Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 22

Prameya: Prayojana-Tattva


Het was Ekādaśī en de Vaiṣṇava’s hielden kīrtana op het grote, verhoogde platform onder de bakula-boom in Śrīvāsāṅgana. Sommigen zuchtte diep en zeiden, "Ha Gaurāṅga! Ha Nityānanda!" Geen van hen kon begrijpen in welke soort bhāva hun gerespecteerde, oude Bābājī was verzonken. Voor hun ogen raakte hij verstild. Na enige tijd barstte hij in tranen uit en weende, "O wee! Alas! Waar is mijn Rūpa? Waar is mijn Sanātana? Waar is mijn Dāsa Gosvāmī? Waar is mijn Kṛṣṇadāsa Kavirāja, de meest geliefde broeder van mijn hart? Waar zijn ze gebleven, hebben ze mij helemaal alleen achtergelaten? Wat een ongeluk, dat ik alleen moet blijven en de pijn van hun afwezigheid moet verdragen! Ik ben verloren door hun afwezigheid. Zelfs de herinnering aan Rādhā-kuṇḍa is teveel voor me. Mijn levenskracht raakt uitgeput door deze kwelling. Alleen het visioen van Rūpa-Sanātana kan mijn troosteloze leven redden. Ik heb mijn leven niet opgegeven, zelfs al ben ik verstoken van hun gezelschap! Ik ben eenvoudig in alle opzichten verdoemd!" Terwijl hij zo sprak begon hij in het stof van de binnenplaats te rollen.


Alle Vaiṣṇava’s daar zeiden, "Bābājī, weest u geduldig. Rūpa en Raghunātha zitten in uw hart. Kijk eens, Śrī Caitanya Mahāprabhu en Nityānanda Prabhu zijn hier voor uw ogen aan het dansen."

"Oh! Oh, waar?" Bābājī kwam plotseling overeind en zag Śrī Caitanya Mahāprabhu, Śrī Nityānanda Prabhu, Śrī Advaita Prabhu, Śrī Gadādhara, Śrīvāsa en alle toegewijden kīrtana houden. Ze waren allemaal aan het dansen en waren volkomen verzonken in mahābhāva. Toen hij deze scene zag, zei hij, "Gezegend is Māyāpura! Alleen Śrī Māyāpura kan het verdriet van afgescheidenheid van Vraja wegnemen." Toen de scene verdween, ging hij langetijd door met dansen. Later werd hij rustig en ging in zijn hut zitten.

Juist op dat moment kwamen Vijaya Kumāra en Vrajanātha binnen en gaven hun eerbetuigingen aan zijn lotusvoeten. Toen hij hen zag was Bābājī Mahārāja heel blij en zei, "Hoe gaat het met jullie bhajana?"

Beiden vouwden nederig hun handen en zeiden, "We hebben uw genade nodig, want dat is alles voor ons. Alleen vanwege zoveel sukṛti (vrome activiteiten) verzameld over vele levens konden we gemakkelijk de bescherming van uw lotusvoeten krijgen. Omdat het vandaag Ekādaśī is, willen we met uw toestemming het nirjala vasten volbrengen. We zijn voor uw darśana gekomen."

Bābājī: Jullie beiden zijn gezegend. Jullie zullen heel snel bhāva krijgen.

Vijaya: Prabhu, wat is de staat van bhāva? U hebt ons er tot nu toe niets over verteld. Schenkt u ons alstublieft uw zegen door over dit onderwerp te vertellen.

Bābājī: Tot nu toe heb ik jullie alleen instructies voor de beoefening van sādhana gegeven. Door voortdurend sādhana te beoefenen kom je geleidelijk tot het stadium van perfectie. Bhāva is het voorstadium, die de perfectie (siddha-avasthā) inluidt. Śrī Daśa-mūla (10a) geeft de volgende omschrijving van deze geperfectioneerde staat,

svarūpāvasthāne madhura-rasa-bhāvodaya iha
vraje rādhā-kṛṣṇa-svajana-jana bhāvaṁ hṛdi vahan
parānande prītiṁ jagad-atula-sampat-sukham aho
vilāsākhye tattve parama-paricaryāṁ sa labhate

In het rijpe stadium van sādhana-bhakti, wanneer de jīva in zijn svarūpa is gesitueerd, ontluikt in hem onder invloed van het hlādinī-vermogen de staat van bhāva in madhura-rasa. Met andere woorden, het verlangen om in de voetstappen van de geliefde metgezellen van Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa in Vraja te volgen ontwaakt in zijn hart. Geleidelijk krijgt hij geluk en voorspoed, die in deze wereld ongeëvenaard zijn, in de vorm van de allerhoogste liefdedienst van paramānanda-tattva, die vilāsa wordt genoemd. Er is voor de jīva geen grotere aanwinst dan deze.

De volgende śloka beschrijft prayojana-tattva, het stadium van prema. Het eerste stadium van prema is bhāva.

prabhuḥ kaḥ ko jīvaḥ katham idam acid-viśvam iti vā
vicāryaitān ārthān hari-bhajana-kṛc chāstra-caturaḥ
abhedāśāṁ dharmān sakalam aparādhaṁ pariharan
harer nāmānandaṁ pibati hari-dāso hari janaiḥ
                                                               Daśa-mūla (10b)

Wie is Kṛṣṇa? Wie ben ik, de jīva? Wat is deze tijdelijke, materiële (acit) wereld en de eeuwige spirituele (cit) wereld? Hij, die uitsluitend is toegewijd aan de bhajana van Śrī Hari en een intelligente analyse van de vaiṣṇava-śāstra’s onder leiding van śuddhā-bhakta's heeft gemaakt, die alle overtredingen en de gehechtheid aan dharma en adharma achter zich heeft gelaten en alle vragen tot zijn beschikking heeft en kan overwegen, deze dienaar van Śrī Hari drinkt de sublieme drank van śrī-hari-nāma in het gezelschap van andere hari-jana's.

Deze Daśa-mūla is een verzameling ongeëvenaarde schoonheid, waarin alle instructies van Śrīman Mahāprabhu in beknopte vorm zijn weergegeven.

Vijaya: Ik zou graag de verheven positie van Daśa-mūla in het kort willen horen.

Bābājī: Luister dan.

saṁsevya daśa-mūlaṁ vai hitvā 'vidyām ayaṁ janaḥ
bhāva-puṣtiṁ tathā tuṣtiṁ labhate sādhu-saṅgataḥ
                                                                Daśa-mūla-mahātmya

Als de jīva deze Daśa-mūla bestudeert en zorgvuldig volgt, werpt hij de materiële ziekte van onwetendheid ver van zich af. Door de associatie van sādhu's krijgt hij daarna de voeding van bhāva en raakt volkomen voldaan.

Vijaya: Prabhu, mogen wij allemaal het halssnoer van deze onvergelijkbare Daśa-mūla om onze hals dragen. We gaan deze Daśa-mūla iedere dag reciteren en geven onze eerbiedige eerbetuigingen aan Śrīman Mahāprabhu. Wilt u nu alstublieft uitgebreid over het onderwerp van bhāva (bhāva-tattva) vertellen?

Bābājī: Het karakteristieke kenmerk van bhāva is, dat het zich in onvermengde goedheid (śuddha-sattva-viśeṣa-rūpa-tattva) bevindt. Het kan worden vergeleken met een smalle zonnestraal van prema.

De wezenlijke, constitutionele eigenschap (svarūpa-lakṣaṇa) van bhāva is, dat het zich in onvermengde goedheid (viśuddha-sattva) is bevindt. Bhāva wordt ook met rati vergeleken en wordt soms een spruit van prema (premāṅkura) genoemd. De aanleg voor goddelijk kennis (saṁvit-vṛtti) is een aspect van het alles verlichtende, interne vermogen (svarūpa-śakti) en dat is de staat van onvermengde goedheid (śuddhā-sattva), die geen verbinding heeft met māyā. Wanneer deze saṁvit-vṛtti (aanleg voor goddelijke kennis) zich combineert met de neiging tot onvermengde vreugde (hlādinī-vṛtti), wordt het essentiële aspect van die combinatie bhāva genoemd.

Je krijgt kennis van een object (vastu) door middel van de aanleg voor bewustzijn (saṁvit-vṛtti) en je proeft dat object door middel van de aanleg voor onvermengde, zegenrijke vreugde (hlādinī-vṛtti). Kṛṣṇa is het allerhoogste object en Zijn svarūpa kan alleen worden gekend door middel van de alles verlichtende aanleg voor svarūpa-śakti en niet door middel van het mentale vermogen van de maginale jīva’s. Wanneer de svarūpa-śakti zich door de genade van Kṛṣṇa, of van Zijn bhakta, in het hart van de jīva manifesteert, wordt in het hart het cognitieve vermogen (saṁvit-vṛtti) van de svarūpa-śakti actief. Zodra dat gebeurt, wordt de kennis van de spirituele wereld (cid-jagat) geopenbaard. De spirituele wereld bestaat uit śuddhā-sattva, terwijl de materiële wereld uit een combinatie van drie materiële geaardheden, sattva, rajaḥ en tamaḥ, bestaat. De essentiële combinatie van hlādinī en de kennis van de spirituele wereld stellen je in staat om de lieflijkheid van dat spirituele gebied te proeven en zodra die smaak zijn hoogtepunt bereikt, wordt het prema genoemd.

Als we prema met de zon vergelijken, kunnen we bhāva met een lichtstraal (kiraṇa) van de zon vergelijken. De constitutionele natuur (svarūpa) van bhāva is een zonnestraal van prema te zijn en zijn unieke eigenschap (viśeṣatā) is het zuiveren, het verzachten en het doen smelten van het hart (masṛṇa) van de jīva. Het woord ruci houdt drie verlangens in. Deze zijn 1) het verlangen naar de dienst van Rādhā en Kṛṣṇa (prāpty-abhilāṣa), 2) het verlangen datgene te doen, wat gunstig is voor Kṛṣṇa's plezier (anukūlya-abhilāṣa) en 3) het verlangen om Kṛṣṇa met liefde en genegenheid te dienen (sauhārda-abhilāṣa).

Bhāva kan worden omschreven als het eerste verschijnsel van prema. Het woord masṛṇa betekent 'zachtheid en het smelten van het hart'. Bhāva is in de trantra beschreven als het voorstadium van prema en als het zich aandient, worden kippenvel en andere extatische transformaties (sāttvika-vikāra) in lichte mate manifest. De staat van bhāva echter is in de nitya-siddha-bhakta's uit zichzelf gevestigd (svataḥ-siddha), wat betekent, dat śuddhā-sattva eeuwig in hen aanwezig is, dus er is geen sprake van, dat het in hen manifest wordt.

In de baddha-jīva manifesteert deze staat van bhāva zich eerst in de mentale vermogens (mano-vṛtti) en raakt er daarna mee geïdentificeerd (svarūpatā). Dus hoewel bhāva zelf-manifest is (svayaṁ-prakāśa), lijkt het alsof deze voorheen niet bestond en dat de manifestatie ervan door iets anders teweeg werd gebracht (prakāśya). De natuurlijke functie van bhāva is het openbaren van de wezenlijke identiteit (svarūpa) van Kṛṣṇa en Zijn lieflijke spel. Bhāva manifesteert zich in het mentale vermogen (mano-vṛtti) en toch lijkt het door een ander kennisvermogen te worden gemanifesteerd. In werkelijkheid is de aard (svarūpa) van rati een smaak op zichzelf (svayam-aśvādana-svarūpa); met andere woorden, voor de bhakta is de aard van rati zelf het object van de smaak en het plezier en toch wordt het voor de baddha-jīva tegelijkertijd de bron en oorzaak voor het proeven van Kṛṣṇa en Zijn līlā.

Vrajanātha: Hoeveel soorten bhāva zijn er?

Bābājī: Er zijn twee typen bhāva, die door twee verschillende oorzaken optreden. De eerste is bhāva, die zich voordoet als gevolg van hartstochtelijke, spirituele oefening (sādhana-abhiniveśa-ja-bhāva) en de tweede is bhāva, die optreedt door Kṛṣṇa's genade, of de genade van Kṛṣṇa's bhakta (prasāda-ja-bhāva). Bhāva, die optreedt door de beoefening van sādhana is de meest voorkomende soort; bhāva, die voortkomt uit speciale genade is zeer zeldzaam.

Vrajanātha: Wat is bhāva, die optreedt door beoefening (sādhana-abhiniveśa-ja-bhāva)?

Bābājī: Er zijn twee soorten bhāva, die optreden door beoefening; de ene in de vaidhī-mārga en de andere in de rāgānugā-mārga. Ruci verschijnt het eerst, vóór bhāva, en wordt gevolgd door gehechtheid (āsakti) aan Kṛṣṇa, en uiteindelijk volgt rati. Ik beschouw bhāva en rati als dezelfde, want dit is de mening van de purāṇa's en de śāstra’s, die handelen over de uitvoerende kunsten (nāṭya-śāstra’s).

In het geval van bhāva, dat optreedt door vaidhī-sādhana, komt śraddhā het eerst, dat daarna leidt tot niṣṭhā, dat zich op zijn beurt ontwikkelt tot ruci. In het geval van bhāva, dat optreedt door rāgānugā-sādhana, komt ruci onmiddellijk tot stand.

Vrajanātha: Wat is bhāva, dat optreedt door de genade van Kṛṣṇa, of Zijn bhakta (prasāda-ja-bhāva)?

Bābājī: Bhāva, dat optreedt door de genade van Kṛṣṇa, of Zijn bhakta (prasāda-ja-bhāva), is bhāva, dat zich spontaan voordoet zonder de uitvoering van enige vorm van sādhana.

Vrajanātha: Kunt u dit alstublieft nader uitleggen?

Bābājī: Kṛṣṇa's genade komt langs drie wegen: 1) door woorden (vācika), 2) door het toestaan van een visioen (āloka-dāna) en 3) door gratie in het hart (hārda). Stel je voor, dat Kṛṣṇa Zijn genade aan een brāhmaṇa geeft door te zeggen, "O beste der tweemaal geborenen, dat uitermate heilzame, zegenrijke en ononderbroken bhakti in jezelf mag wakker worden." Alleen al door zulke woorden treedt vācika-prasāda-ja-bhāva in het hart op.

De ṛṣi's in het oerwoud hadden Kṛṣṇa nooit eerder gezien, maar toen ze Zijn darśana kregen, trad bhāva in hun hart op. Zo groot is de kracht van Kṛṣṇa's zegen. Dit is een voorbeeld van bhāva, dat zich voordoet, doordat Kṛṣṇa Zijn visioen (āloka-dāna) toestaat.

Bhāva, dat door zegen in het hart optreedt, heet hārda-bhāva en dit nemen we waar in het levensverhaal van Śukadeva Gosvāmī en andere bhakta's. Toen Śrī Kṛṣṇa neerdaalde als Śrī Caitanya Mahāprabhu deden, zich vele gevallen voor van deze drie vormen van bhāva, die door Zijn genade verschijnen. De mensen, die vol bhāva waren, toen ze Śrīman Mahāprabhu zagen, zijn ontelbaar. Jagāi en Mādhāi zijn voorbeelden van degenen, die bhāva kregen door de woorden van de Heer en Jīva Gosvāmī kreeg bhāva in zijn hart (hārda-bhāva) door de genade van Śrī Gaurāṅga.

Vrajanātha: Wat is bhāva, dat optreedt door de genade van een bhakta?

Bābājī: Dhruva en Prahlāda kregen bhāva voor Bhagavān door de genade van Nārada Muni en bhāva-bhakti verscheen door de genade van Śrī Rūpa, Sanātana en andere metgezellen (pārṣada) van Kṛṣṇa in het hart van ontelbaar veel mensen.

Vijaya: Welke zijn de symptomen van de verschijning van bhāva?

Bābājī: Wanneer bhāva verschijnt beginnen zich in de sādhaka de volgende eigenschappen te manifesteren:

1.        kṣānti – tolerantie, incasseringsvermogen;

2.        avyārtha-kālatva – de zorg, dat er geen tijd mag worden verspild;

3.        virakti – onthechting;

4.        māna-śūnyatā – vrijheid van trots;

5.        āśā-bandha – verbonden met hoop;

6.        utkaṇṭhā – diep verlangen;

7.        nāma-gāne sadā-ruci – de smaak voor het constant chanten van śrī-hari-nāma;

8.        āsaktis tad-guṇākhyāne – smaak voor het horen van de transcendentale kwaliteiten van Śrī Hari;

9.        tad-vasati-sthale prīti – genegenheid voor de plaatsen van Kṛṣṇa's spel en vermaak.

Vijaya: Wat is kṣānti (tolerantie)?

Bābājī: Kṣānti betekent, dat je kalm blijft, zelfs wanneer er reden is voor woede of mentale opwinding. Kṣānti mag ook kṣamā worden genoemd.

Vijaya: Wat is avyārtha-kālatva (de zorg, dat er geen tijd mag worden verspild)?

Bābājī: Avyārtha-kālatva betekent, dat je geen ogenblik nutteloos voorbij laat gaan en dat je je daardoor onophoudelijk met hari-bhajana bezighoudt.

Vijaya: Wilt u alstublieft uitleggen, wat de betekenis is van virakti (onthechting)?

Bābājī: Virakti is desinteresse in zintuiglijke bevrediging.

Vijaya: Kunnen degenen, die veśa (wereldverzakende levensorde, sannyāsa-veśa of bābājī-veśa) hebben genomen, verklaren, dat ze zijn onthecht?

Bābājī: Veśa is een kwestie van maatschappelijke etiquette. Wanneer bhāva in het hart verschijnt, wordt de ruci voor de spirituele wereld heel sterk en de smaak voor de materiële wereld neemt geleidelijk af. Wanneer bhāva zich tenslotte ten volle manifesteert, is de smaak voor de mondaine wereld praktisch nul (śūnya-prāya). Dit wordt onthechting (virakti) genoemd. Een onthechte Vaiṣṇava is iemand, die virakti heeft bereikt en dan vaiṣṇava-veṣa neemt om zijn benodigdheden te reduceren. Maar de śāstra’s geven geen toestemming om veśa te nemen, vóórdat bhāva is verschenen, want dat is in het geheel geen ware veśa. Die les gaf Śrīman Mahāprabhu aan de hele wereld, toen hij Choṭa Haridāsa strafte.

Vijaya: Wat is māna-śūnyatā (vrijheid van trots)?

Bābājī: Trots (abhimāna) treedt op, wanneer je je vereenzelvigt met je rijkdom, kracht, schoonheid, hoge positie, hoge kaste (klasse), goede familie, stam, enzovoort. Māna-śūnyatā wil zeggen, dat je vrij bent van trots, ondanks dat je over zulke materiële kwalificaties beschikt. Padma Purāṇa geeft een uitmuntend voorbeeld van māna-śūnyatā. Er was eens een wijze keizer, die alle andere belangrijke koningen regeerde. Toen echter door groot geluk kṛṣṇa-bhakti in zijn hart verscheen, gaf hij zijn vermogen en de trots van zijn keizerschap op en hield zich in leven door in de steden van zijn vijanden te bedelen. Hij gaf iedereen respect ongeacht of ze brāhmaṇa’s waren, of vijanden.

Vijaya: Wat is āśā-bandha (verbonden met hoop)?

Bābājī: Āśā-bandha betekent je geest bezighouden met bhajana verbonden in het rotsvaste vertrouwen, dat "Kṛṣṇa me zeker Zijn genade zal geven".

Vijaya: Wat is utkaṇṭhā (diep verlangen)?

Bābājī: Utkaṇṭhā is extreme begeerte voor het verwezenlijken van je hartewens.

Vijaya: Wat is nāma-kīrtana-ruci (smaak voor het chanten van śrī-hari-nāma)?

Bābājī: Ruci in nāma-kīrtana betekent onaflatende betrokkenheid in hari-nāma in het volste vertrouwen (viśvāsa), dat śrī-nāma-bhajana de hoogste van de vele soorten bhajana is. Ruci voor nāma-kīrtana is de sleutel tot het bereiken van het allerhoogste heil. De waarheid omtrent śrī-hari-nāma zal ik een andere keer vertellen.

Vijaya: Wat is āsaktis tad-guṇākhyāne (gehechtheid aan de beschrijvingen van de transcendentale kwaliteiten van Kṛṣṇa)?

Bābājī: In Śrī Kṛṣṇa-karṇāmṛta staat,

mādhuryād api madhuraṁ manmathatā tasya kim api kaiśoram
cāpalyād api capalaṁ, ceto bata harati hanta kiṁ kurmaḥ

Śrī Kṛṣṇa als de transcendentale Hartenjager (manmatha) is beminnelijker dan de allerliefste en Zijn puberteit is rustelozer dan het meest rusteloze ding. De kwaliteiten van die bovenzinnelijke Cupido, die iedere beschrijving tart, brengen mijn hoofd op hol. Alas! Wat moet ik nu doen?

Het maakt niet uit hoeveel je over Śrī Kṛṣṇa's eigenschappen hoort, je raakt nimmer verzadigd. De gehechtheid aan het horen neemt onverminderd toe en je houdt nooit op om meer en meer te willen horen.

Vijaya: Wat is tad-vasati-sthale prīti (genegenheid voor de plaatsen van Kṛṣṇa's spel en vermaak)?

Bābājī: Als een bhakta parikramā van Śrī Navadvīpa-dhāma uitvoert, vraagt hij zich het volgende af, "O inwoners van de dhāma, waar is de geboorteplaats van de meest geliefde Meester van ons leven? In welke richting loopt Mahāprabhu's kīrtana-groep? Vertellen jullie me alsjeblieft waar onze Meester meestal Zijn ochtendspel met de gopa's speelde?" De inwoners van de dhāma antwoorden, "De plaats waar we ons ophouden is Śrī Māyāpura. De verheven plaats, die je recht voor je ziet en wordt omringd door een struikgewas van tulasī-planten, is precies de plaats, waar de meest waardevolle verschijning van Śrīman Mahāprabhu plaatsvond. Kijk eens naar de dorpen Gaṅgā-nagara, Simuliyā, Gādigāchā, Majidā en andere. De eerste saṅkīrtana-groep van Śrīman Mahāprabhu ging precies door deze dorpen." Als hij zulke liefdevolle uitspraken hoort, die zijn verzadigd van prema en uit de mond komen van de inwoners van Gauḍa, huivert zijn lichaam van het kippenvel, raakt zijn hart overweldigd met zegen en druppelen de tranen uit zijn ogen. Op deze manier doet hij parikramā van alle plaatsen van het spel van Mahāprabhu. Dit heet genegenheid voor de plaatsen, waar de Heer Zijn tijd doorbracht (tad-vasati-sthale prīti).

Vrajanātha: Moeten we hieruit begrijpen, dat rati voor Kṛṣṇa in ieder individu is opgetreden, in wie we deze vorm van emotie waarnemen?

Bābājī: Nee. Rati is emotie (bhāva) voor Kṛṣṇa, die spontaan optreedt. Dezelfde emotie kan worden waargenomen in relatie tot andere objecten, maar die kan geen rati worden genoemd.

Vrajanātha: Wilt u alstublieft één of twee voorbeelden geven om dit duidelijk te maken?

Bābājī: Stel je voor, dat iemand naar bevrijding verlangt, maar dat de droge en moeizame verering van het nirviśeṣa-brahma hem te moeilijk lijkt. Dan hoort hij ergens, dat je heel gemakkelijk mukti kunt bereiken door eenvoudig de namen van Bhagavān uit te spreken. Ajāmila bijvoorbeeld kreeg eenvoudig mukti door de naam van Nārāyaṇa uit te spreken. Wanneer die persoon dat hoort, is hij uitzinnig van blijdschap. Als hij zich de macht van śrī-nāma, die bevrijding geeft, herinnert, raakt hij opgewonden van extase en denkt, dat hij gemakkelijk bevrijding krijgt. Hij chant śrī-hari-nāma, weent voordurend en valt bewusteloos op de grond. In dit geval is de naam, die door de sādhaka wordt uitgesproken, geen śuddhā-nāma en de bhāva, die hij tentoon spreidt, is geen kṛṣṇa-rati (śuddhā-bhāva), want zijn spontane gevoelens zijn niet op Kṛṣṇa gericht. Zijn belangrijkste doel is mukti te bereiken en geen kṛṣṇa-prema. De naam, die hij voortbrengt wordt nāma-ābhāsa genoemd en zijn emotionele aandoening (bhāva) wordt bhāva-ābhāsa genoemd.

Een ander voorbeeld is dat van een persoon, die Durgā-devī vereert om materieel plezier te krijgen. Hij bidt, "Geef me alstublieft gunsten! Geef me rijkdom!" Zodra hij denkt, dat Durgā-devī, wanneer ze tevreden is, zijn hartewens vervult, roept hij uit, "O Durgā!" en rolt voor haar voeten over de grond en huilt. De bhāva van deze persoon, als hij huilt en op de grond valt, is geen śuddhā-bhāva. Dit wordt soms omschreven als bhāva-ābhāsa en soms als valse of onzuivere emotie (kubhāva). Bhāva kan niet verschijnen, tenzij je onvermengde verering aan Kṛṣṇa (śuddhā-kṛṣṇa-bhajana) uitvoert. Bhāva is bekend als kubhāva of bhāva-ābhāsa, indien het voortkomt uit een verlangen naar materieel plezier (bhoga) of bevrijding (mokṣa), zelfs al is het gerelateerd aan Kṛṣṇa.

Het woord kubhāva verwijst naar iedere vorm van bhāva, dat zich in het hart voordoet van iemand, die is besmet met māyāvāda-filosofie. Zelfs al ligt zo iemand zeven prahara's bewusteloos, dit vertoon kan geen bhāva worden genoemd. Aho! Zelfs de meest verheven, bevrijde zielen, die vrij zijn van alle vormen van verlangens, zijn onafgebroken op zoek naar bhagavad-rati. Dit is het grootste geheim en Kṛṣṇa geeft het niet gemakkelijk weg, zelfs niet aan volkomen oprechte bhakta's, wier beoefening van bhajana geheel is voltooid. Hoe kan het dan optreden in het hart van degenen, die geen śuddhā-bhakti hebben en die zijn besmet met verlangens naar materieel plezier en bevrijding?

Vrajanātha: Prabhu, je ziet vaak, dat degenen, die materieel plezier en bevrijding verlangen, hari-nāma-saṅkīrtana uitvoeren en de lichamelijke symptomen van bhāva, die u hebt beschreven, manifesteren. Hoe moet je dit zien?

Bābājī: Alleen dwazen worden overrompeld door het zien van de uiterlijke symptomen van bhāva in zulke mensen, maar degenen, die bhāva-tattva op de juiste wijze kennen, noemen deze vorm van bhāva "de schijn van rati" (raty-ābhāsa)" en blijven ver uit de buurt.

Vijaya: Hoeveel vormen van raty-ābhāsa zijn er?

Bābājī: Er zijn twee soorten raty-ābhāsa: gereflecteerde raty-ābhāsa (pratibimba raty-ābhāsa) en een schaduw van raty-ābhāsa (chāyā raty-ābhāsa).

Vijaya: Wat is pratibimba raty-ābhāsa?

Bābājī: Mensen, die naar bevrijding verlangen, denken, dat men alleen door brahma-jñāna mukti kan krijgen, maar de spirituele discipline van brahma-jñāna is moeilijk en zwaar. Sommigen komen erachter, dat mukti kan worden bereikt door eenvoudig hari-nāma uit te voeren en dat je op deze manier heel gemakkelijk en zonder hard te werken brahma-jñāna kan bereiken. Als ze zo denken, worden ze vreugdevol en zegenrijk en ze verwachten, dat ze mukti kunnen bereiken zonder al te grote problemen te krijgen. Dan treedt de schijn (ābhāsa) van lichamelijke transformaties op, zoals tranen, kippenvel, enzovoort. Zulke transformaties heten pratibimba-ābhāsa.

Vrajanātha: Waarom worden ze 'gereflecteerd' (pratibimba) genoemd?

Bābājī: Als degenen, die bevrijding of materiële lustbevrediging verlangen, het geluk hebben om met gevorderde bhakta's te associëren, gaan ze de processen van hari-nāma-kīrtana, enzovoort, ook overnemen. Op dat moment treedt enige weerschijn van de bhāva-maan aan de hemel in het hart van de śuddhā-bhakta's ook in het hart op van degenen, die naar bevrijding hunkeren. Deze weerschijn heet pratibimba. Śuddhā-bhāva treedt nooit op in het hart van degenen, die materiële lustbevrediging of bevrijding verlangen, maar in hen verschijnt bhāva-ābhāsa, wanneer ze de bhāva van śuddhā-bhakta's waarnemen. Die bhāva-ābhāsa heet pratibimba-ābhāsa, die in het algemeen niet leidt tot duurzaam welzijn. Het geeft slechts materieel plezier en bevrijding, waarna het ook weer verdwijnt. Zulke bhāva-ābhāsa kan ook als een vorm van nāma-aparādha worden beschouwd.

Vrajanātha: Wilt u de aard van chāyā-bhāva-ābhāsa alstublieft uitleggen?

Bābājī: Als een kaniṣṭha-bhakta, die niet op de hoogte is met de kennis van het zelf (ātma-tattva), associeert met activiteiten, tijd, plaatsen en bhakta's, die door Hari geliefd zijn, kan er een schaduw (chāyā) van rati verschijnen. In vergelijking met rati zelf is deze schaduw van nature onbetekenend en onstabiel, maar wekt nieuwsgierigheid op (naar de rati, die de śuddhā-bhakta's ervaren) en lost zorgen op. Dit heet chāyā-raty-ābhāsa. De bhakti van deze bhakta's kan tot op zekere hoogte zuiver zijn, maar ze is niet vastberaden en dat is de reden, waarom het tot raty-ābhāsa leidt. In ieder geval treedt zulke chāyā-bhāva-ābhāsa alleen als resultaat van vele vrome activiteiten. Door de associatie van Vaiṣṇava's (sat-saṅga) wordt chāyā-bhāva-ābhāsa zuiver en leidt vervolgens tot śuddhā-bhāva. Niettemin moet je onthouden, dat ongeacht hoe ontwikkeld deze bhāva-ābhāsa ook kan zijn, hij geleidelijk afneemt, zoals de maan in zijn twee laatste kwartieren, indien men een overtreding begaat tegen een zuivere Vaiṣṇava. Afgezien van bhāva-ābhāsa, verdwijnt geleidelijk zelfs śuddhā-bhāva, indien men een overtreding tegen Kṛṣṇa's bhakta's begaat.

Als je herhaaldelijk associeert met degenen, die naar bevrijding verlangen, zal jouw bhāva ook bhāva-ābhāsa worden, of je wordt een slachtoffer van het arrogante idee, dat je Īśvara Zelf bent. Dat is de reden, waarom je wel eens ziet, dat nieuwe bhakta's, als ze dansen, het verlangen naar bevrijding ontwikkelen. Deze nieuwe bhakta's denken niet zorgvuldig over hun situatie na en associëren met mensen, die bevrijding zoeken, hetgeen tot allerlei verstoringen leidt. Nieuwe bhakta's dienen daarom de associatie van mensen met aspiraties naar bevrijding zorgvuldig te vermijden.

Af en toe kun je de staat van bhāva plotseling en zonder duidelijke aanleiding in iemand zien optreden. De achtergrond hiervan is, dat hij in zijn vorige leven uitgebreid sādhana heeft beoefend, maar zijn beoefening kon wegens diverse hindernissen of obstakels tot dit moment geen vrucht dragen. Toen deze obstakels echter werden opgeheven, kwam śuddhā-bhāva plotseling in zijn hart naarboven. Soms kan een uitmuntende staat van bhāva, zoals deze, ook plotseling verschijnen door Kṛṣṇa's grondeloze genade. Deze vorm van bhāva heet śrī-kṛṣṇa-prasāda-ja-bhāva.

Je mag een persoon, in wie zich ware bhāva heeft gemanifesteerd, niet bekritiseren, zelfs al neem je een kleine fout in zijn gedrag waar, want wanneer bhāva eenmaal optreedt, wordt de sādhaka in al zijn ondernemingen volkomen succesvol. Onder deze omstandigheden is het voor hem niet mogelijk zich zondig te gedragen, maar indien toch enig zondig gedrag wordt waargenomen, dient het op één van de beide volgende manieren te worden erkend. De mahā-puruṣa-bhakta kan onder de druk van zijn omstandigheden één of andere zondige activiteit hebben begaan, maar kan zich onmogelijk in die conditie permanent blijven handhaven. Anderzijds is het mogelijk, dat een schijn van zonde (pāpa-ābhāsa) uit zijn voorgaand leven niet helemaal is opgelost en deze, zelfs nadat bhāva in hem is opgetreden, nog aanwezig is, maar spoedig zal worden opgegeven. Je dient op deze manier te denken en geen aandacht te schenken aan de gebruikelijke fouten, die je in bhakta's kunt tegenkomen, want dat is nāma-aparādha. De Nṛsiṁha Purāṇa verbiedt ons op zulke fouten onze aandacht te vestigen.

bhagavati ca harāv ananya-cetā
bhṛśa-malino 'pi virājate manuṣyaḥ
na hi śaśa-kaluṣa-cchavīḥ kadācit
timira-paro bhavatām upaiti candraḥ

Zoals de maan nimmer door duisternis wordt overschaduwd, zelfs al wordt hij door zwarte vlekken bedekt, zo blijft een persoon, die uitsluitend aan Śrī Hari is toegewijd, glorieus al lijkt hij uiterlijk verdorven en ontaard te zijn.

Hieruit moet je niet afleiden, dat een bhakta zich herhaaldelijk met zondige activiteiten kan bezighouden. Als een bhakta eenmaal niṣṭhā in bhakti heeft ontwikkeld, is zijn neiging om verder te zondigen verdwenen. Zolang echter het materiële lichaam nog aanwezig is, bestaat de kans, dat zich onverwacht een zondige activiteit voordoet. Als een bhakta uitsluitend is toegewijd, verbrandt de invloed van zijn bhajana alle vormen van zonden onmiddellijk tot as, zoals een laaiend vuur een klein hoopje katoen gemakkelijk verbrandt, en hij zal voortaan goed opletten om niet weer aan zondig handelen ten prooi te vallen.

Alle vormen van zondige activiteiten zijn in het stadium van gestage, ononderbroken ananyā-bhakti verdwenen, dus hieruit kun je afleiden, dat degenen, die zich herhaaldelijk in zondige activiteiten begeven, dit type bhakti nog niet hebben bereikt. Het zich herhaaldelijk en bewust bezighouden met zondige activiteiten, terwijl men bhakti-yoga praktiseert, is nāma-aparādha, dat bhakti volledig ontwortelt en verstoot. Bhakta's houden zich daarom verre van zulke overtredingen.

Rati is van nature rusteloos (aśānti), warm, energiek en zegenrijk, want het bestaat uit een voortdurend toenemend, spiritueel verlangen (abhilāṣa). Hoewel het warmte in de vorm van sañcārī-bhāva poduceert, is het koeler dan miljoenen manen bij elkaar en smaakt het zo zoet als nectar.

Toen Vrajanātha en Vijaya Kumāra deze uitleg van bhāva-tattva hoorden, waren ze met stomheid gelsagen en zaten een poosje zwijgend voor zich uit te staren, terwijl ze in gedachten over bhāva waren verzonken. Na enige tijd zeiden ze, "Prabhu, de krachtige regen van uw ambrozijnen instructies heeft een vloed van prema in ons verschroeide hart veroorzaakt. Wat moeten we nu doen? Waarheen moeten we gaan? We kunnen niets begrijpen. Voor ons is het erg moeilijk om bhāva te bereiken, omdat ons hart is verstoken van nederigheid. Door onze brahmaanse geboorte zitten we vol trots en het enige, dat ons kan redden, is uw overvloedige liefde en genade. Als u ons een druppel prema geeft, kunnen we zeker ons doel bereiken. Onze enige hoop is, dat we in staat zijn geweest een spirituele relatie met u te vestigen. We zijn uitermate armzalig, ellendig en wanhopig en u bent Kṛṣṇa's geliefde metgezel en u bent buitengewoon genadig. Weest u ons alstublieft genadig en geeft u ons instructies met betrekking tot onze plicht."

Vijaya Kumāra maakte van de gelegenheid gebruik door te zeggen, "Op dit moment, Prabhu, komt het verlangen in me op af te zien van het gezinsleven en als een dienaar aan uw lotusvoeten te worden gevestigd. Vrajanātha is nog een jongen en zijn moeder wil, dat hij een gṛhastha wordt, maar hij heeft geen verlangen dat te doen. Geeft u ons alstublieft uw inzicht over hetgeen we in dit verband moeten doen."

Bābājī: Jullie hebben beiden Kṛṣṇa's genade ontvangen. Jullie kunnen Kṛṣṇa dienen door je huishouden te transformeren in een huishouden van Kṛṣṇa. Iedereen dient te handelen volgens de instructies, die Caitanya Mahāprabhu aan de wereld heeft gegeven. Hij leerde, dat er twee manieren zijn om Bhagavān in deze wereld te dienen: men kan als gezinshoofd leven, of in de wereldverzakende levensorde. Tot het moment, dat je bent gekwalificeerd om tot de wereldverzakende levensorde over te gaan, dient je bij je gezin te blijven en je voor Kṛṣṇa's dienst in te zetten.

Tijdens de eerste vierentwintig jaar van Zijn manifeste spel, vertoonde Caitanya Mahāprabhu het ideaal van een gṛhastha-vaiṣṇava en Zijn laatste vierentwintig jaar waren exemplarisch voor de wereldverzakende Vaiṣṇava. Mahāprabhu's voorbeeld als gṛhastha vestigde het doel van het gezinsleven. In mijn opvatting, moeten jullie hetzelfde doen. Je moet niet denken, dat je het doel van kṛṣṇa-prema in het gezinsleven niet kunt bereiken. De meesten van Mahāprabhu's begunstigde toegewijden waren gṛhastha's en zelfs Vaiṣṇava’s in de wereldverzakende levensorde bidden voor het stof van de lotusvoeten van die gṛhastha-bhakta's.

Het was al diep in de nacht. Vijaya Kumāra en Vrajanātha brachten de hele nacht in Śrīvāsāṅgana door om de glorie van Śrī Hari in gezelschap van de andere Vaiṣṇava’s te chanten. De volgende dag voltooiden zij bij zonsopgang hun ochtendritueel, baadden in de Gaṅgā en gaven hun daṇḍavat-praṇāma aan de voeten van hun Gurudeva en de Vaiṣṇava’s. Daarna namen ze weer deel aan saṅkīrtana, namen mahā-prasāda en keerden vóór het middaguur naar huis terug. Vijaya Kumāra riep zijn zuster en zei, "Nu gaat Vrajanātha trouwen, dus jullie kunnen de nodige voorbereidingen treffen. Ik ga een paar dagen naar Modadruma. Je kunt me een bericht sturen, wanneer jullie de huwelijksdatum hebben vastgesteld. Ik neem andere familieleden mee om de voorspoed van de huwelijksceremonie kracht bij te zetten. Ik zal mijn jongere broer, Harinātha, morgen sturen. Hij kan hier blijven en alles regelen."

De moeder van Vrajanātha en zijn grootmoeder van vaders zijde hadden een gevoel, alsof ze de soevereiniteit over de hele aarde hadden gekregen. Ze waren door het dolle heen en boden Vijaya Kumāra nieuwe kleding en andere geschenken aan, voordat ze afscheid van hem namen.

 

Aldus eindigt het Tweeëntwintigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Prayojana-Tattva"


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 21 – "Prameya: Abhidheya - Raganuga-Sadhana-Bhakti"

Volgende: Hoofdstuk 23 – "Prameya: Sri-Nama-Tattva"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl