Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 26

Inleiding tot Rasa-Tattva


Vijaya Kumāra bleef ongeveer een maand afwezig. In die tussentijd zocht Vrajanātha's grootmoeder, die de  karakters van Vrajanātha en Vijaya Kumāra kende, een geschikte bruid met de hulp van een brahmaanse bemiddelaar. Toen Vijaya Kumāra op de hoogte was gebracht, zond hij zijn jongere broer naar Bilva-puṣkarinī om de trouwceremonie te organiseren, die zou worden uitgevoerd op een astrologisch geschikte tijd en op een gunstige dag.


Vijaya Kumāra arriveerde enige tijd later, toen de trouwpartij was voltooid. Hij had niet veel belangstelling voor de situatie om zich heen en informeerde niet naar wereldse beslommeringen, zoals gezondheid en voorspoed, want zijn hart was diep in spirituele aangelegenheden verzonken. Vrajanātha bespeurde zijn onverschilligheid en vroeg, "Oom, uw hart lijkt de laatste dagen onzeker te zijn. Waarom is dat? Ik ben eenvoudig op uw verzoek in de boeien van het wereldse leven geslagen. Wat heeft u voor zichzelf besloten te doen?"

Vijaya Kumāra zei, "Ik heb besloten tenslotte naar Śrīdhāma Purī te gaan om darśana van Śrī Purusottama (Śrī Jagannāthadeva) te nemen. Er gaan over een paar dagen enkele pelgrims naar Purī en ik ga ook met hen mee. Ik zal toestemming aan Śrī Gurudeva gaan vragen."

Die middag, na de lunch, gingen Vrajanātha en Vijaya Kumāra naar Māyāpura, waar ze daṇḍavat-praṇāma aan Śrī Raghunātha dāsa Bābājī's voeten gaven en om zijn toestemming smeekten voor het maken van een pelgrimstoch naar Purī. Bābājī Mahāśaya was verheugd hun pleidooi te horen. Zijn hart smolt van affinitiet en hij zei, "Het is heel goed, dat jullie naar Purī gaan om darśana van Śrī Janannāthadeva te nemen. Śrīman Mahāprabhu's zitplaats bevindt zich in Kāśī Miśra's huis in Purī en Śrī Gopāla Guru Gosvāmī, de discipel van Śrī Vakreśvara Paṇḍita, is daar nu in al zijn glorie aanwezig. Zorg ervoor, dat jullie zijn darśana krijgen en aanvaard zijn instructie met devotie. Tegenwoordig is de schittering van Śrī Svarūpa Gosvāmī's leringen alleen nog volkomen manifest in de keel van die mahātmā."

Nadat ze toestemming van Śrī Gurudeva hadden gekregen, keerden Vrajanātha en Vijaya Kumāra opgetogen naar huis. Onderweg stemde Vijaya Kumāra in met het dringende verzoek van Vrajanātha ook hem naar Purī mee te nemen. Toen ze thuiskwamen, onthulden ze iedereen hun plan voor de pelgrimstocht. Vrajanātha's grootmoeder was ook gereed om met hen mee te gaan, dus er werd uiteindelijk besloten, dat ze alledrie naar Purī gingen.

De befaamde Ratha-yātrā van Śrī Jagannātha, Śrī Baladeva en Śrī Subhadrā-devī wordt in Purī in de maand Āṣaṛha (juni/juli) gehouden. In die periode stromen degenen, die zijn toegewijd aan dharma, uit alle hoeken van India samen en strijken massaal in Purī neer. Om deze reden vertrekken pelgrims uit afgelegen plaatsen vele dagen eerder van huis om op tijd te arriveren. De maand Jyeṣṭha (mei/juni) was amper begonnen, toen deze drie met de andere pelgrims ook naar Purī vertrokken. Na enige dagen te hebben gelopen, passeerden ze Dāntana en arriveerden in Jaleśvara. Naarmate ze geleidelijk verder trokken, namen ze darśana van Kṣīracorā Gopīnātha en kwamen in Śrī Virajā-kṣetra aan, waar ze nābhigayā-kriyā uitvoerden en een bad namen in de Vaitaraṇī. Later kregen ze darśana van Śrī Śākṣī Gopāla in Kaṭaka en van Śrī Liṅgarāja in Ekāmra-kānana en arriveerden tenslotte in Śrī Kṣetra, Purī-dhāma.

Alle pelgrims werden op diverse plaatsen ondergebracht volgens aanwijzingen van hun respectievelijke paṇḍā's (gidsende priesters). Vijaya Kumāra, Vrajanātha en Vrajanātha's grootmoeder vonden onderdak in Haracaṇḍī Sāhī. In overeenstemming met de regulerende principes namen ze een bad in zee en gingen daarna darśana van Śrī Jagannātha nemen. Ze gingen darśana nemen, liepen parikramā en eerden de prasāda van verscheidene tīrtha's in die dhāma. Na drie of vier dagen kregen Vijaya Kumāra en Vrajanātha darśana van de śrī-vigraha van Śrīman Mahāprabhu en van Zijn voetafdrukken en ook van Zijn vingerafdrukken in de Garuḍa stambha (sokkel van Garuḍa) in de tempel van Śrī Jagannāthadeva. Als Śrīman Mahāprabhu darśana van Śrī Jagannāthadeva nam, raakte Hij zo overweldigd door prema, dat stromen tranen uit zijn ogen vloeiden. Op die momenten smolten de stenen onder de aanraking van Zijn voeten en werden door Zijn voetafdrukken getekend. Op hetzelfde moment versmolt zijn prema ook met de Garuḍa stambha, die Hij gebruikte om Zichzelf overeind te houden, waarbij de sporen van Zijn vingers erin werden afgedrukt. Toen Vijaya Kumāra en Vrajanātha deze afdrukken zagen, werden ze overweldigd door prema.

Diezelfde dag gingen ze naar Kāśī Miśra Bhavan. In dat grote huis, dat uit steen is opgetrokken, is Śrī Gambhīrā, de kleine kamer, waar Śrīman Mahāprabhu Zich in Zijn staat van prema terugtrok. Om Hem te troosten, wanneer Hij was ondergedompeld in gevoelens van afgescheidenheid van Kṛṣṇa, reciteerden Zijn geliefde metgezellen, Śrī Svarūpa Dāmodara en Rāya Rāmānanda, śloka’s en zongen ze bhajana's over het spel en vermaak van Rādhā en Kṛṣṇa. Vijaya Kumāra en Vrajanātha namen darśana van die plek en van de spulletjes van Śrīman Mahāprabhu, zoals Zijn houten sandalen, die daar in alle glorie aanwezig zijn. Aan de ene zijde binnenshuis is de mandira van Śrī Rādhā-Kānta en aan de andere zijde stond de zetel van Śrī Gopāla Guru Gosvāmī.

Vijaya en Vrajanātha vielen neer aan de voeten van Śrī Gopāla Guru Gosvāmī. Ze werden meegevoerd in het geluk van prema en begonnen hun tranen te vergieten. Śrī Guru Gosvāmī was zeer geplezierd met hun extatische gevoelens en omhelsde hen. Hij vroeg hen dichtbij hem te komen zitten en voegde er onmiddellijk aan toe, "Ik wil weten wie jullie zijn." Toen Vijaya en Vrajanātha zich voorstelden, stroomde er een tranenvloed van liefde uit zijn ogen. Bij het horen van de naam 'Śrī Navadvīpa' zei hij, "Vandaag ben ik gezegend bij het zien van de inwoners van Śrīdhāma Navadvīpa. Vertel me, hoe gaat het met de Vaiṣṇava’s in Māyāpura, zoals Śrī Raghunātha dāsa en Gorācanda dāsa? Gaat het goed met hen? Aho ! Als ik aan Raghunātha dāsa denk, komen de herinneringen aan mijn śikṣā-guru, Śrī Dāsa Gosvāmī, in gedachten."

Guru Gosvāmī riep zijn leerling, Śrī Dhyānacandra, en zei, "Deze twee mahātmā's nemen hier vandaag prasāda." Śrī Dhyānacandra bracht beiden naar zijn kamer en bood hen śrī-mahā-prasāda aan. Daarna bespraken ze gedrieën vele onderwerpen. Dhyānacandra Gosvāmī was overgelukkig, toen hij de uitgebreide scholing van Vijaya Kumāra in Śrīmad-Bhāgavatam bemerkte en herkende in Vrajanātha een scherp geleerde van alle śāstra’s. Hij deelde al hun gesprekken aan Śrī Guru Gosvāmī mee, die ook verheugd was hun deskundigheid in śāstra te vernemen. Śrī Gopāla Guru Gosvāmī riep hen bij zich en zei, "Jullie zijn me alletwee zeer dierbaar. Sta me alsjeblieft toe jullie iedere dag te zien, zolang jullie in Śrī Puruṣottama Dhāma verblijven."

Vijaya Kumāra antwoordde nederig, "O Prabhu! Śrī Raghunātha dāsa Bābājī uit Śrī Māyāpura heeft ons ontzettend veel genade geschonken. Hij heeft ons zoveel śikṣā gegeven en droeg ons op instructies aan uw goddelijk voeten te aanvaarden."

Guru Gosvāmī zei, "Raghunātha dāsa Bābājī is een groot studiehoofd en jullie moeten zijn instructies nauwlettend navolgen. Als jullie verder nog iets willen weten, mogen jullie hier morgen in de namiddag naartoe komen om je vragen te stellen. Morgen kunnen jullie hier mahā-prasāda komen eren." Ze converseerden nog enige tijd en daarna vroegen Vijaya en Vrajanātha van Śrī Guru Gosvāmī toestemming en keerden terug naar Haracaṇḍī Sāhī.

De volgende dag keerden Vijaya Kumāra en Vrajanātha op de afgesproken tijd naar Śrī Rādhā-Kānta Maṭha terug. Ze eerden prasāda en benaderden daarna Śrī Gopala Guru Gosvāmī. Nadat ze hem hun eerbiedige praṇāma hadden aangeboden, zeiden ze, "Prabhu, we willen graag over rasa-tattva horen. Ons leven zal succesvol worden, als we iets uit uw lotusmond over kṛṣṇa-bhakti-rasa mogen vernemen. U bent de meest vooraanstaande, heilige meester van de Nimānanda-sampradāya en u presideert als jagad-guru op de zetel van Śrīman Mahāprabhu's opvolger, Śrī Svarūpa Gosvāmī. We willen graag rasa-tattva van uw goddelijk lippen vernemen, zodat onze studie vrucht zal dragen."

Śrī Gopāla Guru Gosvāmī was overgelukkig en nadat hij deze waardige discipelen naar een aparte ruimte had gebracht, sprak hij tot hen, "Śacīnandana Nimāi Paṇḍita verscheen in Śrī Navadvīpa-Māyāpura en Hij is de enige levensadem van de bhakta's van Śrī Gauḍa-maṇḍala, Śrī Kṣetra-maṇḍala en Śrī Vraja-maṇḍala. Moge die Śacīnandana ons plezier geven. Moge Śrī Svarūpa Gosvāmī, wiens madhura-rasa-sevā Śrī Mahāprabhu altijd met euforie vervulde, zich in het binnenste van ons hart manifesteren. Śrī Vakreśvara Paṇḍita boeide Nimāi Paṇḍita mateloos met zijn dans. Hij sprenkelde ook zijn genade over Devānanda Paṇḍita door hem te zuiveren en hem een bhakta van Kṛṣṇa te maken. Moge die Śrī Vakreśvara Paṇḍita alle heil op jullie overdragen.

"Rasa is een ongeëvenaarde tattva, die kan worden vergeleken met het rijzen van de maan, wiens uitstraling de expanderende līlā van para-brahma Śrī Kṛṣṇa is. Bhakti-rasa is de functie van kṛṣṇa-bhakti, zodra deze absoluut zuiver wordt."

Vrajanātha: Is rasa een principe, dat is voorbestemd?

Gosvāmī: Die vraag kan ik niet met een enkel woord, "Ja" of "Nee", beantwoorden. Ik zal het onderwerp grondig uitleggen, zodat jullie het goed kunnen begrijpen. De kṛṣṇa-rati, waarover jullie van je Gurudeva hebben gehoord, wordt sthāyībhāva genoemd. Wanneer de andere componenten (sāmagrī) van rasa met de sthāyībhāva worden gecombineerd, wordt de resulterende manifestatie kṛṣṇa-bhakti-rasa genoemd.

Vrajanātha: Wilt u alstublieft in detail uitleggen wat sthāyībhāva is en welke de ingrediënten (sāmagrī) van rasa zijn, die daarvan deel uitmaken? We hebben wel van onze Gurudeva over bhāva gehoord, maar niet hoe bhāva's met elkaar combineren om rasa te vormen.

Gosvāmī: Normaliter, in het stadium van bhāva, is bhakti kṛṣṇa-rati. Deze rati treedt onder invloed van de saṁskāra’s uit voorgaande en huidige levens in het hart van de bhakta op en ontwikkelt zich, wanneer het de belichaming van ānanda wordt, verder tot het stadium van rasa. Deze rati is opgebouwd uit vier verschillende ingrediënten: (1) vibhāva, (2) anubhāva, (3) sāttvika-bhāva en (4) vyabhicārī- of sañcārī-bhāva. Eerst zal ik deze ingrediënten uitleggen.

Vibhāva is de oorzaak van het proeven van rati en heeft twee onderverdelingen: ālambana (de drager) en uddīpana (de ontwakende stimulus). Ālambana (de drager) bestaat ook uit twee onderverdelingen, namelijk het object (viṣaya) en de plaats (āśraya). De āśraya (plaats) van rati is de persoon, in wie rati aanwezig is, terwijl de viṣaya (object) van rati de persoon is, aan wie rati is gericht. Kṛṣṇa's bhakta's zijn de āśraya (plaats) van rati, omdat ze rati in hun hart dragen, terwijl Kṛṣṇa de viṣaya (object) van rati is, omdat rati aan Hem is gericht.

Vrajanātha: Tot dusver hebben we begrepen, dat vibhāva (oorzaak van rati) is verdeeld in: ālambana (drager) en uddīpana (stimulus) en dat ālambana ook in twee categorieën is verdeeld, namelijk āśraya (plaats) en viṣaya (object). Kṛṣṇa is viṣaya en de bhakta's zijn āśraya. Nu willen we weten, of Kṛṣṇa soms ook de āśraya van rati is.

Gosvāmī: Ja, dat is Hij. Wanneer bhakta's rati voor Kṛṣṇa hebben, is Kṛṣṇa viṣaya (object) en de bhakta's zijn ālambana (dragers) en wanneer Kṛṣṇa rati voor de bhakta's heeft, is Kṛṣṇa āśraya (plaats) en de bhakta's zijn viṣaya (objecten).

Vrajanātha: We hebben van onze Gurudeva gehoord, dat Śrī Kṛṣṇa vierenzestig kwaliteiten heeft. Indien er met betrekking hiertoe meer kan worden verteld, wilt u ons dat dan alstublieft mededelen?

Gosvāmī: Hoewel alle kwaliteiten in Śrī Kṛṣṇa ten volle aanwezig zijn, is Zijn manifestatie volkomen in Dvārakā, meer volkomen in Mathurā en meest volkomen in Gokula. Dit komt door de mate, waarin de kwaliteiten in de respectievelijke dhāma's worden gemanifesteerd. Kṛṣṇa is één, maar Hij speelt de rollen van vier typen helden (nāyaka) naargelang verschillen in Zijn līlā. Die helden zijn (1) dhīrodātta, (2) dhīra-lalita, (3) dhīra-śānta en (4) dhīroddhata.

Vrajanātha: Welk type nāyaka (held) is dhīrodātta?

Gosvāmī: De symptomen van Kṛṣṇa als dhīrodātta-nāyaka zijn ernst, hoffelijkheid, vergevingsgezind-heid, mededogen, bescheidenheid en verhulde trots.

Vrajanātha: Welk type nāyaka wordt dhīra-lalita genoemd?

Gosvāmī: Kṛṣṇa valt onder de heerschappij van Zijn geliefde gopī's, omdat Hij een expert is in het genieten van liefdesperikelen (rasika); omdat Hij op de overgang naar Zijn jonge volwassenheid staat (nava-yauvana); omdat Hij over een inventieve humor beschikt (parihāsa-cāturī); en omdat Hij vrij is van zorgen (niścintatā). Daarom wordt Hij dhīra-lalita-nāyaka genoemd.

Vrajanātha: Welke zijn de symptomen van dhīra-śānta?

Gosvāmī: Kṛṣṇa wordt als dhīra-śānta-nāyaka gekend, wanneer Hij wordt gesierd door de kwaliteiten van een natuurlijke bezadigdheid, beheersing, behoedzaamheid en nederigheid.

Vrajanātha: Wat is dhīroddhata?

Gosvāmī: Soms zien we Kṛṣṇa in Zijn līlā jaloers, egoïstisch, misleidend, boos, wispelturig en opschepperig worden. Op dat moment is Hij een dhīroddhata-nāyaka.

Vrajanātha: De eigenschappen, die u hebt beschreven, zijn tegenstrijdig aan elkaar, dus hoe kunnen ze mogelijkerwijs op hetzelfde moment in één Kṛṣṇa bestaan?

Gosvāmī: Kṛṣṇa is van nature volledig onafhankelijk, autocratisch en supreem, bovendien beschikt Hij over grenzeloze vermogens. Door de activiteit van Kṛṣṇa's acintya-śakti (onbevattelijk vermogen) kunnen deze tegenstrijdige kwaliteiten op hetzelfde moment in Hem aanwezig zijn. We lezen bijvoorbeeld in de Kūrma Purāṇa,

asthūlaś cāṇuś caiva / sthūlo 'ṇuś caiva sarvataḥ
avarṇaḥ sarvataḥ proktaḥ / śyāmo raktāntalocanaḥ

aiśvarya-yogād bhagavān / viruddhārtho 'bhidhīyate
tathāpi doṣo parame / naivāhāryā kathañcana
guṇāviruddhā apy ete / samāhāryāḥ samantataḥ

Alle tegenstrijdige kwaliteiten zijn tegelijkertijd op stralende en esthetische wijze in Bhagavān manifest. Hoewel Hij in ieder opzicht onaantastbaar en minuuskuul is, is Hij ook in ieder opzicht tastbaar en aldoordringend. Hij heeft geen wereldse gelaatskleur, maar Hij heeft een transcendentale śyāma tint en Zijn ooghoeken zijn roodachtig. Op deze wijze is Hij in de śāstra’s beschreven. Er wordt van Bhagavān gezegd, dat hij op basis van Zijn mystieke vermogens over tegenstrijdige deugden beschikt. Niettemin kan er geen enkel falen aan Parameśvara worden toegeschreven. Hoewel het totaal van Zijn kwaliteiten uit tegenstrijdigheden lijkt te bestaan, zijn deze eigenschappen in alle opzichten volslagen deugden.

In de Mahā-Varāha Purāṇa staat,

sarve nityāḥ śaśvatāś ca / dehās tasya parātmaṇaḥ
hānopādāna-rahitā / naiva prakṛti-jaḥ kvacit
paramānanda-sandohā / jñāna-mātrāś ca sarvataḥ
sarve sarva-gunaiḥ pūrṇāḥ / sarva-doṣa-vivarjitāḥ

Alle lichamen van die Paramātmā zijn nitya en vrij van de twee soorten activiteiten, die we kennen, als 'opgeven' en 'aanvaarden'. Zijn lichamen komen niet voort uit de materiële natuur, maar zijn gecomponeerd uit bewustzijn en zijn de belichaming van paramānanda. Alle ledematen van Zijn lichaam zijn vol van alle transcendentale kwaliteiten en zijn vrij van alle gebreken.

De Vaiṣṇava-tantra stelt,

aṣṭādaśa-mahādoṣaiḥ / rahitā bhagavat-tanuḥ
sarvaiśvaryamayī satya-vijñānānanda-rūpiṇī

Bhagavān beschikt over alle vormen van bovenmenselijke vermogens, volmaakte kennis en plezier, en Zijn lichaam is vrij van de achttien vormen van algemene gebreken.

Deze achttien algemene gebreken zijn,

mohas tandrā bhramo rukṣa-rasatā kāma ulbaṇaḥ
lolatā mada-mātsaryau hiṁsā kheda-pariśramau
asatyaṁ krodha ākāṅkṣā āśaṅkā viśva-vibhramaḥ
viṣamatva parāpekṣā doṣā aṣṭādaśoditā
                                                                 Viṣṇu-Yāmala

(1) Begoocheling, (2) lethargie (sloomheid), (3) verwarring, (4) saaiheid, (5) intense wellust, (6) wispelturigheid, (7) trots, (8) jaloezie, (9) geweld, (10) wroeging, (11) excessief verlangen naar vrede en comfort, (12) oneerlijkheid, (13) woede, (14) hunkering, (15) angst, (16) hallucinatie, (17) tegenstrijdigheid, (18) de neiging van anderen afhankelijk te zijn.

Al deze transcendentale kwaliteiten zijn in de vorm van avatāra's aanwezig en worden in Śrī Kṛṣṇa, die avatārī (de oorsprong van alle avatāra's) is, in de allerhoogste mate uitgedrukt. Hierbij komen nog acht andere kwaliteiten van Kṛṣṇa, die op Zijn mannelijkheid (puruṣatva) betrekking hebben. Deze zijn: (1) śobhā (schoonheid), (2) vilāsa (fascinerend, transcendentaal spel en tijdverdrijf), (3) mādhurya (lieftalligheid), (4) māṅgalya (heilzaamheid), (5) sthiratā (stabiliteit), (6) teja (uitstraling), (7) lalita (speelsheid) en (8) audārya (vrijgevigheid). Zijn schoonheid is in het bijzonder opvallend in Zijn vriendelijkheid tegen lageren, in Zijn rivaliteit met Zijn leeftijdgenoten, in Zijn moed, enthousiasme en deskundigheid, en in Zijn openbaring van de waarheid. Vilāsa is kenmerkend in Zijn ondoorgrondelijke manier van doen, in Zijn kalme blik en in Zijn humoristische opmerkingen. Zijn mādhurya (lieftalligheid) is opmerkelijk, want behagende beminnelijkheid is in al Zijn activiteiten aanwezig. Zijn heilzaamheid is het toevluchtsoord voor het vertrouwen van de hele wereld. Zijn stabiliteit betekent, dat Hij van geen enkele activiteit wordt afgeleid. Zijn uitstraling betekent het naar Zichzelf toetrekken van ieders aandacht. Hij spreidt een overvloed aan amoureuze gevoelens en pogingen tentoon en wordt daarom lalita (speels) genoemd. Zijn neiging Zichzelf helemaal te geven wordt audārya genoemd. Śrī Kṛṣṇa is het kroonjuweel der helden en in Zijn menselijk spel zijn grote wijzen, zoals Garga, beschreven als Zijn assistenten bij zaken over dharma; kṣatriya's, zoals Yuyudhāna, bij oorlogsonderhandelingen; en ministers, zoals Uddhava, bij diplomatieke zaken.

Vrajanātha: Ik heb helemaal begrepen hoe Kṛṣṇa de heroïsche personificatie van alle zoete smaken is. Wilt u ons nu alstublieft iets vertellen over Kṛṣṇa's bhakta's, die geschikt zijn om rasa te ervaren en die in de categorie vibhāva worden besloten.

Gosvāmī: Alleen degenen, wier hart wordt overweldigd door liefdevolle gevoelens voor Kṛṣṇa, kunnen bhakta's in rasa-tattva zijn. Alle negenentwintig kwaliteiten, van waarheidslievendheid tot verlegenheid (door ware uitspraken in verlegenheid komen), die in relatie tot Kṛṣṇa zijn beschreven, worden ook in Zijn bhakta's aangetroffen.

Vrajanātha: Hoeveel typen kṛṣṇa-bhakta's zijn geschikt om rasa te ervaren?

Gosvāmī: Er zijn twee typen: de sādhaka en de siddha.

Vrajanātha: Wie is een sādhaka?

Gosvāmī: Sādhaka’s zijn degenen, in wie ruci voor de onderwerpen over Kṛṣṇa is opgetreden en die de kwalificatie hebben verworven om rechtstreekse darśana van Kṛṣṇa te krijgen, maar die nog niet alle obstakels en moeilijkheden volkomen teboven zijn gekomen. Madhyama-bhakta's getooid met de symptomen, īśvare tad-adhīneṣu, beschreven in Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.46) bevinden zich in de categorie van de sādhaka's.

Vrajanātha: Prabhu, zijn de bhakta's, die in Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.47) worden beschreven als arcāyam eva haraye, niet bekwaam om rasa te ervaren?

Gosvāmī: Zij zijn geen sādhaka’s, totdat ze śuddhā-bhakta's worden door de genade van andere śuddhā-bhakta's. Alleen persoonlijkheden, zoals Bilvamaṅgala, zijn ware sādhaka’s.

Vrajanātha: Wie zijn de siddha-bhakta's?

Gosvāmī: Siddha-bhakta's zijn degenen, die geen enkel lijden ervaren, wier bezigheden allemaal onder bescherming van Śrī Kṛṣṇa worden uitgevoerd en die altijd het geluk van prema proeven. Er zijn twee typen siddha-bhakta's: degenen, die perfectie hebben verworven (samprāpta-siddha) en degenen, die eeuwig volmaakt zijn (nitya-siddha).

Vrajanātha: Wie zijn de bhakta's, die perfectie hebben verworven (samprāpta-siddha)?

Gosvāmī: Zij bestaan ook in twee soorten: degenen, die perfectie door sādhana hebben verworven (sādhana-siddha) en degenen, die perfectie door genade hebben bereikt (kṛpā-siddha).

Vrajanātha: Wie zijn de nitya-siddha's?

Gosvāmī: Śrī Rūpa Gosvāmī zei,

ātma-koṭi-guṇaṁ kṛṣṇe / premānaṁ paramaṁ gatāḥ
nityānanda-guṇāḥ sarve / nitya-siddhā mukundavat

De nitya-siddha's zijn degenen, die evenals Mukunda de belichaming van ānanda zijn en wier kwaliteiten eeuwig zijn. Hun belangrijkste kenmerk is, dat ze beschikken over prema voor Kṛṣṇa, die zelfs tienmiljoen keer groter is, dan die, welke ze voor zichzelf opbrengen.

In de Uttara-Khaṇḍa van de Padma Purāṇa wordt gezegd,

yathā saumitra-bharatau / yathā saṅkarṣaṇādayaḥ
tathā tenaiva jāyante / nija-lokād yadṛcchayā
punas tenaiva gacchanti / tat-padaṁ śāśvataṁ paraṁ
na karma-bandhanaṁ janma / vaiṣṇavānāñ ca vidyate

Vaiṣṇava’s worden niet door karma gebonden, noch nemen ze geboorten, zoals wereldse mensen. Maar zij verschijnen zoals Lakṣmaṇa en Bharata, de zonen van Sumitrā, gelijk met Śrī Rāmacandra; zoals Balarāma en anderen tegelijkertijd met Bhagavān Śrī Kṛṣṇa door Zijn wil in deze wereld verschijnen en dan samen met Hem weer terugkeren naar de eeuwige, transcendentale verblijfplaats; of zoals de leden van de Yadudynastie ook in Bhagavāns manifeste spel verschijnen en samen met Hem weer naar de allerhoogste verblijfplaats (parama-dhāma) terugkeren, zodra Zijn spel niet langer manifest is.

Vrajanātha: Prabhu, ik heb het ālambana (drager) aspect van vibhāva (de oorzaak van rati) begrepen. Wilt u nu zo vriendelijk zijn om uit te leggen, waarnaar als uddīpana (stimulus) wordt verwezen?

Gosvāmī: Uddīpana is datgene, wat veroorzaakt, dat bhāva wordt opgewekt of gestimuleerd. Kṛṣṇa's kwaliteiten, Zijn activiteiten, Zijn lach en de geur van Zijn ledematen, Zijn fluit, jachthoorn, enkelbellen, schelphoorn en voetafdrukken, de plaatsen van Zijn tijdverdrijf, Tulasī, Zijn bhakta's, gunstige tijden, zoals Ekādaśī (hari-vāsara), enzovoort – deze zijn allemaal uddīpana (stimuli). Kṛṣṇa's kwaliteiten (guṇa) bestaan uit drie soorten: gerelateerd aan Zijn lichaam, Zijn geest en Zijn spraak; respectievelijk kāyika, mānasika en vācika.

Leeftijd (vayasa) is de belangrijkste van de kwaliteiten, die zijn gerelateerd aan Zijn lichaam. Kṛṣṇa's leeftijden worden in drie perioden onderverdeeld: kaumāra, paugaṇḍa en kaiśora.

kaumāraṁ pañcamābdāntaṁ / paugaṇḍaṁ daśamāvadhi
āṣoḍaśāc ca kaiśoraṁ / yauvanaṁ syāt tataḥ param
                                                                    Bhakti-rasāmṛta-sindhu (2.1.306)

De periode van kaumāra duurt tot vijfjarige leeftijd. De periode van paugaṇḍa begint op vijf en duurt tot tien jaar en het stadium van kaiśora begint bij tien en duurt tot zestien jaar. De leeftijd na zestien jaar heet yauvana.

Het stadium van kaiśora bestaat ook uit drie perioden, welke begin, midden en eind (ādya, madhya en śeṣa) worden genoemd. Van de lichaamskenmerken is de overweging van zijn schoonheid overheersend. Er is sprake van schoonheid, indien de lichaamsdelen in de juiste proportie tot elkaar staan. Kleding, decoratie en de schikking van accessoires, inclusief het haar, enzovoort, worden prasādhana genoemd.

Kṛṣṇa heeft drie soorten fluiten: vaṁśī, veṇu en muralī. De veṇu is twaalf vingers lang, is zo dik als een duim en heeft zes gaatjes. De muralī is twee handlengten en heeft, behalve het gat van het mondstuk, vier toongaten. De vaṁśī is zeventien vingers lang. Op deze fluit zit op het eind een vrije ruimte van drie vingerbreedten. Bovenaan de fluit is nog een ruimte van vier vingerbreedten, die ook gesloten is, behalve het gat om te blazen, dat een halve vingerbreedte van de bovenrand is verwijderd. In het midden is een ruimte met acht toongaatjes, die een halve vingerbreedte uit elkaar liggen. De vaṁśī heeft zodoende een totaal van negen gaatjes.

De schelphoorn, die rechtsom draait en schitterend in Kṛṣṇa's hand ligt, wordt Pāñcajanya genoemd.

Door deze uddīpana's ontwaakt de rati van de bhakta's en als deze is gericht op Kṛṣṇa, het object van rati, wordt rati de belichaming van ānanda. Rati is sthāyībhāva en deze alleen transformeert in rasa.

Kom hier morgen op dezelfde tijd terug, dan vertel ik jullie over rasa en zal ik ook uitleggen, wat anubhāva, enzovoort, is.

Vijaya Kumāra en Vrajanātha boden daṇḍavat aan de lotusvoeten van Śrīla Gopāla Guru Gosvāmī aan en gingen weg. Ze waren verzonken in de beschouwing van het onderwerp rasa en gingen darśana nemen van Siddha-bakula. Van daaruit gingen ze darśana nemen van Śrī Jagannāthadeva en keerden daarna terug naar hun logeeradres.

 

Aldus eindigt het Zesentwintigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Inleiding tot Rasa-Tattva"

 


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 25 – "Prameya: Namabhasa"

Volgende: Hoofdstuk 27 – "Rasa-Tattva: Sattvika-Bhava, Vyabhicari-Bhava & Raty-Abhasa"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl