Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 20

Prameya: Abhidheya - Vaidhi-Sadhana-Bhakti


Vrajanātha en Vijaya Kurmāra keerden vóór twaalf uur 's middags naar het huis van Vrajanatha terug. De moeder van Vrajanātha zat te wachten en serveerde hen overvloedig prasādam. Na de maaltijd hielden de oom en de neef toegenegen discussies met elkaar en Vrajanātha legde zijn gerespecteerde oom van moeders zijde alle instructies uit, die hij voordien van Bābājī Mahārāja had gekregen.


Toen Vijaya Kumāra deze ambrozijnen instructies had gehoord, werd hij vreugdevol en zei, "Je bent heel fortuinlijk. Sat-saṅga wordt alleen door groot geluk verkregen. Je heb de zeer zeldzame associatie van een grote heilige, zoals Bābājī Mahāśaya, en hij heeft je substantiële instructies over het hoogste levensdoel (paramārtaha) gegeven. Iemand, die bhakti-kathā en hari-kathā hoort, ontvangt zeker groot geluk en welzijn, maar als deze onderwerpen uit de mond van een grote persoonlijkheid worden gehoord, komt het grote geluk des te sneller naar je toe. Jij bent in alle śāstra onderlegd en je deskundigheid in nyāya-śāstra is in het bijzonder ongeëvenaard. Je werd geboren in een Vedisch brahmaanse familie en je bent niet verstoken van rijkdom. Al deze vormen van overvloed verschijnen nu als je ornamenten. De reden hiervoor is, dat je je toevlucht aan de lotusvoeten van de Vaiṣṇava’s hebt genomen en een smaak voor Śrī Kṛṣṇa's līlā-kathā hebt gekregen.

Terwijl ze op deze manier het hoogste levensdoel bespraken, kwam Vrajanātha's moeder binnen en zei tegen Vijaya Kumāra, "Broer, het is zo lang geleden, dat je hier was. Kun je Vrajanātha niet aanmoedigen een gṛhastha (huisvader) te worden? Vanwege zijn gedrag ben ik bang, dat hij een soort sādhu gaat worden. Verscheidene mensen zijn met huwelijksvoorstellen gekomen, maar hij heeft een gelofte afgelegd om niet te trouwen. Mijn schoonmoeder heeft ook al haar best gedaan, maar ze heeft hem niet kunnen overtuigen."

Nadat hij zijn zuster had aangehoord antwoordde Vijaya Kumāra, "Ik blijf hier nog ongeveer vijftien dagen en zal zorgvuldig over deze kwestie nadenken en daarna zal ik je met mijn beslissing op de hoogte brengen. Ga nu alsjeblieft het huis in."

De moeder van Vrajanātha liep weg en Vijaya Kumāra en Vrajanātha gingen weer door met hun gesprek over het hoogste levensdoel. De hele dag bleven ze praten. Nadat ze de volgende dag hun maaltijd hadden genoten, zei Vijaya Kumāra, "Vrajanātha, laten we vanavond naar Śrīvāsāṅgana gaan en van Bābājī Mahārāja de uitleg horen over de 64 aṅga's van bhakti, die door Śrī Rūpa Gosvāmī zijn gegeven. He Vrajanātha! Ik hoop, dat ik leven na leven associatie zoals die van jou mag krijgen. Welnu, Bābājī Mahāśaya heeft twee paden van sādhana-bhakti beschreven: vaidhī-mārga en rāga-mārga. Eerlijk gezegd, zijn wij eigenlijk gekwalificeerd voor vaidhī-dharma. Dus we moeten vaidhī-mārga grondig begrijpen en beginnen om sādhana te beoefenen, voordat we instructies over rāga-mārga krijgen. Bij zijn laatste gesprek gaf Śrīla Bābājī Mahārāja ons instructies over het negenvoudige (navadhā) proces van bhakti, maar ik zou niet weten, hoe ik met navadhā-bhakti zou moeten beginnen. Vandaag moeten we zien, dat we dit onderwerp diepgaander kunnen begrijpen."

Terwijl ze op deze manier doorspraken, werd het avond. De zonnestralen hadden de aarde al verlaten en speelden nog met de hoogste takken van de bomen. Vijaya Kumāra en Vrajanātha vertrokken van huis en arriveerden weer in Śrīvāsāṅgana. Daar boden ze hun daṇḍavat-praṇāma aan de verzamelde Vaiṣṇava’s aan en gingen toen de kuṭīra van de bejaarde Bābājī binnen.

Toen Bābājī zag hoe gretig de bhakta's waren om te leren, werd hij heel blij. Hij omhelsde hen met grote liefde en bood hen ieder een āsana aan. Ze boden beiden hun daṇḍavat-praṇāma aan de voeten van Bābājī Mahāśaya aan en gingen zitten.

Nadat ze even met elkaar hadden gebabbeld, zei Vijaya Kumāra, "Prabhu, hoewel u het genadevol accepteert vanwege uw genegenheid voor de bhakta's, geven we u vast veel overlast. Vandaag zouden we graag van u over de 64 verschillende aṅga's van bhakti willen horen, die Śrī Rūpa Gosvāmī heeft beschreven. Als u denkt, dat we ervoor zijn gekwalificeerd, vertelt u het ons dan alstublieft, zodat we gemakkelijk śuddhā-bhakti kunnen realiseren."

Bābājī glimlachte en zei, "Luister eerst aandachtig. Ik zal de 64 aṅga's van bhakti reciteren, zoals ze zijn beschreven door Śrī Rūpa Gosvāmī, waarvan de eerste tien de voorbereidende basis-aṅga's zijn.

1.           Je toevlucht nemen tot de lotusvoeten van Śrī Guru (guru-pādāśraya);

2.           Initiatie en instructies aanvaarden van Śrī Guru (guru-dīkṣā en śikṣā);

3.           Śrī Guru met vertrouwen dienen (viśvāsa-pūrvaka guru-sevā);

4.           Het pad volgen, dat door sādhu's wordt gebaand;

5.           Vragen stellen over sad-dharma of de procedures van bhajana;

6.           Het afzien van het plezier van lustobjecten omwille van Kṛṣṇa;

7.           Woonachtig zijn in dhāma's, zoals Dvārakā, en dichtbij heilige rivieren, zoals Gaṅgā en Yamunā;

8.           Het aanvaarden van zoveel geld en andere faciliteiten, als nodig zijn voor je levensonderhoud;

9.           Het respecteren van Ekādaśī, Janmāṣṭamī en andere dagen gerelateerd aan Hari;

10.        Eerbetuigingen aanbieden aan de aśvattha, amalakī en andere heilige bomen;

11.        De volgende tien aṅga's hebben de vorm van verboden:

12.        Het opgeven van alle associatie van degenen, die een afkeer hebben van Kṛṣṇa;

13.        Geen ongekwalificeerde personen als leerling aanvaarden;

14.        Afzien van pretentieuze ondernemingen, zoals pompeuze festivals, enzovoort;

15.        Afzien van het lezen en reciteren van vele boeken en afzien van het opstellen van nieuwe interpretaties van śāstra’s;

16.        Het vermijden van een vrekkige houding bij praktische onderhandelingen;

17.        Onbeïnvloed blijven door emoties, zoals beklag;

18.        Geen gebrek aan respect vertonen, of heiligschennis plegen, jegens de devatā's;'

19.        Geen enkele jīva teisteren;

20.        Het volledig achterwege laten van overtredingen in sevā (sevā-aparādha) en in het chanten van śrī-hari-nāma (nāma-aparādha);

21.        Geen heiligschennis van Bhagavān en Zijn bhakta's tolereren.

22.        Deze twintig aṅga's dien je te beschouwen als de aankomst in de tempel van bhakti en de eerste drie – toevlucht nemen aan de lotusvoeten van śrī-guru, dīkṣā en śikṣā van guru aanvaarden en hem met vertrouwen dienen – zijn de belangrijkste activiteiten. Hierna komen de volgende:

23.        Het aanbrengen van de uiterlijke tekens (zoals tilaka) van een Vaiṣṇava;

24.        Het dragen van de letters van śrī-hari-nāma op het lichaam;

25.        Het aanvaarden van restanten van gewaden, bloemenkransen, enzovoort, die aan het Godsbeeld geofferd zijn geweest;

26.        Dansen onder het oog van het Godsbeeld;

27.        Het aanbieden van daṇḍavat-praṇāma aan Śrī Guru, Vaiṣṇava’s en Bhagavān;

28.        Het eerbiedig van zijn zitplaats opstaan bij darśana van Hari, Guru en Vaiṣṇava’s, en hen begroeten;

29.        Het in processie volgen van het Godsbeeld;

30.        Het bezoeken van de tempels van Śrī Bhagavān;

31.        Rond de tempel lopen (parikramā);

32.        Het uitvoeren van de verering van het Godsbeeld;

33.        Śrī Kṛṣṇa als een koning dienen (paricarya);

34.        Zingen;

35.        Het uitvoeren van samenzang van Śrī Kṛṣṇa's Nāma, nāma-saṅkīrtana;

36.        Het uitvoeren van japa van de gāyatrī-mantra's op de drie sandhyā's na eerst ācamana te hebben uitgevoerd;

37.        Het opzenden van nederige gebeden of smeekbeden;

38.        Het reciteren van bhajana's of mantra's ter ere van Śrī Kṛṣṇa;

39.        Het proeven van bhagavat-prasāda;

40.        Het drinken van śrī-caraṇāmṛta (de nectar, die Śrī Kṛṣṇa's lotusvoeten heeft gewassen);

41.        Het ruiken van de geur van wierrook, bloemenkransen, enzovoort, die aan Śrī Kṛṣṇa geofferd zijn geweest;

42.        Het Godsbeeld aanraken;

43.        Met devotie naar śrī-mūrti kijken (darśana);

44.        Het nemen van darśana van ārati en festivals, enzovoort;

45.        Het horen over de namen, vormen, kwaliteiten, spel, enzovoort, van Śrī Hari;

46.        Altijd vooruitlopen op Kṛṣṇa's genade;

47.        Het overdenken (smaraṇam) van Śrī Kṛṣṇa's naam, vorm, kwaliteiten en spel;

48.        Meditatie;

49.        Dienaarschap;

50.        Vriendschap;

51.        Zelfovergave (ātma-samarpaṇa);

52.        Het aanbieden van de eigen dierbare artikelen aan Kṛṣṇa;

53.        Het onaflatend uitvoeren van activiteiten voor Kṛṣṇa's plezier;

54.        Volkomen zelfovergave (śaraṇāgati) aan Śrī Kṛṣṇa's lotusvoeten;

55.        Het dienen van Tulasī-devī;

56.        Het eerbiedigen van Śrīmad-Bhāgavatam en andere bhakti-śāstra’s;

57.        Het horen over en bezingen van de glorie van Śrī Hari's dhāma en Zijn verschijningsplaatsen, zoals Mathurā, en rond deze plaatsen lopen;

58.        Het dienen van de Vaiṣṇava’s;

59.        Het vieren van festivals gerelateerd aan Śrī Kṛṣṇa in bijeenkomsten van sādhu's in overeenstemming met eigen middelen;

60.        Het eerbiedigen van de gelofte van cāturmāsya en in het bijzonder niyama-sevā in de maand Kārttika;

61.        Het vieren van het festival van Śrī Kṛṣṇa's Verschijningsdag;

62.        Śraddhayā śrī-mūrtir sevana – het dienen van het Godsbeeld met vertrouwen;

63.        Bhagavat-śravaṇa – genieten van de betekenis van Śrīmad-Bhāgavatam in gezelschap van rasika Vaiṣṇava’s;

64.        Sādhu-saṅga – associëren met bhakta's, die dezelfde stemming hebben, die toegenegen zijn en verder zijn gevorderd dan jezelf (svajātya-susnigdha-sādhu-saṅga);

65.        Nāma-saṅkīrtana – luide samenzang van Śrī Kṛṣṇa's Nāma;

66.        Mathurā-vāsa – woonachtig zijn in dhāma's, zoals Mathurā en Vṛndāvana.

Hoewel de laatste vijf aṅga's op het eind worden beschreven, zijn ze niettemin de belangrijkste. Ze worden ook wel pañcāṅga-bhakti (vijfvoudige toegewijde dienst) genoemd. Al deze aṅga's dienen te worden volbracht met het lichaam, de zintuigen en het innerlijk (geest, hart en ziel) in de verering van Kṛṣṇa.

Vijaya: Prabhu, wilt u ons alstublieft gedetaileerde instructies geven met betrekking tot śrī-guru-pādāśraya (#1)?

Bābājī: Wanneer de leerling is gekwalificeerd voor onverdeelde kṛṣṇa-bhakti, dient hij zijn toevlucht te nemen aan de voeten van Śrī Guru en door de gekwalificeerde guru dicht te naderen, leert hij kṛṣṇa-tattva. De jīva wordt alleen gekwalificeerd voor kṛṣṇa-bhakti, als hij vertrouwen heeft. Onder invloed van vrome activiteiten (sukṛti) uitgevoerd in voorgaande levens, hoort hij hari-kathā uit de mond van sādhu's, waardoor een sterk vertrouwen in Kṛṣṇa bij hem wakker wordt. Dit wordt śraddhā genoemd. Tegelijk met śraddhā verschijnt tot op zekere hoogte ook het gevoel om bescherming te zoeken (śaraṇāgati). Śraddhā en śaraṇāgati zijn bijna dezelfde tattva. De leerling is gekwalificeerd voor onverdeelde (ananya) bhakti, als hij het sterke vertrouwen heeft ontwikkeld van, "Kṛṣṇa-bhakti is zeker het beste en hoogst bereikbare in deze wereld. Daarom zal ik kṛṣṇa-bhakti als mijn plicht aanvaarden en alles doen, wat daartoe gunstig is en alle activiteiten afwijzen, die daartoe ongunstig zijn. Kṛṣṇa is mijn enige beschermer en ik aanvaard Hem als mijn exclusieve behoeder. Ik ben heel arm, ellendig en wanhopig en mijn onafhankelijke verlangen is niet heilzaam voor mij. Dus het volgen van uitsluitend Kṛṣṇa's verlangen is in alle opzichten heilzaam voor mij." Wanneer de jīva die kwalificatie krijgt, zorgt hij ervoor, dat hij instructies over bhakti krijgt en aanvaardt bescherming aan de lotusvoeten van de sad-guru. Dat wil zeggen, hij wordt zijn discipel en aanvaardt instructies (śikṣā) over bhakti.

tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhigacchet
samit-pāniḥ śrotriyaṁ brahma-niṣṭham
                                                Muṇḍaka Upaniṣad (1.2.12)

Om kennis te verkrijgen over die bhagavad-vastu (de absolute waarheid met betrekking tot Śrī Bhagavān) dient men een sad-guru te benaderen en brandhout voor een offervuur mee te brengen. De kwalificatie van sad-guru is, dat hij goed belezen is in de veda's, verzonken is in de Absolute Waarheid (brahma-jñāna) en is toegewijd aan de dienst van Bhagavān.

ācāryavān puruṣo veda
                                        Chāndogya Upaniṣad (6.14.2)

Hij, die zijn toevlucht neemt bij een sad-guru, komt te weten, wie die para-brahma is.

De kwaliteiten van een sad-guru (bonafide guru) en de sat-śiṣya (bonafide leerling) worden in de Śrī Hari-bhakti-vilāsa (1.23.64) in detail gegeven. De essentie is, dat alleen een persoon met een zuiver karakter en śraddhā is gekwalificeerd een śiṣya te worden en alleen die persoon met een vlekkeloos karakter, eenvoud, zonder hebzucht, vrij van māyāvāda-filosofie en deskundig in alle devotionele activiteiten is gekwalificeerd als sad-guru.

Een brāhmaṇa gesierd met deze kwaliteiten, die door de hele samenleving wordt geëerd, kan guru zijn voor alle andere varṇa's. Als er geen brāhmaṇa beschikbaar is, kan de discipel een guru aanvaarden, die in een hogere varṇa is gesitueerd als hijzelf. Afgezien van deze inachtnemingen van varṇāśrama is de belangrijkste consideratie, dat een ieder, die kṛṣṇa-tattva kent, als guru kan worden aanvaard. Als iemand in een van de hogere varṇa's is geboren – brāhmaṇa, kṣatriya en vaiśya – en de bovengenoemde kwaliteiten in een persoon aantreft, die is geboren in een brahmaanse familie, en hij hem als guru aanvaardt, kan hij enkele faciliteiten en gunsten krijgen in de samenleving, die de hogere varṇa respecteert. In feite echter, kan alleen een waardige bhakta guru zijn. De voorschriften om zowel de guru en de leerling, als de tijdsbepaling te testen, worden in de śāstra’s gegeven. De betekenis is, dat de guru zijn zegen aan de leerling geeft, wanneer de guru ziet, dat de leerling is gekwalificeerd en wanneer de leerling vertrouwen in de guru heeft in de wetenschap, dat hij een śuddhā-bhakta is.

Er zijn twee soorten guru: dīkṣā-guru en śikṣā-guru. Je dient dīkṣā van de dīkṣā-guru te aanvaarden en tegelijkertijd moet je ook śikṣā aanvaarden met betrekking tot arcana (verering van het Godsbeeld). Er is één dīkṣā-guru, maar er kunnen diverse śikṣā-guru's zijn. De dīkṣā-guru is ook competent om als śikṣā-guru op te treden.

Vijaya: Aangezien de dīkṣā-guru niet mag worden opgegeven, vraag ik me af, hoe Gurudeva śikṣā kan geven, als hij niet bekwaam is om sat-śikṣā te geven?

Bābājī: Voordat je een guru aanvaardt, moet je beoordelen of hij deskundig is in de tattva, waarover in de veda's wordt gesproken, en of hij para-tattva heeft gerealiseerd. Als dat zo is, zal hij zeker in staat zijn alle soorten instructies over de Absolute Waarheid te geven. Normaal gesproken is er geen sprake van het opgeven van de dīkṣā-guru. Er zijn echter twee omstandigheden, waarin hij wel dient te worden verlaten. Ten eerste, als de leerling de guru heeft aanvaard zonder te weten of hij kennis van de Absolute Waarheid heeft, of hij vaiṣṇava-etiquetten beheerst en andere kwalificaties heeft, en ten tweede, als de guru na initiatie te hebben gegeven geen functie uitvoert. Er zijn vele passages in śāstra’s, die hiervoor bewijs leveren,

yo vyaktir nyāya-rahitam anyāyena śṛṇoti yaḥ
tāv ubhau narakaṁ ghoraṁ vrajataḥ kālam akṣayam
                                                                      Hari-bhakti-vilāsa (1.62)

Hij die zich uitgeeft voor ācārya, maar foutieve instructies geeft, die zijn tegengesteld aan de sattvata-śāstra's, zal voor een oneindige tijd in een vreselijke hel vertoeven en dat overkomt ook de misleide leerling, die per ongeluk naar een valse guru luistert.

guror apy avaliptasya kāryākāryam ajānataḥ
utpatha-pratipannasya parityāgo vidhīyate
                                                       Mahābhārata Udyoga-parva (179.25)
                                                en Nārada-pañcarātra (1.10.20)

Het is je plicht om een guru op te geven, die een leerling niet kan leren wat hij wel en niet moet doen, en die de verkeerde weg inslaat, ofwel vanwege slechte associatie dan wel omdat hij een tegenstander is van Vaiṣṇava’s.

avaiṣṇavopadiṣṭena mantreṇa nirayaṁ vrajet
punaś ca vidhinā samyag grāhayed vaiṣṇavād guroḥ
                                                                     Hari-bhakti-vilāsa (4.144)

Je gaat naar de hel, als je mantra's accepteert van een avaiṣṇava-guru, iemand die met vrouwen associeert en die geen kṛṣṇa-bhakti heeft. Daarom moet je volgens de regels van śāstra wederom mantra's aanvaarden van een vaiṣṇava-guru.

De tweede omstandigheid, waarin je de guru kunt afwijzen is, als hij een Vaiṣṇava was, die de spirituele waarheid en principes kende, toen je hem als leerling aanvaardde, maar die later een Māyāvādī werd of onder invloed van asat-saṅga een vijand van de Vaiṣṇava’s werd. Dan is het je plicht om een dergelijke guru op te geven. Het is echter niet juist een guru op te geven, wiens kennis schamel is, indien hij geen Māyāvādī of een vijand van de Vaiṣṇava’s is en niet is gehecht aan zondige activiteiten. In dat geval dien je hem als guru te respecteren en met zijn toestemming naar een andere Vaiṣṇava te gaan, die over meer kennis beschikt, en die Vaiṣṇava te dienen en instructies van hem te aanvaarden.

Vijaya: Wilt u ons alstublieft over kṛṣṇa-dīkṣā en śikṣā vertellen (#2)?

Bābājī: Men dient śikṣā met betrekking tot het proces van arcana (verering van het Godsbeeld) en zuivere toegewijde dienst van Śrī Gurudeva te aanvaarden en men dient dan kṛṣṇa-sevā en kṛṣṇa-anuśīlanam met eenvoud uit te voeren. We gaan later verder in op de aṅga's van arcana. Het is essentieel om śikṣā van Śrī Gurudeva te nemen met betrekking tot sambhandha-jñāna (je relatie met Kṛṣṇa), abhidheya-jñāna (het proces van toegewijde dienst) en prayojana-jñāna (het hoogste doel).

Vijaya: Wat betekent het om guru-sevā met vertrouwen uit te voeren (#3)?

Bābājī: Je mag Śrī Gurudeva niet als een sterfeling of een gewone jīva beschouwen. Je dient hem te zien als een vertegenwoordiger van alle devatā's (sarva-devamaya). Je mag hem nooit ongehoorzaam zijn en je dient altijd te weten, dat hij vaikuṇṭha-tattva is.

Vijaya: Wat betekent sādhu-mārgānugmanam (het pad van heiligen volgen) (#4)?

Bābājī: Sādhana-bhakti kan worden omschreven als de methode om je geest op Kṛṣṇa's voeten gericht te houden, maar het is je plicht om het pad te volgen, dat voorgaande grote persoonlijkheden (mahājana's) zijn gegaan, omdat dit pad altijd vrij is van ellende en zware arbeid en de oorzaak is van alle heil. 

sa mṛgyaḥ śreyasāṁ hetuḥ panthaḥ santāpa-varjitaḥ
anavāpta-ṣramaṁ pūrve yena santaḥ pratasthire
                                                                    Skanda Purāṇa

Niemand kan de richting van het pad van toewijding, dat men dient te volgen, perfect definiëren, maar de voorgaande mahājana's, die elkaar opvolgden, hebben dit pad van bhakti-yoga stap voor stap helder en eenvoudig gemaakt. Ze hebben het gemakkelijk gemaakt en hebben alle hindernissen, groot en klein, opgeruimd, dus wij kunnen het onbevreesd gaan. Daarom is het een ieders plicht om alleen van dat pad afhankelijk te zijn. Zelfs al voert men éénpuntige, onverdeelde bhakti voor Śrī Hari uit, zijn bhakti kan nooit geluk brengen, als hij de regels van śruti, smṛti, de purāṇa's en de pañcarātra's overtreedt. Men dient te begrijpen, dat zulke ongeauthoriseerde bhakti de oorzaak wordt van verwarring en rampspoed.

śruti-smṛti-purāṇādi-pañcarātra-vidhiṁ vinā
aikāntikī harer bhaktir utpātāyaiva kalpate
                                                         Brahma-yāmala, in: Śrī Bhakti-rasāmṛta-sindu

Vijaya: Vertelt u ons alstublieft hoe ongeauthoriseerde hari-bhakti de oorzaak voor rampspoed kan zijn.

Bābājī: Eénpuntig en onverdeeld bewustzijn in śuddhā-bhakti wordt alleen bereikt door zich op het pad van de voorgaande mahājana's te verlaten. Je kunt geen éénpuntig bewustzijn bereiken, als je het pad van de voorgaande mahājana's verlaat en een ander pad creëert. Het gevolg was, dat Dattātreya, Buddha en andere leraren, die niet in staat waren om śuddhā-bhakti te begrijpen, een schaduw van deze stemming aannamen en de zeer onbetekenende paden van māyāvāda-miśrā (bhakti vermengd met māyāvāda) en nāstikatā-miśrā (bhakti vermengd met atheïsme) propageerden. Ze duidden deze disciplines als éénpuntige hari-bhakti, maar in werkelijkheid waren de paden, die ze propageerden, helemaal geen hari-bhakti; ze creëerden alleen enorme verwarring en spirituele rampspoed. Welnu, in de bhajana van spontane toewijding (rāga-mārga) houdt men zich niet bezig met de regels van śruti, smṛti, purāṇa, pañcarātra, enzovoort. Het enige, waarmee de volgelingen van dit pad zich bezighouden, is het volgen van de inwoners van Vraja, maar sādhaka’s, die zijn gekwalificeerd voor  vidhi-mārga, moeten zich houden aan het pad van bhakti, alleen zoals dat is getoond door Dhruva, Prahlāda, Nārada, Vyāsa, Śuka en andere mahājana's. Dat is de reden, waarom vaidhī-bhakta's geen ander alternatief hebben dan het volgen van de weg, die sādhu's gaan.

Vijaya: Wat betekent het om nieuwsgierig te zijn naar sad-dharma en de procedures van bhajana (#5)?

Bābājī: Sad-dharma betekent ware dharma of de dharma van ware sādhu's en om het te begrijpen dien je er enthousiast naar te informeren.

Vijaya: Wat betekent het om plezier op te geven omwille van Kṛṣṇa (#6)?

Bābājī: Materieel plezier (bhoga) betekent geluk halen uit het plezier van eten, enzovoort. Die bhoga is doorgaans tegengesteld aan bhajana, dus bhajana wordt gemakkelijker als je dergelijk plezier omwille van kṛṣṇa-bhajana opgeeft. Iemand, die is gehecht aan materieel plezier, is als iemand die alcohol drinkt, want hij is zozeer aan zijn zintuigobjecten gehecht, dat hij niet in staat is om śuddhā-bhakti uit te voeren. Daarom mogen we niet van materieel voedsel genieten; we dienen alleen bhagavat-prasāda te serveren en te eren. Je moet het lichaam, dat we in toegewijde dienst gebruiken, beschermen en ook allerlei soorten plezier op Ekādaśī, Janmāṣṭamī, Phālgunī Pūrṇimā, Nṛsiṁha Caturdaśī, en soortgelijke dagen opgeven.

Vijaya: Wat betekent het om in dhāma's, zoals Dvārakā en plaatsen bij de Gaṅgā en andere heilige rivieren, te wonen (#7)?

Bābājī: Vertrouwen en standvastigheid in bhakti (bhakti-niṣṭhā) ontwaken op de plaatsen, waar Bhagavāns gezegende verschijning en ander spel plaatsvonden, en in de buurt van heilige rivieren, zoals de Gaṅgā en Yamunā.

Vijaya: Dus als je in Śrī Navadvīpa-dhāma woont, wordt je gezuiverd. Is de Gaṅgā hiervoor de oorzaak, of is er ook een andere reden?

Bābājī: Aho! Je krijgt alle heil van het wonen in Vṛndāvana, als je ergens binnen de 16 krośa's van Śrī Navadvīpa woont en vooral als je in Śrī Māyāpura bent gevestigd. Ayodhyā, Mathurā, Gāyā, Kāśī, Kāñcī, Avantikā en Dvārakā zijn de zeven heilige plaatsen, die bevrijding geven, maar onder deze is Śrī Māyāpura de belangrijkste dhāma. De reden hiervoor is, dat Śrīman Mahāprabhu ervoor heeft gezorgd, dat Zijn eeuwige verblijfplaats, Śvetadvīpa, hier neerdaalde. Vier eeuwen na de verschijning van Śrīman Mahāprabhu zal deze Śvetadvīpa de belangrijkste dhāma boven alle andere dhāma's op aarde worden. Door in deze dhāma te wonen wordt je van allerlei soorten overtredingen bevrijd en bereik je śuddhā-bhakti. Śrī Prabodhānanda Sarasvatī heeft deze dhāma als niet-verschillend van Śrī Vṛndāvana geaccepteerd. Hij heeft zelfs aangetoond, dat hij op sommige plaatsen zelfs glorieuzer is.

Vijaya: Wat betekent het om de juiste middelen aan te wenden om zichzelf voor de uitoefening van bhakti in stand te houden (#8)?

Bābājī: In de Nāradīya Purāṇa wordt gezegd,

yāvatā syāt sva-nirvāhaḥ svīkuryāt tāvad artha-vit
ādhikye nyūnatāyāṁ ca cyavate paramārthataḥ

Een rijk persoon dient zoveel rijkdom te aanvaarden als hij nodig heeft om de regels en rituelen uit te voeren, die zijn bhakti in stand houden. Meer of minder aanvaarden dan nodig is, is de oorzaak van terugval zelfs vanaf het hoogste niveau.

Iemand, die is gekwalificeerd voor vaidhī-bhakti, kan met behulp van de juiste middelen volgens varṇāśrama-dharma in zijn levensonderhoud voorzien. Het is heilzaam om rijkdom naar behoefte te aanvaarden. Meer aanvaarden dan nodig is resulteert in gehechtheid, die geleidelijk je bhajana verwoest. Het is niet heilzaam om minder dan noodzakelijk te aanvaarden, omdat de resulterende schaarste ook je bhajana zal verzwakken. Zolang je nog niet voor volkomen onhechting (nirapekṣa) bent gekwalificeerd, dien je daarom rijkdom enzovoort te aanvaarden om je leven in stand te houden om śuddhā-bhakti uit te voeren.

Vijaya: Hoe moet je hari-vāsara in acht nemen (#9)?

Bābājī: De term hari-vāsara verwijst naar zuivere of ononderbroken (śuddhā) Ekādaśī. Vermengde (viddha) Ekādaśī moet worden opgegeven. In gevallen dat Dvādaśī op Mahā-dvādaśī valt, dient Dvādaśī in plaats van Ekādaśī in acht te worden genomen. Men dient de dag ervoor celibatair te blijven en de dag van hari-vāsara erna vastend door te brengen zonder water te drinken. Men dient de hele nacht wakker te blijven en zich onophoudelijk in bhajana  te storten. De volgende dag dient ook een celibataire dag te zijn, waarop je op het juiste tijdstip het vasten breekt. Dit is de juiste inachtneming van hari-vāsara. Het is niet mogelijk nirjala (vasten van water) te volgen zonder mahā-prasāda op te geven. Als je niet in staat bent, of de kracht hebt, om hari-vāsara op de juiste wijze uit te voeren, is in een alternatieve procedure (aṇukalpa) voorzien. Volgens Hari-bhakti-vilāsa mag een plaatsvervanger in jouw naam vasten.

upavāsetv aśaktasya āhitāgner athāpi vā
putrān vā kārayed anyān brāhmaṇān vāpi kārayet
                                                                 Hari-bhakti-vilāsa (12.34)

Als een sāgnika-brāhmaṇa niet in staat is te vasten, mag hij andere brāhmaṇa’s of zijn zoons in zijn plaats laten vasten.

De methode van vasten door haviṣyānna enzovoort wordt alsvolgt beschreven,

naktaṁ haviṣyānna-manodanam vā
phalaṁ tilāḥ kṣīram athāmbhu cājyāṁ
yat pañca-gavyaṁ yadi vāpi vāyuḥ
praṣastam atrottaram uttarañ ca
                                                  Vāyu Purāṇa, in: Hari-bhakti-vilāsa (12.39)

's Avonds dient men in plaats van granen andere voedingsmiddelen (haviṣyānna) te nemen, zoals fruit, sesam, melk, water, ghī (geklaarde boter), pañcagavya en lucht. In deze lijst is ieder middel beter dan het voorgaande. Volgens Mahābhārata (Udyoga parva),

aṣṭaitānya-vratāghnāni āpo mūlaṁ phalaṁ payaḥ
havir brāhmaṇa-kāmya ca guror vacanam anuṣadham

De volgende acht middelen onderbreken de vrata (gelofte) niet: water, wortelen, fruit, melk, ghī, het verlangen van een brāhmaṇa, de woorden van de guru, kruiden en medicijnen.

Vijaya: Hoe eerbiedig je bomen, zoals de aśvattha en amalakī (#10)?

Bābājī:

aśvattha-tulasī-dhātrī-go-bhūmi-sura-vaiṣṇavāḥ
pūjitāḥ praṇatā dhyātāḥ kṣapayanti nṛnām agham
                                                                Skanda Purāṇa

Al je zonden worden teniet gedaan, als je eraan denkt pūjā uit te voeren en je eerbetuigingen te brengen aan de āmalakī en pippala-bomen, Tulasī, de koeien, brāhmaṇa’s en Vaiṣṇava’s.

Iemand, die is geschikt voor vaidhī-bhakti, moet zijn levensreis in stand houden, terwijl hij in deze wereld verblijft. Hiertoe is hij verplicht door schaduwgevende bomen, zoals pippala; vruchtdragende bomen, zoals de āmalakī; eerbiedwaardige bomen, zoals Tulasī; koeien en andere nuttige dieren;  brāhmaṇa’s, die de samenleving beschermen door instructies over dharma te geven, en Vaiṣṇava’s te vereren, op te mediteren, zorg voor te dragen en eerbetuigingen te schenken. De vaidhī-bhakta's beschermen de wereld door deze activiteiten uit te voeren.

Vijaya: Vertelt u ons alstublieft in detail wat het is om de associatie op te geven van mensen, die zijn afgekeerd van Kṛṣṇa (#11).

Bābājī: Wanneer bhāva verschijnt, wordt bhakti zeer sterk en diep, maar zolang bhāva nog niet is gewekt, is het noodzakelijk om de associatie op te geven van mensen, die zich tegen bhakti verzetten. Het woord saṅga (associatie) wijst op gehechtheid; saṅga betekent niet louter bij mensen in de buurt zijn en gesprekken met ze houden. Saṅga heeft plaats, wanneer er in die nabijheid en conversatie gehechtheid aanwezig is. Het is heel verkeerd om met mensen om te gaan, die zich tegen Bhagavān verzetten. Nadat bhāva zich heeft aangediend, heb je nooit meer het verlangen om met zulke mensen op te trekken. Hieruit volgt, dat degenen met de adhikāra voor vaidhī-bhakti altijd bij zulk gezelschap uit de buurt moeten blijven. De klimrank van bhakti (bhakti-latā) raakt uitgedroogd door weerzin tegen Kṛṣṇa, zoals vervuilde lucht en teveel hitte planten en bomen ombrengen.

Vijaya: Wat zijn dat voor mensen, die tegen Kṛṣṇa zijn gekeerd?

Bābājī: Er zijn vier soorten mensen, die tegen Kṛṣṇa zijn gekeerd: degenen die geen weet hebben van kṛṣṇa-bhakti en gehecht zijn aan zintuiglijke lustbevrediging (viṣayī); degenen die gehecht zijn aan het gezelschap van vrouwen (strī-saṅgī); degenen wier hart is vervuild met māyāvāda-filosofie en atheïsme; en degenen die in karma zijn verwikkeld. De associatie van deze vier soorten mensen moet je opgeven.

Vijaya: Wat dienen we te weten over het niet aanvaarden van ongekwalificeerde mensen als leerling (#12)?

Bābājī: Het is een grote fout om veel leerlingen te aanvaarden ten behoeve van rijkdom. Om veel leerlingen te krijgen moet je ook degenen zonder śraddhā aanvaarden, maar het is een overtreding om ongelovige mensen als discipelen te aanvaarden. Alleen degenen met śraddhā zijn gekwalificeerd om een discipel te worden, anderen niet.

Vijaya: Wat is de betekenis van het opgeven van pretentieuze pogingen bij het organiseren van festivals, enzovoort (#13)?

Bābājī: Kortom, je moet bhagavad-bhajana uitvoeren en tegelijkertijd je leven in stand houden. Als je je bezig houdt met extensieve materiële activiteiten, raak je er zo aan gehecht, dat je je hoofd niet meer bij bhajana kunt houden.

Vijaya: Wat kunt u zeggen over het bestuderen, onderwijzen en interpreteren van uiteenlopende soorten boeken (#14)?

Bābājī: De śāstra’s zijn als een oceaan. Het is goed om met onderscheidingsvermogen boeken te bestuderen over het onderwerp, waarin we instructies nodig hebben, maar we krijgen geen volledige kennis over een willekeurig onderwerp door fragmenten uit talloze boeken te lezen. Je intelligentie met betrekking tot sambandha-tattva zal vooral niet worden gewekt, als je je hoofd niet aandachtig bij de bhakti-śāstra’s houdt. Let er goed op, dat je alleen de directe betekenis van de śāstra’s overneemt, want indirecte interpretatie (speculatie) leidt tot de tegenovergestelde conclusie.

Vijaya: Wat betekent het om vrekkig gedrag op te geven (#15)?

Bābājī: We moeten geschikte artikelen, zoals voedsel en onderdak, tijdens onze reis door dit leven verzamelen. We hebben een probleem, als we er niet in slagen deze te bemachtigen, en ook, als we ze bemachtigen en dan weer verliezen. We mogen daarom niet verstoord raken, wanneer zulke ellende zich voordoet; in plaats daarvan dienen we ons Bhagavān mentaal te herinneren.

Vijaya: Hoe kunnen we worden behoed tegen beklag en woede, enzovoort (#16)?

Bābājī: Als je bewustzijn vol zorg, angst, woede, hebzucht en waanzin is, verschijnt Śrī Kṛṣṇa's sphūrti (manifestatie) niet. Je voelt van nature zorg en illusie, als je van je vrienden bent afgescheiden, of wanneer hindernissen ons beletten onze verlangens te vervullen, maar het is niet juist om je door deze zorgen en illusies te laten meeslepen. Je zal zeker heimwee hebben, als je van een zoon bent gescheiden, maar je moet deze zorg uitbannen door aan Śrī Hari te denken. Op die manier dien je het richten van je geest op Śrī Bhagavāns lotusvoeten te beoefenen.

Vijaya: U hebt gezegd, dat men geen gebrek aan respect voor de devatā's mag hebben. Betekent dit, dat we hun pūjā dienen uit te voeren (#17)?

Bābājī: We moeten onverstoorde bhakti jegens Śrī Kṛṣṇa hebben, die de oer-devatā van alle deva's is. Je mag geen andere devatā's vereren en denken, dat ze onafhankelijk van Śrī Kṛṣṇa zijn. Tegelijkertijd mag je anderen, die pūjā aan deze devatā's aanbieden, niet veronachtzamen. Je dient de devatā's te respecteren en te begrijpen, dat ze allemaal dienaren zijn van Śrī Kṛṣṇa, maar je dient altijd alleen aan Kṛṣṇa te denken. Onverstoorde bhakti zal niet in het hart van de jīva komen, totdat zijn hart vrij is van materiële kwaliteiten. Iemand, wiens bewustzijn is bedekt met de guṇa'ssattva, rajaḥ en tamaḥ - voert pūjā uit voor de devatā in de bepaalde guṇa, waardoor hij wordt beïnvloed, en hij heeft volgens zijn kwalificatie een bepaald vertrouwen (niṣṭhā). Daarom dien je respect te hebben voor de eerbiedwaardige devatā's van verschillende personen. Door de genade van de devatā's wordt het bewustzijn van deze aanbidders geleidelijk vrij van materiële kwaliteiten.

Vijaya: Legt u alstublieft uit, wat het betekent om andere levende wezens geen angst aan te jagen (#18)?

Bābājī: Śrī Kṛṣṇa is heel snel tevreden met iemand, die zich mededogend jegens andere jīva’s opstelt en hen met lichaam, geest en woorden geen enkele vorm van vrees bezorgt. Mededogen is de belangrijkste dharma van de Vaiṣṇava’s.

Vijaya: Hoe kan men overtredingen in sevā (sevā-aparādha) en in het chanten van śrī-hari-nāma (nāma-aparādha) opgeven (#19)?

Bābājī: Je dient heel zorgvuldig de sevā-aparādha's in de verering van het Godsbeeld (arcana) en nāma-aparādha in bhakti over het algemeen op te geven. Er zijn tweeëndertig soorten sevā-aparādha inclusief het binnengaan van de tempel in een draagstoel; en er zijn tien soorten nāma-aparādha inclusief heiligschennis plegen jegens heiligen en het achterwege laten van respect aan śrī-guru. Deze twee categorieën van aparādha's dien je zeker op te geven.

Vijaya: U hebt gezegd, dat we het horen van heiligschennis van Bhagavān en Zijn bhakta's niet mogen tolereren. Betekent dit, dat we met de dader moeten vechten (#20) ?

Bābājī: Degenen, die heiligschennis plegen jegens Śrī Kṛṣṇa en de Vaiṣṇava’s, zijn tegenstanders van Śrī Kṛṣṇa en hun associatie dient op iedere mogelijke manier te worden opgegeven.

Vijaya: U vermeldde, dat deze twintig aṅga's van bhakti in het bijzonder belangrijk zijn. Wat is hun relatie met de andere aṅga's?

Bābājī: De resterende vierenveertig aṅga's liggen besloten in de twintig aṅga's, die ik zojuist heb beschreven. Ze zijn als verschillende aṅga's gepresenteerd om ze in detail toe te lichten. De dertig aṅga's vanaf punt 21 (het aanvaarden van de symbolen van een Vaiṣṇava) tot en met punt 50 (het offeren van je meest dierbare bezittingen aan Kṛṣṇa) liggen besloten in het pad van de verering van het Godsbeeld (arcana):

21.   Het aanvaarden van de symbolen van een Vaiṣṇava betekent het dragen van een kralensnoer van tulasī om de hals en het aanbrengen van tilaka op twaalf plaatsen van het lichaam.

22.   Het dragen van de letters van Śrī Kṛṣṇa Nāma betekent de namen Hare Kṛṣṇa of de namen van de Pañca-tattva met sandalhoutpasta (candana)op de belangrijkste delen van het lichaam schrijven.

23.   Śrīmad-Bhāgavatam (11.6.46) adviseert de restanten van de Godsbeelden (nirmālya) te aanvaarden:

tvayopabhukta-srag-gandha-vāso-'laṅkāra-arcitāḥ
ucchiṣṭa-bhojino dāsās tava māyāṁ jayema hi

Het dragen van de restanten van bloemenkransen, sandalhoutpasta (candana), kleding en sierraden, die U hebt gedragen, en het eten van de overblijfselen van Uw voedsel, zorgen ervoor, dat Uw dienaren Uw māyā voorzeker overwinnen.

21.        Dansen voor het Godsbeeld van Kṛṣṇa;

22.        In je volle lengte op de grond aanbieden van je eerbetuigingen (daṇḍavat-praṇāma);

23.        Opstaan zodra je śrī vigraha ziet aantreden (abhyutthāna);

24.        Het in processie volgen van het Godsbeeld (anuvrajyā);

25.        De tempel van Kṛṣṇa binnengaan;

26.        Parikramā is ten minste drie keer om de Godsbeelden heenlopen, waarbij je Hen aan je rechter zijde houdt.

27.        Arcana is het vereren (pūjā) van het Godsbeeld (śrī-mūrti) met verschillende artikelen;

28.        Paricaryā is het uitvoeren van sevā voor Śrī Kṛṣṇa, zoals voor een koning.

paricaryā tu sevopakaraṇādi-pariṣkriyā
tathā prakīrṇaka-cchatra-vāditrādyair upāsanā
                                                        Bhakti-rasāmṛta-sindhu (1.2.61)

Deze paricaryā bestaat uit twee soorten; de ene is het reinigen van de gebruiksvoorwerpen en het uitvoeren van verering; de andere is het uitvoeren van sevā met een cāmara, het vasthouden van een parasol, het bespelen van muziekinstrumenten, enzovoort.

Het is onnodig de volgende paar aṅga's afzonderlijk en in detail uit te leggen.

32.        Zingen;

33.        Het gezamenlijk zingen van śrī-hari-nāma;

34.        Je gedachten nederig in woorden uitdrukken (vijñapti);

35.        Het drie maal per dag chanten van japa en mantra's met ācamana;

36.        Het reciteren van śloka’s (stava-pāṭha) ter meerdere glorie van Śrī Kṛṣṇa;

37.        Het aanvaarden en respecteren van voedsel, dat aan Śrī Kṛṣṇa geofferd is geweest (naivedya);

38.        Het met devotie proeven van het water, dat de lotusvoeten van Śrī Kṛṣṇa heeft gewassen;

39.        Het genieten van de geur van wierrook en de bloemenkransen, die aan Śrī Kṛṣṇa geofferd zijn geweest;

40.        Het nemen van darśana van śrī-mūrti;

41.        Het aanraken van śrī-mūrti;

42.        Het bijwonen van de āratī-ceremonie;

43.        Het horen van de glorie van Śrī Kṛṣṇa's nāma, rūpa, guṇa, līlā en kathā;

44.        Het overal en onder alle omstandigheden ervaren van Śrī Kṛṣṇa's genade;

45.        Het overdenken van Śrī Kṛṣṇa's nāma, rūpa, guṇa en līlā;

46.        Diepgaand mediteren op Śrī Kṛṣṇa's nāma, rūpa, guṇa en līlā en mentaal aanbieden van liefdedienst (manasi-sevā).

De volgende paar aṅga's zijn duidelijk.

47.        Er zijn twee soorten dienaarschap (dāsyam): het offeren van de resultaten van je activiteiten en een dienaar zijn.

48.        Er zijn twee sooren sakhyam: de ene is gebaseerd op vertrouwen (viśvāsa) en de andere is gebaseerd op een houding van vriendschap (maitrī).

49.        De betekenis van het woord ātma-nivedanam komt van het woord ātmā. Hieruit komen twee principes van egoïsme van de belichaamde ziel voort, namelijk gehechtheid aan de dehī (eigenaar van het lichaam) in de vorm van ahaṁtā (ik-heid, persoonsvorm) en gehechtheid aan de deha (lichaam) in de vorm van mamatā (mijn-heid, bezitsvorm). Ātma-nivedanam is de overgave van deze twee principes aan Śrī Kṛṣṇa.

Vijaya: Wilt u deze twee termen alstublieft duidelijker uitleggen: het egoïsme van de belichaamde jīva (dehī-niṣṭha ahaṁtā) en gehechtheid aan het lichaam en aan voorwerpen gerelateerd aan het lichaam (deha-niṣṭha mamatā)?

Bābājī: De jīva in het lichaam wordt dehī (belichaamd) of aham (zelf) genoemd. Handelen in het valse bewustzijn van "ik" wordt dehī-niṣṭha ahaṁtā (het egoïsme van de belichaamde jīva) genoemd; en het bewustzijn van het eigendom van het lichaam, of van voorwerpen gerelateerd aan het lichaam, wordt deha-niṣṭha mamatā (gehechtheid aan dingen gerelateerd aan het lichaam) genoemd. Deze twee principes van 'ik' en 'mijn' dienen beiden aan Śrī Kṛṣṇa te worden overgegeven. Ātma-nivedanam  betekent het prijsgeven van het bewustzijn 'ik' en 'mijn' en voor het lichaam zorgdragen in het bewustzijn "Ik ben Kṛṣṇa's dienaar, ik neem Kṛṣṇa's prasāda en ik gebruik dit lichaam in Kṛṣṇa's dienst".

Vijaya: Hoe dienen we Kṛṣṇa onze spullen te geven, die ons dierbaar zijn (#50)?

Bābājī: Als we spullen uit deze wereld accepteren, die ons veel plezier geven, dienen we ze eerst aan Kṛṣṇa te offeren. Dat is wat Śrīla Rūpa Gosvāmī bedoelt met het offeren van de meest geliefde dingen aan Kṛṣṇa.

Vijaya: Hoe moeten we al onze pogingen omwille van Kṛṣṇa uitvoeren (#51)?

Bābājī: Alle pogingen omwille van Kṛṣṇa uitvoeren betekent, dat je alle materiële activiteiten en alle activiteiten in gereguleerde toegewijde dienst moet uitvoeren, die gunstig zijn voor Śrī Kṛṣṇa's dienst (hari-sevā).

Vijaya: Hoe kun je bescherming op iedere manier aanvaarden (#52)?

Bābājī: Het aanvaarden van volkomen bescherming (śaraṇāgati) is het uitdrukken van de stemming, "O Bhagavān, ik ben de Uwe!" (he bhagavān tavaivāsmi!) en "O Bhagavān! Ik neem mijn toevlucht tot U!" (he radhe! he kṛṣṇa! tavaivāsmi), zowel in gedachten als hardop uitgesproken.

Vijaya: Hoe kun je aan Tulasī diensten verlenen (tulasī-sevā) (#53)?

Bābājī: Er zijn negen manieren om tulasī-sevā uit te voeren: darśana van Tulasī nemen, Tulasī aanraken, Tulasī herinneren, kīrtana voor Tulasī uitvoeren, eerbetuigingen aan Tulasī aanbieden, de glorie en het spel van Tulasī horen, het planten van Tulasī, het verzorgen van Tulasī en het uitvoeren van gereguleerde dagelijkse erediensten (nitya-pūjā) aan Tulasī.

Vijaya: Hoe dient men de śāstra’s te respecteren (#54)?

Bābājī: De śāstra’s, die bhagavad-bhakti vestigen, zijn de ware śāstra’s. Śrīmad-Bhāgavatam is de beste van al deze śāstra’s, omdat hij de essentie van alle Vedānta vormt. Degenen, die zijn ambrozijnen gemoedsstemmingen proeft, heeft geen ruci meer voor andere śāstra’s.

Vijaya: Wat is de glorie van Kṛṣṇa's geboorteplaats, Mathurā (#55)?

Bābājī: Alle verlangens worden vervuld door de volgende activiteiten uit te voeren in relatie tot Mathurā: horen, chanten en herinneren, verlangen er naartoe te gaan, zien (darśana), aanraken, woonachtig zijn en dienen. Je moet weten, dat Śrīdhāma Māyāpura exact dezelfde spirituele kwaliteit heeft als Mathurā.

Vijaya: Wat is de betekenis van het dienen van Vaiṣṇava’s (vaiṣṇava-sevā) (#56)?

Bābājī: Vaiṣṇava’s zijn Bhagavān erg dierbaar. Wanneer we dus de Vaiṣṇava’s dienen, krijgen we bhakti voor Bhagavān. In de śāstra’s wordt gezegd, dat de verering van Śrī Viṣṇu groter is dan de verering van alle devatā's, maar groter dan de verering van Viṣṇu is de verering van de Vaiṣṇava, die Zijn dienaar (sevaka) is.

Vijaya: Wat betekent het in acht nemen van festivals volgens je eigen middelen (#57)?

Bābājī: Mahotsava betekent in werkelijkheid volgens je eigen middelen artikelen verzamelen en ze in dienst zetten van Bhagavān en in Zijn tempel ten dienste van zuivere Vaiṣṇava’s gebruiken. Er is in de hele wereld geen groter festival als dit.

Vijaya: Hoe dienen we de maand Kārttika te respecteren (#58)?

Bābājī: De maand Kārttika wordt ook Ūrjjā genoemd. Het respecteren van Ūrjjā betekent in deze maand op een gereguleerde manier uitvoeren van sevā aan Śrī Dāmodara door de aṅga's van bhakti te volgen, zoals śravaṇa en kīrtana.

Vijaya: Hoe dien je Kṛṣṇa's Geboortedag te vieren (#59)?

Bābājī: Śrī Janma-yātrā is het in acht nemen van de festivals van Kṛṣṇa's Verschijningsdag op Kṛṣṇa-āṣṭamī in de maand Bhādrapada en die van Mahāprabhu's Verschijningsdag op de volle-maansdag (Pūrṇimā) in de maand Phālguna. Bhakta's, die zich hebben overgegeven, dienen deze festivals zeker in acht te nemen.

Vijaya: Hoe moet je vol vertrouwen śrī-mūrti dienen en vereren (paricaryā) met de overvloed, die een koning past (#60)?

Bābājī: Liefdevol enthousiasme is zeer noodzakelijk in de dienst en verering van śrī-mūrti. Kṛṣṇa geeft niet alleen de onbetekenende vrucht van mukti, maar ook de grote vrucht van bhakti aan degenen, die sevā-pūjā van śrī-mūrti met groot enthousiasme uitvoeren.

Vijaya: Wat betekent het proeven van Śrīmad-Bhāgavatam in gezelschap van rasika-bhakta's (#61)?

Bābājī: Śrīmad-Bhāgavatam vertegenwoordigt de zeer zoete rasa van de wensboom van de veda's. Als je associeert met mensen, die een afkeer hebben van rasa, ben je niet in staat om de rasa van Śrīmad-Bhāgavatam te proeven en het resultaat is aparādha. Je moet de rasa van de śloka’s van Śrīmad-Bhāgavatam proeven in gezelschap van diegenen, die rasa-jña zijn, die op de hoogte zijn met rasa, die de rasa drinken en die gekwalificeerd zijn voor śuddhā-bhakti. Het spreken of horen van Śrīmad-Bhāgavatam in openbare bijeenkomsten leidt niet tot rasa en zuivere bhakti.

Vijaya: Wat is associatie van bhakta's met dezelfde stemming (svajātīya) en genegenheid (snigdha) (#62)?

Bābājī: Het associëren met abhakta's (niet-toegewijden) in de naam van sat-saṅga leidt niet tot verheffing in bhakti. Het doel dat bhakta's verlangen te krijgen is liefdedienst in Kṛṣṇa's aprākṛta (ongemanifesteerde) līlā en iemand met dit verlangen heet een bhakta. Verheffing in bhakti ontstaat door associatie met leden van deze groep bhakta's, die bovengeschikt zijn aan jezelf. Zonder deze saṅga houdt de ontwikkeling van bhakti op en je neemt de aard van de klasse mensen over met wie je saṅga onderhoudt. In relatie tot saṅga zegt Hari-bhakti-sudhodyaya (8.51),

yasya yat-saṅgatiḥ puṁso maṇivat syāt sa tad-guṇaḥ
sva-kularddhye tato dhīmān sva-yuthāny eva saṁśrayet

Zoals een juweel de kleuren reflecteert van de objecten er omheen, zo neemt de aard van een persoon de natuur over van degenen, met wie hij associeert.

Je wordt dus alleen een zuivere sādhu door te associëren met zuivere sādhu's. Sādhu-saṅga (de associatie met gevorderde bhakta's) is in alle opzichten heilzaam. Waar śāstra het advies geeft, dat we vrij moeten zijn van werelds gezelschap, betekent het, dat je met sādhu's moet omgaan.

Vijaya: Wat wordt bedoeld met nāma-saṅkīrtana (#63)?

Bābājī: Nāma is aprākṛta-caitanya-rasa (een transcendentaal levende smaak) en in nāma is geen zweem van werelds bewustzijn. Wanneer de toegewijde jīva door bhakti wordt gezuiverd en service aan śrī-hari-nāma verleent, manifestert śrī-nāma zich persoonlijk op zijn tong. Nāma kan niet door materiële zintuigen worden ontvangen. Dit is de manier, waarop je onophoudelijk nāma-saṅkīrtana uitvoert, hetzij alleen of met anderen.

Vijaya: Door uw genade hebben we al iets begrepen over mathurā-vāsa (leven in Kṛṣṇa's geboorteplaats, Mathurā). Wilt u nu de essentie van deze instructies uitleggen, alstublieft (#64)?

Bābājī: Van al deze 64 aṅga's zijn de laatste vijf het meest verheven. Zelfs al vestig je slechts een broze relatie met ze en je houdt je afzijdig van overtredingen, komt de staat van bhāva door hun oneindig wonderbaarlijke invloed naar boven.

Vijaya: Kunt u ons alstublieft vertellen, of er nog iets anders is, dat we in relatie tot dit proces moeten weten?

Bābājī: De śāstra’s beschrijven soms tussentijdse vruchten van deze aṅga's van bhakti om ruci voor bhajana te creëren in degenen, die naar buiten zijn gekeerd en niet deugdzaam zijn. De belangrijkste vrucht van al deze aṅga's echter is het ontwikkelen van gehechtheid voor Kṛṣṇa. Alle activiteiten van iemand, die op de hoogte is met bhakti en deskundig is in bhakti, moeten zich binnen de aṅga's van bhakti bevinden en niet binnen de aṅga's van karma. Het beoefenen van kennis (jñāna) en onthouding (vairāgya) kunnen iemand soms behulpzaam zijn om de tempel van bhakti binnen te komen, maar jñāna en vairāgya zijn geen aṅga's van bhakti, want ze verharden het hart, terwijl bhakti van nature heel zacht en teder is. Bhakta's aanvaarden de jñāna en vairāgya, die zich via de beoefening van bhakti uit zichzelf manifesteren, maar jñāna en vairāgya zijn nooit de oorzaak voor bhakti, terwijl bhakti wel de resultaten geeft, die kennis en onthouding niet kunnen geven.

Uit sādhana-bhakti ontstaat zoveel ruci voor hari-bhajana, dat zelfs een zeer diepe gehechtheid aan zintuigobjecten afneemt en verdwijnt. De sādhaka moet altijd yukta-vairāgya praktiseren en zich verre houden van de mentaliteit van misleidende onthechting (phalgu-vairāgya). Yukta-vairāgya is het in een onthechte houding naar behoefte aanvaarden van alle bijkomstigheden, wetend, dat ze aan Kṛṣṇa zijn gerelateerd. Als bepaalde dingen werkelijk aan Śrī Hari zijn gerelateerd, is onthouding ervan kunstmatig wegens de begeerte naar mukti; dit wordt phalgu-vairāgya genoemd. Daarom dienen adhyātmika-jñāna en phalgu-vairāgya te worden opgegeven.

Soms wordt bhakti vertoond om rijkdom en discipelen, enzovoort, te vergaren, maar dit is ver van zuivere bhakti verwijderd. Een dergelijke vertoning van bhakti is in feite helemaal geen aṅga van bhakti. Onderscheidingsvermogen (viveka) en andere kwaliteiten zijn ook geen aṅga's van bhakti;  het zijn eigenschappen van de beoefenaar van bhakti. Op dezelfde manier zijn yama en niyama, goed gedrag, reinheid, enzovoort, van nature aanwezig in mensen, die zich gunstig jegens Kṛṣṇa opstellen, dus deze zijn ook geen aṅga's van bhakti. Eigenschappen zoals innerlijke en uiterlijke zuiverheid, soberheid en zintuiglijke beheersing zoeken uit zichzelf hun toevlucht tot Kṛṣṇa's bhakta's; de bhakta's hoeven er geen afzonderlijke moeite voor te doen. Sommige aṅga's van bhakti, die ik heb genoemd, zijn principiële aṅga's en je bereikt perfectie door sādhana van één van deze aṅga's, of van meerdere aṅga's, resoluut uit te voeren. Ik heb alles over vaidhī-sādhana-bhakti op een beknopte manier uitgelegd. Nu dien je dit goed te begrijpen en in je hart te sluiten en met alle kracht te praktiseren.  

Toen Vrajanātha en Vijaya Kumāra deze instructies van Bābājī hadden gehoord, boden ze sāṣṭāṅga-daṇḍavat-praṇāma aan en zeiden, "Prabhu, verlos ons alstublieft! We zitten in de diepe valkuil van de hoogmoed."

Bābājī Mahāśaya antwoordde, "Kṛṣṇa zal jullie zeker Zijn genade geven."

Die nacht gingen oom en neef heel laat naar huis.

 

Aldus eindigt het Twintigste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Abhidheya – Vaidhī-sādhana-bhakti"


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 19 – "Prameya: Abhidheya-Tattva"

Volgende: Hoofdstuk 21 – "Prameya: Abhidheya - Raganuga-sadhana-bhakti"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl