Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 24

Prameya: Nama Aparadha


Vrajanātha en Vijaya Kumāra waren uitermate gelukkig met de lessen over de glorie van śrī-nāma en nāma-svarūpa-tattva. Toen ze thuiskwamen, chantten ze vijftigduizend namen op hun tulasī-mālā zonder overtredingen en door het chanten van śuddhā-nāma kregen ze rechtstreekse ervaring van Kṛṣṇa's genade. Pas laat in de nacht gingen ze rusten.


Toen ze de volgende ochtend opstonden, bespraken ze de gebeurtenissen van de vorige nacht en werden heel vreugdevol gezegend bij het uitwisselen van ieders realisaties. Ze brachten de dag door met baden in de Gaṅgā, het vereren van Kṛṣṇa, het nemen van hari-nāma, het uitvoeren van kīrtana, het bestuderen van Daśa-mūla, het doornemen van Śrīmad-Bhāgavatam en het uitvoeren van vaiṣṇava-sevā en bhagavat-prasāda-sevā. Die avond verschenen ze bij de kuṭīra van de eerbiedwaardige Bābājī Mahāśaya in Śrīvāsāṅgana. Nadat ze hem sāṣṭāṅga-praṇāma hadden aangeboden, informeerde Vijaya Kumāra naar het onderwerp nāma-aparādha-tattva, dat Bābājī de vorige avond had geïntroduceerd.

Bij het zien van Vijaya Kumāra's gretigheid om alles over deze tattva te horen, was Bābājī Mahārāja zeer verheugd en hij zei op liefdevolle toon, "Zoals nāma de hoogste waarheid is, zo is nāma-aparādha (overtreding tegen śrī-nāma) de meest gevreesde van alle vormen van zonden en overtredingen. Alle andere soorten zonden en overtredingen verdwijnen van nature en automatisch bij het uitspreken van śrī-nāma, maar nāma-aparādha verdwijnt niet zo gemakkelijk. In de beschrijving van de glorie van śrī-nāma in de Padma Purāṇa, Svarga-khaṇḍa (48-49) wordt gezegd,

nāma-aparādha-yuktānāṁ nāmāny eva haranty agham
aviśrānta-prayuktāni tāny evārtha-karāṇi ca

Voor degenen, die met nāma-aparādha zijn geïnfecteerd, wordt de zonde waarlijk opgelost door śrī-nāma, mits de sādhaka’s onvermoeibaar en onverminderd chanten. Śrī-nāma Zelf effectueert hun vrijwaring.

Dus je ziet hoe moeilijk het is om nāma-aparādha teboven te komen. Daarom kun je beter nāma-aparādha vermijden, wanneer je śrī-nāma chant. Als je goed je best doet om het plegen van nāma-aparādha te stoppen, manifesteert śuddhā-nāma zich heel snel.

Je kunt śrī-nāma nemen en continu aan het chanten zijn, waarbij je haren recht overeind staan en de tranen over je wangen stromen, maar het kan desondanks zijn, dat je wegens nāma-aparādha geen śuddhā-nāma uitspreekt. Sādhaka’s moeten hieraan dus speciale aandacht geven, anders zijn ze niet in staat śuddhā-nāma te chanten.

Vijaya: Prabhu, wat is śuddhā-nāma (de zuivere, heilige naam)?

Bābājī: Śuddhā-nāma is hari-nāma, die vrij is van de tien vormen van overtredingen. Bij het uitspre- ken van de lettergrepen van śrī-nāma wordt geen rekening gehouden met het al of niet gereinigd zijn.

nāmaikaṁ yasya vāci smaraṇa-patha-gataṁ śrotra-mūlaṁ gataṁ vā
śudhaṁ vāśuddha-varṇa-vyavahita-rahitaṁ tārayaty eva satyam
tac ced deha-dravina-janatā lobha-pāṣāṇa-madhye
nikṣiptaṁ syānn aphala-janakaṁ śighram evātra vipra
                                                 Padma Purāṇa, Svarga-khaṇḍa (48.60.61)

O besten der brāhmaṇa’s, als slechts één heilige naam op de tong verschijnt, of het oor binnengaat, of het pad der herinnering doorkruist, bevrijdt die nāma u beslist. De reinheid of onreinheid in overeenstemming met vidhi (regulering van śāstra) bij het uitspreken van de lettergrepen van śrī-nāma (nāma-akṣara) is niet zo belangrijk. Dat wil zeggen, dat śrī-nāma zulke consideraties niet maakt. Wat wel in aanmerking komt is, dat de ware vrucht van het chanten niet snel zal komen, indien deze almachtige naam wordt gechant in het belang van het lichaam, de woning, rijkdom, materiële vooruitgang, zonen en verwanten, of in hebzucht naar goud, vrouwen en prestige.

Er zijn twee soorten hindernissen of overtredingen: gewone en grote. Śrī-nāma, die met de algemene hindernissen wordt gechant, is nāma-ābhāsa, die zijn gunsten pas enige tijd later toekent. Nāma, die vergezeld gaat van grote hindernissen, is nāma-aparādha. Deze aparādha zal niet verdwijnen, tenzij men constant śrī-nāma chant.

Vijaya: Het schijnt me toe, dat de sādhaka van nāma-aparādha op de hoogte moet zijn. Weest u alstublieft zo genadig door ons er gedetaileerd over te vertellen.

Bābājī: Er staat een zeer diepgaande en essentiële analyse van de tien vormen van nāma-aparādha in de Padma Purāṇa,

satāṁ nindā nāmnaḥ param aparādhaṁ vitanute
yataḥ khyātiṁ yātaṁ katham u sahate tu tad-vigarhām

(1) Het bekritiseren van - en heiligschennis plegen jegens heiligen en grote bhakta's is een vreselijke overtreding tegen śrī-nāma. Hoe kan Śrī Kṛṣṇa heiligschennis jegens grote zielen tolereren, die aan śrī-nāma zijn toegewijd en die in deze wereld de glorie van śrī-kṛṣṇa-nāma verspreiden? Dus de eerste overtreding is heilig- schennis jegens de bhakta's.

śivasya śrī-viṣṇor ya iha guṇa-nāmādi-sakalaṁ
dhiyā bhinnaṁ paśyet sa khalu hari-nāmāhita-karaḥ

(2) In deze materiële wereld zijn Śrī Viṣṇu's naam, vorm, kwaliteiten en spel, enzovoort, volkomen heilzaam voor alle wezens. Indien men deze beschouwt als materiële fenomenen en verschillend van Śrī Viṣṇu Zelf, is dit schadelijk voor het chanten van śrī-hari-nāma. De veronderstelling, dat Śiva en de andere deva's onafhankelijk zijn en gelijk zijn aan Śrī Viṣṇu, is eveneens nāma-aparādha.

Andere overtredingen zijn:

(3) guror avajñā: het nalaten śrī-guru, die nāma-tattva kent, te respecteren door hem te beschouwen als een gewoon, sterfelijk mens met een lichaam bestaande uit de vijf materiële elementen.

(4) śruti-śāstra-nindanam: heiligschennis plegen jegens de veda's, de sātvata's, de purāṇa's en andere śāstra’s.

(5) artha-vādaḥ: te denken, dat de glorie van śrī-hari-nāma in śāstra is overdreven.

(6) hari-nāmni kalpanam: śrī-hari-nāma interpreteren (op een wereldse manier), of denken, dat nāma Zelf een product van de verbeelding is.

nāmno balād yasya hi pāpa-buddhir
na vidyate tasya yamair hi śuddhiḥ

(7) Het is zeker, dat iemand, die zich op grond van śrī-nāma met zondige activiteiten bezighoudt, niet door kunstmatige yoga-oefeningen, zoals yama, niyama, dhyāna en dhāraṇā, kan worden gezuiverd.

dharma-vrata-tyāga-hutādi-sarva
śubha-kriyā-sāmyam api pramādaḥ

(8) Het is een overtreding te denken, dat rituelen en vrome, materiële activiteiten, zoals dharma, vrata, tyāga en homa, gelijk zijn aan, of zelfs vergelijkbaar zijn met Bhagavāns śrī-divya-nāma (transcendentale naam).

aśraddadhāne vimukhe'py aśṛṇvati
yaś copadeśaḥ śiva-nāma-aparādhaḥ

(9) Het geven van instructies over de heilzame śrī-nāma aan diegenen, die geen vertrouwen hebben, of zich verzetten tegen het horen van śrī-nāma, is nāma-aparādha.

śrute 'pi nāma-māhātmye yaḥ prīti-rahito naraḥ
ahaṁ-mamādi-paramo nāmni so'py aparādha-kṛt

(10) Iemand is een nāma-aparādhī, die zelfs na het horen van de wonderbaarlijke glorie van śrī-nāma, geen liefde of enthousiasme voor het chanten van śrī-nāma toont en vasthoudt aan het materiële lichaamsbewustzijn van 'ik' en 'mijn'; met andere woorden, denken, "Ik ben dit lichaam van bloed, vlees en huid en de zaken, die aan dit lichaam zijn gerelateerd, zijn van mij".

Vijaya: Kunt u ons al deze overtredingen alstublieft duidelijk maken door iedere śloka helemaal uit te leggen?

Bābājī: De eerste śloka beschrijft twee overtredingen. Het is een grote overtreding om bhakta's, die alle materieel gemotiveerde praktijken, zoals karma, dharma, jñāna, yoga, en tapasyā hebben opgegeven en die met met een gevoel van uitsluitend devotie hun toevlucht tot Bhagavāns śrī-nāma hebben genomen, geen respect te geven, te censureren, of heiligschennis jegens hen te plegen. Śrī-Hari-Nāma Prabhu kan geen heiligschennis verdragen jegens degenen, die de feitelijke glorie van śrī-nāma in deze wereld verspreiden. Je mag de bhakta's, die éénpuntig aan śrī-nāma zijn toegewijd, niet verachten. In plaats daarvan dien je hen te aanvaarden als de besten onder de geheiligde personen. Je dient in hun gezelschap te blijven en nāma-kīrtana met hen uit te voeren. Door dit te doen krijg je snel de zegen van śrī-nāma, dat is zeker.

Vijaya: Nu begrijpen we de eerste overtreding. Weest u nu alstublieft zo goed om de tweede uit te leggen.

Bābājī: De tweede overtreding wordt genoemd in het tweede deel van de eerste śloka en is op twee manieren uitgelegd.

De eerste uitleg is, dat het een overtreding tegen śrī-nāma is om Sadāśiva en andere leiders van de deva's als onafhankelijk van Śrī Viṣṇu te beschouwen. Volgens bahv-īśvara-vāda (de doctrine van vele bestuurders) is Sadāśiva een volmaakt machtige bestuurder, die onafhankelijk en afgezonderd is van Bhagavān Śrī Viṣṇu. Dit begrip echter werpt een obstakel op tegen éénpuntige hari-bhakti. Śrī Kṛṣṇa is feitelijk de bestuurder van alles en iedereen, terwijl Śiva en de andere deva's hun positie als bestuurder alleen via Zijn almacht krijgen. Deze deva's beschikken niet over afzonderlijke macht van zichzelf en hari-nāma uitvoeren met de gedachte, dat ze dat wel doen, is nāma-aparādha.

De tweede uitleg is, dat het ook een overtreding jegens śrī-nāma is om de alheilzame, intrinsieke svarūpa van Śrī Bhagavāns namen, vormen, kwaliteiten en spel als verschillend van Bhagavāns eeuwige, volmaakte vorm (vigraha) te beschouwen. Kṛṣṇa's intrinsieke natuur, Kṛṣṇa's naam, Kṛṣṇa's kwaliteiten en Kṛṣṇa's spel en vermaak zijn allemaal transcendentaal en niet-verschillend van elkaar. Je dient kṛṣṇa-nāma-saṅkīrtana in deze wetenschap en realisatie uit te voeren, anders bega je een aparādha (overtreding tegen śrī-nāma). Je moet dus kṛṣṇa-nāma uitvoeren, nadat je eerst sambandha-jñāna hebt doorgrond; dit is het proces.

Vijaya: De eerste twee nāma-aparādha's kan ik heel goed begrijpen, want u was zo goed ons de relatie van gelijktijdige eenheid en verscheidenheid uit te leggen tussen Śrī Kṛṣṇa's transcendentale spirituele vorm en Śrī Kṛṣṇa Zelf, die de vorm bezit; tussen Zijn transcendentale kwaliteiten en Hem, die deze kwaliteiten bezit; tussen Zijn namen en Hem, die deze namen bezit; en tussen de delen en het geheel.

Iemand, die zijn toevlucht neemt tot śrī-nāma moet ook van Gurudeva leren, welke de respectievelijke naturen van de cit (bewuste) en acit (onbewuste) tattva's zijn en wat hun onderlinge relatie is. Wilt u nu alstublieft over de derde overtreding vertellen?

Bābājī: De śrī-nāma-guru is degene, die instructies geeft over de superieuriteit van nāma-tattva, en het is je plicht om gerichte en daadkrachtige bhakti jegens hem te handhaven. Het bagatelliseren van de positie van nāma-guru, waarbij je denkt, dat hij alleen iets weet over nāma-śāstra, terwijl andere geleerden van vedānta-filosofie en andere śāstra’s de betekenis van de śāstra’s wel kennen, is nāma-aparādha. Eigenlijk is geen enkele guru superieur aan de nāma-tattva-vid guru en het is dus een overtreding te denken, dat hij minder belangrijk is.

Vijaya: Prabhu, ik ben van mijn welzijn verzekerd, als ik zuivere bhakti jegens u kan handhaven. Wilt u nu alstublieft de vierde overtreding uitleggen?

Bābājī: Er staat in de śruti een speciale instructie met betrekking tot het allerhoogste doel. Daarin wordt de glorie van śrī-nāma als de beste van alle spirituele eigenschappen verklaard.

oṁ āsya jānanto nāma-cid-viviktanas
mahas te viṣṇo sumatiṁ bhajāmahe
oṁ tat sat

O Śrī Viṣṇu, iemand, die śrī-nāma aandachtig en op de juiste wijze chant, raakt niet in de war en wordt niet in zijn bhajana en andere regulerende beoefening verstoord. Met andere woorden, wanneer men śrī-nāma aanvaardt, is er geen sprake van, dat de plaats, de tijd en de persoon gunstig of ongunstig zijn, want śrī-nāma is de allesverlichtende, verpersoonlijkte vorm van kennis en het allerhoogste, kenbare object. Daarom zenden we onze gebeden op aan śrī-nāma.

oṁ padaṁ devasya namasā vyantaḥ / śravasya vaśrava ānnamṛktam
nāmāni cid dadhire yajñiyāni / bhadrāyante raṇayantaḥ sandṛṣṭau

O meest vererenswaardige Heer, keer op keer bied ik mijn eerbetuigingen aan Uw lotusvoeten aan. Het horen over de glorie van Uw lotusvoeten kan bhakta's de adhikāra voor faam en bevrijding geven, maar wat is dat waard? Nog glorieuzer zijn de bhakta's, die zich bezighouden met discussies en debatten teneinde Uw lotusvoeten als de allerhoogste verblijfplaats te vestigen en die hun dienstbare relatie met U gezamenlijk cultiveren door het uitvoeren van saṅkīrtana. Zodra āsakti in hun hart verschijnt, nemen ze hun exclusieve toevlucht tot Uw caitanya-svarūpa-nāma (volkomen bewuste naam) om darśana van Uw lotusvoeten te krijgen.

oṁ tam u stotāraḥ pūrvaṁ yathāvida
ṛtasya garvabhaṁ januṣā piparttana
āsya jānanto nāma cid-viviktana
mahas te viṣṇo sumatiṁ bhajāmahe
                                                  Hari-bhakti-vilāsa (11.274-76)
                                   Ṛg Veda (1.156.3)

De letter 'u' wijst op de opperste verbazing over het feit, dat we ons leven niet succesvol kunnen maken door kīrtana van Śrī Kṛṣṇa uit te voeren, zoals u doet door die allerhoogste, vermaarde, oorspronkelijke en volkomen tat en sat Realiteit (padārtha) te verheerlijken. De reden hiervoor is, dat we niet weten, hoe Zijn stava (gebeden) en kīrtana dienen te worden uitgevoerd. Onze eeuwige plicht is daarom het doel van ons menselijk leven te vervullen door ons onafgebroken bezig te houden met hari-nāma-kīrtana.

Alle veda's en upaniṣaden roepen de glorie van śrī-nāma uit en heiligschennis plegen tegen de mantra's, die de glorie van śrī-nāma openbaren, is nāma-aparādha. Sommige lieden veronachtzamen helaas de śruti-mantra's, die deze instructies geven, en hebben meer respect voor andere instructies van de śruti. Dit is ook nāma-aparādha en het resultaat is, dat de overtreder geen smaak voor nāma ontwikkelt. Je dient hari-nāma uit te voeren in de wetenschap, dat deze voornaamste śruti-mantra's hart en ziel van śruti zijn.

Vijaya: Prabhu, het lijkt, alsof nectar uit uw mond stroomt. Nu ben ik heel gretig om de vijfde over- treding te begrijpen.

Bābājī: De vijfde overtreding is het geven van wereldse interpretaties aan śrī-nāma. De Jaiminī-saṁhitā legt deze overtreding alsvolgt uit,

śruti-smṛti-purāṇesu nāma-māhātmya-vācisu
ye'rthavāda iti brūyur na teṣāṁ niraya-kṣayaḥ

Degenen, die beweren, dat de mantra's van de veda's, purāṇa's, upaniṣaden en andere Vedische literatuur de glorie van Bhagavāns nāma hebben overdreven, gaan naar een eindeloze hel en keren nimmer terug.

In de Brahma-saṁhitā heeft Śrī Bhagavān tegen Śrī Brahmā gezegd,

yan-nāma-kīrtana-phalaṁ vividhaṁ niśamya
na śraddadhāti manute yad utārthavādam
yo mānuṣas tam iha duḥkha-caye kṣipāmi
saṁsāra-ghora, vividhārtti-nipīḍitāṅgam

Als een mens geen vertrouwen krijgt, wanneer hij over de glorie van hari-nāma hoort, maar denkt, dat zij wordt overdreven, stort Ik hem in de verschrikkelijke kringloop van geboorte en dood met alle ellende van dien.

In de śāstra’s wordt gezegd, dat Bhagavāns namen al Zijn śakti's bevatten. Śrī-nāma is volkomen spiritueel en Hij slaagt erin de illusie van deze materiële wereld te vernietigen.

kṛṣṇeti mangalaṁ nāma yasya vāci pravarttate
bhasmī-bhavanti rājendra mahāpātaka-koṭayaḥ
                                                             Viṣṇu-dharma Purāṇa

O Koning, miljoenen zonden worden tot as verzengd, als de allergunstigste vorm van Kṛṣṇa's nāma zich vestigt in uw mond.

nānyat paśyāmi jantūnāṁ vihāya hari-kīrttanam
sarva-pāpa-praśamanaṁ prāyascittaṁ dvijottama
                                                                   Bṛhan-nāradīya Purāṇa

O beste onder de brāhmaṇa’s, śrī-hari-nāma is de boetedoening, die alle vormen van zonden teniet doet, en ik beschouw degene, die śrī-nāma opgeeft, niet hoger dan een dier.

nāmno hi yāvatī śaktiḥ pāpa-nirharaṇe hareḥ
tāvat kartuṁ na śaknoti pātakaṁ pātakī naraḥ
                                                                Bṛhad-viṣṇu Purāṇa

Het vermogen van śrī-hari-nāma kan meer zonden teniet doen, dan de meest zondige persoon mogelijkerwijs kan begaan.

Al deze glorie van śrī-nāma zijn de allerhoogste, absolute waarheid, maar wanneer mensen, die actief zijn in karma en jñāna, dit horen, bedenken ze commentaren om hun eigen bezigheden te beschermen. Hun verklaring is, dat de glorie van śrī-nāma, die in śāstra’s wordt genoemd, niet echt de waarheid is, maar is overdreven teneinde een smaak voor śrī-nāma te kweken.

Nāma-aparādha voorkomt, dat zulke zondaren een smaak voor hari-nāma krijgen. Je moet hari-nāma in vol vertrouwen van de uitspraken van śāstra’s uitvoeren en nooit associatie nemen van figuren met wereldse verklaringen. En verder, als ze onaangediend in je gezichtsveld verschijnen, neem je een bad met al je kleren aan. Dat is de instructie van Śrī Caitanya Mahāprabhu.

Vijaya: Prabhu, het lijkt voor gezinsleden moeilijk om śuddhā-hari-nāma te chanten, want ze worden altijd omringd door zondige lieden, die in het geheel niet zijn toegewijd. Het is erg moeilijk voor brāhmaṇa-paṇḍita's, zoals wijzelf, om sat-saṅga te hebben. Prabhu, wilt u ons alstublieft de kracht schenken om slecht gezelschap op te geven? Hoemeer ik uit uw mond verneem, hoemeer mijn dorst naar meer instructies toeneemt. Wilt u nu de zesde overtreding aan ons uitleggen, alstublieft?

Bābājī: De zesde overtreding is śrī-bhagavān-nāma als denkbeeldig te beschouwen. Māyāvādī’s en baatzuchtig materialisten denken, dat het onveranderlijke nirviśeṣa-brahma de Absolute Waarheid is. Zij, die geloven, dat de ṛṣi's śrī-bhagavān-nāma, zoals Rāma en Kṛṣṇa, hebben verzonnen als methode om perfectie te bereiken, zijn nāma-aparādhī's. Hari-nāma is niet denkbeeldig; Hij is een eeuwige, spirituele vastu (substantie). Śrī-sad-guru en de Vedische śāstra’s geven ons de instructie, dat hari-nāma zich in onze spirituele zintuigen manifesteert, zodra we ons in het proces van bhakti begeven. Daarom moet hari-nāma als de Absolute Waarheid worden beschouwd en als je denkt, dat Hij denkbeeldig is, kun je nooit Zijn genade krijgen.

Vijaya: Prabhu, voordat we bescherming onder uw onbevreesde lotusvoeten namen, dachten wij wegens onze slechte associatie ook op die wijze. Door uw genade is deze conceptie echter overwonnen. Wilt u alstublieft de zevende overtreding aan ons uitleggen?

Bābājī: Iemand, die zich met zondige activiteiten op basis van śrī-nāma bezighoudt, is een nāma-aparādhī. Als je zondige activiteiten uitvoert in het geloof, dat śrī-nāma je zal zuiveren, kun je niet vrij worden van die bergen zonden door de regulerende principes van het vaiṣṇava-gedrag te volgen, want al deze activiteiten nemen dan de vorm van nog meer zonden in de categorie nāma-aparādha aan en alleen het proces om nāma-aparādha's te reduceren kan ze teniet doen.

Vijaya: Prabhu, als hari-nāma alle zonden zonder uitzondering kan vernietigen, waarom vernietigt Hij dan niet de zonden van iemand, die śrī-nāma chant, en waarom wordt hij als een zondaar be- schouwd?

Bābājī: Op de dag, dat de jīva śuddhā-nāma aanvaardt, vernietigt één naam, die hij uitspreekt, beslist het totaal van al zijn prārabdha en aprārabdha-karma en bij de tweede naam verrijst prema. Degenen, die śuddhā-hari-nāma chanten, hebben er zelfs geen behoefte aan om vrome activiteiten te verrichten, laat staan om hun pāpa-buddhi, de mentaliteit van "Ik bega een zonde en ga dan nāma chanten om mezelf van die zonde te vrijwaren" in stand te houden. Een persoon, die zijn toevlucht tot śrī-nāma heeft genomen, begaat nooit een zonde. Het kan gebeuren, dat een sādhaka slechts nāma-ābhāsa en geen śuddhā-nāma uitspreekt vanwege een restant van nāma-aparādha. Dan worden de zonden vernietigd, die hij beging, vóórdat hij nāma-ābhāsa chantte, waarna hij geen smaak meer heeft om nieuwe zonden te begaan. Nāma-ābhāsa vernietigt heel langzaam ook het zondige karma, dat nog uit voorgaande handelingen resteert. Soms begaat men onverwachts nieuwe zonden, maar deze verdwijnen door nāma-ābhāsa ook. Als je je toevlucht neemt tot śrī-nāma en je gaat je dan met zondige activiteiten bezighouden, waarbij je denkt, "Aangezien de invloed van śrī-nāma al mijn zonden vernietigt, zal deze ook de zonden, waarmee ik me nu bezighoud, teniet doen", is het nāma-aparādha.

Vijaya: Wilt u nu zo goed zijn ons over de achtste overtreding in te lichten?

Bābājī: Sat-karma verwijst naar allerlei soorten dharma (in algemene zin), dat wil zeggen, varṇāśrama, het verrichten van liefdadigheid en andere vrome activiteiten, het doen van geloften (vrata) en andere vormen van heilzame activiteiten, het afzien van de resultaten van alle activiteiten (sannyāsa-dharma), alle soorten yajña's, aṣṭāṅga-yoga en verder alles, wat śāstra als heilzame activiteiten heeft gedefinieerd. Deze worden allemaal onder materieel dharma (jaḍa-dharma) gerekend, terwijl Bhagavāns śrī-nāma transcendentaal is aan de materiële natuur. Al deze vormen van sat-karma zijn slechts hulpmiddelen om het transcendentale, zegenrijke doel te bereiken; ze zijn geen doel in zichzelf. Hari-nāma echter is het middel tijdens sādhana en is Zelf sādhya, het doel bij het bereiken van het resultaat. Daarom kan sat-karma onmogelijk worden vergeleken met hari-nāma en degenen, die sat-karma gelijk hari-nāma beschouwen, zijn nāma-aparādhī's. Iemand, die aan śrī-hari-nāma bidt voor het onbeduidende resultaat van het uitvoeren van sat-karma, is een nāma-aparādhī, omdat zijn bezigheid de conceptie bevat, dat de uiteenlopende vormen van sat-karma gelijk zijn aan śrī-nāma. Je moet met spirituele intelligentie je toevlucht tot hari-nāma nemen in de wetenschap, dat het resultaat van sat-karma buitengewoon onbeduidend is. Dit is het begrip van het proces van sādhana (abhidheya-jñāna).

Vijaya: Prabhu, we hebben heel goed begrepen, dat er niets gelijk is aan hari-nāma. Wilt u nu zo genadig zijn ons de verlichting van de negende overtreding te geven?

Bābājī: Van de verscheidene instructies uit de veda's zijn diegene over hari-nāma de belangrijkste en alleen degenen, die vertrouwen hebben in exclusieve bhakti, zijn gekwalificeerd om de glorie van śrī-nāma te vernemen. Het is een overtreding om instructies over hari-nāma aan diegenen te geven, die geen vertrouwen hebben, die gekant zijn tegen de transcendentale dienst van Hari, of die geen smaak hebben voor het horen van nāma. Het is heilzaam om de instructie te geven, dat hari-nāma de meest verheven van alle spirituele disciplines is en dat iedereen, die hari-nāma aanvaardt, buitengewoon gelukkig wordt, maar zulke lessen over hari-nāma mag je niet aan de onbekwamen geven. Als je een parama-bhāgavata wordt, zal je tevens in staat zijn om śakti over te dragen. Zulk een groot Vaiṣṇava is in staat eerst vertrouwen in śrī-nāma te vestigen door spirituele śakti aan de jīva’s te geven en hen daarna over hari-nāma in te lichten. Maar zolang je nog een madhyama-vaiṣṇava bent, moet je degenen, die geen vertrouwen hebben, die geen interesse hebben, en jaloers zijn, negeren.

Vijaya: Prabhu, wat moeten we denken van het gedrag van degenen, die hari-nāma uit hebzucht naar rijkdom, naam en faam aan ongekwalificeerde personen geven?

Bābājī: Zij zijn nāma-aparādhī's.

Vijaya: Legt u alstublieft de tiende overtreding uit?

Bābājī: Mensen in de materiële wereld denken, "Ik ben zo-en-zo een persoon. Deze rijkdom, zonen en verwanten zijn allemaal van mij." Deze mensen worden waanzinnig in beslag genomen door dergelijk materieel bewustzijn. Als ze toevallig van geleerde mensen over de glorie van hari-nāma horen, kan er een moment van onthechting of kennis optreden, maar als ze zich niet bewust aan hun gehechtheid aan śrī-nāma vasthouden, zijn ook zij nāma-aparādhī's. Daarom wordt in de tweede śloka van Śikṣāṣṭaka gezegd,

nāmnām akāri bahudhā nija-sarva-śaktis
tatrārpitā niyamitaḥ smaraṇe na kālaḥ
etādṛśī tava kṛpā bhagavan mamāpi
durdaivam īdṛśam ihājani nānurāgaḥ

O Bhagavān, U hebt Uzelf in verscheidene namen gemanifesteerd, zoals Kṛṣṇa, Govinda, Gopāla, Vanamālī, enzovoort. U heb al Uw śakti's in deze namen gevestigd en er is geen sprake van ongeschikte tijd of plaats om zich śrī-nāma te herinneren. U bent zo grondeloos genadig, maar helaas, vanwege mijn aparādha's heb ik geen smaak voor śrī-nāma, die U zo gemakkelijk toegankelijk hebt gemaakt.

Je dient vrij te blijven van de tien vormen van nāma-aparādha en je volledig in hari-nāma te storten. Als je dat doet, zal śrī-nāma je vlot Zijn genade in de vorm van prema toekennen en je in een parama-bhāgavata transformeren.

Vijaya: Prabhu, ik kan nu begrijpen, dat Māyāvādī’s, karmī's en yogī's allemaal zondaren tegen śrī-nāma zijn. Aangezien dit het geval is, vraag ik me af, of het voor zuivere Vaiṣṇava’s juist is te participeren in het uitvoeren van nāma-kīrtana op plaatsen, waar veel mensen bijeenkomen?

Bābājī: Het is voor Vaiṣṇava’s niet juist om deel te nemen aan saṅkīrtana-groepen, waarin nāma-aparādhī's overheersen en waar de voorzanger zelf een nāma-aparādhī is. Er is echter geen smet in deelname aan saṅkīrtana-groepen, waarin zuivere Vaiṣṇava’s, of gewone bhakta's, die nāma-abhāsī's zijn, overheersen. In tegendeel, zulke saṅga levert winst op in de vorm van ānanda in nāma-saṅkīrtana.

Maar nu is het laat. Morgen ga ik met jullie nāmābhāsa bespreken.

Vijaya en Vrajanātha werden extatisch van nāma-prema. Nadat ze hun gebeden aan Bābājī Mahārāja hadden opgezonden, brachten ze het stof van zijn dierbare voeten naar hun voorhoofd en keerden naar huis terug onder het zingen van kīrtana, hari haraye nāmaḥ kṛṣṇa yādavāya nāmaḥ !

 

Aldus eindigt het Vierentwintigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Nāma-aparādha"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 23 – "Prameya: Sri-Nama-Tattva"

Volgende: Hoofdstuk 25 – "Prameya: Namabhasa"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl