Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 17

Prameya: de Jiva's bevrijding van Maya


Vrajanātha's grootmoeder was bezig alle voorbereidingen voor zijn huwelijk af te ronden en legde hem 's avonds alles uit. Vrajanātha gebruikte zwijgend zijn maaltijd en gaf die hele dag nergens antwoord op. Die nacht lag hij klaarwakker op zijn bed en was diep in gedachten over de staat van de zuiver spirituele ziel. In die tussentijd was zijn bejaarde grootmoeder in de weer om manieren te vinden, waarmee ze hem van het huwelijk kon overtuigen.


Op dat moment arriveerde Vrajanātha's neef van moeders zijde, Veṇī-mādhava. Het meisje, waar- mee Vrajanātha zou trouwen was Veṇī-mādhava's nichtje van vaders zijde en Vijaya-Vidyāratna had hem gestuurd om de laatste voorbereidingen door te spreken.

Veṇī-mādhava informeerde, "Wat is er aan de hand, Grootmoeder? Waarom stelt u de voorbereidingen van broer Vraja's huwelijk uit?"

De grootmoeder antwoordde op een nogal bezorgde toon, "Mijn zoon, jij bent een intelligente jongen. Misschien verandert hij van gedachten, als jij met hem praat. Mijn pogingen zijn allemaal tevergeefs geweest."

Veṇī-mādhava's karakter was duidelijk kenbaar door zijn gedrongen gestalte, zijn korte nek, zijn donkere gelaatskleur en zijn ogen, waarmee hij voortdurend knipperde. Hij bemoeide zich liever met actuele gebeurtenissen om zich heen, dan zich met zijn eigen zaken bezig te houden en zijn bemoeienis met andermans zaken leverde nooit bijzonder veel op. Na de oude dame te hebben aangehoord fronsde hij licht zijn wenkbrauwen en schepte op, "Geen probleem. Ik heb alleen uw toestemming nodig. Veṇī-mādhava krijgt alles voor elkaar. U kent me goed. Ik maak geld door de golven te tellen. Laat het me één keer met hem bespreken en als ik erin slaag hem te overtuigen, tracteert u me dan op een lekker feestje met pūrī's en kacorī's ?" 

"Vrajanātha heeft zojuist gegeten en ligt nu te slapen," zei Grootmoeder.

"Goed, ik zal morgenochtend terugkomen en de zaken in orde maken," antwoordde Veṇī-mādhava en ging terug naar huis.

Hij keerde de volgende ochtend vroeg terug en had een loṭā in zijn hand, waarmee hij zijn ochtendritueel afrondde. Toen Vrajanātha hem zag, was hij een beetje verrast en zei, "Broer! Waarom ben je hier zo vroeg in de ochtend naartoe gekomen?"

Veṇī-mādhava antwoordde, "Dādā, je hebt nu een langetijd nyāya-śāstra gestudeerd en onderwezen. Je bent de zoon van Paṇḍita Harinātha Cūḍāmaṇi en je bent in het hele land beroemd geworden. Je bent het enig overlevende, mannelijke lid in dit huis en als je geen erfegenamen hebt, wie, denk je dan, zal zorg dragen voor dit grote huis van jouw? Broer, we doen je een verzoek. Ga alsjeblieft trouwen."

Vrajanātha antwoordde, "Broer, maak het me niet onnodig moeilijk. Tegenwoordig neem ik mijn toevlucht bij de bhakta's van Śrī Gaura-sundara en ik heb geen zin om betrokken te raken in werelse toestanden. Ik vind grote vrede in het gezelschap van de Vaiṣṇava’s in Māyāpura en er is niets meer in deze wereld, dat me interesseert. Ik zal ofwel sannyāsa aanvaarden, of ik slijt mijn leven onder de bescherming van de lotusvoeten van de Vaiṣṇava’s. Ik heb mijn hart aan je uitgestort, omdat ik weet, dat je een goede vriend bent, maar vertel dit aan niemand anders door."

Veṇī-mādhava had in de gaten, dat Vrajanātha alleen met list te overtuigen was, dus hij verborg zijn gevoelens op een slinkse wijze en om een bepaalde indruk te wekken zei hij, "Ik ben altijd je assistent geweest bij alles wat je deed. Ik droeg je boeken, toen je op de Sanskrietschool studeerde, en daarom zal ik ook je staf en waterpot dragen, wanneer je sannyāsa aanvaardt."

Het is moeilijk lezen in de boeken van slinkse figuren; ze spreken met dubbele tong en ze zeggen het ene en doen het andere. Ze zijn bandieten in de gedaante van heiligen, ze dragen de naam van Śrī Rāma in de mond en verstoppen een mes onder hun oksel.

Vrajanātha was een beetje naïef. Hij warmde zich aan de zoete woordjes van Veṇī-mādhava en zei, "Broer, ik heb je altijd als mijn beste vriend gezien. Grootmoeder is gewoon een oude vrouw en ze heeft geen verstand van belangrijke zaken. Ze is reuze enthousiast om me in de oceaan van wereldse aangelegenheden te verdrinken door me met een of ander meisje te laten trouwen. Het zal een grote opluchting zijn, als je haar van gedachten kunt laten veranderen en het haar op de een of andere manier kunt ontraden; ik zal je hiervoor altijd dank verschuldigd blijven."

Veṇī-mādhava antwoordde, "Niemand durft zich tegen je wensen te verzetten, zolang Sharmarāma in leven is. Dādā, je zal zien, waartoe ik in staat ben. Maar vertel me één ding, waarom heb je zo'n haat tegen deze wereld gekregen? Wie adviseert je om zulke gevoelens van onhechting te ontwikkelen?"

Vrajanātha vertelde over zijn verzaking en zei, "Er is een oudere, ervaren bābājī genaamd Raghunātha dāsa Bābājī in Māyāpura. Hij is mijn leraar en ik neem iedere dag na zonsondergang mijn toevlucht aan zijn voeten om verlichting te vinden van het verzengende vuur van deze materiële wereld. Hij is me erg genadig."

De slechte Veṇī-mādhava begon te denken, "Nu ken ik broer Vraja's zwakke plek. Hij moet op de juiste koers worden teruggebracht met behulp van bedrog, geweld of deskundigheid." Tegen Vrajanātha zei hij, "Broer, maak je geen zorgen. Ik ga nu naar huis, maar ik zal Grootmoeder geleidelijk van gedachten veranderen."

Veṇī-mādhava deed, alsof hij de weg naar huis nam, maar ging stiekem een andere richting op en wandelde naar Śrīvāsāṅgana in Māyāpura. Daar ging hij op het verhoogde terras onder de bakula-boom zitten en bewonderde de overvloed van de Vaiṣṇava’s. "Deze Vaiṣṇava’s genieten in feite van de wereld. Ze hebben zulke prachtige huizen en knusse kuñja's. Dit is zo'n mooie plek in een wonderbaarlijk hof." In iedere kuṭīra zat een Vaiṣṇava hari-nāma op zijn kralen te chanten. Ze zagen er heel tevreden uit als heilige ossen der religie. De vrouwen uit omliggende dorpen, die in de Gaṅgā kwamen baden, voorzagen de Vaiṣṇava’s uit zichzelf van fruit, groenten, water en diverse andere voedingsmiddelen. Veṇī-mādhava dacht, "De brāhmaṇa’s hebben de hele karma-kāṇḍa gesystematiseerd om deze faciliteiten te ontvangen, maar in plaats daarvan genieten deze groepen bābājī’s van de room. Alle eer aan Kali-yuga! Deze discipelen van Kali beleven een grootse tijd. Oh! Wat is mijn geboorte in een hoogstaande, brahmaanse familie toch zinloos! Niemand maalt meer om ons, laat staan, dat ons fruit en water worden aangeboden. Deze Vaiṣṇava’s vervloeken zelfs geleerde brāhmaṇa’s en misbruiken en beledigen ons door ons gedegradeerd en dwaas te noemen. Broer Vraja past aardig in deze beschrijving, terwijl hij toch zo'n goed opgeleide man is; hij lijkt zijn ziel en zaligheid te hebben verkwanseld aan deze sluwe, halfnaakte figuren. Ik, Veṇī-mādhava, ga zowel Vrajanātha als deze bābājī’s hervormen."

Terwijl hij zo dacht, ging Veṇī-mādhava één van de kuṭīra's binnen. Het was toevallig de kuṭīra van Śrī Raghunātha dāsa Bābājī, die op een mat van bananenblad zijn hari-nāma zat te chanten.

Iemands gezicht is zijn zielespiegel en de bejaarde bābājī zag onmiddellijk, dat Kali in eigen persoon was binnengekomen in de vorm van deze zoon van een brāhmaṇa. Vaiṣṇava’s beschouwen zichzelf lager dan een grasspriet. Ze betuigen hun respect aan degenen, die hen beledigen en ze bidden voor het welzijn van een tegenstander, zelfs als hij hen martelt. Dus Bābājī Mahārāja bood Veṇī-mādhava beleefd een zitplaats aan. Veṇī-mādhava had in het geheel geen vaiṣṇava-kwaliteiten en nadat hij was gaan zitten, gaf hij Bābājī Mahārāja zijn zegen, waarbij hij zichzelf boven alle vaiṣṇava-etiquetten verheven achtte.

"Bābā, hoe heet je? Wat brengt je hier naartoe?" vroeg Bābājī Mahāśaya informeel. Veṇī-mādhava werd ziedend door informeel te worden aangesproken en zei op cynische toon, "O Bābājī, kun je aan de brāhmaṇa’s gelijk worden door gewoon een kaupīna (lendedoek) te dragen? Geeft niet hoor! Vertel me eens, of u Vrajanātha Nyāya-pañcānana kent."

Bābājī: (die de reden voor zijn irritatie doorhad) Neemt u deze oude man niet kwalijk; neemt u alstublieft geen aanstoot aan mijn woorden. Ja, Vrajanātha komt hier af en toe door zijn eigen genade.

Veṇī-mādhava: Denk niet, dat hij een sufferd is. Hij komt hier met een bijbedoeling. In het begin is hij beleefd om uw vertrouwen te wekken. De brāhmaṇa’s van Belpukara zijn door uw gedrag uitermate geagiteerd en hebben met elkaar beraadslaagd en besloten om Vrajanātha op u af te sturen. U bent een oude man. Maar weest op uw hoede. Ik zal van tijd tot tijd langskomen om te informeren of hun samenzwering vooruitgang boekt. Vertel hem niets over mij; anders komt u nog verder in de problemen. Vandaag zal ik het hierbij laten.

Na dit te hebben gezegd stond Veṇī-mādhava op en ging naar huis terug. Later die middag, toen Vrajanātha na zijn maaltijd op de veranda zat, dook Veṇī-mādhava plotseling uit het niets op, ging naast hem zitten en stak van wal. "Broer, ik ben voor zaken naar Māyāpura geweest," begon hij. "Daar ben ik een oude man tegengekomen, misschien was het Raghunātha dāsa Bābājī wel. We zaten over algemene dingen te praten en toen richtte het gesprek zich op jou. Wat hij over je vertelde was niet mooi meer! Ik heb nog nooit zulke weerzinwekkende dingen over een brāhmaṇa gehoord. Op het eind zei hij, 'Ik zal hem van zijn brahmaanse status laten vallen door hem restanten van een aantal lage-kaste mensen te eten te geven.' Wat een schandelijk figuur! Het is voor een geleerd man als jij niet betamelijk om met zo iemand te associëren. Als je dit doet, ruïneer je het hoge prestige van de brāhmaṇa’s."

Vrajanātha was verbijsterd om Veṇī-mādhava dit allemaal te horen zeggen. Op een of andere manier verdubbelde zijn vertrouwen in de Vaiṣṇava’s en de oude Bābājī Mahārāja alleen maar en hij zei met grote ernst, "Broer, ik ben druk op het moment. Ga nu even weg; morgen wil ik alles van je horen en mijn besluit nemen."

Veṇī-mādhava ging er vandoor. Vrajanātha werd zich nu volledig bewust van de dubbele moraal van Veṇī-mādhava. Vrajanātha was goed belezen in de nyāya-śāstra en hoewel hij van nature een afkeer had van huichelarij, had het idee, dat Veṇī-mādhava hem op het pad naar sannyāsa zou helpen, hem verleid om Veṇī-mādhava in vertrouwen te nemen. Maar nu begreep hij, dat al die lieve woordjes van Veṇī-mādhava een zeker motief dienden. Toen hij er verder over nadacht, realiseerde Vrajanātha zich, dat Veṇī-mādhava zich zo bedriegelijk gedroeg, omdat hij betrokken was bij het huwelijksaanzoek. Dat moest de reden zijn geweest, waarom hij naar Māyāpura was gegaan – om de kiem te leggen voor een samenzwering. Hij bad in gedachten, "O Bhagavān! Laat mijn vertrouwen in de lotusvoeten van mijn Gurudeva en de Vaiṣṇava’s sterk blijven. Laat het nooit worden ondermijnd door de verstoringen van zulke onzuivere mensen." Tot de avond viel, bleef hij in gedachten verzonken. Toen vertrok hij naar Śrīvāsāṅgana en kwam daar ernstig verontrust aan.

Bābājī in Māyāpura dacht, nadat Veṇī-mādhava was vertrokken, "Deze man is vast een brahma-rākṣasa.

rākṣasāḥ kalim āśritya jāyante brahma-yoniṣu

Rākṣasa's nemen hun toevlucht tot Kali-yuga en worden geboren in brāhmaṇa-familie's.

"Deze uitspraak van śāstra geldt zeker voor die persoon. Zijn gezicht vertoont duidelijk trots op zijn hoge kaste, zijn vals ego, zijn afgunst op Vaiṣṇava’s en zijn religieuze schijnheiligheid. Zijn korte nek, zijn ogen en zijn bedriegelijke manier van spreken vertegenwoordigen zijn innerlijke manier van denken. Ach, deze man is van nature een volkomen asura, terwijl Vrajanātha zo'n lieftallige natuur heeft. O Kṛṣṇa! O Gaurāṅga! Geef me nooit meer de associatie van een dergelijk persoon. Ik moet vandaag Vrajanātha waarschuwen."

Zodra Vrajanātha de kuṭīra bereikte, riep Bābājī hem vol genegenheid toe, "Kom, Bābā, kom!" en omhelsde hem. Vrajanātha kreeg een brok in zijn keel en de tranen sprongen in zijn ogen, toen hij aan de voeten van Bābājī neerviel. Bābājī pakte hem liefdevol van de grond op en zei vriendelijk, "Een donkere brāhmaṇa was vanochtend hier. Hij vertelde een aantal opruiende dingen en ging toen weer weg. Ken je hem?"

Vrajanātha: Prabhu, u vertelde me eerder, dat er verschillende typen jīva’s in deze wereld rondlopen. Sommigen daarvan zijn zo jaloers, dat ze er zonder enige reden genoegen in scheppen om andere jīva’s in de problemen te brengen. Onze broer, Veṇī-mādhava, is één van de leiders in die categorie. Het zou me een genoegen zijn om niet langer over hem spreken. Het is juist zijn aard om tweespalt tussen u en mij te zaaien, zodat wij onenigheid krijgen door valse beschuldigingen over en weer te verspreiden, die hijzelf over ons heeft bekokstoofd. Ik hoop, dat u geen aandacht geeft aan hetgeen hij heeft gezegd.

Bābājī: Kṛṣṇa! Gaurāṅga! Ik heb nu de Vaiṣṇava’s langetijd gediend en door hun genade heb ik het vermogen gekregen om het verschil te zien tussen een Vaiṣṇava en een niet-Vaiṣṇava. Je hoeft me hierover niet verder in te lichten.

Vrajanātha: Vergeet u dit allemaal alstublieft en vertelt u me hoe een jīva kan worden bevrijd uit de boeien van māyā.

Bābājī: Je krijgt je antwoorden in de zevende śloka van Daśa-mūla,

yadā bhrāmaṁ bhrāmaṁ hari-rasa-galad-vaiṣṇava-janaṁ
kadācit saṁpaśyan tad-anugamane syād ruci-yutaḥ
tadā kṛṣṇāvṛttyā tyajati śanakair māyika-daśāṁ
svarūpaṁ vibhrāṇo vimala-rasa-bhogaṁ sa kurute

Wanneer de jīva in de loop van zijn zwerftochten door hogere en lagere levensstandaarden van de materiële wereld in staat is een Vaiṣṇava te zien, die in de vloeibare rasa van śrī-hari-bhakti is verzonken, groeit in zijn hart de smaak voor het volgen van de vaiṣṇava-levensstijl. Door het chanten van śrī-kṛṣṇa-nāma wordt hij geleidelijk van zijn conditioneringen bevrijd. Stap voor stap krijgt hij zijn intrinsieke cinmaya-svarūpa (transcendentale gedaante) en wordt hij gekwalificeerd voor het proeven van de zuiver spirituele rasa van rechtstreekse liefdedienst aan Śrī Kṛṣṇa.

Vrajanātha: Ik zou graag wat bewijs uit de veda's willen horen om dit te verifiëren.

Bābājī: In de upaniṣaden staat,

samāne vṛkṣe puruṣo nimagno
'nīśayā śocati muhyamānaḥ
juṣṭaṁ yadā paśyaty anyam īśam
asya mahimānam eti vīta-śokaḥ

De jīva en de inwonende Paramātmā verblijven beiden in het lichaam als twee vogels in dezelfde boom. De jīva is door zijn gehechtheid aan materiële lustbeleving verzonken in het lichaamsbewustzijn. Hij wordt door māyā in de war gebracht en kan geen uitweg vinden; hij beklaagt zich en valt van zijn positie. Wanneer de jīva darśana krijgt van de andere persoon in zijn hart, namelijk de Allerhoogste Heer, die eeuwigdurend door zijn zuivere bhakta's wordt gediend, getuigt hij van Kṛṣṇa's ongewone glorie. Dan houdt hij op met klagen en krijgt zijn glorieuze positie als Kṛṣṇa's dienaar (Muṇḍaka Upaniṣad 3.1.2; Śvetāśvatara Upaniṣad 4.7).

Vrajanātha: Deze śloka stelt, dat de jīva voor altijd van zijn angsten wordt verlost, wanneer hij de eerbiedwaardige Heer ziet en Zijn grootmoedigheid rechtstreeks waarneemt. Impliceert dit bevrijding?

Bābājī: Bevrijding betekent te zijn ontbonden uit de boeien van māyā. Alleen degenen, die de associatie van heiligen hebben, bereiken deze bevrijding, maar het ware onderzoeksobject is de glorieuze positie, die je pas na je bevrijding krijgt.

muktir hitvānyathā-rūpaṁ svarūpeṇa vyavasthitiḥ
                                                       Śrīmad-Bhāgavatam (2.10.6)

In zijn oorspronkeljke, constitutionele gedaante is de jīva een zuivere dienaar van Kṛṣṇa. Als hij in de duisternis van onwetendheid valt, moet hij grofstoffelijke en subtiele lichamen accepteren. Bevrijding betekent het achterlaten van deze uiterlijke vormen en weer in de oorspronkelijke, spirituele svarūpa worden geplaatst.

De ene helft van deze śloka verklaart, dat bevrijding inhoudt het achterlaten van deze andere vormen en in je eigen svarūpa worden geplaatst. Het bereiken van de grondrechtelijke positie is een noodzaak voor de jīva. Het werk van bevrijding is voltooid op het moment, dat de jīva uit de boeien van māyā wordt verlost. Als je eenmaal je natuurlijke, constitutionele positie hebt bereikt, vangen zoveel nieuwe activiteiten aan. Het bereiken van dit stadium is een fundamentele noodzaak, de mūla-prayojana, van de jīva. De verlossing uit intense ellende kan bevrijding worden genoemd, maar deze bevrijding wordt gevolgd door een volgend stadium, waarin de persoon spiritueel geluk (cit-sukha) bereikt. Die staat wordt in de Chāndogya Upaniṣad (8.12.3) beschreven,

evam evaiṣa samprasādo 'smāc charīrāt samutthaya
paraṁ jyoti-rūpa-sampadya svena rūpenābhiniṣpadyate
sa uttamaḥ puruṣaḥ sa tatra paryeti jakṣan krīḍan ramamāṇaḥ

Wanneer de jīva bevrijding bereikt, overstijgt hij de grofstoffelijke en subtiel materiële lichamen en wordt in zijn eigen immateriële, spirituele staat geplaatst vergezeld van zijn spirituele uitstraling. Dan bevindt hij zich op het transcendentale platform. In die spirituele atmosfer raakt hij geabsorbeerd in plezier (bhoga), activiteiten (krīḍā) en zegenrijke vreugde (ānanda).

Vrajanātha: Wat zijn de symptomen van degenen, die van māyā zijn bevrijd?

Bābājī: Ze vertonen acht symptomen, die Chāndogya Upaniṣad (8.7.1) alsvolgt beschrijft,

ya ātmāpahata-pāpmā vijaro vimṛtyur viṣoko 'vijighatso 'pipāsaḥ
satya-kāmaḥ satya-saṅkalpaḥ so 'nveṣṭavyaḥ

De bevrijde ziel heeft acht kwaliteiten: hij is vrij van zowel alle zondige activiteiten, als van de verslaving aan zondige activiteiten, die voortkomt uit de onwetendheid van māyā; hij is niet onderhevig aan de grieven van de ouderdom; hij blijft altijd jong en fris en heeft geen neiging in verval te raken; hij komt nooit aan zijn eind, of sterft niet; hij is nooit somber; hij heeft geen zinnelijke verlangens; hij heeft een natuurlijke neiging om Kṛṣṇa zonder bijkomende verlangens te dienen; en al zijn wensen worden gerealiseerd. Deze acht kwaliteiten zijn afwezig in de baddha-jīva.

Vrajanātha: In de śloka van Daśa-mūla wordt gezegd, "Het grote geluk van de jīva, die doelloos door de materiële wereld zwerft, valt hem toe, zodra hij een rasika Vaiṣṇava ontmoet, die de nectar van Hari proeft." Daar kun je tegenin brengen, dat je uiteindelijk ook hari-bhakti kunt bereiken door vrome activiteiten uit te voeren, zoals aṣṭāṅga-yoga en het cultiveren van brahma-jñāna.

Bābājī: Hier volgen Kṛṣṇa's eigen woorden,

na rodhayati māṁ yogo na sāṅkhyaṁ dharma eva ca
na svādhyāyas tapas tyāgo neṣṭā-pūrttaṁ na dakṣiṇā
vratāni yajñāś chandāṁsi tīrthāni niyamā yamāḥ
yathāvarundhe sat-saṅgaḥ sarva-saṅgāpaho hi mām
                                                       Śrīmad-Bhāgavatam (11.12.1-2)

Śrī Bhagavān zei, "Ik ben niet onder de indruk van degenen, die yoga uitvoeren, sāṅkhya-filosofie studeren, religieuze plichten en vrome activiteiten uitvoeren, de veda's bestuderen, boetedoening doen en soberheid praktiseren, onhechting beoefenen of sannyāsa aanvaarden, offers en charitatieve werken uitvoeren, donaties verstrekken, vasten en andere geloften afleggen, yajña uitvoeren, vertrouwelijke mantra's chanten, op pelgrimstocht gaan en alle regels en voorschriften van het spirituele leven volgen. Echter degene, die sat-saṅga, dat alle materiële gehechtheden vernietigt, aanvaardt, is in staat Mij te overwinnen. Wat kan Ik nog zeggen? Aṣṭāṅga-yoga stelt Me indirect slechts licht tevreden, maar sādhu-saṅga beheerst Me volkomen."

En in Hari-bhakti-sudhodhaya (8.51) staat eveneens,

yasya yat-saṅgatiḥ puṁso maṇivat syāt sa tad-gunaḥ
sva-kularddhyaitato dhīmān sva-yūthāny eva saṁśrayet

Zoals een juweel of een kristal de kleur reflecteert van het object, waarmee het in contact komt, zo ontwikkelt een persoon kwaliteiten in overeenstemming met het gezelschap, waarin hij zich ophoudt.

Dus door gezelschap te houden met zuivere sādhu's kun je een zuivere sādhu worden. De associatie van zuivere sādhu's is daarom de grondoorzaak van alle geluk.

In de śāstra betekent het woord niḥsaṅga 'in solitude leven'. Dit impliceert, dat we alleen in de associatie van bhakta's moeten leven. Niḥsaṅga betekent het achterwege laten van alle associatie en alleen gezelschap houden met bhakta's. Zelfs onwillekeurige associatie met heiligen brengt de jīva groot geluk.

saṅgo yaḥ saṁsṛter hetur asatsu vihito 'dhiyā
sa eva sādhuṣu kṛto niḥsaṅgatvāya kalpate
                                                           Śrīmad-Bhāgavatam (3.23.55)

De associatie van materialisten is de oorzaak van gebondenheid aan de materiële wereld, zelfs al beseft men niet, dat dit zo is. Associatie met heilige personen, zelfs al gebeurt het onwillekeurig of onbewust, heet niḥsaṅga.

In Śrīmad-Bhāgavatam (7.5.32) wordt gezegd,

naiṣāṁ matis tāvad urukramāṅghriṁ
spṛśaty anarthāpagamo yad-arthaḥ
mahīyasāṁ pāda-rajo-'bhiṣekaṁ
niṣkiñcanānāṁ na vṛṇīta yāvat

De lotusvoeten van Urukrama, die wegens zijn ongewone activiteiten wordt geëerd, vernietigen alle anartha's in het hart. Degenen echter, die zeer materialistisch zijn, kunnen niet door Zijn lotusvoeten worden aangetrokken, totdat ze hun lichaam insmeren met het stof van de lotusvoeten van grote zielen, die in bhagavat-prema zijn verzonken en die volkomen vrij zijn van materiële gehechtheden.

En Śrīmad-Bhāgavatam (10.48.31) stelt vast,

na hy am-mayāni tīrthāni na devā mṛc-chilā-mayāḥ
te punanty uru-kālena darśanād eva sādhavaḥ

Men wordt gezuiverd door de heilige plaatsen, waar rivieren, zoals de Gaṅgā, stromen, en door de stenen en lemen godsbeelden van devatā's over een lange periode eerbiedige diensten te hebben verleend. Wanneer men daarentegen darśana van een śuddhā-bhakta krijgt, is men onmiddellijk gezuiverd.

Daarom zegt Śrīmad-Bhāgavatam (10.51.53) ook,

bhavāpavargo bhramato yadā bhavej
janasya tarhy acyuta sat-samāgamaḥ
sat-saṅgamo yarhi tadaiva sad-gatau
parāvareśe tvayi jāyate matiḥ

O onfeilbare Heer! De jīva heeft sinds onheuglijke tijden in deze wereld van geboorte en dood rondgezworven. Wanneer de tijd rijp is en hij deze kringloop van leven en dood verlaat, houdt hij gezelschap met Uw śuddhā-bhakta's. Vanaf het moment, dat hij deze associatie krijgt, wordt zijn geest stevig gevestigd op U, de enige en allerhoogste toeverlaat van bhakta's, die zich hebben overgegeven, de bestuurder van al wat is, en de Oorzaak der oorzaken.

Bābā, vanaf een tijd zonder begin heeft de jīva, die eeuwigdurend door māyā wordt gebonden, zich door het universum voortbewogen, waar hij geboorten in overeenstemming met zijn karma kreeg, soms als deva, soms in verscheidene diersoorten. Vanaf de tijd, dat hij vanwege zijn vrome activiteiten uit het verleden (sukṛti) de associatie van heiligen krijgt, vestigt hij zijn geest heel sterk op Kṛṣṇa, de bestuurder van al wat is.

Vrajanātha: U hebt gezegd, dat de associatie van śuddhā-bhakta's door sukṛti wordt verkregen. Wat is sukṛti? Is dat karma of kennis?

Bābājī: De śāstra’s zeggen, dat er twee soorten gunstig karma (śubha-karma) zijn, die overeenstemmen met de vedische richtlijnen. De ene soort veroorzaakt het verschijnen van bhakti, terwijl de andere soort irrelevante, inferieure resultaten geeft. Het uitvoeren van vrome activiteiten, zoals nitya en naimittika-karma, het bestuderen van saṅkhya en het cultiveren van jñāna geven allemaal irrelevante resultaten. De enige gunstige activiteiten, die tot bhakti als eindresultaat (bhakti-prada-sukṛti) leiden, zijn het associëren met śuddhā-bhakta's en met plaatsen, tijden en dingen, die bhakti verlenen.

Wanneer voldoende bhakti-prada-sukṛti is verzameld, leidt dat tot kṛṣṇa-bhakti. De andere soort sukṛti echter wordt geconsumeerd op het moment, dat men van de resultaten geniet, dus deze telt niet op tot een blijvend resultaat. Alle vrome daden in de wereld, zoals liefdadigheid, resulteren alleen in het bereiken van zintuigobjecten ten behoeve van lustbevrediging. De sukṛti van onpersoonlijke speculatie resulteert in onpersoonlijke bevrijdng. Geen van deze soorten sukṛti kan tot toegewijde dienst aan Śrī Bhagavān leiden.

Activiteiten, zoals sādhu-saṅga en het inachtnemen van Ekādaśī, Janmāṣṭamī en Gaura-pūrṇimā, helpen allemaal om heilige kwaliteiten te ontwikkelen. Tulasī, mahā-prasāda, śrī mandira, heilige oorden, en voorwerpen, die door sādhu's (sādhu-vastu) worden gebruikt, zijn allemaal gunstig; het aanraken ervan of hun darśana ontvangen zijn allemaal vrome daden, die tot bhakti leiden.

Vrajanātha: Kan iemand bhakti krijgen, als hij door materiële problemen wordt geteisterd en zijn toevlucht tot de lotusvoeten van Śrī Hari neemt in de wetenschap, dat hij van zijn problemen wordt verlost?

Bābājī: De jīva, die wordt geteisterd door de kwellingen van de godin der illusie, kan door zijn onderscheidende intelligentie op de een of andere manier begrijpen, dat wereldse activitieten eenvoudig problematisch zijn en dat de lotusvoeten van Kṛṣṇa en de voeten van Zijn śuddhā-bhakta's zijn enige toeverlaat zijn. In deze wetenschap neemt hij zijn toevlucht aan Zijn lotusvoeten en de eerste stap in dit proces van overgave is de bescherming van śuddhā-bhakta's te aanvaarden. Dit is het belangrijkste, bhakti-prada-sukṛti, door middel waarvan hij de lotusvoeten van Bhagavān verkrijgt. Al zijn verzaking en wijsheid, die hij aanvankelijk koesterde, waren slechts secundaire middelen om bhakti te bereiken. De associatie van bhakta's is dus de enige weg om bhakti te bereiken. Er is geen andere manier.

Vrajanātha: Als karma, jñāna, verzaking en onderscheidingsvermogen secundaire wegen zijn om bhakti te bereiken, wat is er dan op tegen om ze bhakti-prada-sukṛti te noemen?

Bābājī: Daartegen bestaat een sterke weerstand: ze binden je aan inferieure, tijdelijke resultaten. Het uitvoeren van karma leidt niet tot permanent resultaat, maar bindt de jīva aan de objecten van lustbevrediging. Verzaking en empirische kennis kan de jīva alleen tot de kennis van brahma leiden en dit begrip van een onpersoonlijk, allerhoogste principe voorkomt, dat hij Bhagavāns lotusvoeten bereikt. Ze kunnen dus geen bhakti-prada-sukṛti worden genoemd. Het is waar, dat ze soms tot bhakti leiden, maar dat is niet de gebruikelijke gang van zaken. Sādhu-saṅga daarentegen verleent volstrekt geen secundaire gunsten, maar leidt de jīva met kracht naar prema. In Śrīmad-Bhāgavatam (3.25.25) wordt uiteengezet,

satāṁ prasaṅgān mama vīrya-samvido
bhavanti hṛt-karṇa-rasāyanāḥ kathāḥ
taj-joṣaṇād āśv apavarga-vartmani
śraddhā ratir bhaktir anukramiṣyati

In gezelschap van śuddhā-bhakta's is de recitatie en discussie van Mijn glorieuze activiteiten en spel plezierig om te horen voor het hart en de oren. Door op deze wijze kennis te cultiveren raak je op het pad van bevrijding gevestigd en bereik je achtereenvolgens śraddhā, dan bhāva en tenslotte prema-bhakti.

Vrajanātha: Ik begrijp dat sādhu-saṅga de enige sukṛti is, die naar bhakti leidt. Men moet naar hari-kathā uit de mond van sādhu's luisteren en daarna krijgt men bhakti. Is dit de juiste volgorde om vooruitgang in bhakti te maken?

Bābājī: Ik zal de juiste weg om in bhakti vooruitgang te maken uitleggen. Luister goed. Alleen met goed geluk verzamelt de jīva op zijn zwerftocht door het universum de sukṛti, die hem naar bhakti leidt. Eén van de vele onderdelen van zuivere bhakti kan het leven van een jīva treffen. Bijvoorbeeld, hij kan vasten op Ekādaśī, of de heilige plaatsen van Bhagavāns spel bezoeken, of een gast bedienen, die een śuddhā-bhakta blijkt te zijn, of de kans krijgen hari-nāma of hari-kathā uit de lotusmond van een akiñcana-bhakta te horen. Als iemand materiële gunsten of onpersoonlijke bevrijding van zulke activiteiten wenst, leidt de resterende sukṛti niet tot toegewijde dienst. Maar als een onschuldig persoon één van deze activiteiten uitvoert, hetzij onbewust, of uit gewoonte zonder te verlangen naar materiële lustbevrediging, of naar onpersoonlijke bevrijding, leiden deze activiteiten tot de opeenstapeling van bhakit-prada-sukṛti.

Nadat je gedurende vele levens zulke sukṛti hebt verzameld, raakt het voldoende geconcentreerd om vertrouwen in zuivere bhakti te geven en wanneer het vertrouwen in bhakti onverdeeld is, ontwikkel je het verlangen om met śuddhā-bhakta's te associëren. Door associatie wordt je geleidelijk betrokken bij het uitvoeren van sādhana en bhajana en dat leidt tot het opheffen van anartha's in verhouding tot de zuiverheid van het chanten. Wanneer de anartha's zijn verwijderd, wordt het voorgaande vertrouwen verder gezuiverd en wordt niṣṭhā (vast vertrouwen). Dit vaste vertrouwen wordt ook weer gezuiverd en wordt ruci (spirituele smaak), en door de saundarya (schoonheid) van bhakti wordt deze ruci versterkt en neemt de vorm aan van āsakti (transcendentale gehechtheid). Transcendentale gehechtheid rijpt door en wordt rati of bhāva. Zodra rati met de juiste ingrediënten wordt gecombineerd, wordt het rasa. Dit is de stapsgewijze voortgang in de ontwikkeling van kṛṣṇa-prema.

Het principiële idee is, dat wanneer mensen met voldoende sukṛti darśana krijgen van śuddhā-bhakta's, zij een neiging ontwikkelen om door te gaan op het pad van bhakti. Men associeert met een śuddhā-bhakta door toeval en dit leidt tot de eerste aanzet van śraddhā, waarna hij een tweede keer associatie van de bhakta's krijgt. Het resultaat van de eerste ontmoeting is śraddhā, dat ook overgave (śaraṇāgati) kan worden genoemd. De eerste sādhu-saṅga wordt veroorzaakt door contact met heilige oorden, gunstige tijden, bijkomstigheden en ontvangers van Śrī Hari's genade, van wie Hij allemaal houdt. Deze gebeurtenissen leiden tot vertrouwen in Zijn bescherming. De symptomen van de ontwikkeling van dergelijk vertrouwen worden in de Bhagavad-Gītā (18.66) alsvolgt beschreven,

sarva-dharmān parityajya
mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja
ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo
mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ

Hier impliceren de woorden sarva-dharmān plichten (smārta-dharma), aṣṭāṅga-yoga, sāṅkhya-yoga, jñāna en onthouding. De jīva kan dit hoogste spirituele doel nooit bereiken door al deze dharma’s te beoefenen, daarom is hier de instructie ze op te geven. Śrī Kṛṣṇa zegt, "Mijn vorm van zuivere en gecondenseerde sac-cid-ānanda, die verschijnt als Vraja-vilāsī (de wonderbaarlijke speler in Vraja) is de enige toevlucht voor de jīva’s. Wanneer men dat begrijpt, geeft men al zijn verlangens naar bhukti (materiële lustbevrediging) en mukti (onpersoonlijke bevrijding) op en neemt men met onverdeelde aandacht zijn toevlucht tot Mij." Dit heet pravṛtti-rūpa-śraddhā (de exclusieve neiging om zich in Kṛṣṇa's liefdedienst te begeven). Wanneer zulk vertrouwen in het hart van de jīva ontwaakt, besluit hij met tranen in zijn ogen om een volgeling te worden van een vaiṣṇava-sādhu. De Vaiṣṇava bij wie hij op dat punt zijn toevlucht neemt is de guru.

Vrajanātha: Hoeveel soorten anartha's heeft een jīva?

Bābājī: Er zijn vier soorten anartha's: 1) svarūpa-bhrama (verwarring over zijn spirituele identiteit; 2) asat-tṛṣṇā (dorst naar tijdelijk materieel plezier); 3) aparādha (overtreding); en 4) hṛdaya-daurbalya (sentimentele zwakte van het hart).

De eerste anartha van de jīva, namelijk svarūpa-bhrama doet zich voor, wanneer hij vergeet, dat "Ik – de zuiver spirituele vonk – ben Kṛṣṇa's dienaar," en hij wordt weggevoerd van zijn oorspronkelijke, spirituele positie. Wanneer de jīva denkt, dat hij en zijn dode, materiële bezittingen 'ik' en 'mijn' zijn, ontwikkelt hij drie soorten asat-tṛṣṇā. Deze zijn het verlangen naar een zoon, naar rijkdom en naar hemels plezier. Er zijn tien typen aparādha, die ik later zal bespreken. De jīva heeft verdriet vanwege hṛdaya-daurbalya (sentimentele zwakte van het hart). Deze vier soorten anartha's zijn de naisargika-phala, de vruchten van nisarga, of de tijdelijke, verworven natuur van de jīva, nadat hij in onwetendheid verstrikt is geraakt; ze worden geleidelijk opgelost door Kṛṣṇabewustzijn in de associatie van śuddhā-bhakta's te cultiveren.

Het viervoudige pad van yoga bestaat uit de terugtrekking van de zintuigen van hun lustobjecten (pratyāhāra), zelfbeheersing (yama), het volgen van verscheidene regulerende principes (niyama) en verzaking (vairāgya). Dit proces is niet de juiste methode om je van je materiële zorgen te bevrijden, want het is moeilijk om perfectie te bereiken en er is altlijd een grote kans aanwezig, dat je terugvalt. De enige manier om vrij van alle zorgen te worden is het cultiveren van zuiver Kṛṣṇabewustzijn in de associatie van śuddhā-bhakta's. Op die manier wordt de jīva bevrijd uit de houdgreep van māyā en wordt zijn grondrechtelijke positie geopenbaard in verhouding tot de anartha's, die uit zijn hart zijn verdwenen.

Vrajanātha: Kunnen mensen zonder enig spoor van anartha's bevrijd worden genoemd?

Bābājī: Neem de volgende śloka in beschouwing,

rajobhiḥ sama-saṅkhyātāḥ pārthivair iha jantavaḥ
teṣāṁ ye kecanehante śreyo vai manujādayaḥ

prāyo mumukṣavas teṣāṁ kecanaiva dvijottama
mumukṣūṇāṁ sahasreṣu kaścin mucyate sidhyati

muktānām api siddhānāṁ nārāyaṇa-parāyaṇaḥ
sudurlabhaḥ praśāntātmā koṭiṣv api mahā-mune
                                                           Śrīmad-Bhāgavatam (6.14.3-5)

He Bhavagān! Er zijn in deze materiële wereld evenveel jīva’s als zandkorrels. Slechts een paar daarvan zijn menselijke wezens, onder wie slechts enkelen zich de moeite getroosten om te zoeken naar een hoger doel. Van degenen, die moeite doen voor een hoger doel, zoeken slechts een paar zeldzame individuen naar bevrijding uit deze wereld en uit duizend van zulke mensen, is er amper één in staat om siddhi (perfectie) of mukti (bevrijding) te bereiken. Uit miljoenen van zulke geperfectioneerde, bevrijde zielen is het moeilijk één enkele vredelievende, grote ziel te vinden, die geheel is toegewijd aan de seva van Śrī Nārāyaṇa. Daarom zijn Nārāyaṇa's bhakta's uitermate zeldzaam.

Een persoon, die vrij is van anartha's heet een śuddhā-bhakta. Zulke bhakta's zijn heel zeldzaam; inderdaad, zelfs onder miljoenen mukta's kun je nauwelijks een enkele bhakta van Śrī Kṛṣṇa vinden. Daarom is geen enkele associatie in deze wereld zeldzamer dan de associatie van Kṛṣṇa's bhakta's.

Vrajanātha: Impliceert het woord Vaiṣṇava een bhakta, die het gezinsleven verzaakt?

Bābājī: Een śuddhā-bhakta is een Vaiṣṇava, of hij nu een gṛhastha (gezinshoofd) of sannyāsī (wereldverzaker), een brāhmaṇa of een caṇḍāla (hondenvleeseter), of rijk of arm is. Een toegewijde is een kṛṣṇa-bhakta naar gelang de mate van zijn śuddhā-kṛṣṇa-bhakti (zuivere toewijding aan Kṛṣṇa).

Vrajanātha: U hebt al gezegd, dat er vijf typen jīva’s zijn, die in de houdgreep van māyā zitten en u hebt ook gezegd, dat bhakta's, die sādhana-bhakti en bhāva-bhakti uitvoeren, zich onder de heerschappij van māyā bevinden. In welk stadium zijn bhakta's māyā-mukta (bevrijd van māyā)?

Bābājī: Je bent uit de boeien van māyā bevrijd vanaf het eerste begin van je toegewijde dienst, maar vastu-gata-mukti, of volkomen bevrijding van de twee materiële lichamen (grofstoffelijk en subtiel), wordt alleen verkregen, wanneer je het stadium van volle rijpheid in bhakti-sādhana bereikt. Vóór dat stadium is bereikt, ben je bevrijd in verhouding tot je svarūpa-gata, naarmate je bewust bent van je grondrechtelijke positie. De jīva bereikt vastu-gata-māyā-mukti, volkomen vrijheid van māyā, alleen wanneer hij zich volledig van het grofstoffelijke en subtiele lichaam heeft gedistantieerd. Het stadium van bhāva-bhakti ontwaakt in het hart van de jīva als gevolg van de beoefening van sādhana-bhakti. Wanneer de jīva stevig in bhāva-bhakti is verankerd, geeft hij zijn grofstoffelijke lichaam op en daarna geeft hij het subtiele lichaam op en wordt in zijn zuiver spirituele lichaam (cit-śarīra) gevestigd. Het gevolg is, dat de jīva niet volkomen vrij is van māyā's overheersing zelfs niet in het beginstadium van bhāva-bhakti, omdat een spoor van de conditionering van māyā altijd blijft bestaan, zolang de jīva sādhana-bhakti uitvoert. De authoriteiten in onze lijn hebben sādhana-bhakti en bhāva-bhakti zorgvuldig bekeken en hebben de bhakta's, die deze twee stadia beoefenen onder de vijf typen geconditioneerde zielen gerekend. De materialisten en impersonalisten bevinden zich zonder twijfel in de vijf categorieën van geconditioneerde zielen.

Het enige pad naar bevrijding uit de ketenen van māyā is bhakti voor Śrī Hari. De jīva is onder māyā's supervisie geplaatst, omdat hij zich aan overtredingen schuldig maakt en de grootste overtreding is vergeten, dat 'ik ben Kṛṣṇa's dienaar'. De overtredingen kunnen alleen worden opgeheven, indien je Kṛṣṇa's genade krijgt; alleen dan kun je worden bevrijd van māyā's heerschappij. De impersonalisten geloven, dat je bevrijding van māyā kunt krijgen door kennis te ontwikkelen, maar dit idee heeft geen basis; er is geen mogelijkheid om vrij te worden van māyā zonder Zijn genade. Dit wordt uitgelegd in Śrīmad-Bhāgavatam (10.2.32-33),

ye 'nye 'ravindākṣa vimukta-māninas
tvayy asta-bhāvād aviśuddha-buddhayaḥ
āruhya kṛcchreṇa paraṁ padaṁ tataḥ
patanty adho 'nādṛta-yuṣmad-aṅghrayaḥ

O lotusogige Heer! Zij die op trotse wijze denken, dat ze zijn bevrijd, maar geen toegewijde dienst aan U verlenen, hebben zonder meer een onzuivere intelligentie. Ofschoon ze zware boetedoening en soberheid betrachten en zich verheffen tot de spirituele positie van onpersoonlijke realisatie van brahma, vallen ze uit hun positie weer terug, omdat ze geen respect hebben voor de toegewijde dienst aan Uw lotusvoeten.

tathā na te mādhava tāvakāḥ kvacid
bhraśyanti mārgāt tvayi baddha-sauhṛdāḥ
tvayābhiguptā vicaranti nirbhayā
vināyakānīkapa-mūrddhasu prabho

O Mādhava, Jouw meest geliefde bhakta's, die ware liefde voor Je lotusvoeten koesteren, zijn niet zoals die arrogante jñāni’s, want bhakta's vallen nimmer terug van het pad van toegewijde dienst. Aangezien Jij hen beschermt, bewegen ze zich onbevreesd en stappen over de hoofden heen van degenen, die hun weg versperren, zodat geen enkel obstakel in staat is hun voortuitgang te beteugelen.

Vrajanātha: Hoeveel verschillende typen jīva’s zijn van māyā bevrijd?

Bābājī: Twee soorten jīva’s zijn vrij van māyā's overheersing: 1) nitya-mukta (de jīva’s, die nooit onder māyā's overheersing zijn geweest) en 2) bhaddha-mukta (degenen, die ooit onder māyā's overheersing waren, maar nu vrij zijn). De nitya-mukta-jīva’s worden weer verdeeld in twee categorieën: 1) aiśvarya-gata (degenen, die worden aangetrokken door Bhagavāns overvloed en majesteit) en 2) mādhurya-gata (degenen, die worden aangetrokken door Zijn lieftalligheid). De jīva’s, die worden aangetrokken door Kṛṣṇa's aiśvarya zijn persoonlijke metgezellen van Śrī Nārāyaṇa, de Meester van Vaikuṇṭha. Zij zijn deeltjes in de spirituele uitstraling, die voortkomt uit Śrī Mūla-Saṅkarṣana, die in Vaikuṇṭha resideert. Degenen, die worden aangetrokken door Bhagavāns mādhurya zijn persoonlijke metgezellen van Śrī Kṛṣṇa, de Meester van Goloka Vṛndāvana. Zij zijn deeltjes in de spirituele uitstraling, die wordt gemanifesteerd door Śrī Baladeva, die in Goloka Vṛndāvana resideert.

Er zijn drie soorten baddha-mukta-jīva’s: 1) aiśvarya-gata (degenen, die worden aangetrokken door Bhagavāns overvloed en majesteit), 2) mādhurya-gata (degenen, die worden aangetrokken tot Bhagavāns lieftalligheid) en 3) brahma-yjoti-gata (degenen, die worden aangetrokken door Bhagavāns onpersoonlijke uitstraling). Degenen, die worden aangetrokken door Zijn overvloed tijdens hun periode van gereguleerde dienstverlening, worden eeuwige metgezellen van Śrī Nārāyaṇa, de Meester van het spirituele universum en bereiken sālokya-mukti (het vermogen op Zijn planeet te resideren). Jīva’s, die worden aangetrokken door Śrī Kṛṣṇa's lieftalligheid gedurende hun periode van sādhana, krijgen rechtstreekse liefdedienst aan Hem, zodra ze worden bevrijd in de eeuwige plaatsen, Vṛndāvana en overeenkomstige oorden. Jīva’s, die gedurende hun periode van sādhana proberen samen te smelten in de onpersoonlijke uitstraling van brahma, krijgen sāyujya-mukti, zodra ze worden bevrijd. Zij lossen in Zijn uitstraling op en worden dus in de vorm van brahma-sāyujya totaal  vernietigd.

Vrajanātha: Wat is de hoogste bestemming van de onvermengde bhakta's van Śrī Gaura-Kiśora (Caitanya Mahāprabhu)?

Bābājī: Śrī Kṛṣṇa en Śrī Gaura-Kiśora zijn in Hun tattva (absolute natuur) niet-verschillend. Beiden zijn toevluchtsoorden voor mādhurya-rasa. Er is echter een klein verschil tussen Hen, omdat mādhurya-rasa twee prakoṣṭs (kamers) heeft. De ene is de stemming van mādhurya (lieftalligheid) en de andere is de stemming van audārya (grootmoedigheid). Śrī Kṛṣṇa's svārupa is manifest, waar mādhurya prominent is, en Śrī Gaurāṅga's vorm is manifest, waar audārya prominent is. Op dezelfde manier heeft Vṛndāvana ook twee prakoṣṭs (afdelingen): Śrī Kṛṣṇa's verblijfplaats en Śrī Gaura's verblijfplaats.

De nitya-siddha en nitya-mukta metgezellen, die in Śrī Kṛṣṇa's verblijfplaats zijn gevestigd, worden eerst aangetrokken tot mādhurya en dan tot audārya. De nitya-siddha en nitya-mukta metgezellen, die in Śrī Gaura's verblijfplaats zijn gevestigd, zijn vol vreugde in audārya verzonken en daarna in mādhurya. Sommigen van hen zijn door expansies van het zelf (svarūpa-vyūha) gevestigd in beide plaatsen tegelijkertijd, terwijl anderen in één spirituele vorm in één plaats zijn gevestigd en niet in de andere.

Degenen, die alleen Śrī Gaura tijdens hun sādhana vereren, dienen ook alleen Śrī Gaura, wanneer ze perfectie bereiken, terwijl degenen, die alleen Śrī Kṛṣṇa tijdens hun sādhana vereren, alleen Śrī Kṛṣṇa dienen op het moment, dat ze perfectie bereiken. Maar degenen, die beide vormen van Śrī Kṛṣṇa en Śrī Gaura tijdens hun sādhana vereren, manifesteren twee vormen wanneer ze perfectie bereiken en worden in beide plaatsen tegelijkertijd gevestigd. De waarheid van gelijktijdige eenheid van - en verschil tussen Śrī Gaura en Śrī Kṛṣṇa is een zeer vertrouwelijk, geheim onderwerp.

Toen Vrajanātha al deze lessen over de staat van de jīva’s, die van māyā zijn bevrijd, had gehoord, kon hij zich niet langer inhouden. Trillend van emotie viel hij aan de lotusvoeten van de bejaarde Bābājī neer. Hij huilde hardgrondig en Bābājī Mahāśaya pakte hem van de grond op en omhelsde hem. Het was alweer behoorlijk laat in de avond geworden. Vrajanātha nam afscheid van Bābājī Mahāśaya en ging terug naar huis. Hij werd volledig in beslag genomen door zijn meditatie op de instructies van Bābājī.

Toen Vrajanātha thuiskwam, gebruikte hij zijn maaltijd en terwijl hij zat te eten, waarschuwde hij zijn grootmoeder op strenge toon, "Grootmoeder, als jullie me hier willen blijven zien, moet u ophouden over mijn huwelijk te spreken en geen enkel contact meer met Veṇī-mādhava onderhouden. Hij is mijn grootste vijand en vanaf morgen spreek ik geen woord meer met hem. U moet hem ook negeren."

Vrajanātha's grootmoeder was erg intelligent. Ze begreep Vrajanātha's stemming en besloot alle vragen over het huwelijk op te schorten. "Met het soort bui, die hij nu vertoont," dacht ze, "zou hij naar Vṛndāvana of Vārāṇasī kunnen vertrekken, als hem teveel dwang wordt opgelegd. Laat Bhagavān beslissen, zoals Hij het wil."

 

Aldus eindigt het Zeventiende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: de Jīva's bevrijding van Māyā"


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 16 – "Prameya: Jivas door Maya bezeten"

Volgende: Hoofdstuk 18 – "Prameya: Bhedabheda-Tattva"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl