Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 15

Pramana: Jiva-Tattva


De volgende dag bereikte Vrajanātha Śrīvasāṅgana vroeger dan op voorgaande dagen. De Vaiṣṇavaís uit Godruma waren ook vůůr het vallen van de avond aangekomen om darśana van sandhyā ārati te nemen en Śrī Premadāsa Paramahaṁsa Bābājī, Vaiṣṇava dāsa, Advaita dāsa en andere Vaiṣṇavaís hadden al in de āratī-maṇḍapa plaatsgenomen. Toen Vrajanātha de bhāva's van de Vaiṣṇavaís uit Godruma zag, was hij met stomheid geslagen en dacht, "Ik zal mijn leven perfectioneren door zo snel mogelijk hun associatie nemen." Toen die Vaiṣṇavaís zijn nederige en devotionele houding bemerkten, gaven ze Vrajanātha allemaal hun zegen.


Toen de āratī voorbij was begonnen Vrajanātha en de oude Bābājī samen zuidwaarts in de richting van Godruma te lopen. Raghunātha dāsa Bābājī zag, dat er een onophoudelijke tranenvloed uit de ogen van Vrajanātha stroomde en omdat hij grote affectie voor hem voelde, vroeg hij liefdevol, "Bābā, waarom ween je?"

Vrajanātha zei, "Prabhu, als ik aan uw liefdevolle instructies denk, raakt mijn hart rusteloos en de hele wereld lijkt van alle substantie ontdaan. Mijn hart wordt gretig om zijn toevlucht aan Śrī Gaurāṅgadeva's lotusvoeten te nemen. Weest u alstublieft genadig en vertelt u me wie ik werkelijk volgens tattva ben en waarom ik naar deze wereld ben gekomen."

Bābājī: Mijn lieve zoon, je hebt me met die vraag gezegend. De dag waarop de jīva die vraag stelt is het moment, waarop zijn grote geluk begint. Als je zo goed wilt zijn naar de vijfde śloka van Daśa-mūla te luisteren, zijn al je twijfels opgelost.

sphuliṅgāḥ ṛddhāgner iva cid-aṇavo jīvā-nicayāḥ
hareḥ sūryasyaivāpṛthag api tu tad-bheda-viṣayāḥ
vaśe māyā yasya prakṛti-patir eveśvara iha
sa jīvo mukto 'pi prakṛti-vaśā-yogyaḥ sva-guṇataḥ

Zoals vele kleine vonkjes een laaiend vuur uitspringen, zo bevinden de ontelbaar vele jīvaís zich als atomische, spirituele deeltjes in de stralen van de spirituele zon, Śrī Hari. Hoewel deze jīvaís niet-verschillend zijn van Śrī Hari, zijn ze ook eeuwigdurend verschillend van Hem. Het eeuwige verschil tussen de jīva en Īśvara is, dat Īśvara Heer en meester is van māyā-śakti, terwijl de jīva zelfs in zijn bevrijde staat wegens zijn grondrechtelijke natuur onder de heerschappij van māyā kan vallen.

Vrajanātha: Dit is een uitzonderlijke siddhānta en ik zou graag enig Vedisch bewijs horen, dat het onderbouwt. De uitspraken van Śrī Bhagavān zijn stellig Veda, maar toch zijn mensen pas geneigd de lessen van Mahāprabhu te aanvaarden, als de upaniṣaden dit principe hard kunnen maken.

Bābājī: Deze tattva wordt op vele plaatsen in de veda's beschreven. Ik zal er een paar citeren:

yathāgneḥ kṣudrā visphuliṅgā vyuccaranti
evam evāsmad ātmanaḥ sarvāṇi bhūtāni vyuccaranti
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (2.1.20)

Ontelbaar veel jīvaís komen uit para-brahma voort als kleine vonkjes uit een vuur.

tasya vā etasya puruṣasya dve eva sthāne
bhavata idaŮ ca paraloka-sthānaŮ ca
sandhyaṁ tṛtīyaṁ svapna-sthānaṁ
tasmin sandhye sthāne tiṣṭhann ete ubhe
sthāne paśyatīdaŮ ca paraloka-sthānaŮ ca
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (4.3.9)

Er zijn twee posities, waarnaar de jīva-puruṣa dient te informeren Ė de levenloze, materiŽle wereld en de spirituele wereld. De jīva zelf bevindt zich in een derde positie, een droomwereld (svapna-sthāna), die op de grens (taṭastha) ligt tussen de andere twee. Omdat hij zich bevindt op de plaats, waar de twee werelden elkaar raken, ziet hij zowel de jaḍa-jagat (inerte wereld) als de cid-jagat (spirituele wereld).

Bovenstaande śloka beschrijft de marginale natuur van jīva-śakti. Wederom wordt er gezegd in Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (4.3.18):

tad yathā mahā-matsya ubhe kule 'nusaŮcarati
pūrvaŮ cāparaŮ caivam evāyaṁ puruṣa etāv ubhāvantāv
anu saŮcarati svapnāntaŮ ca buddhāṇtaŮ ca

Zoals een grote vis in een rivier soms naar de oostelijke oever en soms naar de westelijke oever zwemt, zo dwaalt de jīva, die zich in kāraṇa-jala (het causale water dat tussen de inerte en bewuste werelden ligt) geleidelijk naar beide oevers, de plaats van het dromen en de plaats van waakzaamheid.

Vrajanātha: Wat is de Vedāntische betekenis van het woord taṭastha ?

Bābājī: De ruimte tussen de oceaan en het land wordt taṭa (branding) genoemd, maar de plaats, die de oceaan raakt, is eigenlijk niets anders dan land, dus waar is de branding? De taṭa is dus de scheidslijn, die de oceaan van het land scheidt en is zo smal, dat hij met het blote oog niet kan worden waargenomen. Als we het transcendentale gebied met de oceaan vergelijken en de materiŽle wereld met het land, dan is taṭa de subtiele lijn, die de twee scheidt en de jīva-śakti bevindt zich op de plaats, waar de twee elkaar ontmoeten. De jīvaís zijn als de ontelbaar vele atomische lichtdeeltjes in de zonnestralen. Omdat de jīvaís zich in het midden bevinden, zien ze de spirituele wereld aan de ene zijde en het materiŽle universum gecreŽerd door māyā aan de andere zijde. Zoals Bhagavāns spirituele śakti aan de ene zijde onbegrensd is, zo is māyā-śakti aan de andere zijde ook zeer machtig. De ontelbaar vele (sūkṣma) jīvaís bevinden zich tussen deze twee in. De jīvaís zijn van nature marginaal, omdat ze zijn gemanifesteerd door Kṛṣṇa's taṭastha-śakti (marginaal vermogen).

Vrajanātha: Wat is de taṭastha-svabhāva (marginale natuur)?

Bābājī: Het is de natuur, die je in staat stelt je tussen beide werelden te bevinden en beide zijden te zien. Taṭastha-svabhāva is de capaciteit om onder de heerschappij van beide śakti's te resorteren. Soms ligt de oever in de rivier door erosie onder water en dan weer voegt hij zich bij het land, omdat de rivier zijn loop wijzigt. Als de jīva in de richting van Kṛṣṇa kijkt Ė wat betekent, naar de spirituele wereld Ė wordt hij beÔnvloed door kṛṣṇa-śakti. Dan gaat hij de spirituele wereld binnen en dient Bhagavān in zijn zuivere, bewuste, spirituele vorm. Maar, als hij naar māyā kijkt, wordt hij Kṛṣṇa's tegenstander en wordt hij door māyā ingekwartierd. Deze tweeledige natuur wordt de taṭastha-svabhāva (marginale natuur) genoemd.

Vrajanātha: Is er enig materieel component in de jīvaís oorspronkelijke constitutie?

Bābājī: Nee, de jīva is louter door de cit-śakti gecreŽerd. Hij kan worden verslagen Ė dat betekent, worden bedekt door māyā Ė want hij is van nature klein en ontbeert spirituele kracht, maar in het bestaan van de jīvaís is zelfs geen zweem van māyā te bekennen.

Vrajanātha: Van mijn vorige leraar heb ik gehoord, dat, wanneer een fractie van het bewuste brahma door māyā wordt bedekt, het de jīva wordt. Hij legde het luchtruim uit als de altijd ondeelbare mahā-ākāśa, maar wanneer een deel ervan in een pot wordt gestopt, wordt het ghaṭa-ākāśa. Op dezelfde manier is de jīva oorspronkelijk brahma, maar wanneer dat brahma door māyā wordt bedekt, gaat het vals ego een jīva te zijn ontwikkelen. Klopt dit begrip?

Bābājī: Deze doctrine is slechts Māyāvāda. Hoe kan māyā brahma toucheren? De Māyāvādīís veronderstellen, dat brahma geen śakti (lupta-śakti) heeft, dus hoe kan māyā Ė die een śakti is Ė mogelijkerwijs brahma benaderen, als śakti niet-bestaand wordt verondersteld? De conclusie is, dat māyā met geen mogelijkheid brahma kan bedekken en een dergelijke, miserabele conditie kan veroorzaken. Omgekeerd, als we de transcendentale śakti (parā-śakti) aanvaarden, hoe kan māyā, een śakti zonder betekenis, de cit-śakti verslaan en de jīva uit brahma creŽren? Bovendien is brahma ondeelbaar, dus hoe kan brahma worden verdeeld? Het idee, dat māyā invloed op brahma kan uitoefenen, is onaanvaardbaar. Māyā speelt geen rol in de creatie van de jīvaís. Toegegeven, dat de jīva slechts atomisch klein is, maar zelfs dan is hij als tattva aan māyā superieur.

Vrajanātha: Een andere leraar zei eens, dat de jīva niets anders is dan een weerspiegeling van brahma. De zon wordt in het water weerspiegeld en op dezelfde wijze wordt brahma jīva, wanneer het in māyā wordt gereflecteerd. Is dit begrip dan juist?

Bābājī: Dit is eenvoudig weer een voorbeeld van māyāvāda-filosofie. Brahma heeft geen grenzen en een onbegrensde entiteit kan nimmer worden weerspiegeld. Het idee van het begrenzen van brahma is tegengesteld aan de conclusies van de veda's, dus deze theorie van reflectie moet worden afgewezen.

Vrajanātha: Een dig-vijaya sannyāsī vertelde me eens, dat er in werkelijkheid helemaal geen substantie is, die jīva heet. We denken een jīva te zijn vanwege de illusie en wanneer de illusie is weggenomen, blijft er ťťn ondeelbaar brahma over. Is deze stelling goed of niet?

Bābājī: Deze stelling is ook māyāvāda-doctrine, die helemaal geen fundering heeft. Volgens śāstra, ekam evādvitīyam: "Er is niets buiten brahma". Als er niets is behalve brahma, waar komt dan de illusie vandaan en wie wordt verondersteld in illusie te zijn? Als je zegt, dat brahma in illusie is, zeg je in feite, dat brahma eigenlijk brahma niet is, maar eerder iets zonder betekenis. En als je voorstelt, dat illusie een afzonderlijk en onafhankelijk element is, dan ontken je de ondeelbare eenheid (advaya-jŮāna) van brahma.

Vrajanātha: Er kwam eens een invloedrijk brāhmaṇa paṇḍita naar Navadvīpa, die in een conferentie van intellectuelen stelde, dat alleen de jīva bestaat. Zijn theorie was, dat deze jīva in zijn dromen van alles creŽert en daarom van geluk geniet en aan ellende lijdt. Wanneer de droom dan afbreekt, ziet hij, dat hij niets anders is dan brahma. In hoeverre is dit idee correct?

Bābājī: Dit is wederom Māyāvāda. Als, zoals ze zeggen, brahma ongedifferentieerd is, hoe is het dan mogelijk om de jīva en zijn droomstaat te produceren? Māyāvādīís gebruiken voorbeelden, zoals 'de illusie van het zien van parelmoer in een oesterschelp als goud' en 'de illusie van het zien van een touw als een slang', maar hun filosofie kan advaya-jŮāna niet van een consistente basis voorzien.

Vrajanātha: Dus māyā heeft helemaal niets te maken met de creatie van de svarūpa van de jīvaís Ė dit moet worden aanvaard. Tevens heb ik ook duidelijk begrepen, dat de jīva van nature onderhevig is aan de invloed van māyā. Nu wil ik weten, of de cit-śakti de jīvaís creŽerde en hen van hun taṭastha-svabhāva (marginale natuur) heeft voorzien?

Bābājī: Nee, de cit-śakti is paripūrṇa-śakti, het volkomen vermogen van Kṛṣṇa en zijn manifestaties zijn allemaal eeuwigdurend volmaakte substanties. De jīva is geen nitya-siddha, hoewel, wanneer hij sādhana uitvoert, kan hij sādhana-siddha worden en bovenzinnelijk geluk ervaren, zoals de nitya-siddhas, de eeuwig volmaakte wezens. Alle vier typen sakhī's van Śrīmatī Rādhikā zijn nitya-siddha en zijn directe expansies (kāya-vyūha) van de cit-śakti, Śrīmatī Rādhikā Zelf. Alle jīvaís daarentegen zijn gemanifesteerd uit Śrī Kṛṣṇa's jīva-śakti. De cit-śakti is Śrī Kṛṣṇa's volkomen śakti, terwijl de jīva-śakti Zijn onvolkomen śakti is. Zoals de volkomen tattva's allemaal transformaties zijn van het volkomen vermogen, zo zijn de ontelbaar vele atomische, bewuste jīvaís transformaties van de onvolkomen śakti.

Śrī Kṛṣṇa, die in ieder van Zijn śakti's is gevestigd, manifesteert Zijn svarūpa in overeenstemming met de natuur van die śakti. Wanneer Hij zich gesitueerd ziet in de cit-svarūpa, manifesteert Hij Zijn svarūpa van Śrī Kṛṣṇa en ook van Nārāyaṇa, de Heer van Paravyoma; wanneer Hij zich gesitueerd ziet in de jīva-śakti, manifesteert Hij Zijn svarūpa van Zijn vilāsa-mūrti van Vraja, Baladeva; en als Hij in de māyā-śakti is gevestigd, manifesteert Hij de drie vormen van Viṣṇu: Kāraṇodakāśāyī, Kṣīrodakaśāyī en Garbhodakaśāyī. In Zijn vorm van Kṛṣṇa in Vraja manifesteert Hij alle spirituele aangelegenheden in de overtreffende trap. In Zijn svarūpa van Baladeva als śeṣa-tattva manifesteert Hij nitya-mukta-pārṣada-jīvaís, eeuwigdurend bevrijde metgezellen, die acht typen diensten verlenen aan Kṛṣṇa śeṣī-tattva-svarūpa, de oorsprong van śeṣa-tattva. Ik zeg het nog eens, als śeṣa-rūpa Saṅkarṣaṇa in Paravyoma manifesteert Hij acht typen dienaren om acht soorten diensten te verlenen als eeuwig bevrijde associť's van śeṣī-rūpa Nārāyaṇa. Mahā-Viṣṇu, die een avatāra is van Saṅkarṣaṇa, plaatst Zichzelf in de jīva-śakti en in Zijn svarūpa van Paramātmā manifestert Hij de jīvaís, die het vermogen hebben bij de materiŽle wereld betrokken te zijn. Deze jīvaís zijn gevoelig voor de invloed van māyā en tenzij ze met Bhagavāns genade de toevlucht van de hlādinī-śakti van de cit-śakti bereiken, blijft de mogelijkheid bestaan, dat ze door māyā worden verslagen. De talloze geconditioneerde jīvaís, die door māyā zijn overwonnen, zijn ondergeschikt aan de drie geaardheden van de materiŽle natuur. Als je dit allemaal in ogenschouw neemt, volgt de siddhānta, dat het alleen de jīva-śakti is en niet de cit-śakti, die de jīvaís manifesteert.

Vrajanātha: U zei eerder, dat de cit-wereld eeuwig is en de jīvaís ook. Als dit waar is, hoe is het dan mogelijk een eeuwige entiteit te creŽren, te manifesteren, of te produceren? Als deze op een bepaald punt in de tijd wordt gecreŽerd, moet hij vůůr die tijd niet hebben bestaan, dus hoe kunnen we dan aanvaarden, dat hij eeuwig is?

Bābājī: De tijd en ruimte, die jij in deze materiŽle wereld ervaart, zijn totaal verschillend van de tijd en ruimte in de spirituele wereld. De materiŽle tijd is verdeeld in drie aspecten: verleden, heden en toekomst. In de geestelijke wereld echter bestaat alleen ťťn onverdeeld, eeuwig heden. Iedere gebeurtenis van de spirituele wereld is eeuwigdurend aanwezig.

Alles wat we zeggen of beschrijven in de materiŽle wereld valt onder de jurisdictie van materiŽle tijd en ruimte, dus als we zeggen Ė "De jīvaís werden gecreŽerd", "De spirituele wereld werd gemanifesteerd", of "Er is geen invloed van māyā bij de creatie van de vorm van jīvaís" Ė is de materiŽle tijd geneigd onze taal en uitspraken te beÔnvloeden. Dit is in onze geconditioneerde staat onvermijdelijk, dus we kunnen de invloed van materiŽle tijd niet uit onze beschrijvingen van de atomische jīva en andere spirituele objecten verwijderen. De concepties van verleden, heden en toekomst sluipen op ťťn of andere manier altijd naarbinnen. Toch kunnen degenen, met het juiste onderscheidingsvermogen de toepassing van het eeuwige heden begrijpen, wanneer ze de betekenis van de beschrijvingen van de spirituele wereld bevatten. Bābā, wees heel voorzichtig met deze materie. Geef de onvermijdelijke degeneratie, of dat aspect van de beschrijving, wat moet worden afgewezen, op en ontwikkel spirituele realisatie.

Alle Vaiṣṇavaís zeggen, dat de jīva een eeuwige dienaar van Kṛṣṇa is, dat het zijn eeuwige natuur is Kṛṣṇa te dienen en dat hij nu door māyā is gebonden, omdat hij zijn eeuwige natuur heeft vergeten. Echter iedereen weet, dat de jīva een eeuwige entiteit is, waarvan twee typen bestaan: nitya-mukta en nitya-baddha. Het onderwerp is op deze manier uitgelegd, alleen omdat het geconditioneerde menselijke intellect, dat wordt beheersd door pramāda (onoplettendheid), niet in staat is een onderwerp te bevatten. Gerealiseerde sādhakaís echter ervaren transcendentale waarheid middels hun cit-samādhi. Onze woorden gaan altijd gepaard met een hoeveelheid materiŽle beperkingen, dus wat we ook zeggen, het zal altijd een aantal māyika gebreken bevatten. Mijn lieve zoon, je moet altijd trachten de zuivere waarheid te realiseren. Logica en argumenten kunnen je hierbij niet terzijde staan, dus het is zinloos ze toe te passen in je pogingen om onbevattelijke onderwerpen te begrijpen.

Ik weet, dat je niet in staat zal zijn deze onderwerpen ter plekke te begrijpen, maar als je deze bovenzinnelijke gevoelens in je hart cultiveert, zal je meer en meer cinmaya-bhāva realiseren. Met andere woorden, alle transcendentale stemmingen zullen zich in het binnenste van je gezuiverde hart manifesteren. Je lichaam is materieel en alle activiteiten van je lichaam zijn ook materieel, maar de essentie van je wezen is niet materieel; je bent een atomisch bewuste entiteit. Hoe meer je jezelf kent, hoe meer je in staat zal zijn te realiseren op welke manier je svarūpa een tattva is, die superieur is aan de wereld van māyā. Zelfs al vertel ik je dit, je zal het niet realiseren, of door het eenvoudig aan te horen zal je het niet bereiken. Cultiveer zoveel mogelijk het chanten van hari-nāma. Als je doorgaat met het chanten van hari-nāma, zullen deze transcendentale bhāva's zich automatisch in je hart gaan manifesteren en naarmate ze dat doen, zal je in staat zijn de transcendentale wereld te realiseren. Verstand en spraak hebben beide hun oorsprong in de materie en ze kunnen de transcendentale waarheid zelfs met de grootst mogelijke moeite niet benaderen. De veda's zeggen in Taittirīya Upaniṣad (2.9):

yato vāco nivartante aprāpya manasā saha

De spraak en het verstand keren terug van brahma, omdat ze niet in staat zijn Hem te bereiken.

Ik kan je aanraden bij niemand over deze materie inlichtingen in te winnen, maar om het zelf te realiseren. Ik heb je zojuist een indicatie (ābhāsa) gegeven.

Vrajanātha: U hebt uitgelegd, dat de jīva is als een vonk uit een vuur, of een antomisch deeltje in de stralen van de spirituele zon. Wat is de rol van jīva-śakti hierin?

Bābājī: Kṛṣṇa, die in deze voorbeelden wordt vergeleken met een laaiend vuur, of de zon, is een zelfgemanifesteerde tattva. Binnen de omvang van dat laaiende vuur, of die zon Ė met andere woorden, Kṛṣṇa Ė is alles een spirituele manifestatie en de stralen dringen ver voorbij zijn sfeer door. Deze stralen zijn de gefragmenteerde functie (aṇu-karya) van de svarūpa-śakti en de stralen binnen die gefragmenteerde functie zijn paramāṇu (atomische deeltjes) van de spirituele zon. De jīvaís worden vergeleken met deze zeer gelokaliseerde, atomische tattva. Svarūpa-śakti manifesteert de wereld binnen de sfeer van de spirituele zon en de functie buiten de sfeer van de zon wordt ten uitvoer gelegd door jīva-śakti, die de rechtstreekse deelvertegenwoordiging van cit-śakti is. Daarom zijn activiteiten gerelateerd aan de jīva die van jīva-śakti. Parāsya śaktir vividhaiva śrūyate (Śvetāśvatara Upaniṣad 6.8), "Die acintya-śakti wordt parā-śakti genoemd. Hoewel zij ťťn is, heeft dit aangeboren vermogen (sva-bhāvikī-śakti) veelvoudige variŽteiten gebaseerd op jŮāna (spirituele kennis), bala (spirituele kracht) en kriyā (spirituele activiteiten)." Volgens dit aforisme van śruti is de cit-śakti een manifestatie van de parā-śakti. Zij komt als de jīva-śakti voort uit haar eigen sfeer Ė het spirituele gebied Ė en in het marginale gebied tussen de spirituele en materiŽle werelden in manifesteert zij ontelbaar veel eeuwige jīvaís als atomische deeltjes in de stralen van de spirituele zon.

Vrajanātha: Een laaiend vuur, de zon, vonken en de atomische deeltjes van de zonnestralen Ė dit zijn allemaal materiŽle objecten. Waarom is er een vergelijking gemaakt met deze materiŽle objecten in de discussie over cit-tattva?

Bābājī: Zoals ik eerder heb gezegd, zijn er onvermijdelijk materiŽle defecten in iedere materiŽle uitspraak, die we maken met betrekking tot cit-tattva, maar welk alternatief hebben we? We worden genoodzaakt deze voorbeelden te gebruiken, omdat we anders hulpeloos zijn. Daarom proberen degenen, die tattva kennen, cid-vastu uit te leggen door het te vergelijken met vuur, of de zon. In werkelijkheid is Kṛṣṇa veruit superieur aan de zon; Kṛṣṇa's uitstraling is veruit superieur aan de straling van de zon; en Kṛṣṇa's stralen en atomen daarin Ė dat zijn de jīva-śakti en de jīvaís Ė zijn veruit superieur aan de stralen van de zon en de lichtdeeltjes in de stralen. Toch zijn deze voorbeelden gebruikt, omdat ze vele overeenkomsten bieden.

Voorbeelden kunnen iets van de spirituele kwaliteiten weergeven, maar niet alles. De schoonheid van het zonlicht en de capaciteit van de stralen om andere objecten te verlichten zijn beide kwaliteiten, die overeenstemmen met de cit-tattva, want het is een eigenschap van de geest zijn eigen schoonheid te openbaren en andere objecten te verlichten. De verzengende hitte in de zonnestralen heeft daarentegen geen overeenkomst met de cit-vastu, noch het feit, dat de stralen materieel zijn. Ik zeg opnieuw, als we zeggen, "Deze melk is als water" beschouwen we alleen de vloeibare kwaliteit van water met die van melk; als anders alle eigenschappen van water in melk aanwezig zouden zijn, waarom zou het water dan geen melk worden? Voorbeelden kunnen bepaalde specifieke eigenschappen van een voorwerp verklaren, maar niet al zijn kwaliteiten en eigenschappen.

Vrajanātha: De spirituele stralen van de transcendentale Kṛṣṇa-zon en de spirituele atomen in die stralen zijn niet-verschillend van de zon, toch zijn ze er tegelijkertijd eeuwigdurend verschillend van. Hoe kunnen deze beide feiten gelijktijdig waar zijn?

Bābājī: Als in de materiŽle wereld het ene product uit een ander product wordt gemaakt, is ofwel het eindproduct volkomen verschillend van zijn oorsprong, of het blijft er deel van uitmaken. Dit is de aard van materiŽle objecten. Bijvoorbeeld, een ei scheidt zich van de moedervogel, zodra het ei wordt gelegd, terwijl je nagels en je haar deel van je lichaam blijven uitmaken, zelfs al worden ze door je lichaam geproduceerd, totdat ze worden geknipt. De natuur van de cid-vastu echter is enigszins anders. Alles, wat door de spirituele zon wordt gemanifesteerd, is ermee ťťn en is ervan verschillend. De stralen van de zon en de atomische deeltjes in de stralen zijn niet van de zon afgescheiden, zelfs nadat ze eruit zijn voortgekomen. Op dezelfde manier zijn de stralen van Kṛṣṇa's svarūpa en de atomen in die stralen Ė namelijk jīva-śakti en de jīvaís Ė niet van Hem afgescheiden, zelfs al worden ze uit Hem geproduceerd. Tegelijkertijd zijn de jīvaís, hoewel ze niet-verschillend zijn van Kṛṣṇa, ook eeuwigdurend van Hem verschillend en afgescheiden, want ze hebben hun eigen minutieuze hoeveelheid onafhankelijke verlangens. Daarom is het verschil en niet-verschil van de jīvaís met Kṛṣṇa een eeuwige waarheid. Dit is de bijzondere eigenschap van het cit-gebied.

De heiligen geven een partijdig voorbeeld uit onze ervaring met de dode materie. Stel, dat je een klein stukje goud uit een groot blok zaakt en het gebruikt om een armband van te maken. In het perspectief van het goud is de armband niet verschillend van het oorspronkelijke blok goud; ze zijn niet-verschillend. Maar gezien in het perspectief van de armband zijn de twee van elkaar wel verschillend. Dit voorbeeld is geen volkomen juiste representatie van cit-tattva, maar het illustreert een belangrijk aspect: vanuit het gezichtspunt van cit-tattva is er geen verschil tussen Īśvara en de jīva, terwijl wat betreft hoedanigheid en volume deze twee eeuwigdurend verschillend zijn. Īśvara is volkomen cit, terwijl de jīva atomisch cit is. Īśvara is groot, terwijl de jīva insignificant is. Sommige mensen geven in verband hiermee het voorbeeld van ghaṭa-ākāśa en mahā-ākāśa (de hemel in de pot en het onbegrensde luchtruim), maar dit voorbeeld is volkomen inconsistent met betrekking tot cit-tattva.

Vrajanātha: Als transcendentale entiteiten en materiŽle objecten tot volslagen verschillende categorieŽn behoren, hoe kunnen dan materiŽle objecten als voorbeelden worden gebruik om transcendentale entiteiten te kunnen begrijpen?

Bābājī: Er zijn diverse categorieŽn materiŽle objecten en de paṇḍita's van de Nyāyaschool beschouwen ze als eeuwig. Er is echter niet zo'n categorisch verschil tussen de cit (het transcendentale) en jaḍa (het materiŽle). Ik heb al gezegd, dat cit de enige realiteit is en dat jaḍa eenvoudig zijn transformatie (vikāra) is. De vikāra is verschillend van de oorspronkelijke bron, maar is toch in vele opzichten gelijk aan het zuivere, oorspronkelijke object. Bijvoorbeeld, ijs is een transformatie van water en het wordt door zijn transformatie verschillend van water, maar de twee blijven gelijk wat betreft hun kwaliteiten, zoals koude. Warm en koud water hebben beide niet de eigenschap koude, maar hun kwaliteit van vloeibaarheid is hetzelfde. Daarom behoudt het getransformeerde object zeker enige gelijkenis met het zuivere object. Volgens dit principe kan de transcendentale (cit) wereld met behulp van materiŽle voorbeelden tot op zekere hoogte worden begrepen. Nogmaals, door de logica van arundhatī-darśana[1]) aan te nemen kun je materiŽle voorbeelden gebruiken om iets van de spirituele natuur te begrijpen.

Kṛṣṇa's spel is volkomen spiritueel en er is zelfs niet het minste spoor van een materiŽle stemming in aanwezig. De vraja-līlā beschreven in Śrīmad-Bhāgavatam is transcendentaal, maar wanneer deze beschrijvingen in gezelschap worden gelezen, zijn de vruchten van het horen verschillend naar gelang de respectievelijke kwalificaties van uiteenlopende luisteraars. Degenen, die zijn verzonken in materiŽle lustbevrediging appreciŽren de decoratieve spraakvormen in een werelds perspectief en beluisteren de līlā als een doorsnee verhaal van een held en een heldin. De madhyama-adhikārī's nemen hun toevlucht tot arundhati-darśana-nyāya en ervaren het bovenzinnelijke spel, dat overeenkomt met wereldse beschrijvingen. En wanneer de uttma-adhikārī bhakta's de beschrijving van dat spel en vermaak horen, raken ze geabsorbeerd in de rasa van zuiver transcendentale cid-vilāsa, die zich boven alle wereldse geaardheden bevindt. De Absolute Waarheid is aprākṛta-tattva, dus hoe kunnen we de jīvaís daarin onderwijzen zonder gebruik te maken van de principes, die ik zojuist heb beschreven? Kan de geconditioneerde jīva een onderwerp begrijpen, dat de stem doet verstommen en het verstand uitschakelt? Er schijnt geen andere methode te zijn om deze onderwerpen uit te leggen dan met het principe van analogie en de logica van arundhatī-darśana.

MateriŽle objecten kunnen ofwel verschillend of niet-verschillend van elkaar zijn, dus verschil en niet-verschil zijn niet zichtbaar op hetzelfde ogenblik, maar dit is niet het geval met parama-tattva. We zullen moeten accepteren, dat Kṛṣṇa gelijktijdig verschillend en niet-verschillend is van Zijn jīva-śakti en van de jīvaís daarin. Van deze bhedābheda-tattva (simultaan verschil en eenheid) wordt gezegd, dat hij acintya (onbevattelijk) is, want hij ligt achter de grenzen van het menselijke intellect.

Vrajanātha: Wat is het verschil tussen Īśvara en de jīva?

Bābājī: Eerst moet je het niet-verschil tussen Īśvara en de jīva begrijpen en daarna zal ik je uitleggen wat hun eeuwige verschil is. Īśvara is de belichaming van kennis (jŮāna-svarūpa), de kenner (jŮātā-svarūpa), iemand die beschouwt of reflecteert (mantā-svarūpa), en Hij is de genieter (bhoktṛ-svarūpa). Hij is lichtgevend (sva-prakāśa) en Hij verlicht ook anderen (para-prakāśa). Hij heeft Zijn eigen verlangens (icchā-maya) en Hij is de kenner van alles (kṣetra-jŮa). De jīva is ook de vorm van kennis, de kenner en de genieter; hij is ook lichtgevend en hij verlicht anderen; hij heeft ook verlangens en hij is de kenner van zijn eigen veld (kṣetra-jŮa). In dit perspectief bestaat er tussen hen geen verschil.

Echter Īśvara is almachtig en dankzij deze almacht is Hij de basis van al deze kwaliteiten, die in Hem volledig aanwezig zijn. Deze kwaliteiten zijn ook aanwezig in de atomische jīva, maar slechts in geringe mate. Dus de natuur en vorm van Īśvara en de jīva zijn eeuwigdurend verschillend van elkaar, omdat de ene compleet is en de andere zeer klein; en op hetzelfde moment is er een gebrek aan onderscheid tussen Īśvara en de jīva vanwege de gelijkenis van hun kwaliteiten.

Īśvara is de Heer van svarūpa-śakti, jīva-śakti en māyā-śakti vanwege de heelheid van het innerlijke vermogen (ātma-śakti). Śakti is Zijn dienstmaagd en Hij is de Heer van śakti, die door Zijn verlangen wordt geactiveerd; dit is de svarūpa van Īśvara. Hoewel de eigenschappen van Īśvara in de jīva in geringe mate aanwezig zijn, staat de jīva niettemin onder controle van śakti.

Het woord māyā is in Daśa-mūla niet alleen gebruikt om te verwijzen naar materiŽle māyā, maar ook om op svarūpa-śakti te wijzen. Mīyate anayā iti māyā, "Māyā is datgene, waarmee dingen kunnen worden gemeten, of beoordeeld." Het woord māyā verwijst naar de śakti, die Kṛṣṇa's identiteit verlicht in alle drie werelden, namelijk cit-jagat, acit-jagat en jīva-jagat. Kṛṣṇa is de bestuurder van māyā en de jīva staat onder de heerschappij van māyā. Daarom wordt in de Śvetāśvatara Upaniṣad (4.9-10) gezegd:

asmān māyī sṛjate viśvam etat
tasmiṁś cānyo māyayā sanniruddhaḥ
māyān tu prakṛtiṁ vidyān māyinan tu maheśvaram
tasyāvaya-bhūtais tu vyāptaṁ sarvam idaṁ jagat

Parameśara is de Heer van māyā, Hij heeft de gehele wereld geschapen, waarin de jīvaís in de illusie van materiŽle identificatie worden vastgehouden. Men dient te begrijpen, dat māyā Zijn prakṛti is en dat Hij Maheśvara, de bestuurder van māyā, is. Deze totale wereld wordt door Zijn ledematen doordrongen.

In deze mantra wordt het woord māyī gebruikt om te wijzen op Kṛṣṇa, de bestuurder van māyā, en prakṛti wordt gebruikt om te wijzen op de volkomen śakti. Zijn grote kwaliteiten en natuur zijn de speciale eigenschappen van Īśvara; ze zijn niet in de jīva aanwezig en hij kan ze niet verkrijgen, zelfs niet na zijn bevrijding. In de Brahma-sūtra (4.4.17) staat, jagat-vyāpāra-varjjam prakaraṇāsannihitat-vāt, "De creatie, instandhouding en het bestuur van de totale transcendentale en inerte werelden is het werk van brahma alleen en niemand anders." Behalve deze activiteiten in relatie tot de cit en acit werelden zijn alle andere activiteiten voor bevrijde jīvaís wel mogelijk. De śruti stelt, yato vā imāni bhūtāni jāyante (Taittirīya Upaniṣad 3.1), "Hij is datgene, waardoor alle jīvaís worden geschapen en instand worden gehouden en waarin zij in ongemanifesteerde staat terugkeren op het moment van de vernietiging." Deze uitspraken zijn alleen gedaan in relatie tot brahma en kunnen met geen enkele mate van manipulatie op de jīva worden toegepast, want hier wordt niet naar bevrijde jīvaís verwezen. De śāstraís stellen, dat het alleen Bhagavān is en niet bevrijde jīvaís, die de activiteiten van creatie, instandhouding en vernietiging uitvoert. Men kan veronderstellen, dat de jīva deze activiteiten ook kan uitvoeren, maar dat geeft aanleiding tot de filosofie van vele īśvara's (bahv-īśvara-doṣa), die onjuist is. Daarom is de juiste siddhānta, dat de jīva niet is gekwalificeerd voor de bovengenoemde activiteiten, zelfs niet na zijn bevrijding.

Dit vestigt het eeuwige verschil tussen de jīva en Īśvara en alle geleerden onderbouwen dit. Dit verschil is niet denkbeeldig, maar eeuwig; het verschijnt in geen enkele staat van de jīva. Het gevolg is, dat de stelling, dat de jīva een eeuwige dienaar is van Kṛṣṇa, dient te worden aanvaard als een fundamentele stelling (mahā-vākya).

Vrajanātha: Als men alleen het eeuwige verschil tussen Īśvara en de jīva kan bewijzen, hoe kan men dan de eenheid aanvaarden? Een ander punt is, indien er eenheid is, dienen we dan een staat van samensmelting met Īśvara (nirvāṇa) te aanvaarden?

Bābājī: Nee, helemaal niet. De jīva is in geen enkel stadium ťťn met Kṛṣṇa.

Vrajanātha: Waarom hebt u dan gesproken van acintya-bhedābheda (onbevattelijke eenheid en verschil)?

Bābājī: In het kwalitatieve perspectief van cid-dharma is er eenheid tussen Kṛṣṇa en de jīvaís, maar in het kwantitatieve perspectief van hun wezenlijke natuur en individuele persoonlijkheden (svarūpa) bestaat er een eeuwigdurend verschil tussen hen. Ondanks de eeuwigdurende eenheid is de perceptie van verschil eeuwigdurend overheersend. Hoewel de abheda-svarūpa (eenheid) een voldongen feit is, is er geen aanwijzing, dat een dergelijke staat een onafhankelijk bestaan heeft. Het is eerder de manifestatie van nitya-bheda (eeuwigdurend verschil), die altijd prominent is. Met andere woorden, waar eeuwigdurend verschil en eeuwigdurende eenheid zich gelijktijdig voordoen, is de waarneming van bheda (verschil) sterker. Bijvoorbeeld, laten we zeggen, dat de eigenaar van een huis Devadatta heet en dat zijn huis gelijktijdig a-devadatta (onafhankelijk van Devadatta) en sa-devadatta (geÔdentificeerd met Devadatta) is. Zelfs al kan het huis in sommige opzichten onafhankelijk van Devadatta worden beschouwd, toch blijft zijn specifieke eigenschap van identificatie met Devadatta eeuwigdurend bestaan. Op dezelfde manier is in het geval van Īśvara en de jīvaís het niet-verschil, of de eenheid, geen onderdeel van de essentiŽle identiteit, zelfs niet in het stadium van svarūpa-siddhi, zoals het huis zowel a-devadatta als sa-devadatta kan worden genoemd. In ťťn opzicht kan het huis worden gezien als a-devadatta, maar toch is de ware identiteit sa-devadatta.

Laat ik je nog een voorbeeld uit de materiŽle wereld geven. Het luchtruim is een materieel element en er is ook een basis voor dit bestaan, maar zelfs al is de basis aanwezig, in feite is alleen het luchtruim zichtbaar. Op dezelfde manier wordt zelfs binnen het abheda (eenheid) bestaan de onderscheidende nitya-bheda (eeuwigdurend verschil), die realiteit is, aangetroffen, en dat is de reden waarom nitya-bheda de enige, definitieve karakteristiek van de wezenlijke realiteit (vastu) is.

Vrajanātha: Verklaart u alstublieft de eeuwige natuur van de jīva nog wat helderder.

Bābājī: De jīva is atomisch bewustzijn, hij beschikt over de kwaliteit kennis en wordt beschreven met het woord aham ('ik'). Hij is de genieter, de denker en degene die begrijpt. De jīva heeft een eeuwige vorm, die zeer subtiel is. Zoals de verschillende delen van het grofstoffelijk lichaam, de handen, de benen, de neus, de ogen, enzovoort, in combinatie met elkaar een prachtige vorm manifesteren, wanneer ze zich op hun aangewezen plaats bevinden, zo is er ook een zeer schoon, atomisch, spiritueel lichaam manifest, dat is samengesteld uit verschillende spirituele onderdelen. Wanneer de jīva echter is verwikkeld in māyā, wordt die spirituele vorm bedekt door twee materiŽle lichamen. Eťn ervan wordt het subtiele lichaam (liṅga-śarīra) genoemd en het andere wordt het grofstoffelijk lichaam (sthūla-śarīra) genoemd. Het subiele lichaam, dat het atomisch spirituele lichaam het eerst bedekt, is onontkoombaar (aparihārya) vanaf het begin van de jīva's geconditioneerde staat tot zijn bevrijding. Wanneer de jīva van het ene lichaam naar het volgende transmigreert, verandert het grofstoffelijke lichaam, maar het subtiele lichaam niet. Sterker nog, als de jīva het grofstoffelijke lichaam verlaat, draagt het subtiele lichaam al zijn karma's en verlangens mee naar het volgende lichaam. De lichaamsverandering en zielsverhuizing van de jīva worden uitgevoerd door paŮcāgni (de wetenschap van de vijf vuren), dat in de veda's wordt uiteengezet. Het systeem van paŮcāgni, zoals het crematievuur, het vuur van de spijsvertering en de regen, is in de Chāndogya Upaniṣad en in de Brahma-sūtra beschreven. De geconditioneerde natuur van de jīva in het nieuwe lichaam is het resultaat van invloeden uit zijn voorgaande levens en deze natuur bepaalt de varṇa, waarin hij wordt geboren. Nadat hij varṇāśrama is binnengegaan, begint hij opnieuw karma uit te voeren en wanneer hij stert, herhaalt zich hetzelfde proces. Het eerste omhulsel van de eeuwige spirituele vorm is het subtiele lichaam en het tweede is het grofstoffelijke lichaam.

Vrajanātha: Wat is het verschil tussen het eeuwige spirituele lichaam en het subtiele lichaam?

Bābājī: Het eeuwige lichaam is het eigenlijke, oorspronkelijke lichaam en is atomisch klein, spiritueel en feilloos. Dit is het ware object van het ego Ė het ware 'ik'. Het subtiele lichaam verschijnt bij het contact met de materie en het bestaat uit drie vervuilde transformaties, namelijk die van het verstand, van de intelligentie, en van het ego.

Vrajanātha: Zijn verstand, intelligentie en ego materiŽle entiteiten? Zo ja, hoe kunnen ze dan over de eigenschappen van kennis en activiteit beschikken?

Bābājī:

bhūmir āpo 'nalo vāyuḥ khaṁ mano buddhir eva ca
ahaṅkāra itīyaṁ me bhinnā prakṛtir aṣṭadhā
apareyam itas tv anyāṁ prakṛtiṁ viddhi me parām
jīva-bhūtāṁ mahā-bāho yayedaṁ dhāryate jagat
etad-yonīni bhūtāni sarvāṇīty apadhāraya
adhām kṛtsnasya jagataḥ prabhavaḥ pralayas tathā
††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Bhagavad-Gītā (7.4-6)

Mijn afgescheiden, achtvoudige aparā of māyā-prakṛti bestaat uit de vijf grofstoffelijke elementen Ė aarde, water, vuur, lucht en ruimte Ė en uit de drie subtiele elementen Ė verstand, intelligentie en vals ego. Behalve deze, O sterke Arjuna, heb Ik een taṭastha-prakṛti, die ook parā-prakṛti (superieure natuur) kan worden genoemd. Die prakṛti bestaat uit de vorm van bewustzijn en de jīvaís. Alle jīvaís, die door deze parā-prakṛti zijn gemanifesteerd, vullen de levenloze wereld met bewustzijn. De jīva-śakti wordt taṭastha genoemd, omdat zij voor beide werelden geschikt is; de spirituele wereld, die wordt gemanifesteerd door Mijn antaraṅga-śakti en de materiŽle wereld, die wordt gemanifesteerd door Mijn bahiraṅga-śakti. Omdat alle geschapen entiteiten door deze twee typen prakṛti worden gemanifesteerd, moet je weten dat Ik, Bhagavān, de enige, oorspronkelijke oorzaak ben van de creatie en de vernietiging van alle werelden van bewegende en niet-bewegende wezens.

Deze ślokaís van Gītā Upaniṣad beschrijven de twee soorten prakṛti van sarva-śaktimān Bhagavān. De ťťn wordt parā-prakṛti (de superieure energie) genoemd en de andere wordt aparā-prakṛti (de inferieure energie) genoemd. Ze zijn ook respectievelijk bekend als jīva-śakti en māyā-śakti. De jīva-śakti wordt parā-śakti of śreṣṭha-śakti (de superieure śakti) genoemd, omdat zij vol spirituele, atomische deeltjes is. De māyā-śakti heet aparā (inferieur), omdat zij materieel en inert (jaḍa) is.

De jīva is een wezen, dat volkomen is afgezonderd van de aparā-śakti, die acht elementen bevat: de vijf grofstoffelijke elementen Ė aarde, water, vuur, lucht en ruimte Ė en de drie subtiele elmenten: verstand, intelligentie en ego. Deze laatste drie materiŽle elementen zijn iets speciaals. Het kennisaspect, dat in deze elementen zichtbaar is, is materieel en niet spiritueel. Het verstand creŽert een onechte wereld door zijn kennis van zintuiglijke objecten te baseren op de beelden en invloeden, die het absorbeert uit grofstoffelijke onderwerpen op het wereldse vlak. Dit proces heeft zijn wortels in wereldse materie, niet in geest. De faculteit, die met behulp van die kennis onderscheid maakt tussen echt en onecht, heet buddhi, welke ook zijn wortels heeft in wereldse materie. Het ego, of het gevoel van 'ik', dat wordt aangemaakt door de bovenstaande kennis te aanvaarden, is ook materieel en niet spiritueel.††

Deze drie faculteiten tesamen manifesteren de jīvaís tweede vorm, die zich gedraagt als verbinding tussen de jīva en materie, en die 'het subtiele lichaam' (liṅga-śarīra) heet. Naarmate het ego van het subtiele lichaam van de geconditioneerde jīva sterker wordt, gaat het 't ego van zijn eeuwige vorm bedekken. Het ego van de eeuwige natuur in relatie tot de spirituele zon, Kṛṣṇa, is het eeuwige en zuivere ego en hetzelfde ego manifesteert zich in de bevrijde staat opnieuw. Echter zolang het eeuwige lichaam door het subtiele lichaam blijft afgedekt, blijft ook het materiŽle zelfbeeld (jaḍa-abhimāna), dat voortkomt uit de grofstoffelijke en subtiele lichamen, sterk en het gevolg is, dat de abhimāna of relatie met de geest, praktisch afwezig is. De liṅga-śarīra is zeer fijnstoffelijk, waardoor het wordt afgedekt door de functie van het grofstoffelijke lichaam. De identificatie met kaste, enzovoort, van het grofstoffelijke lichaam verschijnt in het subtiele lichaam, omdat het wordt afgedekt door het grofstoffelijke lichaam. Hoewel de drie elementen Ė verstand, intelligentie en ego Ė materieel zijn, is de abhimāna van kennis niettemin inherent, omdat ze vervuilde transformaties van de functie van de ziel (ātma-vṛtti) zijn.

Vrajanātha: Ik begrijp, dat de eeuwige svarūpa van de jīva van nature spiritueel en atomisch is en dat in die svarūpa een mooi lichaam uit spirituele onderdelen is samengesteld. In de geconditioneerde staat blijft dat mooie, spirituele lichaam door het subtiele lichaam afgedekt en het materiŽle omhulsel van de jīva-svarūpa in de vorm van de jaḍa-śarīra veroorzaakt zijn materiŽle transformatie (jāda-vikāra). Nu wil ik weten, of de jīva in de bevrijde staat volkomen feilloos is.

Bābājī: De atomische, spirituele vorm is vrij van gebreken, maar vanwege zijn nietige natuur is hij inherent zwak en daarom onvolkomen. Het enige defect in die staat is, dat de jīvaís spirituele vorm kan worden afgedekt door associatie met de machtige māyā-śakti.

In Śrīmad-Bhāgavatam (10.2.32) wordt gezegd:

ye 'nye 'ravindākṣa vimukta-māninas
tvayy asta-bhāvād aviśuddha-buddhayaḥ
āruhya kṛcchreṇa paraṁ padaṁ tataḥ
patanty adho 'nādṛta-yuṣmad-aṅghrayaḥ

O lotusogige Heer, niet-toegewijden, zoals de jŮāniís, yogī's en geheelonthouders, beschouwen zichzelf onder valse voorwendsels bevrijd, maar hun intelligentie is niet waarlijk zuiver, omdat zij van devotie in gebreke gaan. Ze voeren zware boetedoeningen uit en bereiken wat zij zich inbeelden als de bevrijde positie, maar vallen van daaruit terug in een zeer lage hoedanigheid wegens het veronachtzamen van Uw lotusvoeten.

Dit toont aan, dat de constitutie van de jīva altijd onvolkomen zal blijven ongeacht de verheven staat, die de bevrijde jīva kan bereiken. Dit is de inherente natuur van jīva-tattva en dit is de reden, waarom in de veda's wordt gezegd, dat Īśvara de bestuurder is van māyā, terwijl de jīva onder alle omstandigheden onderhevig blijft aan de overheersing door māyā.

 

Aldus eindigt het Vijftiende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Jīva-Tattva"


Vertaling: 2006-2017 Indira dasi
Publicatie: www.jayaradhe.nl




[1] Arundhatī is een hele kleine ster, die vlakbij de ster Vaśiṣṭha in de constellatie van Saptaṛṣi (de Grote Beer) staat. Om hem te zien wordt zijn lokatie eerst bepaald door naar een grotere ster ernaast te kijken en als men dan nauwkeurig kijkt, kan men er vlakbij de Arundhatī zien staan. "Op dezelfde wijze realiseert en ziet de madhyama-adhikarī, hoewel hij gebruik maakt van de zintuigen en de taal van de materiŽle wereld om de spirituele wereld te beschrijven, de aprākṛta-tattva nadat hij de aŮjana, de zalf, van prema op de ogen van bhakti heeft aangebracht."


Aldus eindigt het Vijftiende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Jiva-Tattva"


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 14 Ė "Pramana: Sakti-Tattva"

Volgende: Hoofdstuk 16 Ė "Prameya: Jivas door Maya bezeten"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl