Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 18

Prameya: Bhedabheda-Tattva


Veṇī-mādhava heeft een slechte genius. Dus toen Vrajanātha hem minachtte, besloot hij wraak te nemen door Vrajanātha en de Vaiṣṇavaís uit Māyāpura een lesje te leren. Met een paar gelijkgestemde vrienden beraamde hij een plan om Vrajanātha, als hij uit Māyāpura terugkwam, op een afgelegen plek vlakbij Heuvel Lakṣmaṇa te omsingelen en hem een pak slaag te geven. Op de een of andere manier kreeg Vrajanātha lucht van dit alles en ging beraadslagen met Bābājī. Ze kwamen overeen, dat hij minder vaak naar Māyāpura zou komen en alleen overdag vergezeld van een lijfwacht.


Vrajanātha had een paar pachters in het dorp, onder wie Harīśa, die een deskundig stokvechter was. Op een dag riep Vrajanātha hem bij zich en deed hem een verzoek. Hij zei, "Harīśa, ik heb de laatste tijd wat problemen, maar als jij me helpt, kan ik daarvan afkomen."

Harīśa zei, "Ṭhākura, ik geef me leven voor je. Als je erom vraagt, zal ik je vijand vandaag nog ombrengen."

Vrajanātha antwoordde, "Veṇī-mādhava is een slecht figuur en is van plan problemen te veroorzaken. Hij creŽert zoveel verstoring, dat ik niet naar Śrīvāsāṅgana durf te gaan om de Vaiṣṇavaís te bezoeken. Hij heeft met een paar van zijn slechte vrienden afgesproken om op mijn weg naar huis voor problemen te zorgen."

Harīśa raakte verontrust, toen hij dit hoorde, en antwoordde, "Ṭhākura, zolang ik ademhaal, hoef je niet bang te zijn. Het ziet ernaar uit, dat deze stok van mij binnenkort goed van pas komt. Neem me met je mee, als je naar Māyāpura gaat en ik neem honderd tegenstanders voor mijn rekening." Nadat Vrajanātha deze regeling met Harīśa had getroffen, nam hij zijn bezoeken aan Māyāpura iedere tweede of vierde dag weer op, maar hij kon nooit laat blijven. Hij bleef zich steeds naar voelen op de dagen, waarop hij niet over tattva kon spreken.

Nadat ongeveer tien of twintig dagen op deze manier waren verstreken, werd de kwaadaardige Veṇī-mādhava door een slang gebeten en stierf. Toen Vrajanātha het nieuws hoorde, vroeg hij zich af, "Heeft hem dit noodlot getroffen wegens zijn afgunst op de Vaiṣṇavaís?" Toen concludeerde hij, "Zijn toebedeelde levensduur was beŽindigd en daarom is hij gestorven.

adya vābda-śatānte vā
mṛtyur vai prāṇiṇāṁ dhruvaḥ
††††††††††††††††††††††††††††††††† Śrīmad-Bhāgavatam (10.1.38)

Je kunt vandaag sterven of over honderden jaar, maar de dood is zeker voor ieder levend wezen. Dit is een eeuwige waarheid.

Nu is mijn pad naar Śrīvāsāṅgana in Māyāpura vrij."

Die dag bereikte Vrajanātha Śrīvāsāṅgana korte tijd na zonsondergang. Hij bood zijn eerbetuigingen aan Raghunātha dāsa Bābājī aan en zei, "Vanaf vandaag ben ik in staat uw lotusvoeten iedere dag te dienen, want het obstakel in de vorm van Veṇī-mādhava is uit de wereld vertrokken." Aanvankelijk raakte de goedmoedige Bābājī een beetje onthutst bij het vernemen van de dood van deze spiritueel onbewuste persoon (anudita-viveka-jīva). Toen kalmeerde hij en zei, "Sva-karma-phala-bhuk pumān, 'Iedereen geniet van zijn karma of lijdt onder de resultaten ervan.' De jīva behoort Kṛṣṇa toe en hij gaat daar, waar Kṛṣṇa hem heenzendt. In ieder geval, Bābā, hoop ik, dat je je nu geen zorgen meer maakt."

Vrajanātha: Eťntje nog: ik heb al die dagen uw ambrozijnen gesprekken niet kunnen beluisteren. Vandaag wil ik de resterende instructies over Daśa-mūla horen.

Bābājī: Voor jou ben ik altijd beschikbaar. Welnu, waar zijn we de laatste keer opgehouden? Heb je nog vragen in je hart na onze laatste conversatie?

Vrajanātha: Wat is de naam van de zuivere en onschatbare filosofische les van Śrī Gaura Kiśora? De voorgaande ācāryaís hebben de filosofieŽn van advaita-vāda (exclusief monisme), dvaita-vāda (dualisme), śuddhādvaita-vāda (zuiver nondualisme), viśiṣtādvaita-vāda (speciaal nondualisme) en dvaitādvaita-vāda (dualisme met monisme) gevestigd. Heeft Śrī Gaurāṅgadeva ooit ťťn van deze geaccepteerd, of heeft Hij een nieuwe filosofische school gesticht?

Toen u me instructies gaf over het systeem van sampradāya, zei u, dat Śrī Gaurāṅgadeva tot de Brahma-sampradāya behoort. Moeten we Hem in dat geval als een ācārya beschouwen van de dvaita-vāda van Madhvācārya?

Bābājī: Bābā, je moet eens naar de achtste śloka van Daśa-mūla luisteren,

hareḥ śakteḥ sarvaṁ cid-acid akhilaṁ syāt pariṇatiḥ
vivartaṁ no satyaṁ śrutim iti viruddhaṁ kali-malam
harer bhedābhedau śruti-vihita-tattvaṁ suvimalaṁ
tataḥ premnaḥ siddhir bhavati nitarāṁ nitya-viṣaye
††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Daśa-mūla (8)

De totale spirituele en materiŽle schepping is een transformatie van Śrī Kṛṣṇa's śakti. De onpersoonlijke filosofie van illusie (vivarta-vāda) is onwaar. Deze is een onzuiverheid, die geproduceerd is door Kali-yuga en is tegengesteld aan de leerstellingen van de veda's. De veda's ondersteunen acintya-bhedābheda-tattva (onbevattelijke eenheid en verscheidenheid) als zuivere en absolute doctrine, en men kan volmaakte liefde voor de Eeuwig Absolute krijgen, wanneer men dit principe aanvaardt.

De samenvattende conclusies van de upaniṣaden zijn de Vedānta en om hun exacte betekenis aan het licht te brengen heeft Vyāsadeva een boek van vier hoofdstukken samengesteld, dat Brahma-sūtra of Vedānta-sūtra heet. De Vedānta dwingt groot respect af in intellectuele kringen. In principe wordt Vedānta-sūtra breed geaccepteerd als de juiste uitleg van de waarheden, die in de veda's worden onderwezen. Uit deze Vedānta-sūtra trekken verschillende ācāryaís verschillende conclusies, die juist geschikt zijn om hun eigen filosofie te onderbouwen.

Śrī Śaṅkarācārya heeft Vedānta-sūtra gebruikt om zijn onpersoonlijke theorie van illusie te onderbouwen, die vivarta-vāda wordt genoemd. Hij zei, dat je juist de essentie van brahma compro- mitteert, als je transformatie in brahma aanvaardt, dat de doctrine van transformatie (pariṇāma-vāda) daarom geheel verkeerd is en dat vivarta-vāda de enig redelijke filosofie is. Naar eigen behoefte verzamelde Śrī Śaṅkarācārya een paar Vedische mantra's om zijn vivarta-vāda te onderbouwen, die we ook kennen als Māyāvāda. Hieruit kunnen we afleiden, dat pariṇāma-vāda (transformatie in brahma) al heel vroeg populair is geweest en dat Śrī Śaṅkara de acceptatie ervan tegenhield door vivarta-vāda (theorie van illusie) te vestigen, die een sectarische doctrine is.

Śrīman Madhvācārya was niet tevreden met vivarta-vāda, dus hij stelde de doctrine van dualisme (dvaita-vāda) voor, die ook hij voorzag van onderbouwende uitspraken uit de veda's om zijn eigen doel te dienen. Op dezelfde manier leerde Rāmanujācārya speciaal nondualisme (viśiṣtādvaita-vāda), Śrī Nimbādityācārya leerde dualisme met monisme (dvaitādvaita-vāda) en Śrī Viṣṇusvāmī leerde zuiver nondualisme (śuddhādvaita-vāda). Śrī Śaṅkarācārya's māyāvāda-filosofie is tegengesteld aan de basisprincipes van bhakti. Iedere vaiṣṇava-ācārya heeft beweerd, dat zijn principes op bhakti zijn gebaseerd, terwijl er verschillen zijn tussen de diverse filosofieŽn, die ze onderwezen. Śrīman Mahāprabhu aanvaardde met het nodige respect alle Vedische conclusies en gaf hun essentie in Zijn eigen instructies weer. Mahāprabhu leerde de doctrine van acintya-bhedābheda-tattva (onbevattelijke gelijktijdige eenheid en verscheidenheid). Hij bleef weliswaar binnen de sampradāya van Śrīman Madhvācārya, maar toch accepteerde Śrīman Mahāprabhu alleen de essentie van Madhvācārya's doctrine.

Vrajanātha: Wat is de doctrine van pariṇāma-vāda (transformatie)?

Bābājī: Er zijn twee soorten pariṇāma-vāda: brahma-pariṇāma-vāda (de doctrine van transformatie in brahma) en tat-śakti-pariṇāma-vāda (de doctrine van de transformatie van energie). Degenen, die in brahma-paniṇāma-vāda (de transformatie in brahma) geloven, zeggen, dat de acintya (onbevattelijke) en nirviśeṣa (vormloze) brahma zichzelf transformeert in zowel levende wezens als de levenloze materiŽle wereld. Om dit geloof te onderbouwen citeren ze uit de Chāndogya Upaniṣad (6.2.1), ekam evādvitīyam, "Vůůr de manifestatie van dit universum bestond alleen de Absolute Waarheid, een nonduale tattva, die in waarheid existeert."

Volgens deze Vedische mantra is brahma de enige vastu (substantie), die we dienen te aanvaarden. Deze theorie heet ook nondualisme, of advaita-vāda. Kijk, in deze theorie wordt het woord pariṇāma (progressieve transformatie) gebruikt, maar het eigenlijke proces, dat het beschrijft, is in feite vikāra (destructie of deformatie).

Degenen, die de transformatie van energie (śakti-pariṇāma-vāda) leren, accepteren geen enkele transformatie in brahma. Zij zeggen, dat de onbevattelijke śakti, of het vermogen van brahma, wordt getransformeerd. Het onderdeel van jīva-śakti in het vermogen van brahma transformeert in de individueel spirituele jīvaís en het onderdeel van māyā-śakti transformeert in de materiŽle wereld. Volgens deze theorie is er pariṇāma (transformatie), maar geen pariṇāma van brahma.

sa-tattvato 'nyathā-buddhir vikāra ity udāhṛtaḥ
††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Sadānanda's Vedānta-sāra (59)

Het woord vikāra (modificatie) betekent, dat iets lijkt op wat het in feite niet is.

Brahma wordt aanvaard als een vastu (basissubstantie), waaruit twee afzonderlijke producten verschijnen, namelijk de individuele zielen en deze materiŽle wereld. De verschijning van substanties, die van nature verschillend zijn van de oorspronkelijke substantie, heet vikāra (modificatie).

Wat is een vikāra? Het is gewoon iets, dat lijkt iets te zijn, wat het eigenlijk niet is. Bijvoorbeeld, melk wordt getransformeerd in yogurt. Hoewel yogurt melk is, wordt het yogurt genoemd en deze yogurt is de vikāra of modificatie van de oorspronkelijke substantie, in dit geval melk. Volgens brahma-pariṇāma-vāda zijn de materiŽle wereld en de jīvaís de vikāra van brahma. Zonder enige twijfel is dit idee onzuiver en wel om de volgende redenen: degenen, die deze theorie naar voren brengen, aanvaarden het bestaan van slechts ťťn substantie, namelijk de nirviśeṣa-brahma. Maar hoe kan deze brahma in een tweede substantie worden gemodificeerd, als niets anders behalve brahma bestaat? De theorie zelf staat geen modificatie van brahma toe.

Het aanvaarden van modificatie tart alle logica, waardoor brahma-pariṇāma-vāda onder geen voorwaarde redelijk is. In śakti-pariṇāma-vāda is echter niet een dergelijke fout, omdat volgens deze filosofie brahma te allen tijde onveranderd blijft. Bhagavāns onbevattelijke vermogen, dat het onmogelijke mogelijk maakt (aghatana-ghatana-patīyasī-śakti), heeft een atomisch deeltje, dat op sommige plaatsen in individuele zielen wordt getransformeerd. Het heeft ook een schaduwgedeelte, dat op andere plaatsen in materiŽle universa wordt getransformeerd. Toen brahma wenste, "Laat er levende wezens zijn," produceerde het jīva-śakti-gedeelte van het superieure vermogen (parā-śakti) onmiddellijk ontelbaar veel zielen. Op dezelfde manier manifesteerde het vermogen van māyā, de schaduwvorm van parā-śakti, toen brahma het bestaan van de materiŽle wereld wenste, onmiddellijk de onoverzienbare, onbeweeglijke, materiŽle wereld. Brahma zou deze veranderingen aanvaarden en zelf vrij van transformatie blijven.

Je zou je kunnen afvragen, "Verlangen op zichzelf is een transformatie, dus hoe kan deze transformatie zich in de willoze brahma voordoen?" Het antwoord is, "Je vergelijkt het verlangen van brahma met het verlangen van de jīva en noemt het een vikāra (modificatie). Welnu, de jīva is een onbetekenende śakti en als hij een verlangen heeft, komt dat verlangen voort uit contact met een andere śakti. Om deze reden wordt het verlangen van de jīva vikāra genoemd. Het verlangen van brahma echter valt niet in deze categorie. Het onafhankelijke verlangen van brahma is een intrinsiek onderdeel van zijn natuur. Het is ťťn met de śakti van brahma en is er tegelijkertijd verschillend van. Daarom is het verlangen van brahma de svarūpa van brahma en er is geen plaats voor vikāra. Wanneer brahma verlangt, wordt śakti actief en alleen śakti wordt getransformeerd. Dit subtiele punt bevindt zich boven het onderscheidingsvermogen van de beperkte intelligentie van de jīva en kan alleen worden begrepen door middel van de getuigenis van de veda's.

Nu moeten we de pariṇāma (transformatie) van śakti in ogenschouw nemen. De analogie met melk, die in yogurt verandert, is niet het beste voorbeeld om śakti-pariṇāma-vāda uit te leggen. MateriŽle voorbeelden geven geen volledig begrip van spirituele principes, maar ze kunnen ons toch verheldering geven met betrekking tot bepaalde specifieke aspecten. De cintāmaṇi-edelsteen is een materieel object, dat vele soorten juwelen kan produceren, maar wordt zelf op geen enkele wijze getransformeerd of gedeformeerd. Śrī Bhagavāns creatie van deze materiŽle wereld dient te worden begrepen als iets, dat hierop lijkt. Zodra Bhagavān iets verlangt, creŽert Zijn acintya-śakti (onbevattelijk vermogen) ontelbaar vele universa van veertien planetaire stelsels en werelden, waar de jīvaís kunnen leven, maar Hijzelf blijft absoluut onveranderd.

Deze 'ontransformeerbare' Allerhoogste dient niet te worden begrepen als nirviśeṣa (vormloos) en onpersoonlijk. In tegendeel, deze Allerhoogste is de grote en allesomvattende substantie, brahma (bṛhad-vastu-brahma). Hij is eeuwigdurend Bhagavān, de meester van de zes volheden. Als je Hem als louter nirviśeṣa aanvaardt, kun je Zijn spirituele śakti niet uitleggen. Door Zijn acintya-śakti existeert Hij tegelijkertijd zowel in persoonlijke als in onpersoonlijke vormen. De veronderstelling, dat Hij alleen nirviśeṣa is, betekent, dat je de halve waarheid aanvaardt zonder een volkomen begrip te hebben. Zijn relatie met de materiŽle wereld wordt in de veda's beschreven door gebruik te maken van de instrumentele (karaṇa) naamval om aan te duiden 'waardoor...'; de ablatieve (apādāna) naamval om aan te duiden 'waaruit...'; en de lokatieve (adhikāraṇa) naamval om aan te duiden 'waarin...'. In de Taittirīya Upaniṣad (3.1.1) wordt verklaard,

yato vā imāni bhūtāni jāyante
yena jātāni jīvanti
yat prayanty abhisaṁviśanti
tad vijijŮāsasva tad brahma

Men moet weten, dat brahma Diegene is, uit wie alle levende wezens worden geboren, door Wiens macht zij in leven blijven en in Wie zij ten einde terugkeren. Hij is degene, naar Wie men dient te informeren, Hij is brahma.[1]

In deze śloka, yato vā imāni, wordt de bezittende vorm (apādāna) voor Īśvara gebruikt, als wordt gezegd, dat de levende wezens uit Hem worden gemanifesteerd; yena, die de instrumentele vorm (karaṇa) is, wordt gebruikt wanneer wordt gezegd, dat alle cognitieve schepselen door Zijn macht leven; en yat, dat wijst op de plaatsbepaling (adhikāraṇa), wordt gebruikt, als wordt gezegd, dat alle levende wezens op het eind in Hem terugkeren. Deze drie symptomen tonen aan, dat de Absolute Waarheid Supreem is; dit is Zijn unieke kenmerk. Dit is de reden, waarom Bhagavān altijd saviśeṣa (in bezit van vorm, kwaliteiten en spel) is. Śrīla Jīva Gosvāmī beschrijft de Allerhoogste Persoon in deze woorden,

ekam eva parama-tattvaṁ svābhāvikācintya-śaktyā
sarvadaiva svarūpa-tad-rūpa-vaibhava-jīva-pradhāna-rūpeṇa
caturdhāvatiṣṭhate sūryāntar-maṇḍala-stha-teja iva
maṇḍala tad-bahirgata-tad-raśmi-tat-praticchavi-rūpeṇa

De Absolute Waarheid is ťťn. Zijn unieke eigenschap is, dat Hij over onbevattelijk vermogen beschikt, waardoor Hij altijd op vier manieren manifest is: 1) svarūpa (als Zijn oorspronkelijke vorm), 2) tad-rūpa-vaibhava (als Zijn persoonlijke uitstraling inclusief Zijn verblijfplaats en Zijn eeuwige metgezellen, expansies en avatāra's), 3) jīvaís (als de individuele spirituele zielen) en 4) pradhāna (als de materiŽle energie). Deze vier kenmerken zijn vergelijkbaar met respectievelijk het binnenste van de zon, het oppervlak van de zon, de zonnestralen die van het oppervlak afstralen, en een verafgelegen weerspiegeling.

Deze voorbeelden verklaren de Absolute Waarheid slechts ten dele. Zijn oorspronkelijke vorm is sat-cid-ānanda (vol eeuwigheid, kennis en zegenrijke vreugde) en Zijn spirituele naam, verblijfplaats, metgezellen en het totaal van bijverschijnselen ten behoeve van Zijn rechtstreekse dienst zijn volheden, die niet-verschillend zijn van Hemzelf (svarūpa-vaibhava). De ontelbare nitya-mukta en nitya-baddha jīvaís zijn afhankelijke, bewuste atomen (aṇu-cit). Pradhāna sluit māyā-pradhāna in en haar producten zijn de totaliteit van grofstoffelijke en subtiel materiŽle werelden. Deze vier kenmerken bestaan eeuwigdurnd en op dezelfde wijze is de eenheid van de Allerhoogste Absolute ook eeuwig. Hoe kunnen deze twee eeuwige tegenstrijdigheden tegelijkertijd bestaan? Het antwoord is, dat het onmogelijk lijkt voor de beperkte intelligentie van de jīva en dat het alleen mogelijk is door Bhagavāns onbevattelijke energie.

Vrajanātha: Wat is vivarta-vāda?

Bābājī: Er zijn in de veda's een paar verwijzingen naar vivarta, maar die zijn geen vivarta-vāda. Śrī Śaṅkarācārya heeft het woord vivarta op een dermate wijze geÔnterpreteerd, dat vivarta-vāda hetzelfde is gaan betekenen als Māyāvāda. De wetenschappelijke betekenis van het woord vivarta is,

atattvato' nyathā buddhir vivarttam ity udāhṛtaḥ
††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Sadānanda's Vedānta-sāra (49)

Vivarta is de illusie het ene ding voor het andere aan te zien.

De jīva is een atomische, spirituele substantie, maar als hij in de war is, beeldt hij zich in, dat het subtiele en grofstoffelijke lichaam, waarin hij zich bevindt, zijn zelf zijn. Deze verwarring bestaat uit onwetendheid ontstaan uit een gebrek aan kennis, en dit is het enige voorbeeld van vivarta, dat in de veda's wordt aangetroffen. De ene kan denken, "Ik ben brāhmaṇa Rāmanātha Pandey, de zoon van de brāhmaṇa Sanātana Pandey," en de ander kan denken, "Ik ben straatveger Madhuā, de zoon van straatveger Harkhuā," maar echt waar, deze gedachten zijn volkomen illusie. De jīva is een atomische, spirituele vonk en is Rāmanātha Pandey noch de straatveger Madhuā; dat lijkt alleen zo te zijn, omdat beiden zich met hun lichaam identificeren. De illusie om een touw voor een slang aan te zien en zilver in de reflectie van een schelphoorn te zien zijn soortgelijke voorbeelden.

De veda's gebruiken verscheidene voorbeelden om te trachten de jīvaís ervan te overtuigen vrij te worden van deze vivarta, de illusie om zichzelf met dit māyika lichaam te identificeren. Māyāvādīís wijzen de ware conclusies van de veda's af en poneren een nogal komische theorie van vivarta-vāda. Ze zeggen, dat de idee "Ik ben brahma" een wezenlijk begrip vormt en dat de idee "Ik ben een jīva" vivarta (foutief begrip) is. De Vedische voorbeelden van vivarta spreken śakti-pariṇāma-vāda in hun geheel niet tegen, maar de theorie van vivarta-vāda, die de Māyāvādīís naar voren schuiven, is eenvoudig onzin.

De Māyāvādīís stellen verscheidene typen vivarta-vāda voor, waarvan drie de meest gangbare zijn,

1.        De ziel is waarlijk brahma, maar hij raakte in de war door van zichzelf te denken, dat hij een individuele ziel was.

2.        De jīvaís zijn reflecties van brahma.

3.        De jīvaís en de materiŽle wereld zijn een droom van brahma.

 

Al deze varianten van vivarta-vāda zijn vals en zijn tegenstrijdig aan de Vedische bewijslast.

Vrajanātha: Waarom wordt deze filosofie Māyāvāda genoemd? Ik kan het niet begrijpen.

Bābājī: Luister dan goed. Māyā-śakti is gewoon een geperverteerde reflectie van het spirituele koninkrijk en is tevens de bestuurder van de materiŽle wereld, waarin de jīva binnengaat, wanneer hij wordt overweldigd door onwetendheid en illusie. Spirituele voorwerpen hebben een onafhankelijk bestaan en zijn energetisch onafhankelijk, maar Māyāvāda aanvaardt dit niet. In plaats daarvan verklaart de theorie van Māyāvāda, dat de individuele ziel zelf brahma is en alleen wegens de invloed van māyā verschillend lijkt te zijn van brahma. Deze theorie stelt, dat de jīva slechts van zichzelf denkt, dat hij een individuele entiteit is en dat hij op het moment, dat de invloed van māyā is weggenomen, begrijpt, dat hij brahma is. Volgens deze opvatting heeft de atomisch spirituele vonk onder invloed van māyā geen onafhankelijke identiteit buiten māyā en daarom is de weg van bevrijding voor de jīva nirvāṇa, of opgaan in brahma. Māyāvādīís accepteren geen afzonderlijk bestaan van de zuivere, individuele ziel. Verder zeggen ze, dat Bhagavān ondergeschikt is aan māyā en Zijn toevlucht moet nemen tot māyā, wanneer Hij naar deze materiŽle wereld wil afdalen. Ze zeggen, "Dit komt, omdat brahma onpersoonlijk is en geen vorm heeft, wat betekent, dat Hij een materiele (māyika) vorm moet aannemen om Zich in deze wereld te kunnen manifesteren. Zijn aspect van Īśvara heeft een materieel lichaam. De avatāra's aanvaarden materiŽle lichamen en voeren wonderbaarlijke heldendaden in deze materiŽle wereld uit. Op het eind laten Zij Hun materiŽle lichaam in deze wereld achter en keren naar Hun verblijfplaats terug."

Māyāvādīís tonen een geringe toegenegenheid jegens Bhagavān, want ze aanvaarden enig verschil tussen de jīva en de avatāra's van Īśvara. Het onderscheid, dat ze maken, is dat de jīva wegens zijn karma een grofstoffelijk lichaam moet aanvaarden. Dit karma voert hem zelfs tegen wil en dank weg en hij wordt gedwongen om geboorte te nemen, oud te worden en te sterven. De Māyāvādīís zeggen, dat Īśvara's lichaam, aanduiding, naam en kwaliteiten ook materieel zijn, maar dat Hij ze uit Zichzelf aanvaardt en dat, wat Zijn verlangen ook zijn moge, Hij alles kan weigeren en Zijn zuivere spiritualiteit weer kan hernemen. Hij is niet gedwongen de reacties te aanvaarden, die resulteren uit de activiteiten, die Hij uitvoert. Al deze zaken zijn misvattingen van de Māyāvādīís.

Vrajanātha: Wordt deze māyāvāda-filosofie ergens in de veda's aangetroffen?

Bābājī: Nee! Māyāvāda kan nergens in de veda's worden aangetroffen. Māyāvāda is Boeddhisme. In de Padma Purāṇa lezen we,

māyāvādam asac-chāstraṁ
pracchannaṁ bauddham ucyate
mayaiva vihitaṁ devi
kalau brāhmaṇa-mūrtinā
†††††††††††††††††††††††††††††††††††† Uttara-khaṇḍa (43.6)

In antwoord op een vraag van Umādevi (Parvatī) legt Mahādeva uit, "O Devī! Māyāvāda is een onzuivere śāstra. Hoewel het eigenlijk verkapt Boeddhisme is, heeft het vermomd als Vedische conclusie in de religie van de Āryans ingang gevonden. In Kali-yuga zal ik vermomd als brāhmaṇa verschijnen en deze māyāvāda-filosofie prediken."

Vrajanātha: Prabhu, waarom nam Mahādeva zo'n lelijke taak op zich, als hij de leider van de devatā's en de beste onder de Vaiṣṇavaís is?

Bābājī: Śrī Mahādeva is Bhagavāns guṇa-avatāra. De allermeest genadevolle Heer zag de asura's het pad van bhakti opgaan en Hem vereren om baatzuchtige resultaten te verkrijgen en hun slechte verlangens te vervullen. Toen dacht Hij, "De asura's brengen de toegewijden in problemen door het pad van toegewijde dienst te vervuilen, maar het pad van bhakti dient te worden vrij gemaakt van deze vervuiling." Terwijl Hij dit dacht, riep Hij Śivajī bij Zich en zei, "O Śambhu! Het is voor deze materiŽle wereld niet gunstig, als Mijn zuivere bhakti onder diegenen wordt onderwezen, die zich in de geaardheid onwetendheid bevinden en wier karakter āsurika is. Je moet uit śāstra gaan prediken en zodanig māyāvāda-filosofie verspreiden, dat de asura's worden betoverd en Ik voor hen verscholen blijf. Degenen, wier karakter āsurika is, zullen het pad van toegewijde dienst verlaten en hun toevlucht bij Māyāvāda zoeken. Dit zal Mijn zachtmoedige bhakta's de kans geven om ongehinderd zuivere toegewijde dienst te proeven."

Śrī Mahādeva, die de allerhoogste Vaiṣṇava is, aarzelde aanvankelijk om een dergelijke zware taak, die Bhagavān hem had toevertrouwd, op zich te nemen. Maar omdat hij dit als Zijn opdracht beschouwde, predikte hij de māyāvāda-filosofie. Wat is hierbij fout aan Śrīman Mahādeva, de allerhoogste guru? Het hele universum functioneert als een goed geŲliede machine onder leiding van Bhagavān, die voor het welzijn van alle schepselen de schitterende Sudarśana Cakra deskundig in Zijn hand hanteert. Alleen Hij weet welk heil in Zijn opdracht verscholen zit en het is de plicht van nederige dienaren om eenvoudig Zijn opdracht te gehoorzamen. Omdat zuivere Vaiṣṇavaís dit weten, nemen ze nooit aanstoot aan Śaṅkarācārya, Śiva's incarnatie, die Māyāvāda predikte. Luister eens naar het duidelijke bewijs van śāstra met betrekking tot dit onderwerp,

tvam ārādhya tatha śambho grahiṣyāmi varaṁ sadā
dvāparādau yuge bhūtvā kalayā mānuṣādiṣu
svāgamaiḥ kalpitaistvaŮca janān madvimukhān kṛru
māŮca gopaya yena syat sṛṣṭireśontarontarā
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Padma Purāṇa, Uttara khaṇḍa (42.109-110)
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††
en Nārada-paŮcarātra (4.2.29-30)

Viṣṇu zei, "O Śambhu, hoewel Ik Bhagavān ben, heb Ik toch verschillende devatā's en devī's vereerd om de asura's in verwarring te brengen. Op dezelfde manier zal Ik jou ook vereren en een gunst ontvangen. Je moet in Kali-yuga met je deelexpansie onder de mensen incarneren. Je moet, zoals Āgama, uit de śāstraís prediken en een filosofie fabriceren, die de algemene mensenmassa van Mij afleidt en die Mij bedekt houdt. Op die manier zullen meer en meer mensen van Mij worden afgeleid, waardoor Mijn spel en vermaak des te waardevoller worden."

In de Varāha Purāṇa vertelt Bhagavān aan Śiva,

eṣa mohaṁ sṛjāmy āśu ye janān mohayiśyati
tvaŮca rudra mahāśāho mohaśāstrāṇi kāraya
atathyāni vitathyāni darśayasva mahābhuja
prakāśaṁ kuru cātmānamprakāśaŮca maṁ kuru

"Ik ben het soort illusie (moha) aan het creŽren, die de massa van de bevolking om de tuin zal leiden. O sterkgearmde Rudra, jij moet ook zo'n misleidende śāstra creŽren. O machtige strijder, presenteer het feit als leugen en de leugen als feit. Geef de voorkeur aan je destructieve vorm als Rudra en verberg Mijn eeuwige, oorspronkelijke vorm als Bhagavān."

Vrajanātha: Is er enig Vedisch bewijs tegen de māyāvāda-filosofie?

Bābājī: Alle getuigenis van de veda's weerleggen de māyāvāda-filosofie. De Māyāvādīís hebben alle veda's doorzocht en hebben vier zinnen geÔsoleerd, die hun doel onderbouwen. Deze vier zinnen noemen ze mahā-vākya, 'de vermaarde uitspraken'. Deze vier uitspraken zijn,

1.        sarvaṁ khalv idaṁ brahma, "Het hele universum is brahma", Chāndogya Upaniṣad 3.14.1

2.        prajŮānaṁ brahma, "De allerhoogste kennis is brahma", Aitareya Upaniṣad 1.5.3

3.        tat tvam asi śvetaketo, "O Śvetaketu, jij bent dat", Chāndogya Upaniṣad 6.8.7

4.        ahaṁ brahmāsmi, "Ik ben brahma", Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad 1.4.10

De eerste mahā-vākya leert, dat het hele universum bestaande uit de levende wezens en levenloze materie brahma is; er bestaat niets, dat niet brahma is. De identiteit van brahma wordt elders alsvolgt uitgelegd,

na tasya kāryaṁ karaṇaṁ ca vidyate
na tat-samaś cābhyadhikaś ca dṛśyate
parāsya śaktir vividhaiva śrūyate
svābhāvikī jŮāna-bala-kriyā ca
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Śvetāśvatara Upaniṣad (6.8)

Geen van de activiteiten van die para-brahma Paramātmā is werelds, want geen van Zijn zintuigen Ė zoals Zijn handen en benen Ė is materieel. Dus via het medium van Zijn bovenzinnelijke lichaam voert Hij zonder materiŽle zintuigen Zijn spel uit en is Hij overal op hetzelfde moment aanwezig. Daarom is niemand zelfs maar gelijk aan Hem, laat staan groter dan Hij. Het ene goddelijke vermogen van Parameśvara is op vele manieren in śruti beschreven, waaronder de beschrijving van Zijn jŮāna-śakti (kennis), Zijn bala-śakti (macht) en Zijn kriyā-śakti (vermogen tot activiteit) de belangrijkste zijn. Deze worden ook respectievelijk cit-śakti of saṁvit-śakti; sat-śakti of sandhinī-śakti en ānanda-śakti of hlādinī-śakti genoemd.

Brahma en Zijn śakti worden als niet-verschillend van elkaar aanvaard. Men zegt, dat deze śakti in feite een inherent deel van brahma is, dat zich op verschillende manieren manifesteert. Aan de ene kant kunt je zeggen, dat niets verschillend is van brahma, want het vermogen en de bezitter van het vermogen zijn niet-verschillend. Maar als we naar de materiŽle wereld kijken, kunnen we zien, dat anderzijds brahma en Zijn śakti zeker wel verschillend zijn.

nityo nityānāṁ cetanaś cetanānām
eko bahūnāṁ yo vidadhāti kāmān
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Kaṭha Upaniṣad (2.13) en
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Śvetāśvatara Upaniṣad (6.10)

Hij is het ene, allerhoogste, eeuwige wezen onder alle eeuwige wezens en het ene, allerhoogste, bewuste wezen onder alle bewuste wezens. Hij alleen vervult de verlangens van iedereen.

Deze uitspraak van de veda's aanvaardt verscheidenheid binnen de eeuwigdurend bestaande substantie (vastu), brahma. Het separeert de śakti (het vermogen) van śaktimān (de bezitter van het vermogen) en beschouwt vervolgens Zijn jŮāna (kennis), bala (macht) en kriyā (activiteiten).

Laten we nu eens kijken naar de tweede mahā-vākya, prajŮānaṁ brahma, "De allerhoogste kennis is brahma" (Aitareya Upaniṣad 1.5.3). Hierin wordt gezegd, dat brahma en bewustzijn identiek zijn. Het woord prajŮānam, waarvan in deze zin wordt gezegd, dat het ťťn is met brahma, wordt ook gebruikt in Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (4.4.21), waar het prema-bhakti betekent,

tam eva dhiro vijŮāya prajŮāṁaṁ kurvita brāhmaṇaḥ

Als een evenwichtig en nuchter persoon kennis over brahma krijgt, vereert hij Hem met oprecht liefdevolle gevoelens (jŮāna-svarūpa-prema-bhakti).

De derde mahā-vākya is tat tvam asi śvetaketo, "O Śvetaketu, dat ben jij" (Chāndogya Upaniṣad 6.8.7). Deze śloka geeft instructies omtrent eenheid met brahma, dat in Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (3.8.10) uitgebreider wordt beschreven,

yo vā etad akṣaraṁ gārgy aviditvāsmāl lokāt praiti sa kṛpaṇaḥ
ya etad akṣaraṁ gārgi viditvāsmāl lokāt praiti sa brāhmaṇaḥ

O Gargī! Zij, die deze materiŽle wereld verlaten zonder de eeuwige Viṣṇu te begrijpen, zijn kṛpaṇaḥ, uitermate vrekkig of laag, terwijl degenen, die deze materiŽle wereld verlaten in de wetenschap van die Allerhoogste Eeuwige, zijn in wezen brāhmaṇaís, kenners van brahma.

De woorden tat tvam asi betekenen daarom, "Hij, die ware kennis verkrijgt, bereikt uiteindelijk toegewijde dienst aan para-brahma en moet als een brāhmaṇa worden erkend."

De vierde mahā-vākya is ahaṁ brahmāsmi, "Ik ben brahma" (Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad 1.4.10). Als de vidyā, die in deze vākya op het eind geen bhakti wordt, wordt deze in Śrī Īśopaniṣad (9) grondig vervloekt,

andhaṁ tamaḥ praviśanti ye 'vidyāṁ upāsate
tato bhūya iva te tamo ya u vidyāyāṁ ratāḥ

Degenen, die zich in onwetendheid bevinden, gaan een diepe duisternis tegemoet en degenen, die wel kennis hebben gaan een nog diepere duisternis binnen.

Deze mantra betekent, dat degenen, die onwetendheid omhelsen en de spirituele natuur van de ziel niet kennen, de donkerste uithoeken van onwetendheid binnengaan. Maar de bestemming van degenen, die onwetendheid afwijzen en geloven, dat de jīva brahma is en niet een spiritueel atoom, is nog erger.

Bābā! De veda's kennen geen grenzen en zijn ongeŽvenaard. Hun exacte betekenis kan alleen worden begrepen door iedere śloka van de upaniṣaden afzonderlijk te bestuderen en door de betekenis uit alle gecombineerde ślokaís af te leiden. Als je er een enkele zin uithaalt, word je altijd misleid door een of andere misinterpretatie. Śrī Caitanya Mahāprabhu onderzocht daarom alle veda's grondig en predikte daarna, dat de individuele spirituele zielen en de materiŽle wereld tegelijkertijd en op onbevattelijke wijze ťťn zijn met Śrī Hari en verschillend van Hem zijn.

Vrajanātha: Ik begrijp dat de veda's de stelling van acintya-bhedābheda-tattva vestigen. Wilt u dit alstublieft duidelijker uitleggen met bewijzen uit de veda's zelf?

Bābājī: Hier zijn een paar van de vele passages, die het aspect van eenheid (abheda-tattva) van bhedābheda-tattva beschrijven,

o           sarvaṁ khalv idaṁ brahma, "Alles in deze wereld is voorzeker brahma" (Chāndogya Upaniṣad 3.14.1)

o           ātmaivedaṁ sarvam iti, "Alles, wat zichtbaar is, is geest (ātmā)" (Chāndogya Upaniṣad 7.52.2)

o           sad eva saumyedam agra āsid ekam evādvitīyam, "O zachtmoedige, deze wereld bestond aanvankelijk in een nonduale, spirituele vorm en vůůr de manifestatie van dit universum was de Allerhoogste Geest een nonduale substantie" (Chāndogya Upaniṣad 6.2.1)

o           evaṁ sa devo bhagavān vareṇyo yoni-svabhāvān adhitiṣṭhaty ekaḥ, "Bhagavān Zelf is de meester van alles, zelfs van de devatā's, en Hij alleen is verering waardig. Hij is de Oorzaak der oorzaken, maar Hijzelf blijft onveranderd, zoals de zon op dezelfde plaats blijft staan, terwijl hij zijn lichtschijnsel naar alle richtingen verspreidt" (Śvetāśvatara Upaniṣad 5.4)


Luister nu naar de mantra's, die bheda (verschil) ondersteunen,

o           oṁ brahma-vid āpnoti param, "Iemand, die brahma begrijpt, bereikt de para-brahma" (Taittirīya Upaniṣad 2.1)

o           mahāntaṁ vibhum ātmānaṁ matvā dhīro na śocati, "Een nuchter, intelligent persoon klaagt niet, zelfs niet wanneer hij een ziel in een materieel lichaam ziet, want hij weet, dat de ziel groot is en overal aanwezig is" (Kaṭha Upaniṣad 1.2.22).

o           satyaṁ jŮānam anantaṁ brahma yo veda nihitam, "Brahma is verpersoonlijkte waarheid, kennis en eeuwigheid. Die brahma bevindt Zich in het spirituele universum (Paravyoma) en is ook aanwezig in de diepte van het hart van alle levende wezens. Iemand, die dit weet, bereikt siddhi door middel van zijn relatie met die inwonende Superziel (antaryāmī), de alwetende brahma" (Eerste Anuccheda van Taittirīya-brahmānanda-vallī).

o           yasmāt paraṁ nā param asti kiŮcit..., "Er is geen waarheid hoger dan die Allerhoogste Persoon. Hij is kleiner dan de kleinste en groter dan de grootste. Hij staat alleen, onbeweeglijk als een boom in Zijn lichtgevende verblijfplaats. Dit totale universum rust in die ene Allerhoogste Persoon" (Śvetāśvatara Upaniṣad 3.9).

o           pradhāna-kṣetra-jŮa-patir guṇeśaḥ, "De Parabrahma is de Heer van de ongemanifesteerde materiŽle natuur (pradhāna), de Meester van die Paramātmā, die alle individuele entiteiten kent, en de Īśvara van de drie geaardheden van de materiŽle natuur. Hijzelf is transcendentaal aan de geaardheden van de materiŽle natuur" (Śvetāśvatara Upaniṣad 6.16).

o           tasyaiṣa ātmā vivṛṇute tanuṁ svām, "Hij openbaart Zijn lichaam alleen aan die mensen op een hele bijzondere manier" (Kaṭha Upaniṣad 2.23).

o           tam āhur agryaṁ puruṣaṁ mahāntam, "Degenen, die de Absolute Waarheid kennen, chanten Zijn glorie en weten, dat Hij Mahān Ādi-puruṣa, de Grote Persoonlijkheid is en de Oorzaak der oorzaken" (Śvetāśvatara Upaniṣad 3.19).

o           yāthātathyato 'rthān vyadadhāt, "Door Zijn onbevattelijk vermogen houdt Hij de afzonderlijke identiteiten van alle eeuwige elementen met hun specifieke eigenschappen in stand" (Īśo- paniṣad, Mantra 8).

o           naitad aśakaṁ vijŮātuṁ yad etad yakṣam iti, "Agnideva, de devatā van het vuur, zei tegen de verzamelde devatā's, 'Ik begrijp niet goed wat de identiteit van deze yakṣa is'" (Kena Upaniṣad 3.6).

o           asad vā idam agra āsit..., "In het begin was dit universum een ongemanifesteerde vorm van brahma. Dit ongemanifesteerde werd manifest in de vorm van brahma. Die brahma manifesteerde Zich in mannelijke vorm. Om die reden wordt die mannelijke vorm de schepper genoemd" (Taittirīya Upaniṣad 2.7.1).

o           nityo nityānām, "Wie is de allerhoogste, Eeuwige Entiteit onder alle eeuwige wezens?" (Kaṭha Upaniṣad 2.13 en Śvetāśvatara Upaniṣad 6.13).

o           sarvaṁ hy etad brahmāyam ātmā brahma so'yam ātmā catuṣpāt, "Dit alles is een manifestatie van de inferieure energie van brahma. De spirituele vorm van Kṛṣṇa is niemand anders dan de para-brahma. Door Zijn onbevattelijk vermogen manifesteert Hij Zich eeuwigdurend in vier ambrozijnen vormen, zelfs al is Hij ťťn" (Muṇḍaka Upaniṣad, Mantra 2).

o             ayam ātmā sarvesāṁ bhūtānāṁ madhu. De veda's spreken over Kṛṣṇa door Zijn eigenschappen te op een indirecte wijze beschrijven en hier zeggen ze, "Van alle levende wezens is het alleen Kṛṣṇa Zelf, die zo zoet is als nectar" (Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad 2.5.14).

In deze en talloze andere passages verklaren de veda's, dat de individuele zielen eeuwigdurend verschillend van de Allerhoogste zijn. Ieder deel van de veda's is wonderbaarlijk en geen enkel deel kan worden overgeslagen. Het is waar, dat de individuele jīvaís eeuwigdurend verschillend zijn van de Allerhoogste en het is ook waar, dat zij eeuwigdurend niet-verschillend van de Allerhoogste zijn. We kunnen bewijs in de veda's vinden om beide te onderbouwen, zowel bheda (verschil) als abheda (niet-verschil), want bheda en abheda bestaan gelijktijdig als aspecten van de Absolute Waarheid. Deze relatie van de jīvaís met de Allerhoogste als gelijktijdig ťťn met Hem en verschillend van Hem is onbevattelijk en ligt voorbij onze intelligentie. Logica en redeneerkunst over deze materie leidt alleen tot verwarring. Wat ooit in de diverse delen van de veda's is gezegd, is allemaal waar, maar we kunnen de volledige betekenis van die woorden niet begrijpen, omdat onze intelligentie erg beperkt is. Dat is waarom we de Vedische leerstellingen nooit mogen veronachtzamen.

naiṣa tarkeṇa matir āpaneyā
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Kaṭha Upaniṣad (2.2)

Naciketā! Het is niet gepast argumenten te gebruiken om de wijsheid van de Absolute Waarheid, die je hebt ontvangen, te vernietigen.

nāhaṁ manye su-vedeti no na vedeti veda ca
††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Kena Upaniṣad (2.2)

Ik ben niet van mening, dat ik brahma door en door heb begrepen.

Deze Vedische mantra's geven helder aan, dat de śakti van de Īśvara onbevattelijk is en zich daardoor boven wereldse redenering bevindt.

Mahābhārata zegt,

purāṇaṁ mānavo dharmaḥ sāṅga-vedaŮ cikitsitam
ājŮā-siddhāni catvāri na hantavyāmi hetubhiḥ

De sāttvata purāṇa's, de dharma gegeven door Manu, de Ṣaḍ-aṅga-veda en Cikitsā-śāstra zijn de authentieke instructies van de Allerhoogste en het is onjuist te trachten ze door wereldse argumentatie te weerleggen.

Het moet nu duidelijk zijn, dat de veda's de acintya-bhedābheda-tattva ondersteunen. Als je het hoogste doel van de jīva in gedachten houdt, ziet het ernaar uit, dat er geen siddhānta hoger is dan het principe van acintya-bhedābheda-tattva; in feite blijkt geen andere siddhānta zelfs maar op waarheid te berusten. Alleen wanneer je deze filosofie van acintya-bhedābheda aanvaardt, kun je de eeuwige individualiteit van de jīva en zijn eeuwig onderscheid van Śrī Hari realiseren. Zonder dit verschil te begrijpen kan de individuele ziel het ware doel van het leven, namelijk prīti (liefde voor de Allerhoogste), niet bereiken.

Vrajanātha: Wat is het bewijs, dat voor de jīva prīti het hoogste doel is?

Bābājī: In de veda's wordt gezegd,

prāṇo hy eṣa yah sarva-bhūtair vibhāti
†††††††††††††††††††††††††† †††††††††††††††††††††††††Muṇḍaka Upaniṣad (3.1.4)

De Allerhoogste Persoon is het Leven van al wat is en Hij straalt in alle wezens. Degenen, die deze Allerhoogste Persoon door de wetenschap van bhakti kennen, zijn niet langer op zoek naar iets anders.[2] Zulke jīvan-mukta's hebben gehechtheid (rati) voor de Allerhoogste en nemen deel aan Zijn liefdevolle spel en vermaak. Zulke bhakta's zijn de allerbeste van al diegenen, die kennis hebben van brahma.

Met andere woorden, de meest fortuinlijken onder degenen, die brahma kennen, associŽren op een actieve manier met Kṛṣṇa in Zijn liefdevolle spel en vermaak. Dit gevoel van rati is een symptoom van liefde voor Kṛṣṇa. Hierover wordt in Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (2.4.5-6) verder gezegd,

na vā are sarvasya kāmāya sarvaṁ priyaṁ bhavaty
ātmanas tu kāmāya sarvaṁ priyaṁ bhavati

YājŮa-valkya zei, "O Maitreyī, iedereen is ons niet geliefd vanwege hun behoeften, maar ze zijn ons geliefd vanwege onze eigen behoeften."

Uit deze mantra wordt duidelijk, dat prīti (liefde voor de Allerhoogste) de enige prayojana (doel) voor de jīva is. Bābā, er zijn vele voorbeelden van zulke uitspraken in de veda's, Śrīmad-Bhāgavatam en Taittirīya Upaniṣad (2.7.1),

raso vai saḥ
ko hy evānyāt kaḥ prāṇyāt
yad eṣa ākāśa ānando na syāt
eṣa hy evānandayāti

De para-brahma, Paramātmā, is nectar in eigen persoon. De jīva heeft er plezier in te associŽren met die ambrozijnen Paramātmā en wie zou het overleven, indien Hij niet in zijn hart aanwezig was? Het is alleen Paramātmā, die de jīvaís vreugdevolle zegen geeft.

Het woord ānanda (vreugdevolle zegen) is een synoniem van prīti (liefdevolle genegenheid). Alle levende wezens zijn op zoek naar plezier en zegen. Een mumukṣu gelooft, dat bevrijding het allerhoogste plezier is en daarom is hij gek op bevrijding. De zintuiglijk ingestelde hedonisten (bubhukṣu's) geloven, dat de objecten van lustbevrediging het hoogste plezier geven, dus zij maken tot het eind van hun leven jacht op objecten van lustbevrediging. Het is de hoop op het bereiken van plezier, die iedereen aanzet tot het uitvoeren van zijn activiteiten. De bhakta's ondernemen ook pogingen voor de toegewijde dienst van Śrī Kṛṣṇa. In feite is iedereen uitsluitend naar prīti aan het zoeken Ė zozeer zelfs, dat ze bereid zijn er hun leven voor te geven. In principe is ieders doel prīti en niemand kan dit ontkennen. Iedereen is uitsluitend naar plezier aan het zoeken, of ze nu gelovigen of atheÔsten zijn, of ze baatzuchtig werkers, karmī's of jŮāniís zijn, en of ze wel of geen verlangens hebben. Je kunt echter geen prīti krijgen door er eenvoudig naar te zoeken.

Baatzuchtig werkers geloven, dat hemelse genoegens de hoogste zegen vormen, maar in Bhagavad-Gītā (9.20) wordt uitgelegd,

ksīṇe puṇye martya-lokaṁ viśanti

Nadat de bewoners van de gigantisch grote, hemelse planeten de gunstige tegoeden van hun karma hebben uitgeput, moeten ze wederom een geboorte nemen op de sterfelijke, aardse planeten. De karmīís, die zintuiglijke bevrediging verlangen, verhuizen op deze manier van de ene planeet naar de andere.

Volgens deze śloka van de Gītā realiseert iederen zijn vergissing slechts dan, wanneer hij uit de hemelse planeten valt. Hij zou opnieuw kunnen beginnen de genoegens van de hemelse planeten te begeren, als hij er niet in slaagt plezier te vinden in rijkdom, kinderen, roem en macht, die in de mensenwereld te vinden zijn. Terwijl hij uit de hemelse oorden valt, neemt hij echter een respectvolle houding aan ten aanzien van zelfs een groter geluk, dan dat van Svarga (de hemelse planeten). Hij wordt onverschillig jegens het plezier van de mensenwereld, de hemelse planeten en zelfs de hogere planeten tot aan Brahmaloka toe, zodra hij begrijpt, dat ze allemaal tijdelijk zijn en dat het geluk daar ook niet duurzaam of eeuwig is. Dan wordt hij een wereldverzaker en begint een onderzoek in te stellen naar brahma-nirvāṇa en onderneemt serieuze pogingen om onpersoonlijke bevrijding te bereiken. Als hij echter ziet, dat ook onpersoonlijke bevrijding in gebreke gaat van vreugdevolle zegen, kiest hij een ongemotiveerde houding (taṭastha) en zoekt naar een ander pad, dat hem in staat stelt om prīti, of plezier, te bereiken.

Hoe is het mogelijk om prīti in onpersoonlijke bevrijding te ervaren? Wie is de persoonlijkheid, die wordt verondersteld zulke zegen te ervaren? Als ik mijn identiteit verlies, wie zal dan nog bestaan om brahma te ervaren? Precies dit concept van de zegen in brahma is zonder betekenis, want, of er nu plezier in brahma is of niet, de theorie van onpersoonlijke bevrijding staat niet toe, dat iemand werkelijk in de bevrijde staat existeert om zulk plezier te ervaren. Dus welke conclusie kun je uit een dergelijke doctrine trekken? Als ik ophoud te bestaan, wanneer ik (in brahma) ben bevrijd, dan is mijn individualiteit verloren gegaan en dus ook mijn existentie. Niets stelt mij meer in staat om zegen of plezier te ervaren. Indien ikzelf niet besta, bestaat er niets meer voor mij. Iemand kan zeggen, "Ik ben brahma-rūpa". Maar deze uitspraak is vervalst, want de "ik", die brahma-rūpa is, is nitya (eeuwig). Met andere woorden, als je zegt, dat je brahma bent, dan ben je ook eeuwig. In dat geval is alles voor hem zinloos inclusief het proces om volmaaktheid (sādhana) en perfectie zelf (siddhi) te bereiken. Daarom kan prīti niet in brahma-nirvāṇa worden verkregen. Zelfs al zou het perfect zijn, het is iets, dat niet kan worden ervaren, zoals een bloem, die in de lucht bloeit.

Bhakti is het enige pad, waardoor de jīva zijn ware doel kan bereiken. Het laatste stadium van bhakti is prema, dat eeuwig is. De zuivere jīva is eeuwig, zuivere Kṛṣṇa is eeuwig en zuivere liefde voor Hem is ook eeuwig. Hieruit volgt, dat je alleen de perfectie van ware liefde voor de eeuwigheid kunt bereiken, als je de waarheid van acintya-bhedābheda aanvaardt. Anders wordt het allerhoogste doel van de jīva, dat liefde voor de Allerhoogste is, niet-eeuwig en raakt het bestaan van jīva ook verloren. Daarom aanvaarden en bevestigen alle śāstraís de doctrine van acintya-bhedābheda. Alle andere leerstellingen zijn eenvoudig speculatie.

Vrajanātha keerde met een gezegend gevoel naar huis terug en was diep in gedachten verzonken over zuivere, spirituele liefde.


Aldus eindigt het Achttiende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Bhedābheda-Tattva"


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl




[1] "Degene naar wie je vraagt Ė dat is brahma."

[2] Geen ander onderwerp, dan de glorie van Śrī Kṛṣṇa is nog van belang voor degenen, die bevrijde wezens (jīvan-mukta) zijn.

_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 17 Ė "Prameya: de jiva's bevrijding van maya"

Volgende: Hoofdstuk 19 Ė "Prameya: Bhedabheda-Tattva"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl