Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 16

Prameya: jivas door maya bezeten


Na de verlichte beschrijving van jīva-tattva in Daśa-mūla te hebben gehoord keerde Vrajanātha huiswaarts. Hij lag op zijn bed en kon niet slapen; hij begon diep na te denken, "Ik heb een antwoord gekregen op de vraag, 'Wie ben ik?' Nu kan ik mezelf eenvoudig zien als een lichtatoom in de schitterende stralen van de spirituele zon, Śrī Kṛṣṇa. Hoewel ik van nature atomisch ben, heb ik mijn eigen inherente waarde, doel, kennis en een druppel spirituele vreugde (bindu-cidgata-ānanda). Mijn svarūpa is een spiritueel deeltje (cit-kaṇa). Zelfs al is die vorm atomisch klein, hij lijkt op de antropomorfe (menselijke) vorm van Śrī Kṛṣṇa. Ik kan deze vorm tot mijn grote verdriet nu nog niet zien; alleen een uiterst fortuinlijke ziel kan dit realiseren. Het is van belang, dat ik duidelijk begrijp, waarom ik in deze ongelukkige conditie heb te lijden. Morgen ga ik dit vragen aan Śrī Gurudeva."


Terwijl hij zo lag te denken, viel hij rond middernacht eindelijk in slaap. Vlakvoor de dageraad droomde hij, dat hij zijn familie had verlaten en de vaiṣṇava-kleding had aanvaard. Toen hij wakker werd, dacht hij vol blijdschap, "Het lijkt erop, dat Kṛṣṇa me snel uit deze saṁsāra verlost."

Toen hij de volgende ochtend op de veranda zat kwamen een paar studenten naar hem toe. Ze boden hun eerbied aan en zeiden, "U hebt ons langetijd heel goed onderwijs gegeven en we hebben onder uw leiding vele diepgaande onderwerpen met betrekking tot nyāya bestudeerd. We hopen, dat u ons nu instructies wilt geven over nyāya-kusumāŮjali."

Met grote nederigheid antwoordde Vrajanātha, "Mijn beste broeders, ik ben niet in staat jullie langer te onderwijzen, want ik kan mijn verstand niet meer bij de les houden. Ik heb besloten een ander pad in te slaan. Onder deze omstandigheden stel ik voor, dat jullie onder leiding van een andere docent verder studeren." Toen ze dit hoorden werden de studenten erg bedroefd, maar aangezien ze er niets aan konden doen, liepen ze geleidelijk ťťn voor ťťn weg.

Rond die tijd kwam Śrī Caturbhuja Miśra Ghaṭaka naar het huis om Vrajanātha's grootmoeder van vaders zijde een huwelijksvoorstel te doen. Hij zei, "Ik weet zeker, dat u Vijayanātha Bhaṭṭacārya kent. Hij komt uit een prima familie, die goed is bemiddeld; het zal dus een geschikte partij voor u zijn. Het belangrijkste is, dat dit meisje even gekwalificeerd is, als ze mooi is. Van zijn kant stelt Bhaṭṭacārya geen voorwaarden met betrekking tot het huwelijk van zijn dochter met Vrajanātha. Hij is bereid haar uit te huwlijken op iedere manier die u wenst."

Toen Vrajanātha's grootmoeder dit voorstel hoorde, werd ze dol van blijdschap, maar Vrajanātha voelde zich in zijn hart ontevreden. "Alas!" dacht hij, "mijn grootmoeder regelt mijn huwelijk, terwijl ik van plan ben mijn familie en de wereld achter me te laten. Hoe kan ik op dit moment verheugd zijn en een trouwpartij bespreken?"

Later ontstond er in hun huis een hevige strijd met argumenten en tegenargumenten over trouwen. Vrajanātha's moeder, grootmoeder en andere oudere dames stonden aan de ene kant, terwijl Vraja- nātha helemaal in zijn eentje aan de andere kant stond. De dames drongen er op diverse manieren op aan, dat Vrajanātha moest trouwen, maar hij was het er niet mee eens. De discussie ging de hele dag door. Tegen de avond begon het te stortregenen en dat bleef de hele nacht doorgaan, zodat Vrajanātha niet naar Māyāpura kon gaan. De volgende dag kon hij, vanwege de verhitte discussies over het trouwen, zelfs zijn maaltijden niet behoorlijk naar binnen krijgen. 's Avonds ging hij naar de hut van Bābājī. Hij gaf zijn eerbetuigingen en ging dichtbij Bābājī zitten, die zei, "Gisteren regende het pijpestelen. Dat is zeker de reden waarom je niet kon komen. Ik ben heel gelukkig, dat ik je vandaag weer zie."

Vrajanātha zei, "Prabhu, ik word geconfronteerd met een probleem, waarover ik u later meer zal vertellen. Wilt u me alstublieft eerst het volgende uitleggen: als de jīva een zuiver spiritueel wezen is, hoe is hij dan in deze miserabele wereld verzeild geraakt?"

Bābājī glimlachte en zei:

svarūpārthair hīnān nija-sukha-parān kṛṣṇa-vimukhān
harer māyā-dandyān guṇa-nigaḍa-jālaiḥ kalayati
tathā sthūlair lingai dvi-vidhāvaraṇaiḥ kleśa-nikarair
mahākramālānair nayati patitān svarga-nirayau
††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† ††††††††††Daśa-mūla (6)

Volgens zijn oorspronkelijke natuur is de jīva een eeuwige dienaar van Kṛṣṇa. Zijn svarūpa-dharma is dienstverlening aan Śrī Kṛṣṇa. Bhagavāns begoochelende energie (māyā) straft de jīvaís, die in gebreke gaan van deze svarūpa-dharma. Deze jīvaís zijn van Kṛṣṇa afgekeerd en maken zich zorgen over hun eigen geluk. Ze bindt ze vast met haar koorden van de drie geaardheden van de materiŽle natuur Ė sattva, rajaḥ en tamaḥ - dekt hun svarūpa af met grofstoffelijke en subtiele lichamen, werpt hen in de miserabele gebondenheid aan karma en veroorzaakt daarmee, dat ze herhaaldelijk geluk en verdriet in hemel en hel ervaren.

"Ontelbaar veel jīvaís komen voort uit Śrī Baladeva Prabhu om Vṛndāvana-vihārī Śrī Kṛṣṇa te dienen als Zijn eeuwige metgezellen in Goloka Vṛndāvana en anderen komen voort uit Śrī Saṅkarṣaṇa om de Heer van Vaikuṇṭha, Śrī Nārāyaṇa, in het spirituele universum te dienen. Terwijl ze rasa proeven en zich bezighouden met de dienst aan hun eerbiedwaardige Heer, blijven ze altijd aan hun grondrechtelijke positie verbonden. Ze streven er altijd naar om Bhagavān een plezier te doen en zijn altijd attent naar Hem. Ze hebben de kracht van cit-śakti gekregen en zijn altijd sterk. Ze hebben geen verbinding met de materiŽle energie. In feite weten ze niet eens, of er een begoochelende energie, die māyā heet, bestaat of niet. Omdat ze in de spirituele wereld verblijven is māyā heel ver van hen vandaan en heeft geen enkele invloed op hen. Ze blijven altijd in de zegen van de dienst aan hun eerbiedwaardige Heer verzonken, ze zijn eeuwigdurend bevrijd en zijn vrij van materieel geluk en verdriet. Hun leven bestaat alleen uit liefde en ze zijn zich niet eens bewust van ellende, dood of angst.

"Er zijn ook ontelbaar veel atomisch kleine, bewuste jīvaís, die als stralen voortkomen uit de vluchtige blik, die Kāraṇodakaśāyī Mahā-Viṣṇu op Zijn māyā-śakti werpt. Aangezien deze jīvaís zich vlak naast māyā bevinden, nemen ze haar wonderbaarlijke werken waar. Hoewel ze alle kwaliteiten van de jīvaís hebben, die ik eerder heb beschreven, kijken ze vanwege hun nietige en marginale natuur soms naar de spirituele wereld en soms naar de materiŽle wereld. In deze marginale conditie is de jīva erg zwak, omdat hij op dat moment niet de spirituele kracht van de genade van het object van zijn verering (sevā-vastu) heeft verkregen. Van deze onbeperkte hoeveelheid jīvaís raken degenen, die van māyā willen genieten, verdiept in wereldse lustbevrediging en gaan de staat van nitya-baddha binnen. De jīvaís daarentegen, die cid-anuśīlanam voor Bhagavān uitvoeren, ontvangen door Zijn genade spirituele śakti (cid-bala) en gaan de spirituele wereld binnen. Bābā! Het is ons grote ongeluk, dat we onze dienst aan Śrī Kṛṣṇa zijn vergeten en in de ketenen van māyā geboeid zijn geraakt. Alleen omdat we onze grondrechtelijke positie zijn vergeten, bevinden we ons in deze deplorabele toestand."

Vrajanātha: Prabhu, ik begrijp, dat deze marginale positie gesitueerd is in taṭasthā-svabhāva, of het verbindingspunt tussen de spirituele en materiŽle werelden. Hoe komt het, dat sommige jīvaís van daaruit naar de materiŽle wereld gaan en anderen naar de spirituele wereld?

Bābājī: Kṛṣṇa's kwaliteiten zijn ook in de jīvaís aanwezig, maar slechts in geringe mate. Kṛṣṇa is supreem onafhankelijk, dus de wens om onafhankelijk te zijn is ook eeuwigdurend in de jīvaís aanwezig. Als de jīva zijn onafhankelijkheid op de juiste wijze gebruikt, blijft hij op Kṛṣṇa gericht, maar als hij haar misbruikt, wordt hij vimukha (onverschillig) jegens Hem. En het is juist deze onverschilligheid in het hart van de jīva, die aanleiding geeft van māyā te genieten. Vanwege het verlangen van māyā te genieten ontwikkelt hij het vals ego, wat hem doet denken, dat hij van materiŽle lustbevrediging kan genieten, waardoor de vijf typen onwetendheid Ė tamaḥ (niets weten over de spirituele ziel), moha (de illusie van het lichaamsbewustzijn), mahā-moha (de verdwazing van materieel plezier), tāmisra (vergetelheid van zijn grondrechtelijke positie wegens woede of afgunst) en andha-tāmisra (de dood als het definitieve einde beschouwen) zijn zuivere, atomische natuur bedekken. Onze bevrijding en onderdrukking zijn eenvoudig afhankelijk van het feit, of we onze minimale onafhankelijkheid op de juiste wijze gebruiken, of misbruiken.

Vrajanātha: Kṛṣṇa is karuṇamaya (vol genade), maar waarom heeft Hij de jīva zo zwak gemaakt, dat hij in māyā verstrikt raakte?

Bābājī: Het is waar, dat Kṛṣṇa karuṇamaya is, dat Hij loopt over van genade, maar Hij is ook līlāmaya, Hij loopt ook over van het verlangen om het spel te spelen. Omdat Hij verlangt naar uiteenlopend spel en vermaak, die zich in uiteenlopende situaties afspelen, maakte Śrī Kṛṣṇa de jīvaís geschikt voor alle condities, van de marginale staat tot de hoogste staat van mahābhāva. En om de jīvaís in de praktijk gestaag vooruitgang in hun kwalificatie voor Kṛṣṇa's liefdedienst te laten maken, heeft Hij ook de lagere niveau's van het materiŽle bestaan gemaakt, te beginnen bij de laagste vorm van levenloze stof opwaarts tot ahaṅkāra, die oorzaken zijn van de eindeloze weerstand bij het bereiken van paramānanda. Nadat ze van hun grondrechtelijke positie zijn gevallen, zijn de jīvaís, die in māyā zijn verstrikt, onverschillig jegens Kṛṣṇa en worden geheel in beslag genomen door hun persoonlijke lustbevrediging. Śrī Kṛṣṇa echter is het reservoir van genade. Hoe dieper de jīva valt, hoe beter Kṛṣṇa hem voorziet van mogelijkheden om de hoogste spirituele perfectie te bereiken. Hij maakt dit waar, door voor hem te verschijnen in gezelschap van Zijn spirituele dhāma en Zijn eeuwige metgezellen. De jīvaís, die hun voordeel doen met deze genadevolle gelegenheid en oprechte pogingen ondernemen om de hogere positie te verkrijgen, bereiken de spirituele wereld en ontvangen een status, welke gelijk is aan die van Śrī Hari's eeuwige metgezellen.

Vrajanātha: Waarom moeten de jīvaís lijden omwille van Bhagavāns spel en vermaak?

Bābājī: De jīvaís beschikken over enige onafhankelijkheid. Dit is eigenlijk een teken van Bhagavāns bijzondere genade voor hen. Levenloze objecten zijn heel onbetekenend en waardeloos, omdat ze geen dergelijk onafhankelijk verlangen hebben. De jīva heeft alleen vanwege zijn onafhankelijk verlangen soevereiniteit over de levenloze wereld verkregen.

Verdriet en geluk zijn hoedanigheden van het verstand. Dus hetgeen wij als ellende beschouwen, is geluk voor iemand, die erdoor in beslag wordt genomen. Aangezien alle variŽteiten van materiŽle zinsbevrediging uiteindelijk in niets anders dan ellende resulteren, oogst een materialistisch persoon uitsluitend lijden. Zodra dat lijden excessief wordt, geeft het aanleiding om naar geluk te zoeken. Uit dat verlangen ontstaat onderscheidingsvermogen en uit onderscheidingsvermogen wordt de neiging tot onderzoek geboren. Als gevolg hiervan krijgt men sat-saṅga (de associatie van heilige personen), waarna śraddhā zich ontwikkelt. Zodra śraddhā wordt geboren, stijgt de jīva op naar een hoger stadium, namelijk het pad van bhakti.

Goud wordt gezuiverd door verhitting en beslag. Doordat de jīva onverschillig is geworden jegens Kṛṣṇa, is hij onzuiver geworden door zich met wereldse zinsbevrediging bezig te houden. Daarom moet hij worden gezuiverd door te worden beslagen met de hamers van ellende op het aanbeeld van zijn materiŽle wereld. Onder invloed van dit proces bereikt de ellende van de jīvaís, die gekeerd zijn tegen Kṛṣṇa, uiteindelijk zijn hoogtepunt in geluk. Lijden is daarom juist een teken van Bhagavāns genade. Dat is de reden waarom ruim denkende mensen het lijden van jīvaís in Kṛṣṇa's spel en vermaak als gunstig zien, terwijl bekrompen geesten het alleen kunnen begrijpen als een onheilspellende bron van ellende.

Vrajanātha: Het lijden van de jīva in deze geconditioneerde staat is uitermate gunstig, maar in de huidige staat is het buitengewoon pijnlijk. Aangezien Kṛṣṇa almachtig is, vraag ik me af, of Hij geen minder beroerd pad kunnen bedenken?

Bābājī: Kṛṣṇa's līlā is onvoorstelbaar wonderbaarlijk en zeer gevarieerd; en dit is er ook ťťn van. Als Bhagavān onafhankelijk en almachtig is en Hij alle mogelijke soorten spellen uitvoert, waarom zou dit dan het enige spel zijn, dat Hij overslaat? Als er volkomen diversiteit moet zijn, kan geen enkel spel worden uitgesloten. Afgezien daarvan, de deelnemers aan andere typen spellen moeten ook een vorm van lijden accepteren. Śrī Kṛṣṇa is de genieter (puruṣa) en de spelleider (kartā). Alle ingrediŽnten en bijkomstigheden worden door Zijn verlangen beheersd en zijn ondergeschikt aan Zijn activiteiten. Het is niet meer dan normaal om wat lijden te ondergaan, wanneer je wordt geleid door de wens van de regisseur. Maar, als dat lijden op het eind plezier geeft, is het geen echt lijden meer. Hoe kun je het lijden noemen? Het zogenaamde lijden, dat je ondergaat om Kṛṣṇa's spel en vermaak te voeden en te ondersteunen is in feite een bron van plezier. Het onafhankelijke verlangen van de jīva heeft veroorzaakt, dat hij het plezier van zijn liefdedienst aan Kṛṣṇa heeft verlaten en in plaats daarvan het lijden in māyā aanvaardt. Dit kunnen we de jīva verwijten, niet Kṛṣṇa.

Vrajanātha: Zou het geen goed idee zijn geweest, als de jīva geen onafhankelijk verlangen was gegeven? Kṛṣṇa is alwetend en Hij gaf deze onafhankelijkheid aan de jīvaís zelfs al wist Hij, dat ze erdoor gingen lijden, dus is Hij toch verantwoordelijk voor het lijden van de jīvaís?

Bābājī: Onafhankelijkheid is een kostbaar juweel, in de afwezigheid waarvan levenloze objecten onbetekenend en waardeloos zijn. Als de jīva geen onafhankelijkheid had gekregen, was hij even onbetekenend en waardeloos geworden als materiŽle objecten. De jīva is een atomisch, spiritueel wezen, dus hij moet zeker over alle kwaliteiten van spirituele objecten beschikken. Het enige verschil is, dat Bhagavān, die het volkomen spirituele object is, al deze kwaliteiten in volheid bezit, terwijl de jīva er slechts in geringe mate over beschikt. Onafhankelijkheid is een onderscheiden kwaliteit van het spirituele object, en een inherente kwaliteit van een object kan niet van het object zelf worden gescheiden. Het gevolg is, dat de jīva ook deze kwaliteit van onafhankelijkheid bezit, maar slechts in zeer geringe mate, want hij is atomisch klein. Ook wegens deze onafhankelijkheid is de jīva het supreme object in de materiŽle wereld en is hij de meester der schepping.

De onafhankelijke jīva is een geliefd dienaar van Kṛṣṇa en daarom is Kṛṣṇa vriendelijk en mededogend jegens hem. Als Hij de ellende van de jīva ziet, wanneer hij zijn onafhankelijkheid misbruikt en aan māyā gehecht raakt, komt Hij hem huilend en huilend achterna en verschijnt in de materiŽle wereld om hem te bevrijden. Śrī Kṛṣṇa, de oceaan van mededogen, wiens hart smelt van genade voor de jīvaís, manifesteert Zijn acintya-līlā in de materiŽle wereld en denkt, dat Zijn verschijning de jīva in staat zal stellen Zijn ambrozijnen spel en vermaak te zien. Maar de jīva begrijpt de waarheid van Kṛṣṇa's spel niet, zelfs niet nadat hij met zoveel genade wordt gezegend, dus Kṛṣṇa daalt vervolgens in Śrī Navadvīpa af in de vorm van guru. Hij beschrijft persoonlijk het allerhoogste proces van het chanten van Zijn namen, vorm, kwaliteiten en spel, en instrueert en inspireert de jīvaís persoonlijk om dit pad te nemen door het Zelf te praktiseren. Bābā, hoe kun je Kṛṣṇa verwijten op enigerlei wijze een fout te begaan, als Hij zo genadig is? Zijn genade is grenzeloos, maar ons misnoegen is betreurenswaardig.

Vrajanātha: Is māyā-śakti dan de oorzaak van onze ellende? Hadden de jīvaís ook op deze manier moeten lijden, als de almachtige en alwetende Śrī Kṛṣṇa māyā bij hen uit de buurt had gehouden?

Bābājī: Māyā is een gespiegelde transformatie van Kṛṣṇa's innerlijk vermogen, svarūpa-śakti, ze is een brullende oven, die de jīvaís, die niet voor Kṛṣṇa's sevā zijn gekwalificeerd, pijnigt om ze geschikt te maken voor de spirituele wereld. Māyā is Kṛṣṇa's dienstmaagd. Om de jīvaís, die van Kṛṣṇa zijn afgekeerd, te zuiveren straft ze hen, geeft hen de juiste therapie en zuivert hen. De oneindig kleine jīva heeft vergeten, dat hij een eeuwige dienaar van Kṛṣṇa is, en māyā, die de vorm van een heks (piśācī) aanneemt, straft hen voor deze nalatigheid. Deze wereld is een gevangenis en māyā is de gevangenisbewaarder, die de vervreemde jīvaís in hechtenis neemt en straft. Een koning bouwt een gevangenis voor het welzijn van zijn onderdanen en op dezelfde manier heeft Bhagavān Zijn immense genade jegens de jīvaís getoond door deze gevangenis in de vorm van de materiŽle wereld te maken en māyā als gevangenisbewaarder aan te stellen.

Vrajanātha: Als deze materiŽle wereld een gevangenis is, zijn er ook wat geschikte ketenen nodig. Welke zijn dat?

Bābājī: Māyā bindt offensieve jīvaís vast met drie soorten boeien: boeien gemaakt uit goedheid (sattva-guṇa), boeien gemaakt uit hartstocht (rajo-guṇa) en boeien gemaakt uit onwetendheid (tamo-guṇa). Deze boeien houden de jīva vast ongeacht of zijn aanleg tāmasika, rājasika, of zelfs sāttvika is. De boeien kunnen zijn gemaakt van verschillende metalen, zoals goud, zilver of ijzer, maar dat maakt geen verschil voor de pijn, die ze veroorzaken door gevangen te worden gehouden.

Vrajanātha: Hoe gaan de boeien van māyā te werk, als ze de atomische, bewuste jīvaís ketenen?

Bābājī: Objecten uit deze materiŽle wereld kunnen spirituele objecten niet beroeren. Zodra echter de jīva de opvatting ontwikkelt, dat hij een genieter is van māyā, wordt zijn atomische, spirituele vorm bedekt door het subitiele lichaam, dat is gemaakt van vals ego. Dat is de manier, waarop de ketenen van māyā zijn voeten vastbinden. De jīvaís met een sāttvika ego verblijven op de hogere planeten en worden devatā's genoemd; hun voeten worden gebonden door sāttvika boeien, die van goud zijn gemaakt. De rājasika jīvaís hebben gemengde neigingen, zowel van devatā's als die van mensen, en zij zitten gevangen in rājasika ketenen gemaakt van zilver. En de tāmasika jīvaís, die verzot zijn op de smaak van jaḍānanda (plezier uit de dode materie), worden gebonden in tāmasika boeien gemaakt van ijzer. Als de jīvaís eenmaal in deze boeien vastzitten, kunnen ze de gevangenis niet meer verlaten. Ook al ondergaan ze allerlei soorten ellende, ze blijven in hechtenis.

Vrajanātha: Welke soort karma (activiteiten) voeren de jīvaís uit, terwijl ze in māyā's hechtenis zitten?

Bābājī: Aanvankelijk voert de jīva karma uit om zichzelf van zijn gewenste lustbevrediging te voorzien in overeenstemming met zijn materialistische neigingen. Daarna voert hij karma (activiteit) uit om de ellende van zich af te schudden, die het resultaat is van zijn gevangenschap in de boeien van māyā.

Vrajanātha: Legt u alstublieft het eerste type karma in detail uit.

Bābājī: Het omhulsel van het grofstoffelijk lichaam kent zes stadia, namelijk geboorte, bestaan, groei, het creŽren van bijproducten, aftakeling en dood. Deze zes transformaties zijn inherente eigenschappen van het grofstoffelijk lichaam, waarbij honger en dorst defecten zijn. De vrome jīva, die zich in het materiŽle lichaam bevindt, wordt beheersd door eten, slapen en zinnelijke activiteiten, zoals de materiŽle verlangens van zijn zintuigen voorschrijven. Om van zijn materiŽle comfort te genieten stort hij zich in een verscheidenheid aan activiteiten (karma), die ontstaan uit zijn materiŽle verlangens. In de loop van zijn leven voert hij tien typen zuiveringsriten (puṇya saṁskāraís) uit en achttien andere offerriten, die door de veda's worden voorgeschreven. Zijn bedoeling hierbij is door deze karma'svrome tegoeden te verzamelen door geboorte in een brahmaanse of andere hoge klassefamilie in deze wereld te nemen en daarna goddelijk plezier te beleven op hogere planetenstelsels. Hij onderneemt dus het pad van karma.

Niet-vrome, geconditioneerde jīvaís daarentegen zoeken hun toevlucht tot adharma en genieten op een onterende wijze van hun lustbevrediging door verscheidene soorten zondige activiteiten te verrichten. Jīvaís in de eerste categorie bereiken de hogere planeten en genieten als gevolg van hun vrome activiteiten van hemelse genoegens. Zodra deze periode van pleziermaken tot een einde komt Ė omdat hun vorme tegoeden zijn uitgeput Ė nemen ze wederom geboorte als mensen, of in ander levensvormen, op deze materiŽle wereld. Jīvaís in de tweede categorie gaan naar de hel vanwege hun zondige activiteiten en nadat ze daar een verscheidenheid aan ellende hebben doorgemaakt, nemen ze weer een geboorte op aarde. Dus de jīva, die in māyā is gebonden, dwaalt hier en daar rond op zoek naar lustbevrediging. Tussendoor geniet hij ook nog wat tijdelijk plezier als gevolg van vrome activiteiten (puṇya-karma) en lijdt pijn en ellende vanwege zijn pāpa (zonden).

Vrajanātha: Wilt u ook het tweede type karma beschrijven, alstublieft?

Bābājī: De jīva, die zich in het grofstoffelijk lichaam bevindt, ondergaat een enorm lijden wegens de gebreken van het grofstoffelijk lichaam en voert diverse soorten karma uit in een poging deze ellende te minimaliseren. Hij verzamelt diverse soorten voedsel en dranken om zijn honger en dorst te lenigen en zwoegt om geld te verdienen, waarmee hij voedsel gemakkelijker kan aanschaffen. Hij koopt warme kleding om zich tegen de kou te beschermen, trouwt om zijn lusten te bevredigen en werkt hard om zijn gezin te onderhouden en zijn kinderen in hun behoeften te voorzien. Hij slikt medicijnen om de kwalen van zijn grofstoffelijk lichaam te genezen, vecht met anderen en loopt naar de rechtbank om zijn materiŽle goederen te beschermen. Hij zwelgt in diverse soorten zondige activiteiten Ė zoals vechten, afgunst, diefstal en ander wangedrag, want hij wordt beheersd door zes vijanden, namelijk kāma (lust), krodha (woede), mada (intoxicatie), moha (illusie), mātsarya (afgunst) en bhaya (angst). Al deze gemoedstoestanden wendt hij aan om zijn lijden te verlichten. Dus het hele leven van een verwarde jīva wordt verspild in pogingen zijn verlangens te bevredigen en zijn lijden te ontlopen.

Vrajanātha: Zou māyā's doel niet reeds zijn bereikt, indien ze de jīva alleen met het subtiele lichaam had bedekt?

Bābājī: Het grofstoffelijk lichaam is ook noodzakelijk, omdat het subtiele lichaam geen werk kan verzetten. Verlangens ontwikkelen zich in het subtiele lichaam door de activiteiten, die de jīva in zijn grofstoffelik lichaam uitvoert, en de jīva krijgt een volgend grofstoffelijk lichaam, dat geschikt is om die verlangens weer te bevredigen.

Vrajanātha: Wat is de verbinding tussen karma en zijn resultaten? Volgens de Mīmāṁsāschool kan Īśvara geen resultaten van karma verstrekken, omdat Hij slechts een denkbeeldig object is. De volgelingen van deze school zeggen, dat het uitvoeren van karma een tattva produceert, die apūrva heet, en dat deze apūrva de resultaten van alle karma's toekent. Is dat waar?

Bābājī: De volgelingen van de Mīmāṁsāschool kennen de werkelijke betekenis van de veda's niet. Ze hebben een heel basaal begrip, dat de veda's over het algemeen allerlei offers voorschrijft, en daarbij hebben zijzelf een filosofie verzonnen, maar hun doctrine wordt nergens in de veda's aangetroffen. In tegendeel, de veda's zeggen heel duidelijk, dat Īśvara alle resultaten van karma toekent. Bijvoorbeeld, Śvetāśvatara Upaniṣad (4.6), Mundaka Upaniṣad (3.1.1) en de Ṛg Veda (1.164.21) verklaren:

dvā suparṇā sayujā sakhāyā
samānaṁ vṛkṣaṁ pariṣasvajāte
tayor anyaḥ pippalaṁ svādv atty
anaśnann anyo 'bhicākaśīt

Kṣīrodakaśāyī Viṣṇu en de jīva zitten in dit tijdelijke lichaam als twee bevriende vogels in een pippala-boom. Eťn van deze twee vogels Ė de jīva Ė proeft volgens zijn karma de vruchten van de boom, terwijl de andere Ė Paramātma Ė de vruchten niet proeft, maar eenvoudig toekijkt, als getuige.

De betekenis van de śloka is, dat deze saṁsāra (materiŽle wereld of materieel lichaam) lijkt op een pippala-boom, waarin twee vogels zijn neergestreken. De ene is de geconditioneerde jīva en de andere is zijn vriend, Īśvara (Paramātma). De eerste vogel proeft de vruchten in de boom, terwijl de andere vogel hem eenvoudig gadeslaat. Dit betekent, dat de jīva, die door māyā wordt gebonden, karma uitvoert en van de vruchten geniet, die Īśvara, de Heer van māyā, aan de jīva toekent in overeensteming met zijn karma. Dit spel van Śrī Bhagavān blijft voortduren, totdat de jīva zich naar Hem toekeert. Welnu, waar is hier de apūrva van de volgelingen van de mīmāṁsā-filosofie te bekennen? Denk zelf hierover na. Goddeloze doctrines kunnen nooit in alle opzichten volkomen en volmaakt zijn.

Vrajanātha: Waarom hebt u gezegd, dat karma geen begin heeft?

Bābājī: De wortel van alle karma is het verlangen om karma uit te voeren en de hoofdoorzaak van dit verlangen is avidyā (onwetendheid). Avidyā is vergetelheid van de waarheid: "Ik ben een eeuwige dienaar van Kṛṣṇa" en dat heeft zijn oorsprong niet in een werelds tijdperk. Het vindt zijn oorsprong in het taṭastha raakvlak van de spirituele en materiŽle werelden. Dat is de reden, waarom karma in de aardse tijd geen begin heeft en daarom wordt gezegd, dat karma zonder begin is.

Vrajanātha: Wat is het verschil tussen māyā en avidyā ?

Bābājī: Māyā is een śakti van Kṛṣṇa. Śrī Kṛṣṇa heeft het materiŽle universum door middel van haar gecreŽerd en heeft haar opgedragen de jīvaís, die van Hem zijn afgekeerd, de zuiveren. Māyā heeft twee aspecten: avidyā en pradhāna. Avidyā is gerelateerd aan de jīvaís, terwijl pradhāna is gerelateerd aan levenloze materie. De totale levenloze, aardse wereld komt voort uit pradhāna, terwijl het verlangen van de jīva om materiŽle activiteiten te verrichten voortkomt uit avidyā. Er zijn nog twee andere onderverdelingen van māyā, namelijk vidyā (kennis) en avidyā (vergetelheid), die beide aan de jīva zijn gerelateerd. Avidyā hecht de jīva, terwijl vidyā hem bevrijdt. Het verstandelijk vermogen van avidyā blijft actief, zolang de aparādhi-jīva Kṛṣṇa blijft vergeten, maar wanneer hij zich gunstig opstelt jegens Kṛṣṇa, wordt avidyā vervangen door het geestvermogen van vidyā. Brahma-jŮāna enzovoort zijn slechts bepaalde uitingen van de behoefte naar kennis (vidyā-vṛtti). Wanneer eerst het onderscheidingsvermogen ontwikkelt, probeert de jīva zich met gunstige activiteiten bezig te houden en zodra het onderscheidingsvermogen rijp is, manifesteert spirituele kennis zich. Avidyā dekt de jīva af en vidyā werpt dat deksel weer af.†††

Vrajanātha: Wat is de functie van de pradhāna?

Bābājī: Wanneer de inspanning van Īśvara, die wordt vertegenwoordigd door Tijd (kāla), māyā-prakṛti stimuleert, creŽert zij eerst het ongemanifesteerde totaal van de materiŽle elementen (mahat-tattva). De materie (dravya) zelf wordt gecreŽerd door het stimuleren van het vermogen van māyā, dat pradhāna wordt genoemd. Eerst ontstaat vals ego (ahaṅkāra) uit een transformatie van mahat-tattva, vervolgens wordt ruimte (ākāśa) uit een tāmasika transformatie van het vals ego gecreŽerd. Lucht wordt gegenereerd uit een transformatie van de ruimte en vuur wordt gegenereerd uit de transformatie van gassen. Water wordt vervolgens gegenereerd door de transformatie van vuur en tenslotte wordt de aarde gegenereerd door de transformatie van water. Op die manier worden de elementen gecreŽerd. Ze worden de vijf grofstoffelijke elementen (paŮca-mahā-bhūta's) genoemd.

Nu moet je horen hoe de vijf zintuigobjecten (paŮca-tanmātra) worden gecreŽerd. Kāla (tijd) stimuleert het denkvermogen van prakṛti genaamd avidyā en creŽert binnen de mahat-tattva de aanleg voor karma en jŮāna. Wanneer de aanleg voor karma in de mahat-tattva wordt getransformeerd, genereert kennis (jŮāna) en activiteiten (kriyā) uit respectievelijk de sattva- en rajo-guṇa's. De mahat-tattva wordt ook in ahaṅkāra (vals ego) getransformeerd. Het zintuigobject geluid (śabda), dat een eigenschap van het element ruimte (ākāśa) is, wordt gegenereerd uit de transformatie van buddhi (intelligentie). Het zintuigobject gevoel (sparśa) wordt gegenereerd uit de transformatie van het zintuigobject geluid en het bevat zowel gevoel, de eigenschap van lucht, als geluid, de eigenschap van ruimte. Prāṇa (levensadem), oja (levensenergie) en bala (levenskracht) worden gegenereerd uit dit zintuigobject gevoel. Uit een transformatie van het zintuigobject gevoel worden de zintuigobjecten vorm en kleur in verlichte objecten gegenereerd. Het element vuur bevat drie zintuigobjecten, namelijk vorm, gevoel en geluid. Het element vuur wordt onder invloed van tijd getransformeerd in het element water, dat over vier zintuigobjecten beschikt, namelijk smaak (rasa), vorm, gevoel en geluid. Het element water wordt getransformeerd in het element aarde, dat vijf zintuigobjecten bevat, namelijk geur (gandha), smaak, vorm, gevoel en geluid. Alle transformaties vinden plaats met passende hulp van de puruṣa in Zijn vorm van bewustzijn (caitanya).

Er zijn drie doorten ahaṅkāra: vaikārika (sāttvika), taijasa (rājasika) en tamas. De grofstoffelijke elementen komen voort uit sāttvika-ahaṅkāra en de tien zintuigen komen voort uit rajasika-ahaṅkāra. Er zijn twee typen zintuigen: kennisvergarende zintuigen (jŮāna-indriya) en actieve zintuigen (karma-indriya). Ogen, oren, neus, tong en huid zijn de vijf kennisvergarende zintuigen; spraak, handen, voeten, anus en genitaliŽn zijn de vijf actieve zintuigen. Zelfs als de vijf grofstoffelijke elementen (paŮca-mahā-bhūta) met de subtiele elementen, vals ego, verstand en intelligentie (sūkṣma-bhūta) worden gecombineerd, gebeurt er niets, tenzij de atomische, bewuste jīva erin binnentreedt. Zodra de aṇu-cit-jīva, die een gelokaliseerd lichtdeeltje in de straal van Bhagavāns vluchtige blik is, het lichaam van mahā-bhūta (vijf grofstoffelijke elementen) en sūkṣma-bhūta (drie subtiele elementen) binnengaat, wordt alles door middel van activiteiten in beweging gezet. De sāttvika en rājasika guṇa's worden geschikt om te functioneren, wanneer ze met tāmasika objecten combineren, die een transformatie zijn van pradhāna. Je dient je op deze manier over de functies van avidyā en pradhāna te beraden.

Māyā bestaat uit vierentwintig onderdelen: de vijf grofstoffelijke elementen (mahā-bhūta's), namelijk aarde, water, vuur, lucht en ruimte; de vijf zintuigobjecten, namelijk geur, smaak, vorm, gevoel en geluid; de vijf kennisvergarende zintuigen; de vijf actieve zintuigen; verstand (ratio); intelligentie; citta (hart, gedachten, verstand, bewustzijn); en ahaṅkāra (vals ego).Deze zijn de vierentwintig onderdelen van de materiŽle natuur. De atomische, bewuste jīva, die dit lichaam van vierentwintig onderdelen binnengaat, is het vijfentwintigste onderdeel en Paramātmā Īśvara het zesentwintigste.

Vrajanātha: Vertelt u me alstublieft, in welke verhouding het subtiele lichaam en het grove omhulsel aanwezig is; en in welk deel van het lichaam de bewuste jīva zich bevindt.

Bābājī: De vijf grofstoffelijk elementen, de vijf zintuigobjecten (paŮca-tanmātra) en de tien zintuigen vormen samen het grofstoffelijk lichaam. De vier subtiele elementen Ė verstand, intelligentie, citta en ahankara Ė vormen het subtiele lichaam, of de liṅga-śarīra. De bewuste jīva is degene, die zich ten onrechte identificeert met het lichaam en met objecten gerelateerd aan het lichaam door het gevoel van 'ik' en 'mijn' en wegens die misidentificatie is hij zijn ware natuur vergeten. Hij is uiterst subtiel en bevindt zich boven aardse ruimte, tijd en kwaliteiten. Ondanks dat hij zeer subtiel is, doordringt hij het hele lichaam. Zoals het plezierige effect van een klein druppeltje hari-candana zich over het hele lichaam verspreidt, wanneer het op ťťn lichaamsdeel wordt aangebracht, zo is ook de atomische jīva de kenner (kṣetra-jŮa) van het hele lichaam en ervaart de pijn en het plezier van dat lichaam.

Vrajanātha: Als de jīva karma uitvoert en pijnen en plezier ervaart, waar blijft dan Īśvara's actieve betrokkenheid?

Bābājī: Jīva is de instrumentele oorzaak en wanneer hij karma uitvoert, treedt Īśvara op als de uitvoerende oorzaak en verstrekt de vruchten van het karma, waartoe de jīva gerechtigd is de genieten. Īśvara zorgt ook voor het toekomstige karma, waarvoor de jīva bekwaam is geworden. Kortom, Īśvara verstrekt resultaten, terwijl de jīva ervan geniet.

Vrajanātha: Hoeveel soorten baddha-jīvaís bestaan er?

Bābājī: Er zijn vijf soorten, namelijk degenen, wier bewustzijn volkomen bedekt is (ācchādita-cetana); wier bewustzijn is verschrompeld of samengetrokken (saṅkucita-cetana); wier bewustzijn een licht ontluikende knop vormt (mukulita-cetana); degenen met ontwikkeld bewustzijn (vikasita-cetana); en met volledig ontwikkeld bewustzijn (pūrṇa-vikasita-cetana).

Vrajanātha: Welke jīvaís hebben een volkomen bedekt bewustzijn?

Bābājī: Dat zijn jīvaís in het lichaam van bomen, struiken, grassen, stenen, enzovoort, die hun dienst aan Kṛṣṇa zijn vergeten en zodanig in de materiŽle kwaliteiten van māyā zijn verzonken, dat ze praktisch geen spoor meer van hun cognitieve natuur hebben overgehouden. De zes transformaties zijn de enige indicatie voor hun cognitie. Dit is het laagste stadium in de val van de jīva en dit feit wordt gestaafd door de epische vertellingen over Ahalyā, Yamalarjuna en Sapta-tāla. In dit stadium verval je alleen door een zware overtreding te hebben begaan en je kunt hieruit alleen door Kṛṣṇa's genade worden bevrijd.

Vrajanātha: Welke jīvaís hebben een samengetrokken bewustzijn?

Bābājī: Zoogdieren, vogels, slangen, vissen, waterdieren, muggen en verscheidene andere schepselen hebben een verschrompeld of samengetrokken bewustzijn. Het bewustzijn van deze jīvaís is tot zekere hoogte waarneembaar in tegenstelling tot de jīvaís in de voorgaande groep, wier bewustzijn volledig is afgedekt. Deze jīvaís bijvoorbeeld voeren activiteiten uit, zoals eten, slapen, vrij bewegen en met elkaar ruzie maken over zaken, die ze als hun eigendom beschouwen. Ze tonen ook angst en worden boos, als ze onrecht menen zien. Ze hebben echter geen kennis over de spirituele wereld. Zelfs apen hanteren in hun ondeugende verstand een vorm van wetenschappelijk begrijpen, omdat ze enig idee hebben van hetgeen wel of niet in de toekomst gaat gebeuren; ze beschikken bovendien over dankbaarheid. Bepaalde dieren hebben ook een goede kennis over verscheidene objecten, maar ondanks al deze eigenschappen, hebben ze niet de neiging om naar Bhagavān te informeren, dus hun bewustzijn is samengetrokken. In śāstra wordt gezegd, dat Mahārāja Bharata de namen van Bhagavān nog kende, terwijl hij zich in het lichaam van een hert bevond, maar dit is ongewoon; dat gebeurt alleen in bijzondere gevallen. Bharata en Koning Nṛga moesten vanwege hun overtredingen een geboorte als een dier nemen en werden bevrijd toen hun overtreding door de genade van Bhagavān teniet werd gedaan.

Vrajanātha: Welke jīvaís hebben een bewustzijn in de vorm van een bloemknop (mukulita-cetana)?

Bābājī: Geconditioneerde jīvaís met een menselijk lichaam vallen in drie categorieŽn uiteen: degenen met licht ontluikend bewustzijn (mukulita-cetana); degenen met ontwikkeld bewustzijn (vikasita-cetana) en degenen met volledig ontwikkeld bewustzijn (pūrṇa-vikasita-cetana). In het algemeen kan het menselijk ras worden onderverdeeld in vijf groepen: 1) immorele atheÔsten, 2) morele atheÔsten, 3) morele theÔsten, 4) degenen die zich bezighouden met sādhana-bhakti, en 5) degenen die zich bezighouden met bhāva-bhakti.

Bewuste of onbewuste atheÔsten zijn ofwel immorele, of morele atheÔsten. Als een moreel persoon een beetje vertrouwen in Īśvara heeft ontwikkeld, wordt hij een morele theÔst genoemd. Degenen, die belangstelling tonen voor sādhana-bhakti volgens de richtlijnen van śāstra, worden sādhana-bhakta's genoemd en degenen, die enige onvermengde liefde voor Īśvara hebben ontwikkeld, worden bhāva-bhakta's genoemd. Zowel immorele als morele atheÔsten hebben een licht ontluikend bewustzijn; morele theÔsten en sādhana-bhakta's hebben een ontwikkeld bewustzijn; en de bhāva-bhakta's hebben een volkomen ontwikkeld bewustzijn.

Vrajanātha: Hoelang blijven bhāva-bhakta's in māyā gebonden?

Bābājī: Die vraag zal ik beantwoorden, wanneer ik de zevende śloka van Daśa-mūla ga uitleggen. Het is laat geworden, dus ga nu, als je wilt, naar huis.

Vrajanātha keerde huiswaarts en dacht na over alle tattva's, die hij had gehoord.

 

Aldus eindigt het Zestiende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Jīvaís door Māyā bezeten "


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 15 Ė "Pramana: Jiva-Tattva"

Volgende: Hoofdstuk 17 Ė "Prameya: de Jiva's bevrijding van Maya"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl