Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 21

Prameya: Abhidheya - Raganuga-Sadhana-Bhakti


Vijaya Kumāra en Vrajanātha waren onder de indruk van de zorgvuldige afwegingen van vaidhī-sādhana-bhakti, die ze hadden gehoord. Ze raakten er vast van overtuigd, dat men hari-nāma en dīkṣā van een siddha-mahātmā (grote, geperfectioneerde ziel) moet aanvaarden om de allerhoogste verblijfplaats te kunnen binnengaan. Daarom besloten ze om geen tijd te verliezen en meteen de volgende dag dīkṣā van Siddha Bābājī Mahārāja te aanvaarden.


Vijaya Kumāra had al in zijn jongensjaren een dīkṣā-mantra van zijn familie-guru gekregen. Vrajanātha daarentegen had behalve de Gāyatrī-mantra nog geen dīkṣā-mantra ontvangen. Beiden hadden van de instructies van de eerbiedwaardige Bābājī duidelijk begrepen, dat de jīva naar de hel gaat, als hij mantra's chant van een guru, die geen Vaiṣṇava is. Daarom dient men, zodra het juiste onderscheidingsvermogen is ontwaakt, volgens de voorschriften van śāstra opnieuw dīkṣā van een śuddhā-vaiṣṇava guru te nemen. Men kan vooral heel snel perfectie in het chanten van zijn mantra bereiken door de mantra van een siddha-bhakta te aanvaarden. Terwijl ze zo zaten te denken, besloten ze beiden de volgende ochtend naar Māyāpura te gaan, in de Gaṅgā te gaan baden en dan dīkṣā te nemen van de meest gerespecteerde Bābājī.

De volgende ochtend gingen ze in de Gaṅgā baden en plaatsten tilaka op de twaalf aangewezen delen van hun lichaam. Daarna arriveerden ze bij Raghunātha dāsa Bābājī en boden aan zijn lotusvoeten languit hun eerbetuigingen aan. Bābājī Mahārāja, die een siddha-vaiṣṇava was, wist wat ze dachten, maar uit beleefdheid zei hij, "Waarom zijn jullie vandaag zo vroeg gekomen? Wat is er aan de hand?"

Vijaya Kumāra en Vrajanātha antwoordden op nederige toon, "O Meester, u weet, dat we erg laag zijn en grote behoefte hebben aan spirituele rijkdom, daarom vragen we u om mededogen met ons te hebben."

Bābājī Mahāśaya was erg blij ze zo te horen spreken. Hij riep hen afzonderlijk in zijn kuṭīra en gaf hen de mantra van achttien lettergrepen. Bij de ontvangst en het chanten van de mantra raakten ze bedwelmd door mahā-prema; ze begonnen te dansen en riepen uit, "Jaya Gaurāṅga! Jaya Gaurāṅga!" Om hun hals droegen ze drie strengen tulasī-kralen en de prachtige, heilige draad lag gedrapeerd om hun lichaam, dat op twaalf plaatsen met tilaka was gedecoreerd; hun gezichten waren betoverend mooi; ze vertoonden enige sāttvika-vikāra (extatische transformaties); en de tranen stroomden onophoudelijk uit hun ogen. Toen Bābājī Mahāśaya zulke mooie vormen zag, omhelsde hij hen en zei, "Jullie hebben mij vandaag geheiligd."

Keer op keer genoten ze van het stof van Bābājī's lotusvoeten en wreven het over hun hoofd en al hun ledematen. Zoals Vrajanātha het vooraf had geregeld, arriveerden op dat moment hun twee bedienden met een grote hoeveelheid offervoedsel (bhoga) voor Śrīman Mahāprabhu. Met gevouwen handen verzochten Vijaya Kumāra en Vrajanātha de bhoga-gerechten te offeren, en het eerwaarde hoofd der bhakta's van Śrīvāsāṅgana gaf de pūjārī opdracht de bhoga aan de Godsbeelden van Śrī Śrī Paca-tattva te offeren.

Schelphoorns en bellen schalden rond en de Vaiṣṇavas pakten hun cymbalen, karatāla's en mṛdaṅga's en begonnen de bhoga-āratī voor het Godsbeeld van Śrīman Mahāprabu te zingen. Er kwamen vele Vaiṣṇavas aangelopen en het bhoga-offer werd met een grote ceremonie voltooid. Daarna werden regelingen getroffen om de prasādam in de nātya-mandira (danszaal) te distribueren. Bij het horen van de luide gezangen van hari-nāma verzamelden alle Vaiṣṇavas zich en droegen hun loṭa's met zich mee. Ze chantten luid de glorie van mahā-prasāda en gingen zitten om de prasāda te eren. Vrajanātha en Vijaya Kumāra wilden niet meteen gaan zitten, want ze stonden te wachten op de mahā-mahā-prasāda (de restanten van guru en Vaiṣṇavas). De voornaamste der gerespecteerde Bābājī's echter zei, dat ze moesten gaan zitten, "Jullie zijn gṛhastha Vaiṣṇavas. We zijn gezegend, als we languit onze eerbetuigingen aan jullie lotusvoeten aanbieden."

Vijaya Kumāra en Vrajanātha zeiden met gevouwen handen en op nederige toon, "U bent grote, wereldverzakende Vaiṣṇavas. Het zou voor ons een groot geluk zijn, als we in uw ambrozijnen restanten kunnen delen en het zou een belediging zijn om bij u te komen zitten."

De Vaiṣṇavas antwoordden, "Wat het Vaiṣṇavisme betreft is er geen verschil tussen een huisvader en een wereldverzaker. Vaiṣṇavas worden alleen vergeleken volgens hun toewijding; de meer gevorderde Vaiṣṇava is eenvoudig degene met een grotere toewijding voor Śrī Kṛṣṇa."

Zo zaten ze allemaal met elkaar te converseren en eerden de prasāda, maar Vijaya Kumāra en Vrajanātha stonden zwijgend te wachten en hadden vol vertrouwen hun bord prasāda vr hen staan. Een van de Vaiṣṇavas, die de prasāda eerde, had dit opgemerkt en omdat hij hun motief begreep, zei hij tegen Raghunātha dāsa Bābājī, "O beste der Vaiṣṇavas, weest u alstublieft uw discipelen genadig, anders nemen ze hun prasāda niet."

Toen de oudere Bābājī het verzoek van de Vaiṣṇava hoorde, gaf hij wat van zijn eigen prasāda weg aan Vijaya en Vrajanātha. Ze accepteerden zijn restanten met groot vertrouwen en spraken de śrī gurave namaḥ uit en begonnen de prasāda te eren. Terwijl de bhakta's hun prasāda nuttigden riepen sommigen uit, "Sādhu's sāvahāna, pas op, dat jullie niet teveel eten!" en "Alle eer aan de grootheid van prasādam!"

Oh! Wat een onvergelijkbare schittering ontstond er op dat moment in de nātya-mandira van Śrīvāsāṅgana! Iedereen zag Śrī Śacī-devī, Sītā en Mālinī-devī prasāda brengen, terwijl Śrīman Mahāprabhu daar zat en de prasāda liefdevol at in gezelschap van Zijn geliefde metgezellen. Toen ze dit zagen, vergaten ze hun eigen prasāda te eten. Ze zaten allemaal bewegingloos te kijken, terwijl tranen van grote vreugde zachtjes uit hun ogen rolden, waarbij hun hand halverwege hun mond bleef staan, zolang deze līlā manifest was. Na een korte tijd verdween de līlā uit hun gezichtsveld en ze staarden elkaar wenend aan. De zoete smaak van die prasāda versloeg iedere beschrijving. Alsof ze met n stem spraken, zeiden de bhakta's, "Deze twee zonen van brāhmaṇas zijn begenadigden van Gaura Hari. Om die reden heeft Śrīman Mahāprabhu Zijn līlā vandaag op dit festival gemanifesteerd."

Vrajanātha en Vijaya Kumāra weenden en zeiden, "We zijn waardeloos, ellendig en behoeftig. We weten helemaal niets. We konden deze dingen vandaag alleen zien door de grondeloze genade van onze guru en de Vaiṣṇavas. Vandaag heeft onze geboorte betekenis gekregen."

Toen Vijaya Kumāra en Vrjanātha aan de prasāda hun eer hadden betuigd, vroegen ze toestemming van de Vaiṣṇavas om naar huis te gaan.

Sinds die dag namen ze dagelijks een bad in de Gaṅgā en gingen daarna hun daṇḍavat-praṇāma aan de voeten van hun meester aanbieden. Daarna namen ze darśana van het Godsbeeld van Śrī Kṛṣṇa in de mandira en liepen om Tulasī heen. Op deze wijze aanvaardden ze iedere dag een bepaalde vorm van instructie. Nadat vier of vijf dagen waren verstreken, lieten ze zich op een avond in Śrīvāsāṅgana zien. Sandhyā-āratī en nāma-saṅkīrtana waren al beindigd en Śrī Raghunātha dāsa Bābājī zat in zijn kuṭīra zachtjes en met een liefdevolle stem śrī-nāma te chanten. Ze boden beiden hun daṇḍavat-praṇāma aan zijn lotusvoeten aan en hij legde zijn lotushand liefdevol op hun hoofd, gaf hen een zitplaats en informeerde naar hun welzijn.

Vrajanātha zag de gelegenheid om te vragen, "Meester, door uw genade hebben we goed begrepen wat vaidhī-sādhana-bhakti is. Nu zijn we heel nieuwsgierig naar rāgānugā-bhakti. Wilt u ons hiervoor alstublieft instructies geven?"

Bābājī was heel erg blij om dit te horen en zei, "Śrī Gauracandra heeft jullie beiden als Zichzelf aanvaard, dus er is niets dat jullie mag worden onthouden. Luister zeer zorgvuldig als ik rāgānugā-bhakti uitleg.

"Allereerst bied ik mijn daṇḍavat-praṇāma telkens weer aan de lotusvoeten van Śrī Rūpa Gosvāmī aan, die Śrīman Mahāprabhu uit de associatie van de Moslims bevrijdde en aan wie Hij in Prayāga instructies gaf over rasa-tattva. Daarna neem ik mijn toevlucht tot de lotusvoeten van Śrī Raghunātha dāsa Gosvāmī, die als een zwarte bij de nectar van die vraja-rasa proeft. De meest genadevolle Śrī Gaurāṅga Mahāprabhu heeft hem bevrijd uit de bodemloze put van het grof materialisme. Hij heeft hem daarna alle perfectie toegestaan door hem over te dragen aan de zorg van Śrī Svarūpa Dāmodara Gosvāmī.

"Welnu, voordat ik rāgānugā-bhakti ga beschrijven, moet ik eerst de svarūpa van rāgātmikā-bhakti uitleggen."

Vrajanātha: Maar ik zou eerst willen weten wat rāga is.

Bābājī: Wanneer materialistische mensen in contact komen met de objecten van hun zintuigen, raken ze van nature zeer gehecht aan een eindeloze schakering van materile lustbevrediging. Deze intense gehechtheid in het hart heet viṣaya-rāga. Als ze naar een mooi voorwerp kijken, worden de ogen rusteloos en in het hart ontstaat aantrekkingskracht (rajakatā) tot het object van hun schoonheid en de gehechtheid (rāga) eraan.

Rāga-bhakti is de staat, waarin Kṛṣṇa het enige object van rāga wordt. Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft het woord rāga op de volgende manier gedefinieerd,

iṣṭe svārasikī rāgaḥ paramāviṣṭatā bhavet
tan-mayī yā bhaved bhaktiḥ sātra rāgātmikoditā
Bhakti-rasāmṛta-sindhu (1.2.272)

Rāga is de onverzadigbare, liefdevolle dorst (prema-mayī tṛṣṇā) naar het object van genegenheid, dat aanleiding geeft tot spontane en intense absorbtie (svārasikī paramāviṣṭatā) in dat object. Rāgamayī bhakti is de uitvoering van sevā, zoals het rijgen van bloemenkransen, met een dergelijke, intense rāga.

Rāga is de absolute (parama) en onverdeelde (svārasikī) absorbtie (āviṣṭatā) in het eigen, bijzondere object van verering. Wanneer de toewijding aan Kṛṣṇa in het stadium van rāgamayī komt, wordt zij rāgātmikā-bhakti genoemd. Samenvattend kan worden gezegd, dat de intense hunkering naar Kṛṣṇa, die is verzadigd van prema (prema-mayī), rāgātmikā-bhakti wordt genoemd.

Het is gunstiger voor een persoon, in wiens hart zulke rāga niet is ontwaakt, naar het cultiveren van zulke bhakti te streven door zich volgens vidhi (de voorschriften en reguleringen van śāstra) te gedragen. De principes, die in vaidhī-bhakti aan het werk zijn, betreffen angst, respect en ontzag, terwijl het enige principe, dat in rāgātmikā-bhakti aan het werk is, lobha, of gretigheid, is in relatie tot Śrī Kṛṣṇa's līlā.

Vrajanātha: Wie heeft de adhikāra (kwalificatie) voor rāgamayī-bhakti?

Bābājī: Vaidhī-śraddhā geeft de adhikāra voor vaidhī-bhakti, en op dezelfde manier geeft lobhamayī śraddhā (vertrouwen verzadigd van gretigheid voor Kṛṣṇa's vraja-līlā) de adhikāra voor rāgamayī-bhakti.

De bhāva van de vraja-vāsī's jegens Kṛṣṇa is het allerhoogste voorbeeld van rāgātmikā-bhakti. Iemand met het grote geluk de gretigheid (lobha) te hebben voor dezelfde bhāva (sentiment), als die welke de vraja-vāsī's voor Kṛṣṇa hebben, heeft de adhikāra voor rāgānugā-bhakti.

Vrajanātha: Welke zijn de symptomen van zulke lobha?

Bābājī: Als je over de intens zoete bhāva's van de vraja-vāsī's hoort, gaat je intelligentie (buddhi-apekṣā) zich afvragen, hoe je die gebeurtenissen kunt binnengaan. Dat verlangen (apekṣā) is het symptoom, dat door lobha is gewekt.

Iemand, die de adhikāra voor vaidhī-bhakti heeft, test alles op het vlak van intelligentie, kennis van śāstra en reden; en als hij kṛṣṇa-kathā hoort, aanvaardt hij dit alleen, indien het deze drie faculteiten ondersteunt. Maar in rāga-mārga bestaat een dergelijke overweging niet, want intelligentie, kennis van śāstra en rationaliteit zijn op dit pad niet gewenst. Alles wat nodig is, is gretigheid voor de gevoelens van de vraja-vāsī's, "Welke zijn de zoete bhāva's van de vraja-vāsī's voor Kṛṣṇa? Is het mogelijk, dat ik zulke bhāva's krijg? Hoe kan ik ze krijgen?" Dit intense verlangen is het symptoom van gretigheid, en iemand die dat niet heeft, heeft niet de adhikāra voor rāgānugā-bhakti. Dit moet je goed begrijpen.

Vrajanātha: Wat is het proces van rāgānugā-bhakti?

Bābājī: De sādhaka, die gretigheid heeft ontwikkeld voor het prachtige gevoel van dienstbaarheid (sevā) van een bepaalde vraja-vāsī, denkt altijd aan zijn eigen sevā aan die persoonlijkheid en mediteert daarop. Hij is verzonken in de wederzijdse uitwisselingen tussen zijn geliefde Śrī Kṛṣṇa en die vraja-vāsī en hij verblijft voortdurend in Vraja, hetzij fysiek of mentaal, waarbij hij een gretigheid aan de dag legt om zijn of haar bhāva te verkrijgen. Hij volgt het voorbeeld van die vraja-vāsī en verleent altijd sevā op twee manieren: uiterlijk dient hij als een praktiserende sādhaka en innerlijk verleent hij sevā met de bhāva's (bhāvana-pūrvaka) van zijn siddha-deha. Dit is het proces van rāgānugā-bhakti.

Vrajanātha: Wat is de relatie tussen rāgānugā-bhakti en de aṅga's van vaidhī-bhakti?

Bābājī: De aṅga's van vaidhī-bhakti śravaṇam, kīrtanam, enzovoort liggen ook in de beoefening van de rāgānugā-sādhaka besloten. De sādhaka volgt de eeuwige bewoners van Vraja en de consequentie is, dat hij de eeuwige zegen van de liefdedienst proeft. Tegelijkertijd beoefent hij met zijn externe lichaam de aṅga's van vaidhī-bhakti.

Vrajanātha: Kunt u alstublieft uitleggen, wat de glorie is van rāgānugā-bhakti?

Bābājī: Rāgānugā-bhakti geeft heel snel de vrucht, die je niet kunt krijgen door met veel vertrouwen (niṣṭhā) de aṅga's van vaidhī-bhakti voor een lange tijd te volgen. Toewijding op het vlak van vaidhī-mārga is zwak, omdat het afhankelijk is van voorschriften en regels, terwijl rāgānugā-bhakti van nature sterk is, omdat het volkomen onafhankelijk is. Wanneer je het spirituele idee opvat om in de voetstappen van een geliefde inwoner van Vraja te volgen, wordt rāga gewekt, dat altijd het volgen van het proces van śravaṇam, kīrtanam, smaraṇam, pāda-sevanam, arcanam, vandanam en ātma-nivedanam impliceert. Ruci voor het volgen in de voetstappen van de vraja-vāsī's wordt alleen wakker in degenen, wier harten nirguṇa (vrij van materile attributen) zijn. Dat is waarom de gretigheid voor rāgānugā-bhakti uitermate zeldzaam is en het de grondoorzaak voor het allerhoogste heil is. Er zijn evenveel soorten rāgānugā-bhakti als rāgātmikā-bhakti.

Vrajanātha: Hoeveel soorten rāgātmikā-bhakti zijn er?

Bābājī: Er zijn twee soorten rāgātmikā-bhakti: die welke is gebaseerd op transcendentale lust om Kṛṣṇa tevreden te stellen (kāma-rūpa) en die welke is gebaseerd op relatie (sambandha-rūpa).

Vrajanātha: Wilt u alstublieft uitleggen wat het verschil is tussen kāma-rūpa en sambandha-rūpa?

Bābājī: In Śrīmad-Bhāgavatam (7.1.30-31) wordt gezegd,

kāmād dveṣād bhayāt snehād yathā bhaktyeśvare manaḥ
āveśya tad-aghaṁ hitvā bahavas tad-gatiṁ gatāḥ
gopyaḥ kāmād bhayāt kaṁso dveṣāc caidyādayo nṛpāḥ
sambandhād vṛṣṇayaḥ snehād yūyaṁ bhaktyā vayaṁ vibho

Vele mensen hebben de Allerhoogste bereikt door geestelijk volkomen geabsorbeerd te zijn in toewijding met wellustige verlangens (kāma), afgunst (dveṣa), angst (bhaya) of genegenheid (sneha) en door het opgeven van de negatieve aspecten van die gevoelens. De gopī's hebben de Allerhoogste bereikt door hun geest met kāma op Kṛṣṇa te vestigen; Kaṁsa met bhaya; Śiṣupāla en andere koningen met dveṣa; de Yadu's met familiebetrekkingen (sambandha); jij (de Pāṇḍava's) met genegenheid (sneha); en wij, heiligen (Nārada en andere ṛṣi's), met bhakti.

Hier worden zes principes genoemd, namelijk kāma (wellust), bhaya (angst), dveṣa (afgunst), sambandha (familiebetrekkingen of verwantschap), sneha (genegenheid) en bhakti (toewijding). Twee van deze bhaya (angst) en dveṣa (afgunst) dienen niet te worden gemiteerd, omdat deze ongunstige gevoelens betreffen. Welnu, er zijn twee soorten sneha. De eerste is verbonden met sakhya-bhāva en ligt in vaidhī-bhakti besloten. De tweede soort is gerelateerd aan prema en heeft geen toepassing in het veld van sādhana. Daarom is er geen sprake van sneha in de beoefening van rāgānugā-sādhana-bhakti.

De woorden bhaktyā vayam (in śloka 7.1.31) betekenen, dat 'wij' Nārada en andere heiligen de Allerhoogste met bhakti hebben bereikt. Het woord bhakti dient hier te worden verstaan als vaidhī-bhakti en kan zowel verwijzen naar de vaidhī-bhakti beoefeningen van de heiligen, zoals Nārada, of naar toewijding vermengd met jāna.

De woorden tad-gatiṁ gatāḥ betekenen, dat vele mensen de Allerhoogste hebben bereikt. Het is belangrijk om deze zin goed te begrijpen. Een enkele lichtstraal van de zon (kiraṇa) en de zon zelf zijn n en dezelfde substantie (vastu). Op dezelfde manier zijn brahma en Kṛṣṇa ook n en dezelfde substantie; brahma is eenvoudig Kṛṣṇa's lichaamsuitstraling. De jānī-bhakta's gaan op in die brahma-existentie en dat doen ook Kṛṣṇa's vijanden, nadat Hij hen persoonlijk heeft gedood. Sommigen krijgen sārūpyābhāsa (een schijn van sārūpya, of het hebben van een vorm gelijk aan die van Bhagavān) en blijven verzonken in de zegen van brahma. Volgens de Brahmāṇḍa Purāṇa verblijven ze in Siddhaloka, de bevrijde wereld achter de materile wereld.

Er zijn in Siddhaloka twee soorten jīvas gevestigd: degenen, die perfectie hebben bereikt door het cultiveren van kennis (jāna-siddha), en asura's, die door Śrī Bhagavān zijn gedood. Onder deze jāna-siddha's zijn er enkelen, die buitengewoon fortuinlijk zijn en de āśraya van rāga (reservoir van gehechtheid aan Kṛṣṇa) worden en Zijn lotusvoeten vereren en daardoor het hoogste doel van kṛṣṇa-prema bereiken. Op deze manier krijgen ze toegang tot de groep van Kṛṣṇa's geliefde metgezellen.

Omdat de zonnestralen en de zon als n substantie worden beschouwd, is er ook geen verschil tussen Kṛṣṇa's lichaamsuitstraling, die we kennen als brahma, en Kṛṣṇa Zelf. De woorden tad-gatim betekenen het bereiken van tat, namelijk Kṛṣṇa (kṛṣṇa-gati). De jānis en de asura's bereiken sāyujya-mukti en beiden bereiken brahma, de stralen van Kṛṣṇa's uitstraling (kṛṣṇa-kiraṇa). De śuddhā-bhakta's ontwikkelen prema en bereiken toegewijde dienst aan Kṛṣṇa, die de grondoorzaak is van al het bestaan. Welnu, door bhaya, dveṣa, sneha en bhakti uit de bovengenoemde lijst van zes eigenschappen te halen, houden we kāma en sambandha over. Daarom zijn kāma en sambandha de enige bhāva's, die toepasbaar zijn in rāga-mārga. Er zijn dus twee typen rāgamayī bhakti: kāma-rūpa en sambandha-rūpa.

Vrajanātha: Wat is de svarūpa (intrinsieke eigenschap) van kāma-rūpa bhakti ?

Bābājī: Het woord kāma wijst op sambhoga-tṛṣṇā (het verlangen naar sambhoga met Kṛṣṇa). Deze sambhoga-tṛṣṇā transformeert in rāgātmikā-bhakti en daaruit komt een grondeloos, liefdevol gedrag voort. Met andere woorden, prīti-sambhoga is het bevredigen van Kṛṣṇa's verlangens. Al je pogingen worden alleen ondernomen voor Kṛṣṇa's geluk en Kṛṣṇa's voorspoed zonder enig verlangen naar je eigen geluk. Zelfs al doe je een poging voor je eigen plezier, dan is die in overeenstemming met Kṛṣṇa's plezier.

Deze ongekende liefde wordt alleen bij de vrouwelijke inwoners van Vraja aangetroffen. De prema van de gopī's beschikt over een bijzonder wonderbaarlijke lieftalligheid (mādhurya) en geeft aanleiding tot vele spellen en tijdverdrijf. Dat is de reden, waarom geleerden aan deze unieke conditie van liefde refereren als kāma (wellust), hoewel de kāma van de gopī's in werkelijkheid aprākṛta (transcendentaal) is en volkomen is ontdaan van zelfs het geringste defect. De kāma van de geconditioneerde zielen is vol gebreken en is verachtelijk, terwijl de liefde van de gopī's transcendentaal zo zuiver en aantrekkelijk is, dat zelfs zulke geliefde bhakta's als Uddhava het ook willen bereiken. Niets kan worden vergeleken met de kāma van de gopī's; het kan alleen met zichzelf worden vergeleken. Kāma-rūpa-rāgātmikā-bhakti wordt alleen in Vraja aangetroffen en nergens anders. Kubjā's kāma in Mathurā is geen echte kāma, maar slechts rati. De kāma, die ik hier beschrijf, heeft geen relatie met die van Kubjā.

Vrajanātha: Wat is sambandha-rūpa-bhakti ?

Bābājī: Sambandha-rūpa-bhakti is toewijding aan Kṛṣṇa, waarbij je een abhimāna (conceptie en identiteit) aanneemt, zoals "Ik ben Kṛṣṇa's vader" of "Ik ben Kṛṣṇa's moeder". In Vraja is de toewijding van Nanda Mahārāja en Moeder Yaśodā een voorbeeld van sambandha-rūpa-bhakti.

Je kunt je inherente svarūpa in onvermengde prema bereiken door de bhāva's van zowel kāma-rūpa als sambandha-rūpa te ontwikkelen. Daarom zijn deze beide bhāva's de toevlucht van nitya-siddha-bhakta's. Deze zijn alleen vermeld in de analyse van rāgānugā-bhakti. Nu kun je zien, dat er twee typen rāgānugā-sādhana-bhakti zijn: kāmānugā en sambandhānugā.

Vrajanātha: Kunt u alstublieft de aard van kāmānugā in rāgānugā-sādhana-bhakti uitleggen?

Bābājī: Kāmānugā is het verlangen om kāma-rūpa-bhakti te volgen, waarvan twee typen bestaan: sambhoga-icchāmayī en tat-tad-bhāva-icchāmayī.

Vrajanātha: Wat is sambhoga-icchāmayī ?

Bābājī: Sambhoga-icchāmayī is het verlangen betrokken te zijn in de sportieve spellen en het speelse tijdverdrijf (keli) van Kṛṣṇa. Kṛṣṇa's transcendentale, sportieve tijdverdrijf met de gopī's wordt sambhoga genoemd.

Vrajanātha: Wat is tat-tad-bhāva-icchāmayī ?

Bābājī: Tat-tad-bhāva-icchāmayī is het verlangen de liefdevolle bhāva's, die de gopī's van Vraja voor Kṛṣṇa hebben, te ervaren.

Vrajanātha: Hoe ontstaan deze twee soorten rāgānugā-sādhana-bhakti ?

Bābājī: Als een bhakta de prachtige vorm van Śrī Kṛṣṇa's Godsbeeld ziet en hij hoort Śrī Kṛṣṇa's madhura-līlā-kathā (lieftallige spel en vermaak), ontwaakt er in zijn hart een intense hunkering om die bhāva's te ervaren en dan gaat hij zich bezighouden met de sādhana van kāmānugā en sambandhānugā rāgānugā-bhakti.

Vrajanātha: Śrī Kṛṣṇa is mannelijk (puruṣa) en de gopī's zijn allemaal vrouwelijk (prakṛti). Voor zover ik het begrijp, kunnen alleen vrouwen de adhikāra voor kāmānugā rāgānugā-bhakti hebben. Hoe kan een man dan deze bhāva krijgen?

Bābājī: De jīvas in deze wereld vormen de voedingsbodem voor vijf verschillende typen relaties śānta, dāsya, sakhya, vātsalya en mādhurya volgens hun eigen inherente svabhāva. Van deze vijf worden dāsya, sakhya, vātsalya en mādhurya in de bewoners van Vraja aangetroffen. Dāsya, sakhya en vātsalya gaan gepaard met vaderlijke instincten en zijn mannelijke bhāva's; degenen met deze aanleg zijn geneigd om Kṛṣṇa in een mannelijke, spirituele vorm te dienen. De twee rasa's, waarin de vrouwelijk bhāva intrinsiek is, zijn vātsalya vergezeld van moederinstincten en śṛṅgāra-rasa of mādhurya-rasa (de zoetheid van amoureuze liefde); degenen met deze natuur begeven zich in Kṛṣṇa's toegewijde dienst als vrouwen. Deze twee soorten svabhāva bestaan in Śrī Kṛṣṇa's eeuwige metgezellen en in sādhaka's, die in hun ānugatya (navolging) zijn.

Vrajanātha: Hoe praktiseren degenen in een mannelijk lichaam rāgānugā-sādhana met de bhāva van de vraja-gopī's ?

Bābājī: Degenen, die volgens hun adhikāra ruci voor śṛṅgāra-rasa hebben ontwikkeld, kunnen uiterlijk een man zijn, maar hun spirituele lichaam (siddha-śarīra) heeft een vrouwelijke vorm. In die siddha-śarīra zijn ze betrokken in Kṛṣṇa's liefdedienst, waarbij ze volgens hun ruci en inherente svabhāva in de voetstappen van een bepaalde gopī volgen. Padma Purāṇa beschrijft mannen, die deze vorm van bhāva hadden. Toen de heiligen van Daṇḍakāraṇya de ongevenaarde schoonheid van Śrī Rāmacandra zagen, voerden ze bhajana uit met een verlangen Hem als echtgenoot te krijgen. Later kregen ze een gopī-vorm in Gokula-līlā en verleenden toegewijde dienst aan Śrī Hari met kāma-rūpa-rāgamayī-bhakti.

Vrajanātha: We hebben gehoord, dat de vrouwen van Gokula nitya-siddha's zijn, die in Vraja verschijnen om voeding aan Kṛṣṇa's spel te geven. Als dat waar is, hoe kan dit consistent zijn met de beschrijving van de Padma Purāṇa?

Bābājī: Degenen, die nitya-siddhā gopī's waren, konden gemakkelijk met Śrī Kṛṣṇa aan de rāsa-dans deelnemen. Anderen waren als gopī's geboren, nadat ze siddhi hadden bereikt met kāmarūpā-sādhana-bhakti. Volgens de śloka, tā vāryamāṇāḥ paribhiḥ pitṛbhir bhrātṛ-bandhubhiḥ [1](Śrīmad-Bhāgavatam 10.29.8) kregen ze hun aprākṛtia-svarūpa door manasa-sevā aan Kṛṣṇa te verlenen. Zij waren grotendeels de maharṣi's van Daṇḍakāraṇya.

Vrajanātha: Wilt u alstublieft uitleggen wie de nitya-siddhā gopī's zijn en wie de sādhana-siddhā gopī's zijn?

Bābājī: Śrīmatī Rādhārāṇī is Śrī Kṛṣṇa's svarūpa-śakti en de acht voornaamste sakhī's zijn Haar eerste kāya-vyūha (lichamelijke expansies). De andere sakhī's volgen daarachter als Haar verdere kāya-vyūha. Al deze sakhī's zijn nitya-siddhā; ze zijn svarūpa-śakti-tattva, niet jīva-tattva. De sakhī's van Vraja in het algemeen, die perfectie bereikten door sādhana uit te voeren, volgen de eeuwige metgezellen (parikara) van Śrīmatī Rādhārāṇī en zij heten sādhana-siddhā jīvas. Omdat zij doordrenkt zijn met het vermogen van hlādinī-śakti, kregen ze sālokya (residentie in vraja-aprakṛta-līlā) met de nitya-siddhā sakhī's van Vraja. Jīvas, die perfectie bereiken op het pad van rāgānugā-sādhana in śṛṅgāra-rasa behoren ook tot de sādhana-siddhā sakhī's.

Degenen, die Kṛṣṇa alleen dienen volgens de principes van de vidhi-mārga met de riraṁsā (verlangen) om voor hun eigen genoegen met Kṛṣṇa plezier te maken, krijgen toegang tot de groep van Kṛṣṇa's koninginnen in Dvārakā. Je kunt geen volgeling van de vraja-gopī's worden door vidhi-mārga alleen. Degenen echter, die zich uiterlijk volgens de principes van vidhi-mārga gedragen en innerlijk de sādhana van rāga-mārga beoefenen, krijgen wel vraja-sevā.

Vrajanātha: Hoe kun je het verlangen naar plezier (ramaṇa) of riraṁsā vervullen?

Bābājī: Degenen, die de dispositie van Kṛṣṇa's koninginnen (mahiṣī-bhāva) hebben, willen de kwaliteit van schaamteloosheid (dhṛṣṭatā) opgeven en gewoon als huisvrouw (gṛhinī) aan Kṛṣṇa's dienst deelnemen. Ze willen niet als de schoonheden van Vraja (vraja-sundarī's) dienen.

Vrajanātha: Kunt u dit onderwerp nader verklaren?

Bābājī: Mahiṣī-bhāva is de sādhana-sevā, waarin je het spirituele zelfbeeld koestert, dat Kṛṣṇa je echtgenoot is. De relatie, die met Śrī Kṛṣṇa wordt gevestigd, wanneer je deze mahiṣī-bhāva bereikt, heet svakīya (echtelijke liefde). Degenen met mahiṣī-bhāva in het stadium van sādhana ervaren geen parakīya-rasa (de zoetheid van overspelige liefde) van de gopī's van Vraja en dat is de reden, waarom ze de gopī's in parakīya-bhāva niet kunnen volgen. Daarom is de beoefening van rāgānugā-sādhana-bhakti in parakīya-bhāva de enige manier om vraja-rasa te bereiken.

Vrajanātha: Met uw genade heb ik het tot nu toe begrepen. Wilt u me nu alstublieft uitleggen wat het verschil is tussen kāma en prema? Als beide niet-verschillend zijn, waarom kan prema-rūpā niet in plaats van kāma-rūpa worden gebruikt? Het woord kāma klinkt wat grof in de oren.

Bābājī: Er is verschil tussen kāma en prema. Prema is hetzelfde als sambandha-rūpa rāgamayī-bhakti; tussen die twee is geen verschil. In sambandha-rūpa-bhakti is geen kāma, met andere woorden, er is geen verlangen naar sambhoga; het is prema zonder sportief, speels tijdverdrijf (keli). Prema wordt kāma-rūpā-bhakti, wanneer het wordt gecombineerd met het verlangen naar sambhoga. Kāma-rūpā-bhakti is in geen enkele andere rasa aanwezig; het wordt alleen in de śṛṅgāra-rasa van de vraja-devī's aangetroffen. In deze materile wereld neemt kāma de vorm aan van zintuiglijke lustbevrediging en is totaal verschillend van aprākṛta-kāma. De kāma van deze materile wereld is slechts een geperverteerde reflectie of transformatie van de vlekkeloze aprākṛta-kāma. Zelfs Kubjā's bhāva kan geen directe kāma worden genoemd, hoewel deze toch op Kṛṣṇa is gericht.

Jaḍīya-kāma (wellust in relatie tot inerte, levenloze stof) is gebaseerd op lustbevrediging en is eigenlijk alleen een transformatie van ellende. Het is waardeloos en verachtelijk. Kāma gebaseerd op prema daarentegen is vol ānanda en is het meest waardevol en altijd plezierig. Hoewel prākṛta-kāma (wereldse lust) onbetekenend en abominabel is, hoef je niet te aarzelen om het woord aprākṛta-kāma (transcendentale lust) te gebruiken.

Vrajanātha: Wilt u nu alstublieft rāgānugā-bhakti gebaseerd op verwantschap (sambandha-rūpa) uitleggen?

Bābājī: Sambandhānugā bhakti is het gevoel een relatie met Kṛṣṇa te hebben en deze relatie kan drie vormen hebben: dāsya (dienaarschap), sakhya (vriendschap) of vātsalya (ouderschap). "Ik ben Kṛṣṇa's dienaar en Kṛṣṇa is mijn meester"; "Ik ben Kṛṣṇa's vriend"; "Ik ben Kṛṣṇa's moeder of vader" al deze gevoelens worden relaties genoemd. Sambandhānugā bhakti wordt op superieure wijze alleen door de bewoners van Vraja aan de dag gelegd.

Vrajanātha: Hoe cultiveert men rāgānugā-bhakti in de stemming van een dienaar, vriend of ouder?

Bābājī: Iemand, bij wie ruci voor dāsya-rasa is ontwaakt, volgt Kṛṣṇa's eeuwige dienaren, zoals Raktaka en Patraka en dient Kṛṣṇa door hun bijzondere, dienstbare stemming te volgen, welke is verzadigd van madhura-bhāva. Iemand, wiens ruci is gericht op sakhya-rasa dient Kṛṣṇa door de bhāva (sentiment) en de ceṣṭā (pogingen) van n van Kṛṣṇa's priya-sakhā's te volgen, zoals Subala. Iemand, wiens ruci is gericht op vātsalya-rasa neemt deel aan Kṛṣṇa's dienst door de bhāva en activiteiten te volgen van bhakta's, zoals Nanda en Yaśodā, die een ouderlijke relatie met Hem hebben.

Vrajanātha: Wat betekent de ceṣṭā en bhāva's volgen (anukaraṇa)?

Bābājī: Volgens je eeuwige, inherente natuur (siddha-bhāva) jegens Kṛṣṇa ontwaken enkele specifieke bhāva's en ceṣṭā (pogingen), die tevens gepaard gaan met vyavahāra (activiteiten). Een sādhaka, die sambandhānugā bhakti uitvoert, houdt zich bezig met Kṛṣṇa's dienst door deze bhāva's, ceṣṭā en vyavahāra te volgen. Bijvoorbeeld, Nanda Mahārāja heeft een gevoel van ouderlijke liefde voor Kṛṣṇa, dus je moet alle ondernemingen volgen, waarmee hij Kṛṣṇa een plezier doet en waarbij je wordt geleid door het gevoel van ouderlijke genegenheid, maar je mag nooit denken, dat je zelf Nanda, Yaśodā, Subala of Raktaka bent. Je moet eenvoudig de bhāva's van deze grote bhakta's volgens je ruci volgen; anders bega je een overtreding.

Vrajanātha: Voor welk type rāgānugā-bhakti hebben wij de adhikāra?

Bābājī: Mijn zoon, je moet je eigen svabhāva zorgvuldig onderzoeken en dan zal je het overeenkomstige type toewijding, waarvoor je bent gekwalificeerd, kunnen bepalen. Er zal een bepaalde ruci volgens je inherente svabhāva ontwaken en je dient de rasa te volgen, waarnaar door die ruci wordt verwezen. Om die rasa te cultiveren dient je n van Kṛṣṇa's eeuwige metgezellen te volgen, die deze rasa perfect beheerst. Om de rasa te bepalen hoef je alleen maar je eigen ruci vast te stellen. Als je ruci wijst in de richting van rāga, moet je volgens die ruci handelen; en zolang de neiging om het pad van rāga te bewandelen niet is ontwaakt, moet je eenvoudig de principes van vaidhī-bhakti met vast vertrouwen uitvoeren.

Vijaya: Prabhu, ik heb Śrīmad-Bhāgavatam heel lang bestudeerd en ik luister naar kṛṣṇa-līlā waar en wanneer ik ook maar de gelegenheid kan vinden. Wanneer ik over kṛṣṇa-līlā nadenk, komt er een sterke bhāva in mijn hart naar boven om het Goddelijk Paar te dienen, zoals Lalitā-devī doet.

Bābājī: Je hoeft niets meer te zeggen. Jij bent een majarī (jonge dienstmaagd) van Lalitā-devī. Welke service wil je hebben?

Vijaya: Ik zou willen, dat Śrīmatī Lalitā-devī me toestemming geeft om bloemenkransen te rijgen. Ik zal lieflijke kransen van mooie, delicate bloemen maken en ze in Lalitā Sakhī's lotushanden leggen. Ze zal me een oneindig genadige, liefdevolle blik toewerpen en de bloemenkransen om de hals van Śrī Śrī Rādhā en Kṛṣṇa leggen.

Bābājī: Ik geef je mijn zegen, opdat je de perfectie mag bereiken voor het doel, waarvoor je je sādhana onderneemt.

Toen Vijaya de toegenegen zegen van Bābājī Mahāśaya kreeg, viel hij aan de lotusvoeten van zijn meester en weende. Bābājī zag zijn emoties en zei, "Ga met dit gevoel continu door met de beoefening van rāgānugā-sādhana-bhakti en volg uiterlijk op een gereguleerde wijze het gedrag volgens de regels van vaidhī-sādhana-bhakti."

Toen Vrajanātha de spirituele rijkdom van Vijaya Kumāra zag, vouwde hij zijn handen en zei op nederige toon, "Mijn meester, wanneer ik op het spel van Śrī Kṛṣṇa mediteer, komt er een verlangen in mijn hart om Hem te dienen door in de voetstappen van Subala te volgen."

Bābājī: Welke service wil je hebben?

Vrajanātha: Wanneer de kalveren te ver afdwalen om te grazen, zou ik ze heel graag in het gezelschap van Subala willen terugbrengen. Als Kṛṣṇa ergens gaat zitten om op Zijn fluit te spelen, vraag ik toestemming aan Subala om de koeien te laten drinken en dan breng ik ze naar Bhāi (Broer) Kṛṣṇa. Dit is mijn hartewens.

Bābājī: Ik geef je de zegen, opdat je Kṛṣṇa's liefdedienst als een volgeling van Subala krijgt. Jij bent geschikt om het gevoel van vriendschap (sakhya-rasa) te cultiveren.

Het is wonderbaarlijk, dat vanaf die dag een gevoel in Vijaya Kumāra's geest begon te ontluiken, dat hij een dienstmaagd (dāsī) van Śrīmatī Lalitā-devī was, en hij begon Śrīla Bābājī Mahārāja te zien als de verpersoonlijking van Śrī Lalitā-devī.

Vijaya: Oh, meester! Wat resteert er nog te weten over dit onderwerp? Geeft u alstublieft uw opdracht.

Bābājī: Er resteert niets meer. Je hoeft alleen nog de naam, vorm, kledij, enzovoort, van je siddha-śarīra te weten. Kom een andere keer bij me, dan zal ik je al die dingen vertellen.

Vijaya Kumāra bood zijn daṇḍavat-praṇāma aan de voeten van zijn meester aan en antwoordde, "Zoals mijn meester wil."

Vanaf die dag begon Vrajanātha Bābājī te zien als de verpersoonlijking van Subala. Bābājī zei tegen Vrajanātha, "Jij kunt een andere keer ook bij me komen en dan ontsluit ik de naam, vorm, kleding en ornamenten van je spirituele lichaam."

Vrajanātha bood zijn daṇḍavat-praṇāma aan en zei, "Zoals mijn meester wil."

Vrajanātha en Vijaya Kumāra erkenden hun grote geluk en vanaf die dag hielden ze zich vol vreugde bezig met hun spirituele beoefening van rāgānugā-sādhana. Uiterlijk bleef alles zoals voorheen, maar hun innerlijke emoties waren veranderd. Uiterlijk gedroeg Vijaya Kumāra zich als een man, maar innerlijk was hij verzadigd van de vrouwelijke natuur (strī-bhāva), terwijl in Vrajanātha de inherente svabhāva van een koeherdersjongen verscheen.

Het was al laat in de nacht. Beiden keerden naar huis terug en chantten de mahā-mantra op hun japa-mālā, die zij van hun meester hadden gekregen Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare, Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Het was middernacht en het lieflijke maanlicht lag als een zilverwitte glans over de aarde. Een bedwelmende bries kwam uit de richting van de Malayaberg en creerde een plezierige sensatie in de geest. Ze gingen samen op een prachtige, afgelegen plek vlakbij Lakṣmana Ṭīlā onder een āṁvalā-boom zitten en begonnen een gesprek.

Vijaya: Vrajanātha, onze hartewensen zijn vervuld. We worden bij de gratie van de Vaiṣṇavas zeker door Kṛṣṇa gezegend. Laten we nu onze activiteiten voor de toekomst eens bepalen. Vertel me eerlijk wat je wilt gaan doen. Wil je gaan trouwen, of word je een bedelmonnik? Ik wil je niet onder druk zetten; ik wil alleen, dat je me je ware intentie vertelt, zodat ik je moeder op de hoogte kan brengen.

Vrajanātha: Oom, ik sla u zeer hoog aan en afgezien daarvan, u bent een academisch geleerde en een Vaiṣṇava. Sinds mijn vader stierf, bent u mijn voogd geweest en ik ben bereid aan uw opdrachten te voldoen. Ik word nerveus van het idee om te trouwen, omdat ik niet in de materile wereld betrokken wil raken en uit mijn realisatie van de allerhoogste spirituele realiteit wil vallen. Wat is uw mening hierover?

Vijaya: Ik wil je niets opdringen. Je moet voor jezelf een beslissing maken.

Vrajanātha: Het is voor mij het beste, dat ik instructies van Gurudeva krijg en overeenkomstig te werk ga.

Vijaya: Dat is een goed idee. Morgen zullen we de beslissing over dit onderwerp van Prabhupāda vragen.

Vrajanātha: Oom, wat is uw overweging? Blijft u een gṛhastha, of wordt u een bedelmonnik?

Vijaya: Mijn zoon, evenals jij heb ik ook nog geen beslissing genomen. Soms denk ik gṛhastha-dharma op te geven om een bedelmonnik te worden en dan weer denk ik, wanneer ik dat doe, droogt mijn hart op, waardoor ik ook van bhakti-rasa gedepriveerd zal raken. Het is volgens mij de juiste manier om de opdracht van Śrī Gurudeva te ontvangen en overeenkomstig te handelen. Ik doe, wat hij me opdraagt.

Toen ze zagen, dat de nacht al ver was gevorderd, keerden oom en neef, terwijl ze hari-nāma chantten, huiswaarts en nadat ze prasāda hadden geerd, namen ze rust.

 

Aldus eindigt het Twintigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Abhidheya Vaidhī-sādhana-bhakti"


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl




[1] tā vāryamāṇāḥ patibhiḥ pitṛbhir bhrātṛ-bandhubhiḥ / govindāpahṛtātmāno na nyavartanta mohitāḥ (ŚB 10.29.8). Zelfs hoewel de (nitya-siddhā) gopī's het door hun echtgenoot, vader, moeder en broers werd verboden, deden ze het toch, want ze waren betoverd en hun hart was al door Śrī Govinda gestolen. Wat dit betreft is Śrīmad-Bhāgavatam (10.23.20) het ook waard te worden bestudeerd.

_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 20 "Prameya: Abhidheya - Vaidhi-Sadhana-Bhakti"

Volgende: Hoofdstuk 22 "Prameya: Prayojana-Tattva"

Inhoud: Inhoud



Top

2017 Jayaradhe.nl