Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 25

Prameya: Namabhasa


De volgende dag kwamen Vijaya en Vrajanātha kort na sandhyā bij de gerespecteerde Bābājī aan en nadat ze hem sāṣṭāṅga-daṇḍavat hadden gegeven, namen ze plaats op hun āsana's. Vijaya maakte van de gelegenheid gebruik om nederig te vragen, "Prabhu, wilt u ons alstublieft genadig zijn en ons alles over nāmābhāsa-tattva vertellen? We zijn heel benieuwd om het geheim van nāma-tattva te vernemen."


Bābājī antwoordde, "Jullie zijn heel fortuinlijk. Als je nāma-tattva wilt begrijpen, moet je drie onderwerpen heel goed doorgronden: nāma, nāmābhāsa en nāma-aparādha. Omdat ik jullie al zoveel over nāma en nāma-aparādha heb uitgelegd, zal ik jullie nu nāmābhāsa, de schijn van śrī-nāma, uit de doeken doen.

Vijaya: Wat is nāmābhāsa en hoeveel soorten ābhāsa zijn er?

Bābājī: Het woord ābhāsa betekent luister, schaduw of reflectie. Zoals de uitstraling, die uit een natuurlijk, luisterrijk object voortkomt en kānti (uitstraling) of chāyā (schaduw) heeft, zo heeft de Nāma, die lijkt op de zon, twee soorten ābhāsa: de ene is de schaduw (nāma-chāyā) en de andere is de reflectie (nāma-pratibimba). De geleerden, die op de hoogte zijn met bhakty-ābhāsa, bhāva-ābhāsa, nāmābhāsa en vaiṣṇava-ābhāsa, zeggen, dat alle vormen van ābhāsa in twee categorien kunnen worden onderverdeeld: pratibimba (reflectie, weerschijn) en chāyā (schaduw).

Vijaya: Wat is de relatie tussen bhakty-ābhāsa, bhāva-ābhāsa, nāmābhāsa en vaiṣṇava-ābhāsa?

Bābājī: Vaiṣṇavas beoefenen hari-nāma en als hun beoefening zich op het niveau van bhakty-ābhāsa bevindt, wordt zij nāma nāmābhāsa genoemd. Deze Vaiṣṇavas zelf zijn tevens vaiṣṇava-ābhāsa, geen zuivere bhakta's. Bhāva en bhakti zijn n en dezelfde, maar alleen vanwege verschillende ontwikkelingsniveau's worden ze onder verschillende namen gekend.

Vijaya: Op welk platform bevindt zich de jīva, die vaiṣṇava-ābhāsa wordt genoemd?

Bābājī: Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.47) zegt,

arcāyām eva haraye pūjāṁ yaḥ śraddhayehate
na tad-bhakteṣu cānyeṣu sa bhaktaḥ prākṛtaḥ smṛtaḥ

Iemand is een materialistische toegewijde (kaniṣṭha), als hij de arcā-mūrti van Bhagavān als Śrī Hari aanvaardt en Hem met vertrouwen vereert, maar Kṛṣṇa's bhakta of andere jīvas niet met vertrouwen vereert.

In deze śloka wordt het woord śraddhā gebruikt. De betekenis echter, waarop wordt gewezen, is śraddhābhāsa, geen zuivere śraddhā, want als men Kṛṣṇa vereert, maar niet Zijn bhakta's, is zijn śraddhā ofwel chāyā (schaduw) of pratibimba (weerschijn). Dergelijk geloof is werelds geloof; het betreft geen spiritueel vertrouwen (aprākṛta-śraddhā). Daarom moeten we dus begrijpen, dat een ieder, in wie we dat geloof aantreffen, een materialistische toegewijde (prākṛta-bhakta) is, of de weerschijn van een Vaiṣṇava (vaiṣṇava-ābhāsa) vertegenwoordigt. Śrīman Mahāprabhu heeft gezegd, dat de vader en oom van Śrī Raghunātha dāsa Gosvāmī, Hiraṅya en Govardhana, vaiṣṇava-prāya waren. Dit betekent, dat ze wel de vaiṣṇava-tekens en kleding aanvaardden en nāmābhāsa chantten, alsof ze śuddhā-bhakta's waren, maar dat ze in wezen geen zuivere Vaiṣṇavas waren.

Vijaya: Kunnen Māyāvādīs ook vaiṣṇava-ābhāsa worden genoemd, indien ze de symbolen van een Vaiṣṇava aanvaarden en śrī-nāma chanten?

Bābājī: Nee, zij kunnen zelfs niet vaiṣṇava-ābhāsa worden genoemd. Ze zijn eenvoudig zondaren en worden daarom vaiṣṇava-aparādhī genoemd. In n opzicht zouden ze vaiṣṇava-ābhāsa kunnen worden genoemd, omdat ze hun toevlucht tot pratibimba-nāmābhāsa en pratibimba-bhāva-ābhāsa hebben genomen, maar het zijn dermate grote overtreders, dat ze zelfs van de naam Vaiṣṇava dienen te worden gedistantieerd.

Vijaya: Prabhu, wilt u alstublieft de symptomen van śuddhā-nāma nog helderder uitleggen, zodat we het gemakkelijk kunnen begrijpen?

Bābājī: Śuddhā-nāma betekent het tot zich nemen van nāma met een gunstige houding, waarbij men vrij blijft van alle materile verlangens (anyābhilāṣa) en van de sluiers van jāna en karma, enzovoort. Het verlangen naar de allerhoogste zegen, die optreedt, wanneer de transcendentale natuur van nāma zich duidelijk manifesteert, is geen anyābhilāṣa (materieel verlangen). Afgezien van deze gunstige verlangens, zijn alle andere verlangens, zoals vrij te willen zijn van zonden en het willen bereiken van bevrijding, beslist anyābhilāṣa (materile verlangens). Er is geen sprake van śuddhā-nāma, zolang anyābhilāṣa blijft bestaan; men krijgt geen śuddhā-nāma, zolang men nog naar resultaten uit de beoefening van jāna, karma, yoga, enzovoort, verlangt.

Śuddhā-nāma komt voort uit het aanvaarden van nāma met uitsluitend gunstige bedoelingen, waarbij alle ongunstige emoties uit het hart worden geweerd. Als je deze karakteristieken van bhakti in gedachten houdt en er nauwlettend over nadenkt, wordt het duidelijk, dat śuddhā-nāma beslist die nāma is, welke vrij is van nāma-aparādha en nāmābhāsa. Daarom heeft Śrī Gauracandra, de genadevolle avatāra voor Kali-yuga, gezegd,

tṛṇād api sunīcena taror api sahiṣṇunā
amāninā mānadena kīrtanīyaḥ sadā hariḥ
Śikṣāṣṭaka (3)

Je dient van jezelf te denken, dat je onbeduidender en lager bent dan het strootje, dat op straat ligt, maar je dient toleranter te zijn dan een boom. Je dient alle respect te geven aan anderen zonder enig respect terug te verwachten. Dan alleen ben je gekwalificeerd om constant śrī-hari-nāma te chanten.

Vijaya: Prabhu, wat is eigenlijk het intrinsieke verschil tussen nāmābhāsa en nāma-aparādha?

Bābājī: Zonder śuddhā-nāma wordt śrī-nāma nāmābhāsa genoemd. Die nāmābhāsa wordt in een bepaald stadium nāmābhāsa genoemd en heet nāma-aparādha in een ander stadium. Hij wordt nāmābhāsa genoemd, wanneer de naam, die wordt gechant, wegens onwetendheid onzuiver is, dat wil zeggen, wanneer je door illusie en onoplettendheid wordt overheersd. Wanneer echter de naam onzuiver wordt gechant met een bewust verlangen naar lustbevrediging (bhoga) of bevrijding (mokṣa) en wanneer de naam is gebaseerd op een māyāvāda-conceptie, heet het nāma-aparādha. Indien de andere vormen van aparādha's, die ik je eerder uitlegde, eenvoudig uit onwetendheid optreden, is de aśuddha-nāma (onzuivere naam), die je in die situatie tot je neemt, geen nāma-aparādha, maar nāmābhāsa. Je moet eraan denken, dat zolang je bij het chanten van nāmābhāsa geen nāma-aparādha pleegt, er alle hoop bestaat, dat nāmābhāsa verdwijnt en plaats maakt voor śuddhā-nāma. Indien er echter nāma-aparādha aanwezig is, kan het optreden van nāma in het hart alleen met grote moeite plaatsvinden. Er is geen andere manier om je voordeel te doen dan met de methode, die ik eerder heb uitgelegd, om vrij te worden van de overtredingen tegen śrī-nāma.

Vijaya: Als iemand nāmābhāsa uitvoert, wat moet hij dan doen om zijn nāmābhāsa in śuddhā-nāma te transformeren?

Bābājī: De beste manier is associatie van śuddhā-bhakta's te nemen. Als hij in hun gezelschap blijft en nāma chant volgens hun opdracht en onder hun leiding, krijgt hij een smaak voor śuddhā-bhakti. De naam, die op dat moment op de tong verschijnt, is śuddhā-nāma. Tegen die tijd, moet hij ook het gezelschap van nāma-aparādhī's op doortastende wijze opgeven, want śuddhā-nāma manifesteert zich niet, als je in hun gezelschap blijft. Sat-saṅga is de enige bron van het grote geluk van de jīva. Dat is de reden, dat de Heer van ons leven, Śrī Gaurāṅgadeva, de instructie aan Sanātana Gosvāmī gaf, dat sat-saṅga beslist de oorsprong is van bhakti. Je dient altijd de associatie met het andere geslacht en niet-toegewijden op te geven en kṛṣṇa-nāma in de associatie van bhakta's te beoefenen.

Vijaya: Prabhu, kan de sādhaka geen śuddhā-nāma uitvoeren zonder zijn vrouw op te geven?

Bābājī: Het is zeker noodzakelijk de associatie van vrouwen op te geven. Een gṛhastha-vaiṣṇava echter, die in een onthechte staat bij zijn wettig getrouwde vrouw blijft, handelt in de wereld der Vaiṣṇavas op de juiste wijze en daarom wordt dit geen "associatie met vrouwen" genoemd. De aanhankelijkheid van mannen aan vrouwen en vrouwen aan mannen wordt yoṣit saṅga genoemd. Indien een huisvader kṛṣṇa-nāma tot zich neemt en innerlijk zijn gehechtheden opgeeft, bereikt hij beslist het hoogste levensdoel.

Vijaya: Hoeveel vormen van nāmābhāsa zijn er?

Bābājī: Śrīmad-Bhāgavatam (6.2.14) noemt vier vormen van nāmābhāsa,

sāṅketyaṁ pārihāsyaṁ vā stobhaṁ helanam eva vā
vaikuṇṭha-nāma-grahaṇam aśeṣāgha-haraṁ viduḥ

Men mag śrī-kṛṣṇa-nāma op de volgende wijzen uitspreken: om op iets anders te wijzen (saṅketa); schertsend (parihāsa); vijandig (stobha); en zelfs brutaalweg (helā). Gestudeerde lieden weten, dat deze vier typen nāmābhāsa (schaduwen van nāma) oneindig veel zonden teniet doen.

Degenen, die onkundig zijn van nāma-tattva en sambandha-tattva, voeren deze vier soorten nāmābhāsa uit.

Vijaya: Wat is sāṅketya-nāmābhāsa?

Bābājī: Sāṅketya-nāmābhāsa is het uitspreken van Bhagavāns naam, terwijl je iets anders bedoelt. Bijvoorbeeld, Ajāmila riep zijn zoon Nārāyaṇa op het moment, dat hij stierf, maar Bhagavān Śrī Kṛṣṇa's naam is ook Nārāyaṇa, dus Ajāmila's aanroep van 'Nārāyaṇa' was een geval van sāṅketya-nāmābhāsa. Als Moslims een varken zien, tonen ze hun haat en roepen uit, "Hārāma! Hārāma!" De uitroep 'hārāma' bevat de twee woorden, 'hā' en 'rāma', waardoor de persoon, die het woord 'hārāma' uitspreekt, ook bevrijding uit de kringloop van geboorte en dood verkrijgt als gevolg van het tot zich nemen van sāṅketya-nāma.

Alle śāstras zijn het erover eens, dat nāmābhāsa tot mukti leidt. Door śrī-nāma wordt er een sterke relatie met Mukunda (degene, die bevrijding geeft) gevestigd. Dus door śrī-nāma uit te spreken sta je in contact met Bhagavān Mukunda en door dat contact verkrijg je gemakkelijk mukti (bevrijding). Dezelfde bevrijding, die met grote inspanning door brahma-jāna wordt bereikt, is aan iedereen door nāmābhāsa moeiteloos beschikbaar.

Vijaya: Prabhu, we hebben op diverse plaatsen in de śāstras gelezen, dat degenen, die Kṛṣṇa's namen schertsend (parihāsa) gebruiken, bevrijding krijgen. Dit zijn tevens degenen, die naar bevrijding verlangen (mumukṣu); degenen, die ten onrechte trots zijn op hun opleiding; mleccha's, die in gebreke gaan van tattva-jāna; en degenen, die asurika zijn en zich in feite verzetten tegen het allerhoogste doel. Wilt u ons nu over stobha-nāmābhāsa vertellen?

Bābājī: Stobha betekent het op vijandige toon uitspreken van śrī-nāma om anderen bij het chanten van Kṛṣṇa's naam te storen. Wanneer bijvoorbeeld een zuivere bhakta hari-nāma chant en een overtreder ziet hem, waarbij hij een vies gezicht trekt en zegt, "Je 'Hari-Kest' zorgt zeker voor alles!" dan is dit stobha. En die stobha-nāma kan bevrijding geven zelfs aan een figuur, zoals deze hypocriet. De namen hebben van nature zulk vermogen.

Vijaya: Wat is helā-nāmābhāsa?

Bābājī: Helā-nāmābhāsa betekent het respectloos uitspreken van śrī-nāma. Er wordt in de Prābhāsa-khaṇḍa gezegd, dat ook het respectloos tot zich nemen van śrī-nāma leidt tot bevrijding uit deze materile wereld.

madhura-madhuram etan maṅgalaṁ maṅgalānāṁ
sakala-nigama-vallī sat-phalaṁ cit-svarūpam
sakṛd api parigītaṁ śraddhayā helayā vā
bhṛguvara nara-mātraṁ tārayet kṛṣṇa-nāma

O beste der Bhṛgu's, deze nāma-brahma is zoeter dan zoet en de meest heilzame van alle heil. Hij is de smaakvolle, zuivere vrucht van de bloeiende śruti wensrank en verschijnt als de belichaming van kennis, die ieder mens bevrijdt, die zelfs maar nmaal śrī-kṛṣṇa-nāma chant, hetzij respectvol, dan wel respectloos.

In deze śloka betekenen de woorden śraddhayā 'respectvol' en helayā 'respectloos'. De strekking van de uitspraak nara-mātraṁ tārayet is, dat Kṛṣṇa's naam zelfs aan Moslims bevrijding toekent.

Vijaya: Is het dan geen overtreding om hari-nāma op antagonistische of respectloze wijze te chanten?

Bābājī: Het is een overtreding als je met een slechte intentie bewust respectloos bent, maar als je onbewust respectloos bent, is het nāmābhāsa.

Vijaya: Wat is het resultaat van nāmābhāsa en waartoe leidt het niet?

Bābājī: Nāmābhāsa geeft allerlei soorten plezier, geluk, bevrijding en de acht vormen van materile perfectie (siddhi's), maar het zal nimmer tot kṛṣṇa-prema leiden, het hoogste doel van het menselijk leven. Door echter slecht gezelschap op te geven en associatie te nemen van śuddhā-bhakta's, waarbij je regelmatig hun instructies volgt, kun je snel een madhyama-vaiṣṇava worden. Dan kun je zelfs binnen enkele dagen śuddhā-bhakti en kṛṣṇa-prema krijgen.

Vijaya: Prabhu, veel van degenen, die vaiṣṇava-ābhāsa zijn, dragen de uiterlijke kenmerken van een Vaiṣṇava en voeren constant nāmābhāsa uit. En zelfs dan, ondanks dat ze dit geruime tijd doen, krijgen ze geen prema. Wat is hiervan de reden?

Bābājī: Hierin schuilt een geheim. De vaiṣṇava-ābhāsa-sādhaka is gekwalificeerd om zuivere toewijding te ontvangen, maar hij beschikt niet over zuivere, npuntige bhakti. Het kan zijn, dat hij met iemand associeert, van wie hij denkt, dat hij een sādhu is, maar die in werkelijkheid een Māyāvādī is en geen śuddhā-bhakta. Wegens dit ongewenste gezelschap, volgt de sādhaka de Māyāvādī's apasiddhāntika instructies op en het gevolg is, dat de bhakty-ābhāsa, die hij eenmaal had, verdwijnt en dat hij geleidelijk in de categorie van vaiṣṇava-aparādhī terecht komt. In die conditie is het heel moeilijk zo niet praktisch onmogelijk om in zijn beoefening vooruitgang te maken. Niettemin, als zijn voorgaand sukṛti sterk is, zal dat hem uit het slechte gezelschap halen en hem naar het gezelschap van geheiligde personen overbrengen; en in die sat-saṅga kan hij weer op zuiver Vaiṣṇavisme overgaan.

Vijaya: Prabhu, wat is het gevolg van nāma-aparādha?

Bābājī: Het resultaat uit de verzameling zonden door nāma-aparādha is zelfs afschrikwekkender dan het gevolg van het miljoenen keren plegen van de vijf mahā-pāpa (extreme zonden). Je kunt dus zelf een inschatting maken van de ernst van de gevolgen van nāma-aparādha.

Vijaya: Prabhu, ik begrijp, dat het gevolg van nāma-aparādha zeer gevaarlijk is, maar valt er helemaal geen goed resultaat te behalen uit het offensief uitspreken van de namen?

Bābājī: Terwijl de nāma-aparādhī de namen chant, geeft śrī-nāma alles, wat de nāma-aparādhī verlangt; Hij kent alleen geen kṛṣṇa-prema toe. Tegelijkertijd moet de zondaar het resultaat ondergaan van zijn overtredingen tegen śrī-nāma. Iemand, die overtredingen tegen śrī-nāma begaat en de naam met een morbide mentaliteit tot zich neemt, incasseert de volgende resultaten: in het begin neemt de nāma-aparādhī śrī-nāma tot zich met een kwaadaardige mentaliteit, maar na enige tijd chant hij nāma af en toe ook zonder kwalijke gedachten. Het chanten van de naam zonder achterbakse ideen zorgt ervoor, dat hij sukṛti opbouwt. Naarmate die sukṛti zich vermeerdert, stelt zijn invloed hem langzaam maar zeker in staat de associatie te ontvangen van heiligen, die śuddhā-nāma chanten. De invloed van sat-saṅga beweegt de nāma-aparādhī ertoe śrī-nāma constant te chanten, hetgeen hem van zijn nāma-aparādha's bevrijdt. Zelfs mensen met een groot verlangen naar bevrijding zijn geleidelijk hari-bhakta's geworden door van dit proces gebruik te maken.

Vijaya: Als eenvoudig het chanten van n naam op succesvolle wijze alle zonden kan verdrijven, waarom is het dan noodzakelijk constant śrī-nāma te chanten als een ononderbroken stroom geurende olie?

Bābājī: Het innerlijk en de handelwijzen van de nāma-aparādhī zijn altijd en op alle manieren schadelijk. Hij is van nature tegen Kṛṣṇa (bahirmukha) gekeerd en heeft daarom geen smaak voor het gezelschap van heilige personen, of heilzame bijkomstigheden en tijden gerelateerd aan Bhagavān. Het is zijn natuurlijke neiging om onwaardige lieden, objecten, conclusies en activiteiten op te zoeken. Echter, indien hij altijd śrī-nāma chant, heeft hij geen tijd meer voor ongewenst gezelschap en ongewenste activiteiten. En omdat hij zich niet meer in slecht gezelschap bevindt, wordt het chanten van śrī-nāma geleidelijk zuiverder en geeft het hem een smaak voor heilzame objecten.

Vijaya: Prabhu, er stroomt uit uw mond een nectarvloed van śrī-nāma-tattva, die ons hart en oor binnenstroomt en ons bedwelmt onder śrī-nāma-prema-rasa. We zijn er vandaag in geslaagd deze verschillend onderwerpen van nāma, nāmābhāsa en nāma-aparādha onder de knie te krijgen. Wilt u ons nu alstublieft de instructie geven, die u voor ons geschikt acht?

Bābājī: Paṇḍita Jagadānanda heeft in zijn Prema-vivarta (Hoofdstuk 7) een heel mooie instructie gegeven. Luister aandachtig,

asādhu-saṅge bhāi, kṛṣṇa-nāma nāhi haya
nāmākṣara bahirāya baṭe, tabu nāma kabhu naya

Onthoud Bhai (mijn geliefde broer), kṛṣṇa-nāma kan niet ontwaken in het gezelschap van niet-toegewijden. Daar komen slechts lettergrepen van śrī-nāma uit de mond voort, maar nāma Zelf blijft ver uit je buurt.

kabhu nāmābhāsa haya, sadā nāma-aparādha
e saba jānibe bhāī, kṛṣṇa-bhaktir bādha

Er is in hun associatie beslist alleen nāma-aparādha. Met groot geluk ontstaat er soms nāmābhāsa, maar je moet weten, dat zowel nāmābhāsa als nāma-aparādha obstakels zijn voor kṛṣṇa-bhakti.

yadi karibe kṛṣṇa-nāma, sādhu-saṅga kara
bhukti-mukti-siddhi-vāchā dūre pārihāra

Als je de zuivere kṛṣṇa-nāma wilt chanten, neem dan sādhu-saṅga en geef tegelijkertijd alle verlangens naar plezier, bevrijding en mystieke volmaaktheden op.

daśa-aparādha tyaja māna apamāna
anāsaktye viṣaya bhuja, āra laha kṛṣṇa-nāma

Blijf vrij van de tien overtredingen tegen śrī-nāma en blijf vrij van valse trots en verachting voor anderen, enzovoort. Aanvaard lustobjecten in een geest van onthechting alleen voor zover ze noodzakelijk zijn en neem onophoudelijk kṛṣṇa-nāma tot je.

kṛṣṇa-bhaktir anukūla saba karaha svīkāra
kṛṣṇa-bhaktir pratikūla saba kara parihāra

Aanvaard als je enige levensader alles, wat gunstig is voor kṛṣṇa-bhakti en zie volkomen af van alles, wat je kan hinderen in je beoefening van kṛṣṇa-bhakti.

jāna-yoga-ceṣṭā chāḍa āra karma-saṅga
markaṭa-vairāgya tyaja yāte deha-raṅga

Laat alle pogingen voor karma, jāna en yoga achterwege en blijf onverschillig voor de gehechtheid aan uiterlijke symptomen van onthechting (markaṭa-vairāgya).

kṛṣṇa āmāya pāle, rakṣe jāna sarva-kāla
ātma-nivedana-dainye ghucāo jajāla

Heb te allen tijde dit volle vertrouwen, "Kṛṣṇa zal me beslist in stand houden en beschermen." Neem de kwaliteiten over van śaraṇāgatī onder leiding van dainya (nederigheid) en ātma-nivedana (volkomen overgave van jezelf aan Kṛṣṇa's lotusvoeten), want de beoefening van deze zes vormen van liefdevolle zelfovergave haalt het web van māyā neer.

sādhu pābā kaṣṭa baḍa jīvera jāniyā
sādhu-bhakta-rūpe kṛṣṇa āilā nadiyā

Het is uiterst zeldzaam, dat de jīva sādhu-saṅga ontvangt. In deze wetenschap is Bhagavān Śrī Kṛṣṇa Zelf in de vorm van een sādhu en bhakta in Nadiyā (Navadvīpa) neergedaald.

gorā-pada āśraya karaha buddhimān
gorā bāī sādhu guru kebā āche ān

O intelligente mensen, neem daarom uw toevlucht tot Śrī Gaura's voeten. Wie is een groter sādhu of guru dan Hij? Hij is Kṛṣṇa Zelf.

vairāgī bhāī grāmya-kāthā nā sunibe kāne
grāmya-vārttā nā kahibe, jabe milibe āna

Mijn wereldverzakende broeder, als je misschien eens anderen ontmoet, luister dan niet naar - en bespreek geen wereldse onderwerpen.

svapne o nā kara bhāī strī-sambhāṣaṇa
gṛhe strī-chāḍiyā bhāī āsiyācha bana

O Bhai, spreek niet met vrouwen, zelfs niet in je dromen. Herinner je hoe je je vrouw hebt verlaten en naar het woud (Śrī Vṛndāvana) ben gekomen om je met hart en ziel aan bhajana over te geven.

yadi cāha praṇaya rākhite gaurāṅgera sane
choṭa-haridāsera kathā thāke yena mane

Als je ernaar verlangt je liefde in Śrī Gauracandra's lotusvoeten te ruste te leggen, houd in dit verband dan altijd Śrīman Mahāprabhu's strenge optreden tegen Choṭa Haridāsa in gedachten.

bhāla nā khāibe, āra bhāla nā paribe
hṛdayete rādhā-kṛṣṇa sarvadā sevibe

Nuttig geen rijke spijzen en draag geen verfijnde kleding, maar verleen in je hart der harten altijd sevā aan Śrī Rādhā-Kṛṣṇa.

baḍa-haridāsera nyāya kṛṣṇa-nāma balibe badane
aṣṭa-kāla rādhā-kṛṣṇa sevibe kuja-bane

Vul je mond te allen tijde, zowel bij dag als bij nacht, met hari-nāma op dezelfde manier als Baḍa Haridāsa en voer in je hart sevā aan Rādhā-Kṛṣṇa uit in de kujā's van Vṛndāvana gedurende de acht perioden van de dag en de nacht.

gṛhastha, vairāgī dūṅhe bale gorā-rāya
dekha bhāī nāma binā jena dina nāhi jāya

Kijk Bhai! Gaura-Rāya heeft deze instructie gegeven. Het maakt niet uit, of je je in de gṛhastha-āśrama of in de vairāgī-āśrama bevindt. In beide gevallen mag je geen dag, geen uur of zelfs geen moment laten passeren zonder nāma tot je te nemen.

bahu aṅga sādhane bhāī nāhi prayojana
kṛṣṇa-nāmāśraye śuddha karaha jīvana

He Bhai! Het is niet noodzakelijk om allerlei soorten sādhana uit te voeren. Door eenvoudig je toevlucht te nemen tot kṛṣṇa-nāma wordt je leven gezuiverd en krijgt het volle betekenis.

baddha-jīve kṛpā kari kṛṣṇa haila nāma
kali-jīve dayā kari kṛṣṇa haila gauradhāma

Omdat Hij de jīvas, die zijn gebonden in dit tijdperk van ruzie, genadig is, is Śrī Kṛṣṇa nāma-rūpa geworden; en toen Hij nog meer mededogen voelde, werd Hij ook Gaura en Śrī Gaura-dhāma (Navadvīpa).

ekānta-sarala-bhāve bhaja gaura-jana
tabe ta pāibe bhāī śrī-kṛṣṇa-caraṇa

Dus vereer met enkelvoudige vastberadenheid en een ondubbelzinnig hart gewoon Śrī Gaura Candra. Bhai, door dit te doen, krijg je zeker bescherming aan Śrī Kṛṣṇa Candra's lotusvoeten.

gaura-jana-saṅga kara gaurāṅga baliyā
hare kṛṣṇa nāma bala nāciyā naciyā

Voer Hare Kṛṣṇa nāma-kīrtana uit in de associatie van Gaura bhakta's en dans onafgebroken, terwijl je uitroept, " Gaurāṅga! Gaurāṅga!"

acire pāibe bhāī nāma-prema-dhana
yāhā vilāite prabhur 'nade' e āgamana

O Bhai! Als je je hiermee bezighoudt, ontvang je binnen afzienbare tijd de onschatbare rijkdom van nāma-prema, precies dat juweel, waarvoor Śrī Caitanya Mahāprabhu in Nadiyā neerdaalde om het uit te delen."

Toen Vijaya en Vrajanātha deze passage uit Śrī Jagadānanda's Prema-vivarta hoorden uit de mond van Śrīla Bābājī Mahārāja, raakte hun hart opgewonden, verzonken als ze waren in het gevoel van mahā-prema, dat door Śrī Jagadānanda Paṇḍita tot uitdrukking was gebracht. Bābājī bleef gedurende een lange tijd praktisch bewusteloos en omhelsde hen daarna wenend en zong de volgende kīrtana,

kṛṣṇa-nāma dhare kata bala

Over welke kracht beschikt de naam van Kṛṣṇa? (refrein)

viṣaya-vāsanānale mora citta sadā jvale,
ravi-tapta maru-bhūmi sama
kaṛṇa-randhra-patha diyā, hṛdi mājhe praveśiya,
bariṣaya sudhā anupama

Mijn hart lag constant in het vuur van wereldse verlangens te branden, zoals een woestijn, die wordt verzengd onder de stralen van de zon, maar śrī-nāma, die langs de holten van mijn oren het binnenste van mijn hart binnenkwam, heeft ongevenaarde nectar over mijn ziel gesprenkeld.

hṛdaya haite bale, jihvāra agrete cale
śaba-rūpe nāce anukṣaṇa
kaṅṭhe mora bhaṅge svara, aṅga kāṁpe thara thara,
sthira haite nā pāre caraṇa

Śrī-nāma spreekt vanuit mijn hart, beweegt Zich naar het puntje van mijn tong en danst daar voortdurend in de vorm van transcendentaal geluid. Ik krijg een brok in mijn keel, mijn lichaam huivert keer op keer en mijn voeten kan ik niet stil houden.

cakṣe dhārā, dehe gharma, pulakita saba carma,
vivarṇa haila kalevara
mūrcchita haila mana, pralayera āgamana
bhāve sarva-deha jara-jara

Stromen tranen vloeien uit mijn ogen, vocht doorweekt mijn lichaam, mijn hele huid rilt van vervoering, mijn haar staat recht overeind en mijn gelaatskleur verbleekt en wordt kleurloos. Mijn verstand bezwijkt, ik begin verwoesting te ervaren en mijn hele lichaam valt uit elkaar door een vloedgolf van extatische emoties.

kari eta upadrava, citte varṣe śudhā-drava
more ḍāre premera sāgare
kichu nā bujhite dila, more ta bātula kaila,
mora citta-vitta saba hare

Terwijl Hij zo een extatische verstoring veroorzaakt, sprenkelt śrī-nāma vloeibare nectar over mijn hart en verdrinkt me in de oceaan van goddelijk prema. Hij staat me niet toe er iets van te begrijpen, maar verandert me in een gek door mijn verstand en al mijn hulpmiddelen te stelen.

lainu āśraya jāṅ'ra hena vyavahāra tāṅ'ra
varṇite nā pāri e sakala
kṛṣṇa-nāma icchāmaya jāhe jāhe sukhī haya,
sei mora sukhera sambala

Zo is het gedrag van Hem, bij wie ik mijn toevlucht heb genomen. Ik ben niet in staat Hem volledig te beschrijven. Śrī-kṛṣṇa-nāma is onafhankelijk en handelt zoals Zijn zoete wil het voorschrijft. Op welke wijze Hij ook gelukkig wordt, is ook de basis van mijn geluk.

premera kalikā nāma, adbhuta-rasera dhāma
hena bala karaye prakāśa
īṣat vikaśi' punaḥ, dekhāya nija-rūpa-guna
citta hari laya kṛṣṇa pāsa

Śrī-nāma is de lotusknop van prema en de speelplaats van verbazingwekkende rasa. De kracht, die Hij manifesteert, is zodanig, dat wanneer Hij wat verder openbloeit, Hij Zijn eigen goddelijke vorm en kwaliteiten openbaart. Mijn hart is dus ontvoerd en in de aanwezigheid van Śrī Kṛṣṇa gebracht.

pūrṇa-vikaśita haa, braje more jāya laā
dekhāya more svarūpa-vilāsa
more siddha-deha diyā, kṛṣṇa-pāse rākhe giyā
e dehera kare sarba-nāśa

Nu Hij geheel in bloei staat, neemt de prema-bloem van śrī-nāma me mee naar Vraja en openbaart me het spel van Zijn eigen liefdesperikelen. Nāma geeft me mijn eigen siddha-deha, houdt me in de buurt van Kṛṣṇa en dan verwoest Hij volkomen alles gerelateerd aan dit sterfelijke omhulsel van mij.

kṛṣṇa-nāma cintāmaṇi akhila-rasera khani
nitya-mukta śuddha-rasamaya
namera bālāī yata, saba la'ye hai hata
tabe mora sukhera udaya

De naam van Kṛṣṇa is een edelsteen, die alle goddelijke aspiraties vervult (cintāmaṇi), en een mijn van alle bhakti-rasa. Hij is eeuwigdurend bevrijd en Hij is de belichaming van śuddhā-rasa. Wanneer alle hindernissen voor het chanten van śuddhā-nāma zijn vernietigd, zal mijn geluk pas waarlijk ontwaken.

Omdat ze deze nāma-kīrtana keer op keer hadden gechant, was de helft van de nacht verstreken. Nadat de kīrtana tenslotte tot een eind was gekomen, vroegen Vijaya en Vrajanātha van Gurudeva toestemming en keerden huiswaarts, waarbij ze waren verzonken in nāma-rasa.

 

Aldus eindigt het Vijfentwintigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Nāmābhāsa"


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 24 "Prameya: Nama-Aparadha"

Volgende: Hoofdstuk 26 "Inleiding tot Rasa-Tattva"

Inhoud: Inhoud



Top

-2017 Jayaradhe.nl