Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 19

Prameya: Abhidheya-Tattva


Nadat Vrajanātha had gegeten, ging hij naar bed met diverse tegenstrijdige ideen over acintya-bhedābheda (de doctrine van onbevattelijke eenheid en verscheidenheid) in zijn hart. Soms dacht hij, dat acintya-bhedābheda-tattva een ander soort māyāvāda-filosofie was, maar als hij dan serieus over de stellingen nadacht, realiseerde hij zich, dat er in śāstra geen weerstand tegen was. In tegendeel, het bevatte de essentie van alle śāstras. "Śrīmad Gaura Kiśora is de volkomen manifestatie van Bhagavān Zelf en Zijn diepgaande leerstellingen kunnen op geen enkele wijze verkeerd zijn," zei hij tegen zichzelf. "Ik zal de lotusvoeten van die uiterst vriendelijke en toegenegen Gaura Kiśora nooit opgeven. Maar alas! Wat heb ik tot nu toe bereikt? Nu weet ik, dat acintya-bhedābheda-tattva de allerhoogste waarheid is, maar wat heb ik met deze kennis bereikt? Śrī Raghunātha dāsa Bābājī heeft gezegd, dat prīti (liefde) de sādhya voor het leven van alle jīvas is. Karmīs en jānis zoeken ook naar liefde, maar ze weten niets van śuddhā-prīti. Daarom moet ik het stadium van onvermengde liefde bereiken, maar mijn grootste zorg is, hoe ik dat kan bereiken! Ik zal Bābājī Mahāśaya over dit onderwerp vragen stellen en zijn principes overnemen." Terwijl hij zo lag te denken, viel hij in slaap.


Omdat Vrajanātha laat naar bed was gegaan, stond hij de volgende ochtend laat op. Toen hij uit bed kwam stond de zon al hoog aan de hemel en hij had amper zijn ochtendritueel gedaan toen zijn oom van moeders zijde, Vijaya Kumāra Bhaṭṭacārya Mahāśaya uit Śrī Modadruma, arriveerde. Vrajanātha was blij zijn oom na zoveel dagen weer te zien. Hij bood hem zijn daṇḍavat-praṇāma aan gaf hem een zitplaats.

Vijaya Kumāra was een groot geleerde en spreker van Śrīmad-Bhāgavatam en hij reisde aanzienlijke afstanden om lezingen te geven. Door de genade van Śrī Nārāyaṇa had hij in zijn hart een sterk vertrouwen voor Śrī Gaurāṅga Mahāprabhu ontwikkeld. Een paar dagen eerder had hij met groot geluk de darśana van Śrī Vṛndāvana das Ṭhākura in het dorp Denuḍa gekregen. Śrī Vṛndāvana dāsa Ṭhākura had hem gezegd de onbevattelijke Yoga-pīṭha van Śrīdhāma Māyāpura te bezoeken, waar Śrī Śacīnandana Gaura Hari's acintya-līlā eeuwigdurend plaats vindt. Hij vertelde hem ook, dat de heilige plaatsen van Śrīman Mahāprabhu's spel snel zouden verdwijnen en pas na vierhonderd jaar weer zouden verschijnen. Hij zei, dat de plaatsen van Śrī Gaura's spel wezenlijk niet-verschillend zijn van Śrī Vṛndāvana, de heilige plaats van Kṛṣṇa's līlā en dat alleen degenen, die de transcendentale natuur van Śrī Māyāpura kunnen waarnemen, werkelijk darśana van Śrī Vṛndavana kunnen nemen. Toen hij de woorden van Śrī Vṛndāvana dāsa Ṭhākura, de incarnatie van Śrī Vyāsadeva, hoorde, wilde Vijaya Kumāra heel graag darśana van Śrīdhāma Māyāpura nemen en besloot er naartoe te gaan, nadat hij zijn zuster en neef in Bilva-puṣkariṇī had bezocht.

Tegenwoordig liggen de dorpen Bilva-puṣkariṇī en Brahma-puṣkariṇī wat verder uit elkaar, maar in die tijd lagen ze praktisch tegen elkaar aan en de grens van Bilva-puṣkariṇī lag minder dan anderhalve kilometer verwijderd van Śrīdhāma Māyāpura Yoga-pīṭha. Het oude dorp Bilva-puṣkariṇī is tegenwoordig verlaten en wordt Ṭoṭā en Tāraṇvāsa genoemd.

Toen de oom en de neef met elkaar wat hadden gebabbeld, zei Vijaya Kumāra, "Zeg tegen Grootmoeder, dat ik darśana van Śrīdhāma Māyāpura ga nemen en dat ik snel weer terug ben om hier mijn avondmaal te gebruiken."

"Oom, waarom wilt u een bezoek aan Māyāpura brengen?" vroeg Vrajanātha. Vijaya Kumāra was op dat moment niet bewust van Vrajanātha's huidige conditie hij had alleen gehoord, dat Vrajanātha zijn studie van nyāya-śāstra had opgegeven en nu Vedānta-sūtra studeerde dus hij vond het niet gepast om zijn devotionele gevoelens aan hem te onthullen. In plaats daarvan verborg hij zijn motief en zei, "Ik heb met iemand in Māyāpura een afspraak."

Vrajanātha was zich bewust, dat zijn oom niet alleen een groot geleerde van Śrīmad-Bhāgavatam was, maar ook een toegewijde van Śrī Gaura, dus hij vermoedde, dat hij met een spirituele bedoeling naar Śrīdhāma Māyāpura ging. "Oom," zei hij, "er woont een hele trouwe en verheven Vaiṣṇava in Māyāpura, die Śrīla Raghunātha dāsa Bābājī heet. U moet eens met hem gaan praten."

Aangemoedigd door de woorden van Vrajanātha zei Vijaya Kumāra, "Ben je tegenwoordig vertrouwen in de Vaiṣṇavas aan het ontwikkelen? Ik heb gehoord, dat je je studie van nyāya-śāstra hebt opgegeven en nu Vedānta studeert, maar nu zie ik, dat je het pad van bhakti opgaat, dus ik hoef niets voor je te verbergen. Het feit is, dat Śrī Vṛndāvana dāsa Ṭhākura Mahāśaya me heeft opgedragen om darśana van Śrī Yoga-pīṭha in Śrī Māyāpura te nemen, dus ik heb besloten om te gaan baden in het water van Śrī Gaṅgā-devī en dan rond Śrī Yoga-pīṭha te lopen en darśana te nemen. Daarna zal ik in Śrīvāsāṅgana naar hartelust in het stof van de lotusvoeten van de Vaiṣṇavas rollen."

Vrajanātha zei, "Oom! Mag ik met u meegaan? Laten we het tegen moeder zeggen en dan naar Māyāpura vertrekken."

Ze besloten dat te doen en informeerden Vrajanātha's moeder en vertrokken naar Māyāpura. Eerst namen ze een bad in de Gaṅgā en Vijaya Kumāra riep uit, "Aha! Vandaag is mijn leven succesvol geworden. Bij deze ghāṭa gaf Śrī Śacīnandana Gaurahari Jāhnavī-devī oneindige genade door hier vierentwintig jaar lang Zijn waterspel uit te voeren. Door vandaag in dit heilige water te baden voel ik me paramānanda." Toen Vrajanātha Vijaya Kumāra in een genspireerde stemming hoorde praten, zei hij met een smeltend hart, "Oom, vandaag ben ik ook met uw genade gezegend."

Na Gaṅgā snāna bezochten ze de geboorteplaats van Mahāprabhu in het huis van Jagannātha Miśra. Daar werden ze door de genade van Śrī Dhāma volledig ondergedompeld in diepe spirituele liefde en hun lichaam raakte doorweekt van tranen. Vijaya Kumāra zei, "Als je in dit land van Gaura wordt geboren en je bent nooit in deze Mahā Yoga-pīṭha geweest, is je leven zinloos. Kijk eens hoe deze heilige plaats voor materile ogen op een gewoon stuk land lijkt bezaaid met strohutten, maar door Gaurāṅga's zegen kunnen we zien, welke schoonheid en rijkdom zichtbaar worden! Kijk! Hoe hoog en schitterend deze herenhuizen met juwelen zijn bezet! Hoe uitnodigend deze lieflijke tuinen zijn! Hoe aantrekkelijk deze plaatsen voor verering zijn! Kijk, hier staan Śrī Gaurāṅga en Viṣṇu-priyā in het huis. O, wat een betoverende vorm! Wat een betoverende vorm!"

Juist toen hij dit zei, vielen ze beiden op de grond en raakten bewusteloos. Na een behoorlijke tijd kwamen ze met hulp van een paar andere toegewijden weer bij en gingen Śrīvāsāṅgana binnen. De tranen liepen uit hun ogen en ze rolden over de grond, terwijl ze riepen, "Ha Śrīvāsa! Ha Advaita! Ha Nityānanda! Ha Gadādhara-Gaurāṅga! Geef ons Uw zegen! Bevrijd ons van valse trots en geef ons een toevlucht aan Uw lotusvoeten!"

Alle Vaiṣṇavas daar werden blij, toen ze zulke emoties in de twee brāhmaṇas zagen. Ze begonnen te dansen en chantten luid, "Māyāpura Candra ki jaya ! Ajita Gaurāṅga ki jaya ! Śrī Nityānanda Prabhu ki jaya !" Vrajanātha gaf zijn lichaam onmiddellijk over aan de lotusvoeten van zijn eerbiedwaardige geestelijk leermeester, Śrī Raghunātha dāsa Bābājī Mahārāja. De bejaarde Bābājī pakte hem op en omhelsde hem en vroeg, "Bābā! Wat kom jij doen op dit uur van de dag? En wie is deze eerbiedwaardige mahājana, die bij je is?"

Op nederige toon vertelde Vrajanātha hem alles en de Vaiṣṇavas gaven hem met grote eerbied een zitplaats. Toen vroeg Vijaya Kumāra op nederige toon aan Śrīmad Raghunātha dāsa Bābājī Mahārāja, "Prabhu, op welke manier kan het hoogste doel (prayojana) voor alle jīvas worden bereikt? Weest u alstublieft genadig en vertelt u ons hoe we die prayojana kunnen bereiken."

Bābājī: Jullie zijn śuddhā-bhakta's en alles ligt binnen jullie bereik. Maar, omdat jullie de vraag zo genadevol hebben gesteld, zal ik dat kleine beetje, dat ik weet, uitleggen. Kṛṣṇa-bhakti, dat vrij is van ieder spoor van jāna en karma is de prayojana (hoogste doel) voor alle jīvas en het is tevens het middel om het te bereiken. Tijdens het stadium van spirituele beoefening (sādhana-avasthā) wordt het sādhana-bhakti genoemd en in het bevrijde stadium (siddha-avasthā) heet het toegewijde dienst uitgevoerd in prema-bhakti (zuivere liefde).

Vijaya: Wat zijn de intrinsieke kenmerken (svarūpa-lakṣaṇa) van bhakti?

Bābājī: In opdracht van Śrīman Mahāprabhu heeft Śrī Rūpa Gosvāmī de intrinsieke eigenschappen van bhakti in Śrī Bhakti-rasāmṛta-sindhu (1.1.11) alsvolgt beschreven,

anyābhilāṣita-śūnyaṁ jāna-karmādy-anāvṛtam
ānukūlyena kṛṣṇānu-śilanaṁ bhaktir uttamā

Uttamā-bhakti, zuivere toegewijde dienst, is het cultiveren van activiteiten, die uitsluitend zijn bedoeld om Kṛṣṇa een plezier te doen, met andere woorden, de ononderbroken vloed van liefdedienst aan Śrī Kṛṣṇa uitgevoerd door alle pogingen van lichaam, geest en spraak en door de uitdrukking van diverse spirituele gevoelens (bhāva's). Het is niet bedekt met jāna (kennis van nirviśeṣa-brahma, dat onpersoonlijke bevrijding ten doel heeft) en karma (baatzuchtige activiteiten), yoga of boetedoening; en het is volkomen vrij van alle verlangens behalve de aspiratie om Śrī Kṛṣṇa geluk te brengen.

Deze sūtra beschrijft heel duidelijk zowel de svarūpa-lakṣaṇa (intrinsieke kenmerken) als de taṭastha-lakṣaṇa (extrinsieke symptomen) van bhakti. Het woord uttamā-bhakti verwijst naar zuivere toegewijde dienst. Toegewijde dienst vermengd met baatzuchtige activiteiten (karma-miśrā bhakti) en toegewijde dienst vermengd met speculatieve kennis (jāna-miśrā-bhakti) zijn geen zuivere toegewijde dienst. Het doel van toegewijde dienst vermengd met baatzucht streven (karma-miśrā-bhakti) is lustbevrediging en het doel van toegewijde dienst vermengd met speculatieve kennis (jāna-miśrā-bhakti) is bevrijding. Alleen zulke toegewijde dienst, die vrij is van ieder spoor van verlangen naar baatzuchtige resultaten of bevrijding, is uttamā-bhakti (zuivere toegewijde dienst).

De vrucht van bhakti is prema. De svarūpa-lakṣaṇa van bhakti is het ondernemen van gunstige pogingen voor Kṛṣṇa (kṛṣṇānuśīlanam) met lichaam, geest en spraak in een liefdevolle geestelijke houding (prītimaya-mānasa). Zulke pogingen (ceṣṭā) en spirituele gevoelens (bhāva's) zijn zowel gunstig (ānukūlya) als constant dynamisch. Wanneer door de genade van Kṛṣṇa en Zijn bhakta's de speciale functie van de innerlijk energie van Bhagavān zich in de eigen spirituele kracht van de jīva manifesteert, wordt de ware vorm (svarūpa) van bhakti geboren.

In de huidige staat van de jīva zijn het lichaam, de geest en de spraak allemaal materieel besmet. Wanneer de jīva ze volgens zijn eigen onderscheidingsvermogen een richting geeft, is het resultaat alleen droge speculatie en verzaking, terwijl de ware aard van bhakti zich niet manifesteert. Maar, wanneer Kṛṣṇa's svarūpa-śakti in het lichaam, de geest en de spraak van de jīva actief wordt, wordt de natuur van zuivere bhakti onmiddellijk manifest. Het hoogste doel van alle spirituele activiteiten is Śrī Kṛṣṇa en dat is de reden, waarom de ware toegewijde activiteit gunstig voor Kṛṣṇa moet zijn. Ondernemingen, die worden uitgevoerd voor de verwerkelijking van brahma en Paramātmā, worden niet als zuivere bhakti aangemerkt. Het zijn eerder aspecten van respectievelijk speculatieve kennis (jāna) en baatzuchtige activiteiten (karma). Er zijn twee soorten pogingen: degenen, die gunstig zijn en degenen, die ongunstig zijn. Alleen gunstige activiteiten worden als toegewijde dienst beschouwd.

Het woord ānukūlyena betekent de neiging om gunstig gezind te zijn jegens Kṛṣṇa. Deze neiging heeft gedurende de periode van toegewijde beoefening (sādhana-kāla) enige verbinding met de materile wereld, maar in de bevrijde staat (siddha-kāla) is het uiterst zuiver, vrij van ieder verbinding met de materile wereld. De kenmerken van bhakti zijn in deze beide stadia hetzelfde. De intrinsieke kenmerken van bhakti zijn daarom pogingen ten behoeve van de cultivering van Kṛṣṇabewustzijn uitgevoerd met positieve gevoelens.

Nu we de intrinsieke kenmerken (svarūpa-lakṣaṇa) van bhakti bespreken, is het ook noodzakelijk om haar extrinsieke kenmerken (taṭastha-lakṣaṇa) te beschrijven. Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft uitgelegd, dat er twee taṭastha-lakṣaṇa zijn. De eerste heeft geen andere verlangens en de tweede is vrijheid van de besmetting met jāna, karma en andere soortelijke pogingen. Iedere ambitie, die anders is dan die ten behoeve van de voortuitgang in bhakti, druist in tegen bhakti en valt in de categorie van andere verlangens. Van jāna, karma, yoga en verzaking wordt gezegd, dat ze antagonistisch (vijandig) zijn jegens bhakti, wanneer ze sterk genoeg zijn om het hart te bedekken. Daarom mag zuivere bhakti worden beschreven als het cultiveren van activiteiten, die gunstig zijn gestemd jegens Śrī Kṛṣṇa en dus vrij zijn van de bovengenoemde antagonistische eigenschappen.

Vijaya: Welke zijn de diverse onderscheiden kenmerken van bhakti?

Bābājī: In Bhakti-rasāmṛta-sindu (1.1.17) heeft Śrīla Rūpa Gosvāmī de volgende zes bijzondere karakteristieken van bhakti beschreven,

kleśa-ghnī śubhadā mokṣa-laghutā-kṛt sudurlabhā
sāndrānanda-viśeṣātmā śrī-kṛṣṇākarṣiṇī ca sā

1.           kleśa-ghnī Zij doet alle soorten ellende teniet.

2.           śubhadā Zij geeft alle soorten geluk.

3.           mokṣa-laghutā-kṛt Zij maakt kṛt, laat het genoegen van onpersoonlijke bevrijding laghutā (onbetekenend) lijken.

4.           sudurlabhā Zij wordt zelden bereikt.

5.           sāndrānanda-viśeṣātmā Haar natuur straalt het meest intensieve en overtreffende plezier uit.

6.           śrī-kṛṣṇa-ākarṣiṇī Zij is het enige middel om Śrī Kṛṣṇa aan te trekken.

Vijaya: Hoe doet bhakti ellende teniet?

Bābājī: Er zijn drie soorten kleśa (ellende): de zonde zelf (pāpa), de zonde in de kiem (pāpa-bīja) en onwetendheid (avidyā). Zondige activiteiten worden geclassificeerd als pātaka (zondig), mahā-pātaka (zeer zondig) en atipātaka (extreem zondig). Deze worden allemaal als pāpa beschouwd. Degenen, in wier hart zich śuddhā-bhakti heeft gemanifesteerd, zijn van nature niet geneigd om zich in zondige activiteiten (pāpa) te begeven. Het verlangen om zonden te begaan, dat pāpa-bīja wordt genoemd, kan zich in een hart, dat vol is van bhakti, niet blijven handhaven. Avidyā betekent onwetendheid van de eigen spirituele identiteit. Zodra śuddhā-bhakti voor het eerst in het hart verschijnt, weet de jīva heel duidelijk, "Ik ben een dienaar van Kṛṣṇa," en zijn onwetendheid verdwijnt volledig. Dit betekent, dat waar Bhakti-devī, de godin van bhakti, haar uitstraling verspreidt, de duisternis van pāpa, pāpa-bīja en avidyā uit het hart worden verdreven. Bij de heilzame aankomst van bhakti maken alle vormen van ellende zich uit de voeten. Dat is de reden, waarom bhakti kleśa-ghnī is.

Vijaya: Op welke manier is bhakti śubha dā?

Bābājī: In deze wereld worden alle soorten genegenheid, alle goede kwalitetien en alle verschillende soorten van plezier śubha (gunstig) beschouwd. Iemand, in wiens hart zich zuivere bhakti heeft gemanifesteerd, gaat in gezelschap van vier kwaliteiten: nederigheid, mededogen, vrijheid van trots en eerbetoon aan anderen. Om deze reden is de hele wereld met hem ingenomen. Alle soorten sad-guṇa's zijn in śuddhā-bhakta's automatisch manifest. Bhakti is in staat om alle soorten van plezier te geven. Als je dat wilt, kan zij je materieel plezier, het geluk van opgaan in het onpersoonlijk brahma (nirviśeṣa-brahma-sukha), alle soorten mystieke vermogens (siddhi's), lustbevrediging en bevrijding geven.

Vijaya: Hoe laat bhakti zelfs het plezier van onpersoonlijke bevrijding onbetekenend lijken (mokṣa-laghutā-kṛt)?

Bābājī: Als zelfs maar een beetje liefde voor de Allerhoogste (bhagavad-rati) zich in je hart heeft gevestigd, lijken dharma (religie), artha (economische ontwikkeling), kāma (zintuiglijke lustbevrediging) en mokṣa (bevrijding) van nature onbelangrijk.

Vijaya: En hoe komt het, dat bhakti maar zelden wordt bereikt (sudurlabhā)?

Bābājī: Deze materie moet je goed leren begrijpen. Bhakti blijft ongrijpbaar, zolang je toegewijde dienst onjuist uitvoert, zelfs al houd je je bezig met een miljoen verschillende spirituele oefeningen (sādhana). Behalve dat, Bhakti-devī stelt het gros van de mensen alleen met onpersoonlijke bevrijding tevreden; ze geeft geen bhakti, tenzij ze ziet, dat de beoefenaar hoog gekwalificeerd is. Om deze twee redenen, wordt bhakti maar zelden bereikt. De sādhana van het ontwikkelen van jāna leidt je ongetwijfeld naar bevrijding in de vorm van opgaan in het nondualistische brahma, dat zelf de vorm van kennis is. Het is ook eenvoudig om materile lustbevrediging te krijgen door het uitvoeren van vrome daden, zoals yaja en soortgelijke activiteiten. Indien je echter geen bhakti-yoga beoefent, kun je geen bhakti voor Śrī Hari krijgen, zelfs niet door het uitvoeren van miljoenen spirituele disciplines.

Vijaya: Waarom is bhakti beschreven als de overtreffende trap van vreugdevolle zegen (sāndrānanda-viśeṣātmā)?

Bābājī: Bhakti is eeuwigdurend spiritueel geluk en dat is de reden, waarom de uitvoering van bhakti je in een oceaan van vreugdevolle zegen stort. Als je alle verschillende soorten aards plezier combineert en daaraan het plezier van het opgaan in brahma (wat overigens neerkomt op de ontkenning van deze materile wereld) toevoegt en dit tientallen miljoenen keer vermenigvuldigt, kan de uitkomst zich niet scharen aan een enkele druppel uit de oceaan der zegen van toegewijde dienst. Materile vormen van plezier zijn uitermate triviaal en het plezier, dat verschijnt bij het ontkennen van alle vormen van materieel plezier (mukti) is verschrikkelijk droog. Deze beide vormen van plezier zijn van nature verschillend van de zegenrijke vreugde van de spirituele wereld. Je kunt twee dingen met een totaal ander karakter onmogelijk vergelijken. Daarom vinden degenen, die wat smaak hebben ontwikkeld voor de zegen van het uitvoeren van bhakti, het plezier van opgaan in nirviśeṣa-brahma zo onbetekenend als het water in de hoefafdruk van een kalf. Alleen degenen, die dit geluk hebben ervaren kunnen het begrijpen; anderen kunnen het niet vatten of bespreken.

Vijaya: Hoe trekt bhakti de al-aantrekkelijke Śrī Kṛṣṇa aan (śrī-kṛṣṇa-ākarṣiṇī)?

Bābājī: Śrī Kṛṣṇa wordt met al Zijn beminden krachtig aangetrokken en overmeesterd door iemand in wiens hart Bhakti-devī is verschenen. Kṛṣṇa kan niet op een andere manier worden overmeesterd of aangetrokken.

Vijaya: Als bhakti zo supermachtig is, waarom proberen degenen, die zoveel śāstras bestuderen, haar niet te bereiken?

Bābājī: Bhakti en Śrī Kṛṣṇa bevinden Zich voorbij alle materile grenzen, zodat de menselijke intelligentie Hen niet kan bereiken, want intelligentie is grofstoffelijk en beperkt. Je kunt echter heel gemakkelijk de essentie van toegewijde dienst (bhakti-tattva) begrijpen, als je zelfs maar een klein beetje smaak onder invloed van je verzameling vrome daden uit het verleden hebt ontwikkeld. Niemand anders dan de meest fortuinlijke jīvas kunnen bhakti-tattva begrijpen.

Vijaya: Hoe komt het, dat materile logica geen gewicht in de schaal legt?

Bābājī: Logica heeft niet de nodige kwaliteiten om spiritueel geluk te bevatten. Er wordt gezegd,

naiṣā tarkeṇa matir āpaneyā / proktānyenaiva su-jānāya preṣṭha
Kaṭha Upaniṣad (1.2.9)

Mijn beste Niciketā, het is niet gepast om met argumenten de wijsheid van de Absolute Waarheid, die je hebt ontvangen, te verwoesten.

Verder wordt ook gezegd, tarkāpratiṣṭhānāt (Vedānta-sūtra 2.1.11), "Logica voor het vestigen van een vastu (ware substantie) is zinloos, omdat wat de ene geleerde vandaag met behulp van logica en argumenten beweert, wordt morgen door een grotere geleerde weerlegd." Dat is waarom wordt gezegd, dat logica geen eer verdient. Al deze uitspraken van de Vedānta bevestigen, dat logica geen spirituele aangelegenheden kan verklaren.

Vrajanātha: Is er nog een stadium van bhakti tussen sādhana-bhakti en prema-bhakti in?

Bābājī: Ja, zeker. Er zijn in de ontwikkeling van bhakti drie stadia: sādhana-bhakti, bhāva-bhakti en prema-bhakti.

Vrajanātha: Wat zijn de eigenschappen van sādhana-bhakti?

Bābājī: Bhakti is n; de verschillen betreffen die tussen de verschillende stadia van ontwikkeling. Zolang bhakti door de geconditioneerde jīva met behulp van zijn zintuigen wordt uitgevoerd, wordt het sādhana-bhakti genoemd.

Vrajanātha: U hebt uitgelegd, dat prema-bhakti een eeuwige, perfecte stemming (nitya-siddha-bhāva) is. Waarom is dan het beoefenen noodzakelijk om een sentiment te krijgen, dat eeuwigdurend perfect is?

Bābājī: Nitya-siddha-bhāva is eigenlijk niet iets, dat je van elders (sādhya) krijgt, wat betekent, dat het niet door middel van sādhana kan worden geproduceerd. Sādhana is een naam, die is gegeven aan de manifestatie van bhāva in het hart.[1] Zolang het niet in het hart manifest is (omdat het wordt bedekt), zal men sādhana moeten uitvoeren. In werkelijkheid is deze bhāva nitya-siddha (eeuwigdurend in het hart aanwezig).

Vrajanātha: Wilt u dit principe alstublieft nader uitleggen?

Bābājī: Prema-bhakti is zeker nitya-siddha (eeuwigdurend volmaakt), want het is een manifestatie van Bhagavāns innerlijke śakti, maar het is niet duidelijk aanwijsbaar in het hart van de geconditioneerde jīva. Spirituele beoefening (sādhana) bestaat uit pogingen van lichaam, geest en spraak om het in het hart te laten verschijnen. Zolang bhāva nog niet is bereikt tijdens de periode van sādhana, wordt het als een sentiment beschouwd, dat door discipline wordt bereikt, maar zijn eeuwige perfectie wordt pas duidelijk, zodra het zich in het hart manifesteert.

Vrajanātha: Wat is de onderscheidende eigenschap van sādhana?

Bābājī: Sādhana-bhakti is iedere methode, die het verstand traint om Kṛṣṇa bewust te worden.

Vrajanātha: Hoeveel soorten sādhana-bhakti zijn er?

Bābājī: Er zijn twee soorten: vaidhī en rāgānugā.

Vrajanātha: Wat is vaidhī-bhakti?

Bābājī: De spirituele neiging van de jīva is op twee manieren manifest. De regulerende principes in de codes van śāstra worden vidhi genoemd en de neiging, die zijn oorsprong heeft in deze vidhi wordt vaidhi-pravṛtti (de neiging tot het volgen van śāstra) genoemd, en bhakti, dat wordt veroorzaakt door de discipline van śāstra, wordt vaidhī-bhakti genoemd, omdat ze haar oorsprong vindt in vaidhī-pravṛtti.

Vrajanātha: Later zal ik vragen stellen over de karakteristieken van spontane aantrekking (rāga). Wilt u nu alstublieft de karakteristieken van vidhi beschrijven?

Bābājī: De śāstras hebben regulerende plichten voorgeschreven, die vidhi heten, en hebben bepaalde verboden activiteiten (niṣedha) niet toegestaan. De voorgeschreven plicht (vaidha-dharma) voor de jīvas is alle regulerende principes te volgen en alle verboden activiteiten te vermijden.

Vrajanātha: Uw uitleg geeft de indruk, dat vaidha-dharma uit de voorschriften en regulerende principes van alle śāstras bestaat, maar de jīvas van Kali-yuga zijn zwak en hebben een korte levensduur, dus ze kunnen de voorschriften en verboden van alle śāstras niet bestuderen en daardoor kunnen ze zich niet van vaidha-dharma zekerstellen. Geven de śāstras aanwijzingen hoe we vidhi-niṣedha op een bondige en praktische manier kunnen bepalen?

Bābājī: Er staat in Padma Purāṇa (42.103) en Nārada-pacarātra (4.2.23) geschreven,

smarttavyaḥ satataṁ viṣṇur vismarttavyo na jātucit
sarve vidhi-niṣedhāḥ syur etayor eva kiṅkarāḥ

Denk altijd aan Viṣṇu en vergeet Hem nimmer. Alle andere verboden en aanbevelingen zijn dienaren van deze twee instructies.

De betekenis is, dat het instellen van alle verscheidene soorten vidhi en niṣedha in de śāstras zijn gebaseerd op deze twee zinnen. Plicht (vidhi) wordt verzekerd datgene te zijn, wat maakt, dat je constant aan Bhagavān denkt en verboden activiteiten (niṣedha) veroorzaken, dat je Hem vergeet. "Herinner je Bhagavān Śrī Viṣṇu constant gedurende je hele leven" is het basisvoorschrift (vidhi), en het instituut van varṇāśrama enzovoort voor de instandhouding van de jīvas is daaraan ondergeschikt. "Vergeet Kṛṣṇa nooit" is het basisverbod (niṣedha). Al het andere zoals het achterwege laten van zondige activiteiten, het vermijden van de neiging om je aandacht van Kṛṣṇa te laten afdwalen (kṛṣṇa-bahirmukhatā) en boeten voor zondige activiteiten zijn allemaal ondergeschikt aan deze basisinstructie van vidhi-niṣedha. Daarom zijn alle regels en verboden, die in de śāstras worden beschreven, eeuwige dienaren van de regel om Kṛṣṇa voortdurend in gedachten te houden en het verbod is om Hem nooit te vergeten. Hieruit volgt, dat het regulerende principe van het herinneren van Kṛṣṇa het fundamentele principe is van alle reguleringen van varṇāśrama en dergelijke instituties.

śrī-camasa uvāca
mukha-bāhūru-pādebhyaḥ puruṣasyāśramaiḥ saha
catvāro jajire varṇā guṇair viprādayaḥ pṛthak
ya eṣāṁ puruṣaṁ sākṣād ātma-prabhavam īśvaram
na bhajanty avajānanti sthānād bhraṣṭāḥ patanty adhaḥ
Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.2-3)

Śrī Camasa zei, "De brāhmaṇas kwamen voort uit de mond van de premordiale Śrī Viṣṇu, de kṣatriya's uit Zijn armen, de vaiśya's uit Zijn dijen en de śūdra's uit Zijn voeten. Deze vier varṇa's kwamen met hun specifieke eigenschappen tot stand, evenals de vier specifieke āśramas. Iemand, die in deze varṇa's en āśramas leeft, raakt bedwelmd door zijn hoge sociale positie (varṇa) en spirituele positie (āśrama) en veronachtzaamt de verering van zijn iṣṭadeva, Bhagavān Śrī Viṣṇu, of geeft Hem zelfs geen respect. Zo iemand valt uit zijn positie in het systeem van varṇa en āśrama, verliest al zijn prestige en neemt geboorte in lagere levenssoorten."

Vrajanātha: Hoe komt het, dat niet iedereen, die de voorschriften van varṇāśrama volgt, kṛṣṇa-bhakti beoefent?

Bābājī: Śrīla Rūpa Gosvāmī legt uit, dat onder al diegenen, die de regulerende principes van śāstra volgen, alleen diegenen, die vertrouwen in bhakti ontwikkelen, geschikt zijn om zich met bhakti bezig te houden. Ze worden niet aangetrokken tot de reguleringen van het materile leven, noch verzaken ze het materile leven. Ze volgen juist de gang van zaken in het geciviliseerde bestaan om zichzelf in stand te houden en beoefenen tegelijkertijd de sādhana van śuddhā-bhakti als een gevolg van sukṛti verzameld in de loop van vele levens. Er zijn drie typen van zulke trouwe mensen: de kaniṣṭha (neofiet), de madhyama (middelmatige bhakta) en de uttama (hoog verheven bhakta).

Vrajanātha: In de Bhagavad-gītā wordt gezegd, dat vier typen mensen bhakti uitvoeren: ārtta (degenen, die in nood zitten), jijāsu (de nieuwsgierigen), arthārthī (degenen, die rijkdom verlangen) en jānis (degenen, die naar kennis van de Absolute zoeken). Voor welk soort bhakti zijn zij gekwalificeerd?

Bābājī: Als ze met heilige sādhu's associren, worden hun nood, hun nieuwsgierigheid, hun verlangen naar rijkdom en hun verlangen naar kennis weggenomen en ze ontwikkelen vertrouwen in onvermengde toegewijde dienst. Op dat moment zijn ze onmiddellijk gekwalificeerd om zich met bhakti bezig te houden. De voornaamste voorbeelden hiervan zijn respectievelijk Gajendra, Śaunaka en de andere ṛṣi's in Naimiṣāraṇya, Dhruva en de vier Kumāra's.

Vrajanātha: Krijgen toegewijden over het algemeen bevrijding?

Bābājī: Er zijn vijf soorten bevrijding: sālokya, leven op dezelfde planeet als Bhagavān; sārṣṭi, het hebben van dezelfde vermogens en overvloed als Bhagavān; sāmīpya, het hebben van constante associatie met Bhagavān; sārūpya, het hebben van dezelfde lichaamskenmerken als Bhagavān; en sāyujya, nworden met Bhagavān. Bhakta's van Śrī Kṛṣṇa aanvaarden sāyujya-mukti voor geen enkele prijs, want dit is schaamteloos tegengesteld aan de principes van bhakti. Sālokya, sārṣṭi, sāmīpya en sārūpya zijn weliswaar niet volkomen aan bhakti tegengesteld, maar ze bevatten toch nog wat tegendraadse elementen. De bhakta's van Kṛṣṇa wijzen deze vier soorten bevrijding, die in Śrī Nārāyaṇa's woonplaats worden gemanifesteerd, dus ook volledig af.

Onder sommige omstandigheden geven deze vormen van bevrijding comfort en overvloed, terwijl ze in hun rijpe stadia naar prema-bhakti leiden. Als hun hoogste resultaat alleen comfort en overvloed betreft, dienen bhakta's ze eenvoudig af te wijzen. Hoezo bevrijding? Zelfs de prasāda van Nārāyaṇa is voor zuivere bhakta's van Śrī Kṛṣṇa niet eens interessant. In het perspectief van siddhānta hebben Śrī Nārāyaṇa en Śrī Kṛṣṇa dezelfde fundamentele vorm en natuur (svarūpa), maar in het perspectief van rasa is Śrī Kṛṣṇa's superspeciale glorie een eeuwig feit.

Vrajanātha: Zijn alleen degenen, die in Āryan families zijn geboren en de regulerende principes van varṇāśrama volgen, geschikt om zich met bhakti bezig te houden?

Bābājī: Het hele menselijke ras is geschikt om de bekwaamheid voor bhakti te bereiken.

Vrajanātha: In dat geval lijkt het erop, dat mensen, die zich in varṇāśrama bevinden, twee groepen plichten moeten volgen de principes van varṇāśrama en de regels van śuddhā-bhakti terwijl degenen, die zich buiten varṇāśrama bevinden, slechts n plicht hebben, namelijk het volgen van de onderdelen (aṅga's) van bhakti. Dit betekent, dat de mensen in varṇāśrama harder moeten werken, omdat ze zowel de materile spelregels als de spirituele principes moeten volgen. Waarom is dat?

Bābājī: Een bhakta, die is gekwalificeerd voor śuddhā-bhakti, kan zich in varṇāśrama bevinden, maar zijn enige plicht is het volgen van de aṅga van bhakti en dan worden al zijn wereldse plichten automatisch vervuld. Er is geen fout in het veronachtzamen van wereldse plichten, als ze onafhankelijk zijn van bhakti, of aan bhakti zijn tegengesteld. Een gekwalificeerde bhakta is van nature niet geneigd om voorgeschreven plichten te verwaarlozen of verboden activiteiten uit te voeren. Als hij desondanks per ongeluk een zonde begaat, hoeft hij niet de boetedoeningen uit te voeren, die worden voorgeschreven in de conventies, die karma besturen. Als bhakti in het hart woont, creren de zonden, die de bhakta per ongeluk begaat, geen langdurige indrukken en ze worden heel gemakkelijk en snel weer teniet gedaan. Dat is de reden, waarom bhakta's geen afzonderlijke boete hoeven te doen.

Vrajanātha: Hoe kan een gekwalificeerde bhakta zijn schulden aan de devatā's en anderen aflossen?

Bābājī: In Śrīmad-Bhāgavatam wordt gezegd, dat degenen, die zich onder bescherming van Bhagavān bevinden, bij niemand schulden hebben.

devarṣi-bhūtāpta-nṛṇāṁ pitṛṇāṁ
na kiṅkaro nāyam ṛṇī ca rājan
sarvātmanā yaḥ śaraṇaṁ śaraṇyaṁ
gato mukundaṁ parihṛtya karttam
Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.41)

Iemand, die zich volledig overgeeft aan Bhagavān Mukunda, de toegenegen beschermer van de overgegeven zielen, blijft niet langer verschuldigd aan de devatā's, de voorouders, andere levende wezens, familieleden, of gasten. Hij is aan niemand ondergeschikt en hij is niet verplicht iemand te dienen.

De betekenis van de laatste instructie van de Bhagavad-gītā (18.66) is, dat Śrī Kṛṣṇa je bevrijdt van al je zonden, als je alle vormen van plichten opgeeft en onder Zijn bescherming komt. De essentie van de Gītā is, dat de persoon, die voor onvermengde bhakti wordt gekwalificeerd, niet langer verplicht is de regulerende principes van jāna-śāstra en karma-śāstra te volgen. In tegendeel, hij verkrijgt alle perfectie door eenvoudig het pad van bhakti te volgen. Daarom verklaart Śrī Kṛṣṇa, na me bhaktaḥ praṇaśyati, "Mijn bhakta wordt nimmer verslagen." Dus deze belofte van Śrī Kṛṣṇa dient boven alles te worden gehouden.

Toen Vijaya Kumāra en Vrajanātha deze woorden hoorden, zeiden ze, "We hebben in ons hart geen twijfels meer met betrekking tot bhakti. We hebben begrepen, dat jāna en karma van weinig belang zijn en dat zonder de genade van Bhakti-devī er geen heil voor de jīva is. Prabhu, weest u nu zo genadig ons leven succesvol te maken door ons over de aṅga's van śuddhā-bhakti te vertellen."

Bābājī: Vrajanātha, jij heb Daśa-mūla tot de achtste śloka gehoord. Je kunt ze later aan je oom vertellen. Ik ben erg tevreden hem te zien. Luister nu naar de negende śloka,

śrutiḥ kṛṣṇākhyānaṁ smaraṇa-nati-pūjā-vidhi-gaṇāḥ
tathā dāsyaṁ sakhyaṁ paricaraṇam apy ātma-dadanam
navāṅgāny etānīha vidhi-gata-bhakter anudinaṁ
bhajan śraddhā-yuktaḥ suvimala-ratiṁ vai sa labhate

Men dient bhajana van de negen processen van vaidhī-bhakti uit te voeren, namelijk, horen, chanten, herinneren, gebeden opzenden, vereren, Kṛṣṇa's lotusvoeten dienen, optreden als Kṛṣṇa's dienaar, Kṛṣṇa's vriend worden en zichzelf volledig aan Śrī Kṛṣṇa overgeven. Iemand, die dagelijks op deze manier met vertrouwen bhajana beoefent, krijgt zuivere kṛṣṇa-rati.

Śravaṇam, kīrtanam, smaraṇam, vandanam, pāda-sevanam, ārcanam, dāsyam, sakhyam en ātma-nivedanam: degenen, die deze negen onderdelen van vaidhī-bhakti dagelijks met vertrouwen praktiseren, ontwikkelen zuivere liefde voor Śrī Kṛṣṇa. Horen (śravaṇa) heeft plaats, wanneer de beschrijvingen van Kṛṣṇa's transcendentale heilige naam, vorm, kwaliteiten en spel met de oren in contact komen. Er zijn twee stadia van śravaṇa. De eerste is het horen van de beschrijvingen van Kṛṣṇa's kwaliteiten in de associatie van śuddhā-bhakta's nog vrdat śraddhā wordt ontwikkeld. Deze soort śravaṇa schept vertrouwen, zodat men een hevig verlangen ontwikkelt om meer te horen over śrī-kṛṣṇa-nāma en Zijn kwaliteiten. Nadat je zulk vertrouwen hebt ontwikkeld, hoor je Kṛṣṇa's transcendentale namen en kwaliteiten met grote gretigheid van Śrī Guru en Vaiṣṇavas, en dat is de tweede soort śravaṇa. Śravaṇa is n van de onderdelen van śuddhā-bhakti, en śravaṇa in de geperfectioneerde staat wordt gemanifesteerd als resultaat van het horen van guru en Vaiṣṇavas in het stadium van spirituele beoefening. Śravaṇa is de eerste aṅga van bhakti.

Kīrtana heeft plaats, wanneer śrī-hari-nāma en de beschrijvingen van Zijn vorm, kwaliteiten en spel met de tong in contact komen. Er zijn vele verschillende soorten kīrtana, zoals discussies over Śrī Kṛṣṇa's spel, het beschrijven van śrī-kṛṣṇa-nāma, aan anderen uit śāstra voorlezen, anderen tot Kṛṣṇa aantrekken door over Hem te zingen, smeekbeden uitspreken om Zijn genade aan te roepen, Zijn glorie aan anderen verklaren, het zingen van bhajana's ter ere van het Godsbeeld, gebeden opzenden, enzovoort. Kīrtana is als beschreven superieur aan alle andere negen aṅga's van bhakti en dit is vooral waar in Kali-yuga, wanneer alleen kīrtana in staat is om heil over iedereen uit te storten. Dit staat in alle śāstras,

dhyāyan kṛte yajan yajais tretāyāṁ dvāpare 'rcayan
yad āpnoti tad āpnoti kalau saṅkīrtya keśavam
Padma Purāṇa, Uttara-khaṇḍa (72.25)

Datgene, wat ooit werd bereikt door meditatie in Satya-yuga, door het uitvoeren van yaja in Tretā-yuga en door Kṛṣṇa's lotusvoeten te vereren in Dvāpara-yuga, kan in het tijdperk van Kali ook worden verkregen door eenvoudig te chanten en Śrī Keśava te vereren.

Geen enkele methode zuivert het hart zo effectief als hari-kīrtana. Als vele toegewijden samen kīrtana uitvoeren, wordt het saṅkīrtana genoemd.

Het zich herinneren van Kṛṣṇa's naam, vorm, kwaliteiten en spel wordt smaraṇam genoemd, waarvan vijf soorten bestaan. Smaraṇam betekent nadenken over een onderwerp, dat voorheen werd gehoord of ervaren. Dhāraṇā betekent de geest op n bepaald onderwerp gericht houden door de geest van andere objecten weg te nemen. Dhyānam betekent op n specifieke vorm mediteren. Wanneer dhyānam ononderbroken is als een constante stroom waardevolle olie, wordt het dhruvānusmṛti genoemd, en samādhi is de staat, waarin men zich niet meer van de realiteit van de buitenwereld gewaar is en zich alleen nog bewust is van meditatieobjecten in het hart.

Śravaṇam, kīrtana en smaraṇam zijn de drie primaire aṅga's van bhakti, want alle andere aṅga's zijn hierin opgesloten, en van deze drie aṅga's is kīrtana de beste en belangrijkste, omdat śravaṇam en smaraṇam erin besloten liggen.

Volgens Śrīmad-Bhāgavatam (7.5.23),

śravaṇaṁ kīrtanaṁ viṣṇoḥ smaraṇaṁ pāda-sevanam
arcanaṁ vandanaṁ dāsyaṁ sakhyam ātma-nivedanam

Horen en chanten over Śrī Viṣṇu's transcendentale naam, vorm, kwaliteiten enzovoort; deze herinneren; Zijn lotusvoeten dienen; Hem met zestien soorten artikelen vereren; Hem gebeden aanbieden; Zijn dienaar worden; een vriendschappelijke houding jegens Hem aannemen; en alles aan Hem overgeven (met andere woorden, Hem dienen met lichaam, geest en woorden) deze negen worden als śuddhā-bhakti aanvaard.

De vierde aṅga van bhakti is service verlenen (pāda-sevā of paricaryā). Pāda-sevā dient ook samen met śravaṇam, kīrtana en smaraṇam te worden uitgevoerd. Men dient pāda-sevā in een nederige houding uit te voeren en te begrijpen, dat men voor de service niet is gekwalificeerd. Het is ook essentieel het object van service als sac-cid-ānanda, de belichaming van eeuwigheid, kennis en vreugdevolle zegen, te realiseren. Pāda-sevā betekent ook het gelaat van Śrī Kṛṣṇa's Godsbeeld aanschouwen, Hem aanraken, om Hem heen lopen, Hem volgen en heilige plaatsen bezoeken, zoals Śrī Bhagavāns tempel, de Gaṅgā, Jagannātha Purī, Dvārakā, Mathurā, Navadvīpa, enzovoort. Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft ze op zeer heldere en levendige wijze in zijn beschrijving van de vierenzestig aṅga's van bhakti gepresenteerd. De service aan Śrī Tulasī en śuddhā-bhakta's horen ook bij deze aṅga.

De vijfde aṅga is verering (arcana). Er bestaan vele inachtnemingen met betrekking tot kwalificatie en methoden van verering. Als men tot het pad van arcana is aangetrokken, zelfs nadat men is betrokken in śravaṇam, kīrtana en smaraṇam, dient men arcana uit te voeren, nadat men op de juiste wijze de dīkṣā-mantra van Śrī Gurudeva heeft aanvaard.

Vrajanātha: Wat is het verschil tussen nāma en mantra?

Bābājī: Śrī Hari's naam is het leven en de ziel van mantra. De ṛṣi's hebben woorden, zoals namaḥ ('eerbetuigingen') aan śrī-hari-nāma toegevoegd en hebben zijn specifieke kracht geopenbaard. Śrī-hari-nāma heeft van nature niets met deze materile wereld te maken, terwijl de jīva, vanwege diverse lichaamskenmerken, die hem door māyā zijn gegeven, bij objecten van de levenloze materie wordt gesleept. Met de bedoeling om de geest van de jīva te onthechten van zijn lustobjecten zijn er verschillende principes van arcana op het pad van gereguleerde, toegewijde dienst (maryādā-mārga) gevestigd. Het is voor materialistische mensen essentieel om dīkṣā te aanvaarden. Als men de kṛṣṇa-mantra chant, worden siddha-sādhya-susiddha-ari niet in aanmerking genomen.[2]

Inwijding in het exclusieve chanten van de kṛṣṇa-mantra is uitermate heilzaam voor de jīva, want van alle verschillende mantra's ter wereld is de kṛṣṇa-mantra de krachtigste. Een bonafide leerling krijgt onmiddellijk kracht van Kṛṣṇa, wanneer een bonafide geestelijk leermeester hem in deze mantra inwijdt. Na initiatie onderwijst Gurudeva de onderzoekende leerling met betrekking tot de uitvoering van arcana. Kortom, arcana-mārga betreft ook het inachtnemen van Śrī Kṛṣṇa's Verschijningsdag, het vasten in de maand Kārttika, het vasten op Ekādaśī, het baden in de maand Māgha, en soortgelijke activiteiten. Men dient ook te begrijpen, dat men zeker zowel Kṛṣṇa's bhakta's als Kṛṣṇa Zelf op het pad van arcana dient te vereren.

De zesde aṅga van vaidhī-bhakti is het aanbieden van gebeden en eerbetuigingen (vandanam). Dit ligt besloten in pāda-sevā en kīrtana, maar het wordt toch als een afzonderlijke aṅga van bhakti beschouwd. Namaskara zelf wordt ook vandanam genoemd. Ekāṅga-namaskara en met acht delen van het lichaam op de grond (aṣṭāṅga-namaskara) eerbetuigingen brengen zijn twee typen namaskara. Het wordt als een overtreding beschouwd door met n hand op de grond eerbetuigingen te brengen; door het brengen van eerbetuigingen met het lichaam bedekt met kleding, door het brengen van eerbetuigingen achter het Godsbeeld; door het brengen van eerbetuigingen liggend op de grond, waarbij het lichaam wijst in de richting van het Godsbeeld, of met de rechter zijde naar het Godsbeeld gericht; en door het aanbieden van eerbetuigingen in de garbha-mandira (kleedkamer van het Godsbeeld).

Het verrichten van service (dāsyam) is de zevende aṅga van bhakti. "Ik ben Kṛṣṇa's dienaar" dit ego of zelfbeeld is dāsyam, en bhajana uitgevoerd met het gevoel een dienaar te zijn is de allerhoogste bhajana. Dāsyam omvat het aanbieden van eerbetuigingen, het reciteren van gebeden, het offeren van alle activiteiten, dienen, zich juist gedragen, zich herinneren en opdrachten uitvoeren (kathā-śravaṇam).

De achtste aṅga van bhakti is dienen als vriend (sakhyam), hetgeen het gevoel van verwantschap met Kṛṣṇa insluit gepaard gaande met pogingen voor Zijn welbevinden. Er zijn twee vormen van sakhyam: vriendschap in vaidhī-bhakti en vriendschap in rāgānugā-bhakti, maar Śrī Prahlāda's śloka verwijst naar vaidhāṅga-sakhyam; bijvoorbeeld, het gevoel van sakhyam bij het dienen van het Godsbeeld is vaidha-sakhyam.

De negende aṅga heet ātma-nivedanam, wat betekent het gehele zelf lichaam, geest en het zuivere ātmā aan Śrī Kṛṣṇa offeren. De karakteristieke eigenschappen van ātma-nivedanam zijn het ondernemen van exclusieve pogingen voor Kṛṣṇa en een gebrek aan activiteiten in het eigenbelang. Het is ook kenmerkend voor ātma-nivedanam, dat men leeft om de wens van Kṛṣṇa te dienen en de eigen verlangens ondergeschikt houdt aan Kṛṣṇa's verlangen, zoals een koe, die is gekocht, geen moeite doet zichzelf in stand te houden.

Ātma-nivedanam in vaidhī-bhakti wordt in Śrīmad-Bhāgavatam (9.4.18-20) alsvolgt omschreven,

sa vai manaḥ kṛṣṇa-padāravindayor
vacāṁsi vaikuṇṭha-guṇānuvarṇane
karau harer mandira-mārjanādiṣu
śrutiṁ cakārācyuta-sat-kathodaye

Ambarīṣa Mahārāja gebruikte zijn verstand voor het dienen van de lotusvoeten van Śrī Kṛṣṇa, zijn woorden voor het beschrijven van de kwaliteiten van Śrī Bhagavān, zijn handen voor het schoonmaken van Śrī Hari's tempel en zijn oren voor het horen van Acyuta's zegenrijke spel en vermaak.

mukunda-liṅgālaya-darśane dṛśau
tad-bhṛtya-gātra-sparśe 'ṅga-saṅgamam
ghrāṇaṁ ca tat-pāda-saroja-saurabhe
śrīmat-tulasyāṁ rasanāṁ tad-arpite

Hij gebruikte zijn ogen om het Godsbeeld van Mukunda, verschillende tempels en de heilige plaatsen te zien; al zijn ledematen voor het aanraken van de lichamen van Kṛṣṇa's bhakta's; zijn neusgaten voor het ruiken van de goddelijke geur van tulasī geofferd aan Kṛṣṇa's lotusvoeten; en zijn tong om de prasāda, die aan Bhagavān was geofferd, te proeven.

pādau hareḥ kṣetra-padānusarpaṇe
śiro hṛṣīkeśa-padābhivandane
kāmaṁ ca dāsye na tu kāma-kāmyayā
yathottama-śloka-janāśrayā ratiḥ

Zijn voeten gebruikte hij altijd om naar Bhagavāns heilige plaatsen te lopen en hij bood zijn eerbetuigingen aan Śrī Kṛṣṇa's lotusvoeten aan. Ambarīṣa Mahārāja offerde bloemenkransen, sandalhout, bhoga en soortgelijke artikelen in Bhagavāns service niet met het verlangen om zelf te genieten, maar om de liefde voor Śrī Kṛṣṇa te ontvangen, die alleen aanwezig is in Zijn śuddhā-bhakta's.

Toen Vijaya Kumāra en Vrajanātha de zeer zoete en zegenrijke instructies van Bābājī Mahāśaya hadden gehoord, werden ze met vreugde overweldigd en boden hem hun eerbetuigingen aan en zeiden, "Prabhu, u bent rechtstreeks Bhagavāns persoonlijke metgezel. We zijn alletwee vandaag gezegend door uw ambrozijnen instructies te mogen ontvangen. We hebben onze dagen in de vruchteloze arrogantie van kaste, familie en een hoge opleiding gesleten. Door de rijkdom van sukṛti verzameld over vele voorgaande levens hebben we uw genade gekregen."

Vijaya: O meest vooraanstaande van de bhāgavata's, Śrī Vṛndāvana dāsa Ṭhākura heeft me opgedragen de Yoga-pīṭha in Śrī Māyāpura te bezoeken. Door zijn genade heb ik darśana van die heilige plaats genomen en ook van een persoonlijke metgezel van Śrī Bhagavān. Als u het goedvindt, kom ik morgenavond weer.

Toen de bejaarde Bābājī de naam van Śrī Vṛndāvana dāsa Ṭhākura hoorde, gaf hij onmiddellijk zijn daṇḍavats plat op de grond en zei, "Ik bied keer op keer mijn nederige eerbetuigingen aan de incarnatie van Vyāsadeva in Śrī Caitanya's spel aan."

Het was laat in de ochtend geworden en daarom vertrokken Vrajanātha en Vijaya Kumāra naar het huis van Vrajanātha.

Aldus eindigt het Negentiende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Abhidheya-Tattva"




[1] kṛti-sādhyā bhavet sādhya-bhāvā sā sādhanābhidhā / nitya-siddhasya bhāvasya prākaṭyaṁ hṛdi sādhyatā (Bhakti-rasāmṛta-sindhu, Purva Lahiri (2.2): "Sādhana-bhakti, of de regulerende uitvoering van toegewijde dienst, is een beoefening, die wordt uitgevoerd met de huidige zintuigen, waarbij bhāva (transcendentale liefdevolle dienst aan Kṛṣṇa) wordt bereikt. Deze bhāva bestaat eeuwigdurend in het hart van iedere jīva en het vermogen van sādhana-bhakti doet dit ontwaken."

śravaṇādi kriyā tāra svarūpa-lakṣaṇa / taṭastha-lakṣaṇe upajaya prema-dhana / nitya-siddha kṛṣṇa-prema 'sādhya' kabhu naya / śravaṇādi-śuddha-citte karaye udaya (Caitanya-caritāmṛta, Madhya Līlā 22.106-107): "De intrinsieke kenmerken van bhajana zijn de spirituele activiteiten van horen, chanten, herinneren, enzovoort. Een bijkomende eigenschap is, dat het kṛṣṇa-prema doet ontwaken."

Kṛṣṇa-prema is eeuwigdurend in het hart van alle jīvas gevestigd. Het is niet iets, dat kan worden verkregen uit een andere bron. Deze liefde ontwaakt van nature, wanneer het hart wordt gezuiverd door horen en chanten.


Aldus eindigt het Negentiende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Abhidheya-Tattva"


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


[2] Gurudeva geeft pas initiatie aan zijn leerling na de uitvoering van het zuiveringsproces van de vier gebreken van siddha, sādhya, susiddha en ari (vijand). Men kan Hari-bhakti-vilāsa, Eerste Vilāsa, Anuccheda 52-103 raadplegen met betrekking tot deze vier gebreken en hun remedies. Maar bij het chanten van de koning van alle mantra's, de kṛṣṇa-mantra van achttien letters (gopāla-mantra), is er geen noodzaak om deze vier defecten in beschouwing te nemen, omdat de mantra zo krachtig is, dat deze vier gebreken in vergelijking zeer weinig betekenen. In Trailokya Sammohana-tantra heeft Mahādeva gezegd, aṣṭādaśākṣara mantram adhikṛtya śrī-śivenoktam na cātra śātravā doṣo varṇesv ādi-vicaraṇā, en in Bṛhad-Gautamīya wordt gezegd, siddha-sādhya-susiddhāri-rūpa nātra vicāraṇā, sarveṣāṁ siddha-mantrānāṁ yato brahmākṣaro manuḥ. Iedere afzonderlijke letter van deze mantra is brahma.

_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 18 "Prameya: Bhedabheda-Tattva"

Volgende: Hoofdstuk 20 "Prameya: Abhidheya - Vaidhi-Sadhana-Bhakti"

Inhoud: Inhoud



Top

2017 Jayaradhe.nl