aan Kṛṣṇa), onderwerpt het zich aan de levensadem (prāṇa). Wanneer dan de prāṇa wordt geprikkeld, getransformeert deze zich en veroorzaakt in het lichaam de verschijning van aanzienlijke opwinding. Op dat moment doen zich lichaamstransformaties voor, zoals stambha (bewegingloosheid).

Vrajanātha: Hoeveel soorten sāttvika transformaties bestaan er?

Gosvāmī: Er zijn acht sāttvika transformaties, namelijk bewegingloosheid (stambha); transpireren (sveda); kippenvel (romāńca); het stokken van de stem (svara-bheda); beven (vepathu); transformaties van de lichaamskleur (vaivarṇya), zoals vervuiling en magerte, die optreden door emoties van wanhoop, angst en woede; vergieten van tranen (aśru); en verwoesting (pralaya).

Onder sommige omstandigheden blijft de levensadem (prāṇa) als het vijfde element (lucht) met de andere vier elementen (aarde, water, vuur en ether) gelijk opgaan. Maar soms, als de prāṇa zich in het element lucht (vāyu) vestigt, gaat hij overheersen en kan hij zich door het hele lichaam van de jīva bewegen. Wanneer prāṇa in contact komt met het element aarde, doet zich bewegingloosheid of inertie (stambha) voor; wanneer hij zijn toevlucht tot het element water neemt, verschijnen tranen (aśru); wanneer hij in het element vuur plaatsneemt, worden kleurveranderingen van het lichaam (vaivarṇya) en transpireren (sveda) zichtbaar; wanneer prāṇa zijn toevlucht neemt in het element ether of ruimte, treedt bewusteloosheid of verwoesting (pralaya) op; en wanneer prāṇa zelf dominant is en zijn toevlucht neemt tot het element lucht, worden de getransformeerde condities van kippenvel (romāńca), beven (vepathu) en het stokken van de stem (svara-bheda) manifest, afhankelijk van de mate van de kracht van prāṇa, die respectievelijk mild, middelmatig of intens kan zijn.

Omdat deze acht transformaties zowel intern als extern actief zijn, worden ze soms bhāva en soms anubhāva genoemd. De anubhāva's echter, zoals dansen, rollen over de grond en zingen, worden niet hetzelfde als sāttvika-bhāva's beschouwd, omdat ze alleen in het externe lichaam actief zijn. De activiteiten van anubhāva, zoals dansen, zijn niet de resultaten van bhāva voortkomend uit sattva (sāttvika-bhāva). Hun activiteit wordt eerder aangezet door de toepassing van intelligentie. In transformaties, zoals bewegingloosheid (stambha), echter, treedt sāttvika-bhāva rechtstreeks op zonder tussenkomst van de intelligentie. Dit is de reden, waarom anubhāva en sāttvika-bhāva als afzonderlijke en onderscheiden ingrediënten worden beschouwd.

Vrajanātha: Ik zou graag willen weten, wat de oorzaak is van aṣṭa-sāttvika transformaties, zoals stambha (inertie).

Gosvāmī: Stambha is een staat, waarin je bewegingloos wordt zonder te spreken of enig andere activiteit te vertonen en deze wordt veroorzaakt door blijdschap, angst, verbazing, verdriet, woede en lusteloosheid. Sveda (transpiratie) is lichaamsvocht veroorzaakt door blijdschap, angst, woede, enzovoort. Romāńca (kippenvel, of het overeind staan van het lichaamshaar) treedt op door verbijstering, blijdschap, enthousiasme en angst. Svara-bheda (het stokken van de stem, of stotteren) ontstaat door wanhoop, verbazing, woede, blijdschap en angst. Vepathu (beven) wordt veroorzaakt door angst, woede, blijdschap, enzovoort. Vaivarṇya (verandering van lichaamskleur) ontstaat door emoties, zoals wanhoop, angst en woede. Aśru (tranen) vloeien uit de ogen voort onder invloed van blijdschap, woede, wanhoop en andere emoties; vreugdetranen zijn koud, terwijl tranen van woede warm zijn. In de staat van pralaya (verwoesting) is men verstoken van activiteit en kennis, men verliest zijn bewustzijn en valt op de grond; dit kan gebeuren door geluk of verdriet.

Er zijn vier typen sāttvika-bhāva's, die corresponderen met een toenemende intensiteit van sattva (zuiverheid). Deze worden rokend (dhūmāyita), smeulend (jvalita), brandend (dīpta) en laaiend (pradīpta) genoemd. De rukṣa (ruwe) sāttvika-bhāva's zijn over het algemeen dhūmāyita (rokend), terwijl de snigdha (gladde) sāttvika-bhāva's over het algemeen de hogere stadia bereiken. Rati is de oorzaak van alle verbazingwekkende ānanda en in zijn afwezigheid is er geen enkele verwondering in de rukṣa sāttvika-bhāva's en andere emoties te bekennen.

Vrajanātha: Prabhu, sāttvika-bhāva's ontstaan door extreem groot geluk, maar veel mensen maken van deze bhāva's een toneelspel, wanneer ze een rol in een tragedie spelen, of wanneer ze hun eigen doelstellingen in het aardse leven willen bewerkstelligen. Wat kunt u over de bhāva's van zulke lieden zeggen?

Gosvāmī: Sāttvika-bhāva's, die zich van nature manifesteren, wanneer je de sādhana van oprechte en zuivere bhakti uitvoert, zijn vaiṣṇava-bhāva's. Behalve deze, kunnen alle andere emotionele symptomen in vier categorieën worden ondergebracht: de schijn van rati (raty-ābhāsa); de schijn van sāttvika-bhāva's (sattvābhāsa); symptomen, die niet uit sattva voortkomen (niḥsattva); en omgekeerde of tegengestelde symptomen (pratīpa).

Vrajanātha: Wat is raty-ābhāsa (de schijn van rati)?

Gosvāmī: Raty-ābhāsa heeft plaats in degenen, die naar bevrijding verlangen; het treedt op in de impersonalistische sannyāsī’s van de Śaṅkara sampradāya, wanneer ze discussies horen over het spel van Kṛṣṇa.

Vrajanātha: Wat is sattvābhāsa (de schijn van sāttvika-bhāva's)?

Gosvāmī: Sattvābhāsa is de schijn van plezier en verbijstering, die optreedt in degenen, wier hart van nature aanleiding geeft voor luchtige emoties – bijvoorbeeld, de aanhangers van jaran-mīmāṁsā en gewone vrouwen – wanneer ze kṛṣṇa-kathā horen.

Vrajanātha: Wat is niḥsattva (de schijn van bhāva, die niet uit sattva voorkomt)?

Gosvāmī: Niḥsattva wijst op symptomen, zoals kippenvel en tranen, die door mensen tentoon worden gespreid, wier geest van nature is gespleten en die ze omwille van een dramatische vertoning praktiseren, of uitvoeren met het oog op een materieel doel. Sommige lieden hebben in feite een hart van steen, maar zijn zo bedreven, dat ze stante pede kunnen grienen, alsof ze echt huilen. Hun gejank is echter een volslagen voorwendsel en van hen wordt gezegd, dat ze een onbetrouwbare geest hebben.

Vrajanātha: Wat zijn omgekeerde of tegengestelde symptomen (pratīpa)?

Gosvāmī: Pratīpa-bhāva-ābhāsa is de schijn van bhāva, die ontstaat door woede, angst en andere emoties resulterend uit activiteiten, die ongunstig zijn jegens Kṛṣṇa. Kaṁsa en Siśupāla zijn duidelijke voorbeelden hiervan.

Vrajanātha: Prabhu, we hebben vibhāva, anubhāva en sāttvika-bhāva's begrepen, als ook het verschil tussen sāttvika-bhāva en anubhāva. Wilt u ons nu alstublieft de vyabhicārī-bhāva's omschrijven?

Gosvāmī: Er zijn drieëndertig vyabhicārī-bhāva's. Vi betekent 'onderscheiden', abhi betekent 'naar' en cārī betekent 'bewegen'. Deze drieëndertig bhāva's worden vyabhicārī genoemd, omdat ze zich met onderscheid in de richting van de sthāyībhāva bewegen. Ze worden ook sańcārī-bhāva's genoemd, omdat ze via woorden, ledematen en sattva worden overgebracht en zich dus door het hele systeem bewegen (sańcārita). Ze zijn als golven in de nectaroceaan van de sthāyībhāva, want ze rijzen op, veroorzaken, dat de sthāyībhāva aanzwelt en trekken zich daarna weer in de oceaan terug.

De drieëndertig sańcārī-bhāva's zijn: (1) spijt of onverschilligheid (nirveda), (2) vertwijfeling (viṣāda), (3) nederigheid (dainya), (4) fysieke en mentale uitputting (glāni), (5) vermoeidheid (śrama), (6) bedwelming (mada), (7) trots (garva), (8) achterdocht (śaṅkā), (9) angst (trāsa), (10) opgewondenheid (āvega), (11) gekte (unmāda), (12) verwarring of mentale afwezigheid (apasmṛti), (13) ziekte (vyādhi), (14) flauwvallen, of het hebben van waanvoorstellingen (moha), (15) sterven (mṛtyu), (16) luiheid (ālasya), (17) matheid (jāḍya), (18) verlegenheid (vrīḍā), (19) verbergen van emoties (avahitthā), (20) herinnering (smṛti), (21) overweging of redenering (vitarka), (22) bezorgdheid (cintā), (23) vastberadenheid, of wijsheid (mati), (24) standvastigheid (dhṛti), (25) blijdschap (harṣa), (26) hevig verlangen (autsukarā), (27) ruwheid (augrya), (28) ongeduld en verontwaardiging (amarṣa), (29) jaloezie (asūyā), (30) rusteloosheid (cāpalyam), (31) slaap (nidrā), (32) diepe slaap (supti), (33) ontwaken (bodha).

Sommige sańcārī-bhāva's zijn onafhankelijk (svatantra) en andere zijn afhankelijk (paratantra). Er zijn twee soorten afhankelijke sańcārī-bhāva's: superieure (vara) en inferieure (avara). De superieure categorie wordt ook in twee typen verdeeld, namelijk rechtstreekse (sākṣāt) en separate of secundaire (vyavahita). De onafhankelijke sańcārī-bhāva's worden weer in drie typen verdeeld: degenen zonder rati (rati-śūnya); degenen, die later contact maken met rati (rati-anusparśana); en degenen met een spoor van rati (rati-gandha).

Als deze bhāva's verschijnen in mensen, die tegen Kṛṣṇa zijn gekeerd, of ze worden waargenomen in ongeschikte mensen of objecten, worden ze in twee typen onderverdeeld, namelijk ongunstige (prātikūlya) en onjuiste (anaucitya). Al deze bhāva's hebben vier hoedanigheden: ontwikkeling (utpatti), vereniging (sandhi), overwinning (śābalya) en kalmering (śānti).

Vrajanātha: Ontwikkeling van bhāva (bhāva-utpatti) is goed te begrijpen, maar wat is vereniging (bhāva-sandhi)?

Gosvāmī: Bhāva-sandhi treedt op, wanneer twee bhāva's – van dezelfde of verschillende typen – bij elkaar komen. Bijvoorbeeld, als matheid veroorzaakt door je geliefde (iṣṭa) en matheid veroorzaakt door iets anders zich beide op hetzelfde moment voordoen, is dit een geval van vereniging van twee identieke emoties (sarūpa-bhāva-sandhi). Blijdschap en vrees, die zich gelijktijdig voordoen, is daarentegen een voorbeeld van de vereniging van twee verschillende typen bhāva (bhinna-bhāva-sandhi).

Vrajanātha: Wat betekent overwinning (bhāva-śābalya)?

Gosvāmī: Bhāva-śābalya is het botsen en verdringen van meerdere bhāva's, waarin één bhāva een andere onderdrukt en gaat overheersen. Toen Kaṁsa bijvoorbeeld over Kṛṣṇa hoorde, werd hij boos en bang tegelijk; dit is een voorbeeld van bhāva-śābalya.

Vrajanātha: Wat is kalmering (bhāva-śānti)?

Gosvāmī: Bhāva-śānti treedt op, wanneer een uiterst krachtige bhāva wordt gekalmeerd. Toen de vraja-vāsī's Kṛṣṇa niet van dichtbij konden zien, werden ze erg bezorgd, maar hun vrees werd ineens gekalmeerd – dat betekent, de vrees verdween ver uit hun aanwezigheid – toen ze het geluid van Zijn vaṁśī hoorden. Dit is de gekalmeerde conditie van angst en wanhoop (viṣāda).

Vrajanātha: Als we gekwalificeerd zijn om meer over dit onderwerp te horen, wilt u het ons dan alstublieft vertellen?

Gosvāmī: Er zijn alles bij elkaar éénenveertig bhāva's, die transformaties van het lichaam teweeg brengen. Het zijn de drieëndertig vyabhicārī-bhāva's, één van de mukhya-sthāyībhāva's en de zeven gauṇa-sthāyībhāva's, die ik later zal omschrijven. Het zijn allemaal neigingen in het hart (citta-vṛtti), die veroorzaken, dat bhāva verrijst.

Vrajanātha: Welke typen bhāva wekken ze op?

Gosvāmī: Ze produceren de aṣṭa-sāttvika-bhāva's en de anubhāva's, die in de categorie vibhāva's vallen.

Vrajanātha: Zijn alle bhāva's natuurlijk en aangeboren?

Gosvāmī: Nee, sommige zijn natuurlijk en andere zijn vergankelijk. De bhakta's sthāyībhāva is zijn natuurlijke bhāva en de vyabhicārī-bhāva's zijn van voorbijgaande aard.

Vrajanātha: Hebben alle bhakta's dezelfde soort bhāva?

Gosvāmī: Er zijn diverse soorten bhakta's naargelang de verschillende geaardheden van hun verstand en intelligentie (mano-bhāva's), dus er is een gradueel ontwaken van bhāva's afhankelijk van het karakter van de geestelijke gesteldheid. Dit ontwaken bestaat uit drie typen: gariṣṭha (zwaar), laghiṣṭha (licht) en gambhīra (ernstig). De aard van nectar echter is altijd vloeibaar en het hart van de kṛṣṇa-bhakta is van nature als nectar.    

 Dit was het voor vandaag. Morgen zal ik jullie sthāyībhāva uitleggen.

Vijaya en Vrajanātha boden sāṣṭāṅga-daṇḍavat aan Śrī Guru Gosvāmī aan. Met zijn permissie vertrokken ze naar hun verblijfplaats.


Aldus eindigt het Zevenentwintigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Rasa-tattva: Sāttvika-bhāva, Vyabhicārī-bhāva & Raty-ābhāsa"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 26 – "Inleiding tot Rasa-Tattva"

Volgende: Hoofdstuk 28 – "Rasa-Tattva: Mukhya-Rati"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl