Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 14

Pramana: Sakti-Tattva


De lessen, die Vrajanātha de vorige avond van de eerbiedwaardige Bābājī had gekregen, maakten een diepe indruk op hem en toen hij over al die instructies nadacht, voelde hij zich voldaan.


Soms dacht hij, "Oh! Wat zijn Śrī Gaurāṅga's lessen toch bijzonder en ongevenaard; alleen al bij het horen ervan voel ik me over de golven van een oceaan van nectar zweven en hoe meer ik hoor, hoe dorstiger en gretiger ik word om meer te horen. Het lijkt alsof de gecondenseerde nectar van alle tattva's uit Bābājī Mahārāja's lotusmond stroomt en dat mijn hart nooit van het luisteren verzadigd raakt. Al zijn lezingen over siddhānta zijn perfect in balans zonder een spoor van inconsistentie. Het is alsof de śāstras allemaal achter die conclusies aanrennen om iedere letter ervan te verifiren. Ik begrijp niet, waarom de brahmaanse gemeenschap deze leerstellingen bekritiseert. Volgens mij heeft hun vooroordeel ten gunste van Māyāvāda hen ertoe aangezet een valse filosofie aan te hangen."

Vrajanātha liep op die manier na te denken, toen hij Raghunātha dāsa Bābājī's kuṭīra bereikte. Eerst bood hij zijn eerbetuigingen aan de kuṭīra aan en toen hij Bābājī Mahāśaya zag, gaf hij hem zijn eerbetuigingen. Bābājī Mahāśaya omhelsde hem liefdevol en zei, dat hij naast hem moest komen zitten.

Vrajanātha ging met groot enthousiasme zitten en vroeg, "Prabhu! U zei gisteren, dat u de derde śloka van Daśa-mūla zou uitleggen. Ik wil hem echt heel graag horen. Wilt u zo genadig zijn en me alles uitleggen?"

Bābājī was heel blij dit te horen en met zijn haar, dat van extase overeind ging staan, begon hij te spreken:

parākhyāyāḥ śakter apṛthag api sa sve mahimani
sthito jīvākhyāṁ svām acid-abhihitāṁ tāṁ tri-padikām
sva-tantrecchaḥ śaktiṁ sakala-viṣaye preraṇa-paro
vikārādyaiḥ śūnyaḥ parama-puruṣo 'yaṁ vijayate
Daśa-mūla (3)

Ofschoon Śrī Bhagavān niet-verschillend is van Zijn onbevattelijk transcendentaal vermogen (parā-śakti), heeft Hij Zijn eigen onafhankelijke natuur en verlangens. Zijn parā-śakti bestaat uit drie aspecten cit-śakti (spiritueel vermogen), jīva-śakti (marginaal vermogen) en māyā-śakti (extern vermogen) en Hij inspireert hen altijd betrokken te zijn in hun respectievelijke functies. Die para-tattva (Allerhoogste Absolute Waarheid) blijft zelfs bij het uitvoeren van al deze activiteiten onveranderd en is eeuwigdurend in de volkomen transcendentale svarūpa van Zijn eigen glorie gesitueerd.

Vrajanātha: De brāhmaṇas verklaren, dat de brahma-vorm van de para-tattva geen śakti heeft en ze zeggen, dat Zijn śakti alleen manifest is in Zijn Īśvara-vorm. Hierover zou ik graag de conclusies van de veda's horen.

Bābājī: De śakti van para-tattva manifesteert zich in al Zijn vormen. De veda's zeggen:

na tasya kāryaṁ karaṇaṁ ca vidyate
na tat-samaś cābhyadhikaś ca dṛśyate
parāsya śaktir vividhaiva śrūyate
svābhāvikī jāna-bala-kriyā ca
Śvetāśvatara Upaniṣad (6.7-8)

Geen van de activiteiten van die para-brahma Paramātmā is werelds, want geen van Zijn zintuigen zoals Zijn handen en benen is materieel. Dus via het medium van Zijn bovenzinnelijk lichaam, voert Hij Zijn spel zonder materile zintuigen uit en is Hij overal tegelijkertijd aanwezig. Daarom is niemand zelfs maar gelijk aan Hem, laat staan groter dan Hij. Het ene goddelijke vermogen van Parameśvara is op velerlei wijzen in śruti beschreven, waarvan de beschrijving van Zijn jāna-śakti (kennis), Zijn bala-śakti (macht) en Zijn kriyā-śakti (vermogen tot activiteit) de belangrijkste zijn. Deze worden respectievelijk ook cit-śakti of saṁvit-śakti; sat-śakti of sandhinī-śakti; en ānanda-śakti of hlādinī-śakti genoemd.

Met betrekking tot een beschrijving van de cit-śakti wordt gezegd:

te dhyāna-yogānugatā apaśyam
devātma-śaktiṁ sva-guṇair nigūḍhām
yaḥ kāraṇāni nikhilāni tāni
kālātma-yuktāny adhitiṣṭhaty ekaḥ
Śvetāśvatara Upaniṣad (1.3)

De tattva-ja ṛṣi's vestigden zich in samādhi-yoga en terwijl ze werden bezield door de kwaliteiten van para-brahma, hebben ze Zijn meest vertrouwelijke, interne, transcendentale vermogens waargenomen. Zo hebben ze Bhagavān gerealiseerd, die het fundament en de bestuurder is van alle oorzaken, van de jīva, van prakṛti (materile natuur), van kāla (tijd) en van karma.

Over jīva-śakti:

ajām ekāṁ lohita-śukla-kṛṣṇāṁ
bahvīḥ prajāḥ sṛjamānāṁ svarūpāḥ
ajo hy eko juṣamāṇo 'nuśete
jahāty enāṁ bhukta-bhogāṁ ajo 'nyaḥ
Śvetāśvatara Upaniṣad (4.5)

Er zijn twee typen ongeboren (aja) jīvas. Jīvas van het eerste type zijn ajānī, onwetend, en vereren Bhagavāns prakṛti. Die prakṛti, wier geaardheden rood, wit en zwart zijn, is ook ongeboren evenals Bhagavān. Het tweede type aja echter zijn jānis. Zij hebben de onwetendheid overwonnen en onthouden zich volledig van die prakṛti, die anderen trachten te genieten.

Over māyā-śakti:

chandāṁsi yajāḥ kratavo vratāni
bhūtaṁ bhavyaṁ yac ca vedā vadanti
asmān māyī sṛjate viśvam etat
tasmiṁś cānyo māyayā sanniruddhaḥ
Śvetāśvatara Upaniṣad (4.9)

Paramātmā, die meester is over māyā-prakṛti (de begoochelende materile natuur), heeft alle leerstellingen van de Veda's gecreerd; speciale yaja's, zoals de jyotiṣṭoma, die wordt uitgevoerd met ghī; diverse soorten vrata (vastendagen, offers, boetedoeningen); en al het andere bestaande uit het verleden, het heden en de toekomst de totale wereld, waarvan de beschrijving in de veda's wordt aangetroffen. De Īśvara van māyā heeft dit allemaal geschapen en de aja jīvas worden door Zijn māyā gebonden.

De Vedische mantra, parāsya-śaktiḥ (hierboven geciteerd uit: Śvet. Up. 6.7-8) verklaart, dat er transcendentale śakti aanwezig is zelfs in het hoogste stadium van de para-tattva. De persoonlijke verschijning van die para-tattva wordt Bhagavān genoemd en de nirviśeṣa-manifestatie heet brahma. Nergens in de veda's wordt de para-tattva beschreven als bestaand zonder śakti. Datgene wat brahma wordt genoemd, is een manifestatie van para-tattva en zijn nirviśeṣa-brahma wordt eveneens door parā-śakti gemanifesteerd. Daarom is er ook transcendentaal vermogen in nirguṇa-nirviśeṣa-brahma. Op sommige plaatsen in de veda's en de upaniṣaden wordt deze parā-śakti svarūpa-śakti genoemd, op andere plaatsen cit-śakti en weer ergens anders werd zij antaraṅga-śakti genoemd. Eigenlijk is er geen vastu als brahma zonder śakti; het is eenvoudig een denkbeeld van de Māyāvādīs. In werkelijkheid bevindt de nirviśeṣa-brahma zich boven het beperkte begrippenapparaat van Māyāvāda. De saviśeṣa-brahma is alsvolgt in de veda's beschreven:

ya eko varṇo bahudhā śakti-yogād
varṇān anekān nihitārtho dadhāti
Śvetāśvatara Upaniṣad (4.1)

Hoewel Hij n kleur heeft, neemt Hij diverse kleuren (bhāva's) aan naar gelang Zijn persoonlijke śakti. Vele kleuren wat betekent, verscheidene typen energie bestaan in Hem. Zeker, de hele wereld vindt zijn bestaan in Hem, want Hij is zijn schepper.

ya eko jālavān īśata īśanībhiḥ
sarvāl lokān īśata īśanībhiḥ
Śvetāśvatara Upaniṣad (3.1)

Hij, die de Īśvara is van de hele wereld, is n zonder tweede. En Hij is de Heer van māyā, die als een net is, waarin de jīvas worden gevangen. Hij reguleert de totale wereld met Zijn aiśī śakti.

Nu zie je, dat de śakti van para-tattva bij Hem nimmer afwezig is. Para-tattva is altijd zelfverlicht en manifesteert zichzelf. De Vedische mantra's beschrijven de drie typen śakti van die zelfgemanifesteerde tattva alsvolgt:

sa viśvakṛd viśvavidātma-yonirjaḥ
kālakālo guṇī sarvavid yaḥ
pradhāna-kṣetraja-patirguneśaḥ
saṁsāra-mokṣa-sthiti-bandhahetuḥ
Śvetāśvatara Upaniṣad (6.16)

Die Paramātmā is alwetend en schepper van de wereld. Hij is Zelfgeboren (ātmā-yoni), de bestuurder van kāla (tijd), de kenner van alles, de Īśvara van pradhāna (māyā) en de Īśvara van alle kṣetraja's (jīvas). Hij is vol van alle transcendentale kwaliteiten en bevindt Zich boven alle materile kwaliteiten, toch is Hij hun meester. Hij verbindt de jīvas in saṁsāra, plaatst hen in hun posities en bevrijdt hen daaruit.

Deze mantra beschrijft de drie staten van parā-śakti. Het woord pradhāna betekent māyā-śakti; het woord kṣetraja betekent de jīva-śakti; en naar de cit-śakti wordt verwezen door het woord kṣetraja-pati. De Māyāvādīs leggen uit, dat brahma in de hoedanigheid is van para-tattva zonder śakti en dat Īśvara in die hoedanigheid is met lle śakti's, maar deze doctrine is eenvoudig denkbeeldig. In werkelijkheid is Bhagavān altijd in het bezit van alle śakti. Śakti is aanwezig in al Zijn aspecten. Hij is eeuwigdurend in Zijn svarūpa gesitueerd en hoewel Hij in die svarūpa over alle śakti's beschikt, blijft Hijzelf de Allerhoogste Persoon, vol van zijn eigen onafhankelijke wil.

Vrajanātha: Als Hij volledig vergezeld gaat van śakti, werkt Hij alleen met de assistentie van śakti. Waar is dan Zijn onafhankelijke natuur en verlangen?

Bābājī: Śakti-śaktimator abhedaḥ - volgens deze uitspraak in deVedānta, zijn śakti (vermogen) en de śaktimān puruṣa (de Allerhoogste Persoon, die alle śakti bezit) niet-verschillend. Werk vertoont de invloed van śakti; dat betekent, dat al het werk alleen door middel van śakti wordt voltooid. Echter het verlangen om werk te verzetten is een indicatie van śaktimān. De manifestatie van de wereldse, materile wereld is het werk van māyā-śakti, de manifestatie van alle jīvas is het werk van jīva-śakti en de manifestatie van cid-jagat (spirituele wereld) is het werk van cit-śakti. Bhagavān inspireert de cit-śakti, jīva-śakti en māyā-śakti hun respectievelijke activiteiten uit te voeren, maar Hijzelf blijft desondanks nirvikāra (onverschillig en onbenvloed).

Vrajanātha: Hoe kan Hij nirvikāra blijven, als Hij volgens Zijn onafhankelijke wens te werk gaat? Als Hij onafhankelijk verlangen (sva-icchāmaya) heeft, betekent dat toch, dat Hij vikāra (transformatie) ondergaat?

Bābājī: Nirvikāra betekent vrij zijn van iedere materile transformatie (māyika-vikāra). Māyā is de schaduw van svarūpa-śakti. Het werk van māyā is een realiteit, maar geen eeuwige realiteit. Het defect van māyā is dus niet aanwezig in de para-tattva. De vikāra, die in Śrī Hari in de vorm van Zijn verlangen en spel aanwezig is, is niets anders dan de hoogste manifestatie van prema. Zulke wonderbaarlijke manifestaties van bovenzinnelijke variatie zijn aanwezig in advaya-jāna Bhagavān. Ondanks dat Hij door Zijn verlangen via Zijn māyā-śakti de materile wereld creert, blijft deze cit-natuur eeuwigdurend en ononderbroken bestaan. Māyā heeft geen verbinding met de verbijsterende, gevarieerde līlā van Bhagavān in de spirituele wereld. De jīvas echter, wier intelligentie onder invloed van māyā is afgenomen, denken, dat de wonderbaarlijke diversiteit van de spirituele wereld gewoon een andere aangelegenheid van māyā is.

Iemand, die aan hepatitis lijdt, ziet de hele wereld geel gekleurd en iemand, wiens ogen door wolken worden bedekt, ziet dat de zon ook door wolken wordt bedekt. Vandaar, dat degenen met een māyika-intelligentie zich inbeelden, dat transcendentale namen, vormen, kwaliteiten en spellen ook māyika zijn. De diepere betekenis is, dat māyā-śakti een schaduw is van de cit-śakti, waardoor de diversiteit van spirituele activiteiten ook in het werk van māyā wordt weerspiegeld. De diversiteit, die we zien in māyā-śakti, is een inferieure reflectie, of schaduw, van de diversiteit, die we in cit-śakti aantreffen, dus hoewel deze twee soorten diversiteit schijnbaar op elkaar lijken, zijn ze in feite elkaars volkomen tegendeel. Oppervlakkig gezien, lijkt iemands spiegelbeeld in een spiegel hetzelfde als zijn lichaam. Bij nader onderzoek echter worden ze gezien als elkaars exacte tegendelen, want de ene is het lichaam zelf en de andere is een afbeelding ervan, een weerspiegeling. De verschillende lichaamsdelen verschijnen in de spiegelreflectie aan de tegenovergestelde zijde: de linker hand verschijnt aan de rechter kant en de rechter hand verschijnt aan de linker zijde; het linker oog verschijnt aan de rechter kant en het rechter oog aan de linker zijde. Op dezelfde manier lijken de diversiteiten van de spirituele wereld en die van de materile wereld oppervlakkig gezien dezelfde. Vanuit een subtieler gezichtspunt echter zijn ze elkaars tegengestelden, want de materile differentiatie is een verstoorde reflectie van de transcendentale differentiatie. Vandaar dus, hoewel er enige schijnbare gelijkenis bestaat, zijn ze in essentie niettemin verschillend van elkaar. Die onafhankelijke, Allerhoogste Persoon, die werkt volgens Zijn eigen zoete wil, is de bestuurder van māyā. Hij is vrij van iedere māyika transformatie en door māyā heen vervult Hij Zijn doelen.

Vrajanātha: Welke śakti van Śrī Kṛṣṇa is Śrīmatī Rādhikā?

Bābājī: Zoals Śrī Kṛṣṇa de volkomen śaktimān-tattva is, is Śrīmatī Rādhikā Zijn volkomen śakti. Zij kan de volkomen svarūpa-śakti worden genoemd. Opdat Zij Hun līlā kunnen uitvoeren en proeven, zijn Śrīmatī Rādhikā en Kṛṣṇa eeuwigdurend afgescheiden van Elkaar, maar Ze zijn tevens eeuwigdurend onafscheidelijk, zoals muskus en zijn geur wederzijds onafscheidelijk zijn, en vuur en hitte niet van elkaar kunnen worden gescheiden. Die svarūpa-śakti, Śrīmatī Rādhikā, heeft drie typen activiteitenvermogens (kriyā-śakti). Deze heten: cit-śakti, jīva-śakti en māyā-śakti. De cit-śakti wordt ook het interne vermogen (antaraṅga-śakti) genoemd; māyā-śakti wordt het externe vermogen (bahiraṅga-śakti) genoemd en de jīva-śakti wordt het marginale vermogen (taṭastha-śakti) genoemd. Hoewel svarūpa-śakti n is, handelt Ze op deze drie manieren. Alle eeuwige eigenschappen van svarūpa-śakti zijn volkomen aanwezig in de cit-śakti, ze zijn in geringe mate aanwezig in de jīva-śakti en ze zijn op een verstoorde wijze aanwezig in de māyā-śakti.

Behalve de drie soorten kriyā-śakti (activiteitenvermogens), die ik heb beschreven, heeft svarūpa-śakti nog drie andere soorten functies, genaamd hlādinī, sandhinī en saṁvit. Ze worden in de Daśa-mūla (4) alsvolgt omschreven:

sa vai hlādinyāś ca praṇaya-vikṛter hlādana-ratas
tathā samvic-chakti-prakaṭita-raho-bhāva-rasitaḥ
tathā śrī-sandhinyā kṛta-viśada-tad-dhāma-nicaye
rasāmbodhau magno vraja-rasa-vilāsī vijayate

Er zijn drie functies van svarūpa-śakti: hlādinī, sandhinī en saṁvit. Kṛṣṇa blijft onafgebroken verzonken in de praṇaya-vikāra van de hlādinī-śakti. Vanwege de vertrouwelijke bhāva's opgeroepen door de saṁvit-śakti, blijft Hij onafgebroken in Zijn positie als rasika-śekhara om steeds een nieuwe rasa te proeven. Die allerhoogste, onafhankelijke prins van het spel en het vermaak, Śrī Kṛṣṇa, is blijvend ondergedompeld in de oceaan van vraja-rasa in Zijn transcendentale, van vreugde vervulde verblijfplaatsen, aangevoerd door Vṛndāvana, die door sandhinī-śakti manifest zijn. Alle eer aan Hem!

De betekenis is, dat de drie aspecten van svarūpa-śakti namelijk, hlādinī, sandhinī en saṁvit alle activiteiten van de cit-śakti, de jīva-śakti en de māyā-śakti volkomen benvloeden. De hlādinī-vṛtti van svarūpa-śakti, als Śrīmatī Rādhikā, de dochter van Vṛṣabhānu Mahārāja, geeft Kṛṣṇa volkomen transcendentale vreugde en plezier. Śrīmatī Rādhikā is de belichaming van mahābhāva. Ze geeft Kṛṣṇa geluk in Haar eigen transcendentale vorm en Ze manifesteert tevens acht bhāva's als de acht meest vooraanstaande sakhī's, die directe extensies (kāya-vyūha) van Haar eigen svarūpa zijn. Behalve dat, manifesteert Ze Haar vier verschillend soorten dienstverlenende attitudes als de vier verschillende typen sakhī's namelijk, priya-sakhī's, narma-sakhī's, prāṇa-sakhī's en parama-preṣṭha-sakhī's. Al deze sakhī's zijn nitya-siddha-sakhī's binnen het transcendentale gebied van Vraja.

De saṁvit-vṛtti van svarūpa-śakti manifesteert alle diverse gevoelens in de relaties (sambhanda-bhāva's) binnen Vraja. Sandhinī manifesteert in Vraja alles, dat bestaat uit water, aarde, enzovoort, zoals de dorpen, bossen, tuinen en Giri-Govardhana, die allemaal plaatsen zijn van Kṛṣṇa's tijdverdrijf. Het manifesteert ook alle andere transcendentale objecten, die in Kṛṣṇa's spellen worden gebruikt, evenals de transcendentale lichamen van Śrī Rādhikā, Śrī Kṛṣṇa, de sakhī's, de sakhā's, de koeien, de dāsa's en dāsī's, enzovoort.

Śrī Kṛṣṇa wordt altijd in beslag genomen door supreme vreugde in de vorm van de praṇaya-vikāra van hlādinī en terwijl Hij beschikt over verscheidene bhāva's, die door de saṁvit-vṛtti worden gemanifesteerd, proeft Hij praṇaya-rasa. Via de saṁvit-vṛtti van Zijn parā-śakti voert Kṛṣṇa activiteiten uit, zoals het aantrekken van de gopī's door op Zijn vaṁśī te spelen, het hoeden van de koeien om ze te laten grazen (go-cāraṇa), rāsa-līlā en ander tijdverdrijf. Śrī Kṛṣṇa, die Vraja-vilāsī (de genieter van het spel in Vraja) is, blijft altijd in rasa verzonken in Zijn transcendentale dhāma, die door het sandhinī-vermogen wordt gemanifesteerd. Van al Zijn speelplaatsen is het land van Zijn Vraja-spel het lieftalligst.

Vrajanātha: U hebt zojuist uitgelegd, dat sandhinī, saṁvit en hlādinī allemaal manifestaties zijn van svarūpa-śakti. U hebt ook gezegd, dat jīva-śakti een atomisch deeltje is van svarūpa-śakti en dat māyā-śakti de reflectie is van svarūpa-śakti. Wilt u nu zo goed zijn om uit te leggen hoe de sandhinī-, saṁvit- en hlādinī-tendenzen hun invloed op de jīva en op māyā uitoefenen?

Bābājī: Jīva-śakti is het atomisch vermogen van svarūpa-śakti en alle drie aspecten van svarūpa-śakti zijn er in minuuskule mate in aanwezig. Dus de hlādinī-vṛtti is altijd in de jīva aanwezig in de vorm van brahmānanda (spirituele vreugde); saṁvit-vṛtti is aanwezig in de vorm van brahma-jāna (transcendentale kennis) en sandhinī-vṛtti is aanwezig in de jīvas minuuskule vorm. Dit onderwerp zal ik verder behandelen, wanneer we jīva-tattva bespreken. In māyā-śakti is hlādinī-vṛtti manifest in de vorm van werelds plezier (jaḍānanda); saṁvit-vṛtti is manifest in de vorm van materile kennis (bhautika-jāna) en de sandhinī-śakti is manifest in de vorm van het totale materile universum, dat bestaat uit de veertien planetaire stelsels en de materile lichamen van de jīvas.

Vrajanātha: Waarom wordt śakti onbevattelijk genoemd, als al haar activiteiten kunnen worden begrepen, zoals u hiervoor uitlegde?

Bābājī: Deze onderwerpen kunnen wel afzonderlijk worden begrepen, maar hun relaties zijn onbevattelijk. In de materile wereld kunnen principes, die wederzijds aan elkaar zijn tegengesteld, niet op dezelfde plaats aanwezig zijn, omdat tegengestelde kwaliteiten de inherente neiging hebben elkaar op te heffen en uit te schakelen. Śrī Kṛṣṇa's śakti daarentegen heeft een dusdanig onbevattelijke kracht, dat zij in de spirituele wereld alle wederzijds tegengestelde kwaliteiten tegelijkertijd en op zeer wonderbaarlijke en esthetische wijze manifesteert. Zelfs al heeft Śrī Kṛṣṇa de mooiste vorm (rūpa), toch is Hij vormloos (arūpa); al heeft Hij een transcendentale mūrti (vorm), toch is Hij overal aanwezig; al is Hij altijd actief, toch blijft Hij onberoerd en voert geen karma uit; al is Hij de zoon van Nanda Mahārāja, Hij is ongeboren; al is Hij een eenvoudige koeherdersjongen, Hij wordt door iedereen vereerd; en al heeft Hij een menselijke vorm en een menselijke bhāva, toch is Hij alwetend. Op dezelfde wijze beschikt Hij over alle kwaliteiten (saviśeṣa) en toch heeft Hij geen enkele kwaliteit (nirviśeṣa); Hij is acintya (onbevattelijk) en toch vol rasa; Hij is zowel beperkt als onbeperkt; Hij is heel ver weg en heel dichtbij; Hij is onverschillig (nirvikāra) en toch is Hij bevreesd voor de māna (boze bui of schijnbare woede) van de gopī's. Hoever kunnen we gaan met het benoemen van de oneindige variteiten van Śrī Kṛṣṇa's kwaliteiten, zoals deze? Ze zijn allemaal strijdig met elkaar en toch zijn ze eeuwigdurend en op een schitterende wijze zonder tegenstelling of conflict in Zijn svarūpa (vorm), Zijn verblijfplaats en in de diverse objecten, die met Hem zijn verbonden, aanwezig. Dit is de onbevattelijke natuur van Zijn śakti.

Vrajanātha: Aanvaarden de veda's dit?

Bābājī: Dit wordt overal geaccepteerd. In de Śvetāśvatara Upaniṣad (3.19) is gezegd:

apāṇi-pādo javano grahītā
paśyaty acakṣuḥ sa śṛṇoty akarṇaḥ
sa vetti vedyaṁ na ca tasyāsti vettā
tam āhur agryaṁ puruṣaṁ mahāntam

Die Paramātmā heeft geen materile handen of benen, maar Hij aanvaardt alles met Zijn transcendentale handen en gaat overal heen met Zijn transcendentale benen. Hij heeft geen materile ogen of oren, toch ziet en hoort Hij alles met Zijn transcendentale ogen en oren. Hij weet alles, wat moet worden geweten, en kent de activiteiten van alles, maar niemand kan Hem kennen, tenzij Hij Zichzelf openbaart. De transcendentalisten, die brahma kennen, noemen Hem de oorspronkelijke Persoonlijkheid, de grote puruṣa, die de Oorzaak aller oorzaken is.

In de Īśa Upaniṣad (5) vinden we de volgende uitspraken:

tad ejati tan naijati tad dūre tad vantike
tad antar asya sarvasya tad usarvasyāsya bāhyataḥ

Die Parameśvara loopt en toch loopt Hij niet. Hij is verder weg dan wat dan ook, toch is Hij ook dichterbij dan wat dan ook. Hij bevindt Zich in alles en is tegelijkertijd buiten alles. Zo worden de eigenschappen in de spirituele wereld volmaakt samengevoegd, hoewel ze aan elkaar tegengesteld lijken te zijn.

sa paryyagāc chukram akāyam avraṇam
asnāviraṁ śuddham apāpa-viddham
kavir manīṣī paribhūḥ svayambhūr
yāthātathyato 'rthān vyadadhāc chāśvatībhyaḥ samābhyaḥ
Īśa Upaniṣad (8)

Die Paramātmā is alomtegenwoordig en zuiver. Hij heeft geen materile vorm, maar een eeuwige, transcendentale vorm vol kennis en vreugde. Zijn lichaam heeft geen aderen of holten en bevindt zich boven alle aanduiding. Hij is de allereerste heilige en dichter, Hij is alwetend en verschijnt als Hij het Zelf wenst. Hij bevindt Zich op het hoogste platform en bestuurt alles. Men Zijn onbevattelijke vermogen houdt Hij alles eeuwigdurend in stand en zet alle anderen in overeenstemming met hun kwaliteiten aan het werk.

Vrajanātha: Is er in de veda's een beschrijving van Bhagavān, die volkomen onafhankelijk is en in deze materile wereld volgens Zijn eigen wil verschijnt?

Bābājī: Ja, de veda's vermelden dat op diverse plaatsen. De Talavakāra of Kena Upaniṣad verwijst naar een dialoog tussen Umā en Mahendra (Śrī Śivajī), waarin wordt beschreven hoe eens een vurig gevecht plaatsvond tussen de devatā's en de asura's. Bij deze gelegenheid werd de asura's een zware slag toegebracht, waarna ze uit het strijdtoneel wegvluchtten. De devatā's hadden de strijd gewonnen, hoewel de overwinning eigenlijk aan Bhagavān te wijten was, waarbij de devatā's slechts Zijn instrumenten waren geweest. Door hun trots en arrogantie echter hadden de devatā's dit vergeten en begonnen over hun kracht en moed op te scheppen. Op dat moment verscheen daar para-brahma Bhagavān, die het reservoir van genade is, in een prachtige vorm en informeerde naar de reden van hun hoogmoed. Toen maakte Hij een rietje en vroeg hen dit kapot te maken. De devatā's waren verbaasd, want de deva van het vuur kon het niet verbranden en de deva van de wind kon het niet wegblazen, ondanks dat ze al hun vermogens en deskundigheid aanwendden. De deva's waren ontzet bij het zien van Bhagavāns buitengewoon esthetische vorm en wonderbaarlijke macht.

tasmai tṛṇaṁ nidadhāveddaheti tadupapreyāya
sarvajavena tanna śaśāka dagdhuma. sa tat eva nivavṛte,
naitadaśakaṁ vijātuṁ yadetad yakṣamiti
Kena Upaniṣad (3.6)

Die Yakṣa (die eigenlijk Bhagavān was) legde een rietje voor Agnideva neer en zei, "Laat ons je kracht zien. Kun je dit droge strootje verbranden?" Agnideva benaderde het strootje en richtte er al zijn kracht op, maar hij kon het niet verbranden. Vol schaamte ging hij terug naar de devatā's en zei, "Ik heb geen idee wie die Yakṣa is."

De vertrouwelijke betekenis van de veda's is, dat Bhagavān een verpletterende schoonheid is. Hij verschijnt volgens Zijn eigen zoete wil en speelt met de jīvas allerlei spelletjes.

Vrajanātha: Bhagavān is een oceaan van rasa genoemd. Wordt dit ergens in de veda's beschreven?

Bābājī: Dit wordt duidelijk gesteld in de Taittirīya Upaniṣad (2.7):

yad vai tat sukṛtaṁ raso vai saḥ
rasaṁ hy evāyaṁ labdhvānandī bhavati
ko hy evānyāt kaḥ prāṇyāt
yad eṣa ākāśa ānando na syāt
eṣa hy evānandayāti

Para-brahma Paramātmā is de sukṛta-brahma (de buitengewoon schone, allerhoogste geest). Zijn svarūpa is onvermengde rasa en wanneer de jīva deze rasa-svarūpa para-brahma realiseert, raakt hij vol ānanda. Wie zou nog enige moeite doen te leven, als die onverdeelde Realiteit niet de belichaming van ānanda in de vorm van rasa zou zijn? Paramātmā alleen geeft iedereen vreugde.

Vrajanātha: Als Hij rasa-svarūpa is, waarom kunnen de materialisten Hem dan niet zien of bevatten?

Bābājī: Er zijn twee typen geconditioneerde jīvas: Zij die van Kṛṣṇa zijn afgekeerd (parak) en zij, die Kṛṣṇa zijn toegenegen (pratyak). Jīvas in de staat van parak kunnen Kṛṣṇa's schoonheid niet zien, omdat ze zich tegen Hem verzetten; ze zien en denken alleen aan materile zaken. Jīvas in de staat van pratyak zijn juist afgekeerd van māyā en stellen zich gunstig op jegens Kṛṣṇa, dus zij kunnen Kṛṣṇa's rasa-svarūpa zien. In Kaṭha Upaniṣad wordt gezegd:

parāci khāni vyatṛṇat svayambhūs
tasmāt parāṇ paśyati nāntarātman
kaścid dhīraḥ pratyag ātmānam aikṣad
āvṛtta-cakṣur amṛtatvam iccham

De uit zichzelf geboren Parameśvara heeft de zintuigen gecreerd, opdat ze de neiging hebben op externe objecten te zijn gericht. Dat is de reden, waarom de jīva in het algemeen alleen uiterlijke objecten via zijn zintuigen waarneemt en niet in staat is Bhagavān in zijn hart te zien. Alleen een ernstig en vastbesloten (dhīra) persoon, die naar bevrijding in de vorm van liefde voor Kṛṣṇa verlangt, kan zijn oren en andere zintuigen van uiterlijke objecten bevrijden en de pratyag-ātma Śrī Bhagavān waarnemen.

Vrajanātha: Wie is degene, die in de śloka, raso vai saḥ 'de belichaming van rasa' wordt genoemd?

Bābājī: In Gopāla-tāpanī Upaniṣad, Pūrva-khaṇḍa (12-13) wordt gezegd:

gopa-veśam abhrābhaṁ taruṇaṁ kalpa-drumāśritam
sat-puṇḍarīka-nayanaṁ meghābhaṁ vaidyutāmbaram
dvi-bhujaṁ mauna-mudrāḍyaṁ vana-mālinam īśvaram

Hij draagt de kleding van een jonge koeherder. Zijn ogen lijken op een witte lotus in volle bloei, de tint van Zijn lichaam is zwart-blauw gelijk een regenwolk van de natte moesson en Hij draagt een stralend gele lendedoek, die schittert als de bliksem. Zijn gedaante heeft twee handen en Hij staat in de jāna-mudrā (houding die op goddelijke kennis wijst). Zij hals is getooid met een krans van woudbloemen, die tot Zijn voeten reikt en Hij staat onder een goddelijke kalpa-vṛkṣa. Die Śrī Kṛṣṇa is de Heer van al wat is.

Vrajanātha: Nu begrijp ik, dat Śrī Kṛṣṇa in de spirituele wereld in Zijn nitya-siddha-svarūpa almachtig is, dat hij de belichaming (svarūpa) van rasa is en het reservoir (āṣraya-svarūpa) is van alle rasa. Hij kan niet worden bereikt met behulp van brahma-jāna. Als je het achtvoudige systeem van yoga beoefent, kun je alleen Zijn deelmanifestatie van Paramātmā realiseren. Nirviśeṣa-brahma is slechts de lichaamsuitstraling van Śrī Kṛṣṇa, die vol eeuwige, spirituele kwaliteiten is en die de eerbiedwaardige Heer van alle werelden is. We kunnen echter geen manier vinden om Hem te bereiken, omdat Hij Zich achter de competentie van ons denkvermogen bevindt. Welke middelen heeft de mens nog meer, behalve zijn vermogen tot contemplatie? Of hij nu een brāhmaṇa is of een onaanraakbare, hij heeft geen ander middel tot zijn beschikking dan zijn verstand. Daarom is het zeer moeilijk om Śrī Kṛṣṇa's genade te bemachtigen.

Bābājī: In Kaṭha Upaniṣad (2.2.13) wordt gezegd:

tam ātma-sthaṁ ye 'nupaśyanti dhīrās
teṣāṁ śāntiḥ śāśvatī netareṣām

Alleen de wijze, die Paramātmā in zichzelf ziet, kan eeuwigdurende vrede bereiken; niemand anders lukt dat.

Vrajanātha: Je kunt wel in staat zijn om eeuwige vrede te bereiken door Hem voortdurend in jezelf te zien, maar wat is de procedure waarmee je Hem kunt zien? Dit is moeilijk te begrijpen.

Bābājī: In Kaṭha Upaniṣad (1.2.23) wordt gezegd:

nāyam ātmā pravacanena labhyo
na medhayā na bahunā śrutena
yam evaiṣa vṛṇute tena labhyas
tasyaiṣa ātmā vivṛṇute tahuṁ svām

Men kan para-brahma Paramātmā niet bereiken met het geven van lezingen, via het intellect of met de studie van diverse śāstras. Hij openbaart Zijn transcendentale vorm door Zijn eigen genade alleen aan iemand, die Hijzelf aanvaardt.

In Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.29) wordt gezegd:

athāpi te deva padāmbuja-dvaya-
prasāda-leśānugṛhīta eva hi
jānāti tattvaṁ bhagavan mahimno
na cānya eko 'pi ciraṁ vicinvan

O Heer, iemand die slechts een greintje genade van Uw beide lotusvoeten krijgt, kan de essentie van Uw bovenzinnelijke glorie bevatten. Anderen kunnen de essentile waarheid van Uzelf niet realiseren, zelfs al blijven ze jarenlang met behulp van jāna en vairāgya naar U zoeken.

Mijn zoon, mijn Prabhu is uitmuntend. Die Śrī Kṛṣṇa, die de Ziel aller zielen is, kan niet worden bereikt met het lezen of het horen van diverse śāstras, noch met argumentatie en discussies. Hij kan niet worden bereikt met een scherpzinnige intelligentie, noch door het aanvaarden van allerlei guru's. Alleen iemand, die Hem aanvaardt als 'mijn Kṛṣṇa', kan Hem bereiken. Hij zal Zijn transcendentale sac-cid-ānanda gedaante alleen voor zo'n bhakta manifesteren. Wanneer we de abhidheya-tattva analyseren, zal je in staat zijn deze waarheden gemakkelijk te begrijpen.

Vrajanātha: Worden de namen van Kṛṣṇa's verblijfplaatsen ergens in de veda's beschreven?

Bābājī: Ja, namen zoals Paravyoma, Brahma-Gopāla-purī en Gokula worden op diverse plaatsen in de veda's aangetroffen. Bijvoorbeeld, de Śvetāśvatara Upaniṣad zegt:

ṛco 'kṣare parame vyoman
yasmin devā adhiviśve niṣeduḥ
yas tan na veda kim ṛcā kariṣyati
ya ittad vidus ta ime samāsate

Men moet die onfeilbare (akṣara) brahma kennen, die resideert in de plaats genaamd Paravyoma. Hij is het onderwerp in de mantra's van de Ṛg Veda en alle devatā's nemen hun toevlucht tot Hem. Iemand die deze parama-puruṣa niet kent, kan geen enkel doel door middel van de veda's vervullen. Echter diegene wordt gezegend, die deze Paramātmā in overeenstemming met tattva realiseert.

In Muṇḍaka Upaniṣad (2.2.7) wordt gezegd:

divye brahma-pure hy eṣa vyomny ātmā pratiṣṭhitaḥ

Die Paramātmā resideert eeuwigdurend in de transcendentale Brahma-pura, die de vorm is van Paravyoma.

In Puruṣa-bodhinī-śruti wordt gezegd:

gokulākhye māthura-maṇḍale dve parśve candrāvalī rādhikā ca

In het gebied van Mathurā genaamd Gokula bevindt Śrīmatī Rādhikā Zich aan n zijde van Bhagavān en Candrāvalī aan de andere.

In Gopāla-tāpanī Upaniṣad wordt gesteld:

tāsāṁ madhye sākṣād brahma-gopāla-purī hi

Brahma-Gopāla-purī ligt in het midden van de groep transcendentale oorden.

Vrajanātha: Waarom wordt het vermogen van Śiva door de tāntrika-brāhmaṇas 'Durgā' genoemd?

Bābājī: De begoochelende energie (māyā-śakti) wordt śiva-śakti genoemd. Deze māyā heeft drie geaardheden namelijk sattva, rajaḥ en tamaḥ. Brāhmaṇas in de geaardheid sattva (goedheid) vereren māyā op een zuivere manier als de vorm, die satttva-guṇa belichaamt; brāhmaṇas in de geaardheid rajaḥ (hartstocht) vereren māyā in de vorm, die rajo-guṇa belichaamt en brāhmaṇas in de geaardheid tamaḥ (onwetendheid) vereren māyā als de voornaamste godheid van de duisternis, tamo-guṇa, en nemen onwetendheid voor kennis aan. In feite is māyā-śakti slechts een naam voor de transformatie (vikāra) van Bhagavāns parā-śakti in de vorm van haar schaduw (chāyā); māyā-śakti is geen afzonderlijke, onafhankelijke śakti. Māyā is de enige oorzaak van gebondenheid en bevrijding voor de jīva.

Wanneer de jīva in verzet raakt tegen Kṛṣṇa, straft māyā hem door hem in haar wereldse boeien te slaan. Wanneer de jīva zich echter gunstig opstelt jegens Kṛṣṇa, manifesteert diezelfde māyā haar sāttvika kwaliteit en geeft hem kennis over Kṛṣṇa. Dan bevrijdt ze hem uit haar werelse gebondenheid en maakt hem gekwalificeerd om de liefde voor Kṛṣṇa te ontvangen. Vandaar, dat de jīvas, die zijn gebonden door de geaardheden van māyā, de zuivere vorm van māyā namelijk de svarūpa-śakti van Bhagavān niet kunnen zien en māyā als de voornaamste śakti gaan vereren. De jīva in de staat van begoocheling kan deze gevorderde filosofische waarheden alleen met groot geluk en door de kracht van sukṛti realiseren. Anders blijft hij, terwijl hij in verwarring is door māyā en is verstrengeld in valse conclusies, van de ware kennis in gebreke.

Vrajanātha: In Gokula-Upāsanā wordt Durgā-devī onder Śrī Hari's metgezellen gerekend. Wie is deze Durgā van Gokula dan?

Bābājī: Durgā van Gokula is niemand anders dan yogamāyā. Zij is daar gesitueerd als het zaad van de transformatie van cit-śakti, dus als ze in de spirituele wereld aanwezig is, beschouwt ze zichzelf niet-verschillend van de svarūpa-śakti. De materile māyā is slechts een transformatie van die yogamāyā. De Durgā in de materile wereld is een assisterende dienstbode van de Durgā van de svarūpa-śakti in de spirituele wereld. De Durgā van de svarūpa-śakti is līlā-poṣaṇa-śakti, het vermogen, dat Kṛṣṇa's spel voedt. De gopī's, die volkomen hun toevlucht hebben genomen tot de parakīya-bhāva (overspelige liefde), die wordt gegeven door yogamāyā, voeden Kṛṣṇa's rasa-vilās in de geestelijke wereld. De uitspraak yoga-māyām upāśritaḥ in Śrīmad-Bhāgavatam (10.29.1) over de rāsa-līlā betekent, dat er veel van dergelijke activiteiten in Kṛṣṇa's transcendentale spel zijn, die ten gevolge van de svarūpa-śakti lijken op onwetendheid, maar dat eigenlijk niet zijn. Om de mahā-rasa te voeden voert yogamāyā activiteiten op, die lijken in onwetendheid te worden uitgevoerd. We zullen dit onderwerp nog in detail behandelen, wanneer we op een later tijdstip over rasa zullen spreken.

Vrajanātha: Er is nog n ding, dat ik over dhāma-tattva zou willen weten. Weest u zo goed me te vertellen, waarom de Vaiṣṇavas naar Navadvīpa verwijzen als Śrīdhāma?

Bābājī: Śrī Navadvīpa-dhāma en Śrī Vṛndāvana-dhāma zijn niet-verschillend van elkaar en Māyāpura is de hoogste waarheid binnen Navadvīpa-dhāma. De relatie van Śrī Māyāpura tot Navadvīpa is dezelfde als die van Śrī Gokula tot Vraja. Māyāpura is de Mahā-Yogapīṭha (het grote trefpunt) van Navadvīpa. Volgens de śloka, channaḥ kalau uit Śrīmad-Bhāgavatam (7.9.38) is de plenaire avatāra van Bhagavān, die in Kali-yuga verschijnt (Śrī Caitanya Mahāprabhu), verborgen en zijn Zijn heilige oorden op dezelfde manier verborgen. In Kali-yuga is geen andere heilige plaats aan Śrī Navadvīpa gelijk. Eigenlijk alleen iemand, die de bovenzinnelijke natuur van deze dhāma kan realiseren, is gekwalificeerd voor vraja-rasa. Gezien vanuit een extern, materieel gezichtspunt lijken zowel Vraja-dhāma als Navadvīpa-dhāma wereldse plaatsen te zijn. Maar alleen degenen, wier spirituele ogen door n of ander groot geluk zijn geopend, kunnen de dhāma zien zoals hij is.

Vrajanātha: Ik wil de svarūpa van deze Navadvīpa-dhāma weten.

Bābājī: Goloka, Vṛndāvana en Śvetadvīpa zijn de binnenste compartimenten van de Paravyoma, het spirituele universum. Śrī Kṛṣṇa's svakīya-līlā heeft plaats in Goloka. Zijn parakīya-līlā heeft plaats in Vṛndāvana en zijn pariśiṣṭa (supplementaire) līlā vindt plaats in Śvetadvīpa. Wat betreft tattva is er geen verschil tussen deze drie dhāma's. Navadvīpa is werkelijk Śvetadvīpa, dus niet-verschillend van Vṛndāvana. De inwoners van Navadvīpa zijn buitengewoon fortuinlijk, want ze zijn allemaal metgezellen van Śrī Gaurāṅgadeva. Je kunt alleen een residentie in Navadvīpa krijgen, nadat je vele vrome activiteiten ten uitvoer hebt gelegd. Er is een vorm van rasa, die niet in Vṛndāvana wordt gemanifesteerd, maar wel manifest is in Navadvīpa als supplement op Vṛndāvana rasa. Die rasa ervaar je alleen, zodra je bekwaam bent geworden om hem te proeven.

Vrajanātha: Hoe groot is Navadvīpa-dhāma?

Bābājī: Het gebied van Śrī Navadvīpa-dhāma omvat zestien krośa in de vorm van een lotusbloem met acht bladen, die de acht eilanden vormen: Sīmantadvīpa, Godrumadvīpa, Madhyadvīpa, Koladvīpa, Ṛtudvīpa, Jahnudvīpa, Modruma-dvīpa en Rudradvīpa. Antardvīpa, dat in het centrum van die eilanden ligt, is het hart van de lotus en Śrī Māyāpura ligt midden in het hart van deze Antardvīpa. Je kunt heel snel de liefde voor Kṛṣṇa opvatten door sādhana-bhajana in Navadvīpa-dhāma uit te voeren en dan vooral in Māyāpura. De Mahā-Yogapīṭha is de residentie of mandira van Śrī Jagannātha Miśra en ligt in het centrum van Māyāpura en juist in deze Yogapīṭha nemen de meest fortuinlijke jīvas altijd darśana van Śrī Gaurāṅgadeva's nitya-līlā.

Vrajanātha: Is het spel van Śrī Gaurāṅgadeva het werk van svarūpa-śakti ?

Bābājī: Śrī Gaura's spel wordt door dezelfde śakti gearrangeerd als Śrī Kṛṣṇa's spel en vermaak. Er is geen verschil tussen Śrī Kṛṣṇa en Gaurāṅgadeva. Śrī Svarūpa Gosvāmī zegt:

rādhā-kṛṣṇa-praṇaya-vikṛtir hlādinī śaktir asmād
ekātmānāv api bhuvi purā deha-bhedaṁ gatau tau
caitanyākhyaṁ prakaṭam adhunā tad-dvayaṁ caikyam āptaṁ
rādhā-bhāva-dyuti-suvalitaṁ naumi kṛṣṇa-svarūpam
Caitanya-caritāmṛta (Ādi-līlā 1.5)

Rādhā-Kṛṣṇa zijn intrinsiek n. Ze zijn vanwege de eeuwigheid van Hun spel (vilāsa-tattva) onder invloed van hlādinī-śakti echter eeuwigdurend in twee gedaanten manifest in de vorm van Hun pranaya-vikara. Welnu, deze twee tattva's worden in n svarūpa gemanifesteerd in de vorm van caitanya-tattva. Daarom buig ik diep voor deze svarūpa van Kṛṣṇa, die beschikt over de liefdevolle gevoelens en uitstraling van Śrīmatī Rādhikā.

Kṛṣṇa en Caitanya Mahāprabhu zijn Beiden eeuwigdurend manifest. Het kan niet worden vastgesteld wie van Hen eerder kwam en wie later. "Eerst was daar Caitanya en toen manifesteerde Zich Rādhā-Kṛṣṇa en nu zijn Ze weer in Elkaar versmolten en verschijnen Ze in de vorm van Caitanyadeva" deze uitspraak betekent niet, dat n van Hen eerder bestond en de ander later verscheen. Beide manifestaties zijn eeuwig; Ze zijn in alle tijden aanwezig en zullen te allen tijde blijven bestaan. Al het spel van de Allerhoogste Waarheid is eeuwig. Degenen, die denken, dat n van deze spellen voornamer is en dat andere secundair zijn, is onkundig van de waarheid en gaat in gebreke van rasa.

Vrajanātha: Als Śrī Gaurāṅgadeva rechtstreeks de volkomen plenaire waarheid is, wat is dan de procedure voor Zijn verering?

Bābājī: Het vereren van Gaura door de gaura-nāma-mantra te chanten geeft hetzelfde voordeel als het vereren van Kṛṣṇa door het chanten van Zijn heilige namen in kṛṣṇa-nāma-mantra. Het vereren van Gaura met de kṛṣṇa-mantra is hetzelfde als het vereren van Kṛṣṇa met de gaura-mantra. Degenen die geloven, dat er enig verschil bestaat tussen Gaura en Kṛṣṇa zijn ontzettend dwaas en zijn eenvoudig dienaren van Kali.

Vrajanātha: Waar kun je de mantra vinden van de verborgen avatāra Śrī Caitanya Mahāprabhu?

Bābājī: De tantra's, die de mantra's van de manifeste avatāra's bevatten, vermelden ook de mantra van de verborgen avatāra op een versleutelde wijze. Degenen, wier intelligentie niet misvormd is, kunnen hem ontdekken.

Vrajanātha: Op welke manier wordt Gaurāṅga als Yugala (in tweevoudige vorm) vereerd?

Bābājī: Śrī Gaurāṅga's Yugala wordt op n manier in het proces van arcana gevormd en op een andere manier in het proces van bhajana. Śrī Gaura-Viṣṇupriyā worden in het proces van arcana vereerd en in het proces van bhajana voer je seva uit aan Śrī Gaura-Gadādhara.

Vrajanātha: Welke śakti van Śrī Gaurāṅga is Śrī Viṣṇupriyā?

Bābājī: In het algemeen verwijzen de bhakta's naar haar als bhū-śakti. Maar in werkelijkheid is ze het saṁvit-vermogen gecombineerd met de essentie van hlādinī. Met andere woorden, ze is de verpersoonlijkte vorm van bhakti, die is neergedaald om Gaura Avatāra te assisteren met het verspreiden van śrī-nāma. Zoals Navadvīpa-dhāma de verpersoonlijkte vorm (svarūpa) is van het negenvoudige proces van toegewijde dienst (navadhā-bhakti), zo is ook Śrī Viṣṇupriyā de svarūpa van navadhā-bhakti.

Vrajanātha: Kan Viṣṇupriyā-devī dan svarūpa-śakti worden genoemd?

Bābājī: Hoe kan hierover enige twijfel zijn? Is de combinatie van saṁvit-śakti en de essentie van hlādinī-śakti iets anders dan svarūpa-śakti ?

Vrajanātha: Prabhujī, ik zal spoedig leren Śrī Gaura te vereren. Ik herinner me nog iets, wat ik u wil vragen duidelijk aan me uit te leggen. U hebt uiteengezet, dat cit-śakti, jīva-śakti en māyā-śakti drie manifestaties van svarūpa-śakti zijn; dat hlādinī, saṁvit en sandhinī drie functies (vṛtti's) van svarūpa-śakti zijn; en dat deze drie functies namelijk hlādinī, saṁvit en sandhinī invloed uitoefenen op de drie manifestaties van cit-śakti, jīva-śakti en māyā-śakti. Dit alles is eenvoudig het werk van śakti. Behalve deze drie, zijn de spirituele wereld, het spirituele lichaam en het spirituele spel ook indicaties van śakti alleen. Wat is dan de indicatie voor śaktimān Kṛṣṇa?

Bābājī: Dit is een zeer moeilijke kwestie. Wil je deze oude man met de scherpe pijlen van je argumenten vermoorden? Mijn lieve zoon, het antwoord is zo eenvoudig als de vraag, maar het is geenszins eenvoudig om iemand te vinden, die gekwalificeerd is om het te begrijpen. Ik zal het in ieder geval uitleggen, dus probeer het alsjeblieft te begrijpen.

Ik geef toe, dat Kṛṣṇa's naam, vorm, eigenschappen en spel allemaal op de functie van śakti wijzen. Echter vrijheid (sva-tantratā) en vrije wil (sva-icchāmayatā) zijn niet het werk van śakti; deze zijn beide intrinsieke activiteiten van de Allerhoogste Persoon en Kṛṣṇa is die Allerhoogste Persoon, die een vrije wil heeft en het reservoir van śakti is. Śakti is degene, die wordt genoten, en Kṛṣṇa is de genieter; śakti is afhankelijk, maar Kṛṣṇa is onafhankelijk; śakti omringt die onafhankelijke Allerhoogste Persoon aan alle zijden, maar Hij is Zich altijd bewust van śakti. De onafhankelijke puruṣa is de meester van śakti, zelfs al wordt Hij door śakti omringd. Mensen kunnen die Allerhoogste Persoon (parama-puruṣa) alleen realiseren door hun toevlucht tot die śakti te nemen. Dat is de reden, waarom de geconditioneerde jīva de identiteit van śaktimān niet onafhankelijk van de identiteit van śakti kan realiseren. Maar, wanneer bhakta's hun liefde voor śaktimān ontwikkelen, zijn ze in staat Hem, die boven śakti staat, waar te nemen. Bhakti is een vorm van śakti en dat is de reden waarom ze een vrouwelijke vorm heeft. Terwijl ze onder leiding staat van Kṛṣṇa's innerlijke energie (svarūpa-śakti), ervaart ze het spel van de puruṣa. Dat spel en vermaak wijst erop, dat Kṛṣṇa over beide beschikt, zowel de vrije wil, als de intrinsieke eigenschap van overheersend genieter.

Vrajanātha: Als we een tattva aanvaarden boven śakti, die geen eigenschappen heeft, waarmee zij kan worden gedentificeerd, zou die tattva dan niet dezelfde zijn als de brahma, die in de upaniṣaden wordt beschreven?

Bābājī: De brahma van de upaniṣaden heeft geen verlangens, maar Kṛṣṇa, de parama-puruṣa, die in de upaniṣaden wordt beschreven, is wel voorzien van een vrije wil (sva-icchā-maya). Er is een groot verschil tussen die twee. Brahma is nirviśeṣa, zonder eigenschappen. Kṛṣṇa daarentegen, hoewel Hij van śakti is onderscheiden, is saviśeṣa, behebt met vorm en eigenschappen, omdat Hij de kwaliteiten heeft van puruṣatva (mannelijkheid), bhoktṛtva (genieter te zijn), adhikāra (gezag) en svatantratā (onafhankelijkheid). In werkelijkheid zijn Kṛṣṇa en Zijn śakti niet-verschillend. De śakti, die wijst op Kṛṣṇa's aanwezigheid, is ook Kṛṣṇa, want kṛṣṇa-kāminī śakti in de vorm van Śrī Rādhā manifesteert Haar identiteit in een vrouwelijke vorm. Kṛṣṇa is degene, die wordt gediend, en de allerhoogste śakti, Śrīmatījī, is Zijn seva-dāsī. Hun individuele abhimāna, zelfbeeld, is de enige tattva, die Hen onderscheidt.

Vrajanātha: Als Kṛṣṇa's wens en capaciteit om te genieten wijzen op de vorm van puruṣa, wat is dan het verlangen van Śrīmatī Rādhikā?

Bābājī: Het verlangen van Śrīmatī Rādhikā is ondergeschikt aan dat van Kṛṣṇa; geen van Haar verlangens of ondernemingen zijn onafhankelijk van Zijn verlangen. Kṛṣṇa heeft wensen en Śrīmatī Rādhikā's verlangen is Kṛṣṇa te dienen in overeenstemming met Zijn wensen. Śrīmatī Rādhikā is de volkomen en oorspronkelijke śakti en Kṛṣṇa is puruṣa; dat betekent, Hij overheerst en inspireert śakti.

Na dit gesprek zag Bābājī Mahārāja, dat het al laat in de avond was en vroeg Vrajanātha naar huis te gaan. Vrajanātha bood daṇḍavat-praṇāma aan de voeten van Bābājī Mahārāja aan en liep in een vreugdevolle stemming richting Bilva-puṣkariṇī.

Vrajanātha's gemoedstoestanden veranderden van dag tot dag. Dit verontrustte zijn familieleden in hoge mate en zijn grootmoeder van vaders zijde besloot hem zo snel mogelijk te laten trouwen. Ze begon naar een geschikte partner uit te zien, maar Vrajanātha bleef totaal onverschillig en gaf geen aandacht aan hun gesprekken over trouwen. Hij bleeft voortdurend verzonken in de contemplatie van de diverse tattva's, die hij van Bābājī Mahārāja had geleerd. Hij werd van nature tot Bābājī Mahārāja in Śrīvāsāṅgana aangetrokken, want hij wilde de tattva's realiseren, die hij had gehoord en was begerig om steeds nieuwe, ambrozijnen lessen te krijgen.

 

Aldus eindigt het Veertiende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Prameya: Śakti-Tattva"


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________


Vorige: Hoofdstuk 13 "Pramana en het begin van Prameya"

Volgende: Hoofdstuk 15 "Prameya: Jiva-Tattva"

Inhoud: Inhoud



Top

2017 Jayaradhe.nl