Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 13

Pramana en het begin van Prameya


Laat in de namiddag van de volgende dag op het moment van go-dhūli (wanneer de lucht bezwangerd is met stofwolken opgeworpen door de koeien, die naar hun go-śālā terugkeren), arriveerde Vrajanātha in Śrīvāsāṅgana. Hij ging op het verhoogde platform onder het dichte bladerdak van de bakula-boom zitten wachten op de bejaarde Bābājī Mahārāja. Bābājī zat in zijn bhajana-kuṭīra te wachten en om ťťn of andere reden was in zijn hart vātsalya-bhāva voor Vrajanātha ontwaakt. Toen hij het geringste geluid van Vrajanātha's aankomst hoorde, kwam Bābājī naarbuiten en omhelsde hem liefdevol en nam hem mee naar zijn kuṭīra, die aan ťťn zijde van de binnenplaats stond temidden van een bospaviljoen vol kuṇḍa-bloemen. Daar bood hij hem een zitplaats aan en nam zelf naast hem plaats.


Vrajanātha nam het stof van Bābājī Mahārāja's voeten op zijn hoofd. Hij voelde zich gezegend en zei nederig, "O grote ziel, gisteren zei u, dat u me de instructies zou geven van Daśa-mūla, de fundamentele principes van Nimāi Paṇḍita's leerstellingen. Schenkt u me nu alstublieft deze kennis."

Toen Vrajanātha deze schitterende vraag stelde, was Bābājī Mahāśaya zeer verheugd en zei vol genegenheid, "Mijn zoon, ik zal je eerst de sūtra śloka van Daśa-mūla uitleggen, waarin de tien ontologische waarheden van Daśa-mūla in beknopte vorm worden uiteengezet. Je bent een wetenschapper, dus met de juiste consideratie zal je in staat zijn de ware betekenis van deze śloka te begrijpen.

āmnāyaḥ prāha tattvaṁ harim iha paramaṁ sarva-śaktiṁ rasābdhiṁ
tad-bhinnāṁśāṁś ca jīvān prakṛti-kavalitān tad-vimuktāṁś ca bhāvād
bhedābheda-prakāśaṁ sakalam api hareḥ sādhanaṁ śuddha-bhaktiṁ
sādhyaṁ tat-prītim evety upadiśati janān jauracandraḥ svayaṁ saḥ

1.            Pramāṇa: De leerstellingen van de Veda's ontvangen via guru-paramparā heten āmnāya. De onfeilbare bewijsvoering van de Veda's, van de smṛti-śāstraís voorafgegaan door Śrīmad-Bhāgavatam, en verificatie, zoals rechtstreekse waarneming (pratyakṣa), welke wedijvert met het advies van de Veda's, worden allemaal als pramāṇa (bewijs) aanvaard. Deze pramāṇa vestigt de volgende prameya's (fundamentele waarheden):

2.            Parama-tattva: Alleen Śrī Hari is de Allerhoogste Absolute Waarheid.

3.            Sarva-śaktimān: Śrī Kṛṣṇa is de bezitter van alle vermogens.

4.            Akhila-rasāmṛta-sindhu: Hij is de oceaan van goddelijke smaken.

5.            Vibhinnāṁśa-tattva: Zowel de mukta (bevrijde) als de baddha (geconditioneerde) jīvaís zijn Zijn eeuwigdurend afgescheiden spirituele deeltjes.

6.            Baddha-jīvaís: Geconditioneerde zielen zijn onderhevig aan de overheersing en omhulling door māyā.

7.            Mukta-jīvaís: Bevrijde zielen zijn vrij van māyā.

8.            Acintya-bhedābheda-tattva: Het totale universum bestaande uit het bewuste (cit) en het onbewuste (acit) is Śrī Hari's acintya-bhedābheda-prakāśa, dat wil zeggen, het is Zijn manifestatie, die op onbevattelijke wijze zowel verschillend als niet-verschillend van Hem is.

9.            Śuddha-bhakti: Zuivere devotionele dienst is de enige beoefening (sādhana) om perfectie te bereiken.

10.       Kṛṣṇa-prīti: Het verkrijgen van transcendentale liefde en genegenheid voor Kṛṣṇa is het enige en definitieve doel (sādhya-vastu).

 

Hierin heeft Svayaṁ Bhagavān Śrī Gaurāṅgadeva instructies voor tien onderscheiden tattva's (fundamentele waarheden) aan de trouwe jīvaís gegeven. De eerste is pramāṇa-tattva en de resterende negen zijn prameya-tattva. Eerst moet je de betekenis van pramāṇa begrijpen. Het onderwerp, dat door pramāṇa (bewijs) wordt geverifieerd heet prameya (de waarheid, die is bewezen); en datgene, waarmee prameya wordt bewezen, heet pramāṇa (bewijs).

Deze tien fundamentele tattva's (daśa-mūla-tattva) worden eerst in de śloka, die ik zojuist heb geciteerd, uiteengezet. De volgende śloka is dus eigenlijk de eerste śloka van de Daśa-mūla en werkt de eerste daśa-mūla-tattva uit, namelijk de bewijskracht van de geauthoriseerde Vedische literatuur (āmnāya of pramāṇa-tattva). Van de tweede tot de achtste śloka wordt sambandha-tattva beschreven. De negende śloka beschrijft abhidheya-tattva, die de sādhana is voor het bereiken van het ultieme doel; en de tiende śloka beschrijft prayojana-tattva, die de sādhya (het doel) zelf is.

Toen Vrajanātha de betekenis van de śloka had gehoord, zei hij, "Bābājī Mahārāja, ik heb u nu niets te vragen. Als ik na de volgende śloka een vraag heb, zal ik hem aan uw lotusvoeten voorleggen. Legt u me nu alstublieft de eerste śloka van de Daśa-mūla uit."

Bābājī: Goed. Welnu, luister aandachtig.

svataḥ-siddho vedo hari-dayita-vedhaḥ-prabhṛtitaḥ
pramāṇaṁ sat-prāptam pramiti-viṣayān tān nava-vidhān
tathā pratyakṣādi-pramiti-sahitaṁ sādhayati naḥ
na yuktis tarkākhyā praviśati tathā śakti-rahitā
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Daśa-mūla (1)

De Veda's, die voor zichzelf spreken en die in de sampradāya zijn ontvangen via de guru-paramparā door ontvangers van Śrī Hari's genade, zoals Brahmājī en anderen, worden gekend als āmnāya-vākya. De negen prameya-tattva's worden door deze amnāya-vākya bevestigd met behulp van andere pramāṇa's, die het advies van deze śāstraís volgen, zoals verificatie verkregen door rechtstreekse zintuiglijke waarneming (pratyakṣa). Redenering, welke alleen op logica is gebaseerd, is altijd inadequaat wanneer het gaat om de evaluatie van onbevattelijke onderwerpen, aangezien de logica en het argument geen toegang hebben tot het gebied van het onbevattelijke.

Vrajanātha: Is er enig bewijs in de Veda's, dat aantoont, dat Brahmājī instructies gaf via geestelijke erfopvolging?

Bābājī: Ja, dat is er. In de Muṇḍaka Upaniṣad (1.1.1) wordt gesteld:

brahmā devānāṁ prathamaḥ sambabhūva
viśvasya karttā bhuvanasya goptā
sa brahma-vidyāṁ sarva-vidyā-pratiṣṭhām
atharvāya jyeṣṭha-putrāya prāha

Brahmājī, die de schepper is van het totale universum en de beschermer der werelden, was de eerste deva, die verscheen. Hij gaf volledige instructies over brahma-vidyā, de basis van alle kennis, aan zijn oudste zoon, Atharva.

Verder staat er ook in Muṇḍaka Upaniṣad (1.2.13):

yenākṣaraṁ puruṣaṁ veda satyaṁ
provāca tāṁ tattvato brahma-vidyām

Brahma-vidyā is kennis, die de ware svarūpa van para-brahma openbaart, de onvergankelijke Puruṣottama.

Vrajanātha: Hebt u enig bewijs, dat de ṛṣi's, die de smṛti-śāstraís opstelden, hierin de juiste uitleg van de Veda's hebben gegeven?

Bābājī: Hiervoor is bewijs geleverd in Śrīmad-Bhāgavatam (11.14.3-4), het kroonjuwell van alle śāstraís.

kālena naṣṭā pralaye vāṇīyaṁ veda-saṁjnitā
mayādau brahmaṇe proktā dharmo yasyāṁ mad-ātmakaḥ
tena proktā sva-putrāya manave pūrva-jāya sā
tato bhṛgv-ādayo 'gṛhṇan sapta brahma-maharṣayaḥ

Śrī Bhagavān zei, "Onder invloed van de tijd raakten de Veda's, die Mijn instructies over bhāgavata-dharma bevatten, verloren, toen de kosmische verwoesting plaatsvond. Bij het begin van het volgende brāhma-kalpa ten tijde van de schepping, gaf Ik Brahmā opnieuw instructies over dezelfde Veda. Brahmā instrueerde zijn zoon Manu in de Vedische kennis en Manu instrueerde op zijn beurt dezelfde wetenschap aan de Zeven Brahma-ṛṣi's onder leiding van Bhṛgu."

Vrajanātha: Wat is de noodzaak voor een sampradāya ?

Bābājī: De meeste mensen in deze wereld nemen hun toevlucht tot de māyāvāda-filosofie en volgen dit heilloze pad, dat in gebreke gaat van bhakti. Als er geen afzonderlijke sampradāya zou zijn voor degenen, die śuddhā-bhakti praktiseren, dat onbevlekt is door de gebreken van Māyāvāda, zou het erg moeilijk zijn om onvervalste sat-saṅga te krijgen. Daarom wordt in de Padma Purāṇa gesteld:

sampradāya-vihinā ye mantrās te viphalā matāḥ
śrī-brahma-rudra-sanakā vaiṣṇavāḥ kṣiti-pāvanāḥ

De vaiṣṇava-ācāryaís in de vier sampradāya's Ė namelijk Rāmānujācārya in de Śrī-sampradāya, Madhvācārya in de Brahma-sampradāya, Viṣṇusvāmī in de Rudra-sampradāya en Nimbāditya in de Catuḥsana-sampradāya Ė zuiveren het hele universum. Dīkṣā-mantra's, die niet van de ācāryaís uit ťťn van deze vier sampradāya's zijn ontvangen, blijven vruchteloos.

Van deze vier is de Brahma-sampradāya de oudste en heeft zich door de disciplinaire opvolging tot vandaag de dag voortgezet. Deze sampradāya's houden zich aan het systeem van guru-paramparā en hebben de Vedānta en andere uiterst heilzame literatuur voorgebracht, die sinds de Oudheid onveranderd is gebleven en door het vermogen van het systeem van paramparā bestaat er niet de geringste kans, dat er veranderingen zijn aangebracht of delen zijn geŽlimineerd. Er is daardoor geen reden te twijfelen aan de literatuur, die de sampradāya heeft geauthoriseerd. Sampradāya is een effectief en onontbeerlijk stelsel en om deze reden blijft onder heiligen en sādhu's het systeem van sat-sampradāya bestaan, dat afkomstig is uit het meest verre verleden van de Oudheid.

Vrajanātha: Zijn de namen van alle ācāryaís in de sampradāya in de volgorde van hun opvolging beschikbaar?

Bābājī: Alleen de namen van de meest prominente ācāryaís, die van tijd tot tijd zijn verschenen, worden vermeld.

Vrajanātha: Ik zou graag de guru-paramparā van de Brahma-sampradāya willen horen.

Bābājī: Luister.

para-vyomeśvarasyāsīc chiṣyo brahmā jagat-patiḥ
tasya śiṣyo nārado 'bhūd vyāsas tasyāpa śiṣyatām

Brahmā, de meester van het universum, is de discipel van Parameśvara Śrī Nārāyaṇa en Nāradajī werd de discipel van Brahmā. Vyāsadeva werd de discipel van Nāradajī.

śuko vyāsasya śisyatvaṁ prāpto jŮānāvarodhanāt
vyāsāl labdho kṛṣṇa-dīkṣo madhvācāryo mahāyaśaḥ

Śrī Śukadevajī werd de discipel van Śrī Vyāsadeva om de verspreiding van onpersoonlijke jŮāna te bestrijden. De gevierde Madhvācārya ontving ook kṛṣṇa-dīkṣā van Śrī Vyāsadeva en Narahari werd de tweemaal geboren śiṣya van Madhvācārya.

tasya śiṣyo naraharis tac-chiṣyo mādhavo dvijaḥ
adṣobhyas tasya śiṣyo 'bhūt tac-chiṣyo jayatīrthakaḥ

Mādhva-dvija werd de discipel van Narahari. Akṣobhya was Mādhva-dvija's discipel en aanvaarde Jayatīrtha als zijn discipel.

tasya śiṣyo jŮānasindhus tasya śiṣyo mahānidhiḥ
vidyānidhis tasya śiṣyo rājendras tasya sevakaḥ

JŮānasindhu werd de discipel van Jayatīrtha, Mahānidhi werd JŮānasindhu's discipel en aanvaarde Vidyānidhi als zijn discipel en Rajendra werd de discipel van Vidyānidhi.

jayadharmo munis tasya śiṣyo yad-gaṇa-madhyataḥ
śrīmad-viṣṇupurī yas tu bhakti-ratnāvalī kṛtiḥ

Jayadharma Muni werd de discipel van Rajendra en ťťn van zijn volgelingen genaamd Śrī Viṣṇu Purī, die Bhakti-ratnāvalī componeerde, was een vooraanstaand ācārya.

jayadharmasya śiṣyo 'bhūd brahmaṇyaḥ puruṣottamaḥ
vyāsa-tīrthas tasya śiṣyo yaś cakre viṣṇu-saṁhitām

Jayadharma's discipel was Brahmaṇya Puruṣottama, die op zijn beurt Vyāsa-tīrtha, de auteur van Viṣṇu-saṁhitā, als zijn discipel aanvaardde.

śrīmal-lakṣmīpatis tasya śiṣyo bhakti-rasāśrayaḥ
tasya śiṣyo mādhavendro yad-dharmo 'yam pravartitaḥ

Śrī Lakṣmīpati werd de discipel van Vyāsa-tīrtha en Mādhavendra Purī, die het volmaakte voorbeeld was van bhakti-rasa en die bhakti-dharma propageerde, was de discipel van Lakṣmīpati.

Vrajanātha: In de eerste śloka van Daśa-mūla worden de Veda's aanvaard als het enige bewijsmateriaal (pramāṇa), terwijl de andere pramāṇa's, zoals pratyakṣa (rechtstreekse waarneming), alleen als bewijs worden aanvaard, zolang ze de Veda's onderbouwen. FilosofieŽn zoals nyāya en sāṅkhya hebben echter nog andere typen bewijsvoering aanvaard.Goed onderlegde lezers van de purāṇa's hebben acht typen pramāṇa aanvaard: pratyakṣa (rechtstreekse of zintuiglijke waarneming); anumāna (deductie of afgeleiding gebaseerd op algemeen aanvaarde ervaring); upamāna (analogie of gelijkenis); śabha (geopenbaarde kennis); aitihya (traditionele instructie); arthāpatti (deductie of afgeleiding uit omstandigheden); sambhava (speculatie) en anupalabdhi (begripsvorming door niet-waarneming). Waarom bestaan er zoveel opvattingen met betrekking tot pramāṇa? En als rechtstreekse of zintuiglijke waarneming en deductie gebaseerd op ervaring niet onder de pramāṇa's worden gerekend, hoe is het dan mogelijk om tot ware begripsvorming te komen? Wilt u zo goed zijn me te verlichten?

Bābājī: Pratyakṣa en andere soorten bewijs zijn afhankelijk van de zintuigen, maar omdat de zintuigen van de geconditioneerde jīva altijd onderhevig zijn aan bhrama (illusie), pramāda (vergissing), vipralipsā (bedrog) en karaṇāpāṭava (onvolkomenheden van de zintuigen), is het de vraag hoe de kennis, die via de zintuigen is verkregen, feitelijk en foutloos kan zijn. De volkomen onafhankelijke bezitter van alle vermogens, Śrī Bhagavān Zelf, manifesteerde Zich als volmaakte Vedische kennis in de zuivere harten van grote mahaṛṣi's en heilige ācāryaís, die zich in volmaakte samādhi bevonden. Daarom zijn de Veda's, die de belichaming zijn van svataḥ-siddha-jŮāna (uit zichzelf gemanifesteerde, zuivere kennis) altijd onfeilbaar en als bewijs volkomen betrouwbaar.

Vrajanātha: Helpt u me alstublieft elke term, die u noemde, duidelijk te begrijpen: brahma, pramāda, vipralipsā en karaṇāpāṭava.

Bābājī: Bhrama (illusie of begoocheling) is de jīvaís valse indruk van de realiteit, die het resultaat is van kennis verkregen via onvolmaakte zintuigen. Bijvoorbeeld, in de woestijn ontstaat soms door de stralen van de zon een spiegeling, die de indruk wekt van water. Dit gebrek van het maken van fouten en vergissingen heet pramāda. Omdat de materiŽle intelligentie van de baddha-jīva van nature beperkt is, is het onvermijdelijk, dat er vergissingen ontstaan in welke siddhānta zijn beperkte intelligentie ook bespeurt in relatie tot de onbegrensde para-tattva.

Vipralipsā is de neiging te bedriegen. Dit wordt manifest, wanneer iemand, wiens intelligentie wordt beperkt door tijd en ruimte, achterdochtig is en weigert te geloven in de activiteiten en het gezag van Īśvara, die Zich ver voorbij tijd en ruimte bevindt.

Onze zintuigen zijn imperfect en ineffectief en dit heet karaṇāpāṭava. Daarom is het onvermijdelijk om in onze dagelijkse omstandigheden fouten te maken. Bijvoorbeeld, als we plotseling een object zien, kunnen we het voor iets anders aanzien en een verkeerde conclusie trekken.

Vrajanātha: Hebben pratyakṣa en andere pramāṇa's als bewijsvoering geen enkele waarde?

Bābājī: Welke middelen staan ons ter beschikking om kennis van deze materiŽle sfeer te vergaren, behalve via rechtstreekse waarneming en andere pramāṇa's? Ze kunnen al helemaal geen kennis vergaren over de spirituele wereld (cit-jagat), want ze kunnen daar niet binnentreden. Dat is de reden waarom de Veda's onvoorwaardelijk de enige pramāṇa zijn om kennis te nemen van de cit-jagat. De getuigenis ontleend aan pratyakṣa en andere pramāṇa's is alleen overweging waard, wanneer ze de richtlijnen volgen van de Vedische kennis, die voor zichzelf spreekt; in andere gevallen kan hun bewijsvoering worden weggegooid. Dat is de reden waarom de voorzichzelfsprekende Veda's de enige bewijsvoering zijn. Pratyakṣa en andere pramāṇa's kunnen ook als bewijs worden aanvaard, maar alleen, als ze dat van de Veda's onderbouwen.

Vrajanātha: Wordt literatuur, zoals de Gītā en de Bhāgavatam, niet als pramāṇa aangemerkt?

Bābājī: De Bhagavad-Gītā wordt een upaniṣad (Gītā Upaniṣad) genoemd, omdat ze de vāṇī (instructies) van Bhagavān bevat; dus de Gītā is Veda. Op dezelfde manier is Daśa-mūla-tattva ook bhagavat-vāṇī, want het bevat de instructies van Śrī Caitanya Mahāprabhu, dus deze is ook Veda. Śrīmad-Bhāgavatam is het kroonjuweel van alle pramāṇa's, want het is de samenstelling van de essentie van de betekenis van de Veda's. De instructies van andere śāstraís zijn gezaghebbend bewijs alleen zolang ze de Vedische kennis onderbouwen. Er zijn drie typen tantra-śāstraís: sāttvika, rājasika en tāmasika. Van deze śāstraís bevindt de PaŮcarātra enzovoort zich in de sāttvika-groep en wordt als bewijs aanvaard, omdat deze de vertrouwelijke betekenis van de Veda uiteenzet.

Vrajanātha: Er bestaan vele boeken in de Vedische lijn. Welke kunnen als bewijs worden beschouwd en welke niet?

Bābājī: In de loop der tijd hebben gewetenloze en onbetrouwbare persoonlijkheden vele hoofdstukken, maṇḍala's (paragraven en onderverdelingen) en mantra's in de Veda's geÔnterpoleerd om aan diverse eigenbelangen tegemoet te komen. De delen, die op een later tijdstip werden toegevoegd, worden prakṣipta (geÔnterpoleerde) delen genoemd. Het is dus niet zo, dat we iedere Vedische tekst als betrouwbaar bewijs kunnen aanvaarden. Die Vedische grantha's (heilige geschriften), die de ācāryaís in de sat-sampradāya's als bewijs hebben aanvaard, zijn gegarandeerd Veda en vormen geauthoriseerd bewijs, maar literatuur, die ze niet hebben erkend, dienen we af te wijzen.

Vrajanātha: Welke Vedische grantha's hebben de ācāryaís van de sat-sampradāya's geaccepteerd?

Bābājī: Īśa, Kena, Kaṭha, Praśna, Muṇḍaka, Māṇḍūkya, Taittirīya, Aitareya, Chāndogya, Bṛhaḍ-āraṇyaka en Śvetāśvatara Ė deze elf sāttvika upaniṣaden worden aanvaard evenals de Gopāla Upaniṣad, Nṛsiṁha-tāpanī en een paar andere tāpanī's, die behulpzaam zijn bij erediensten. De ācāryaís hebben ook brāhmaṇaís en maṇḍala's als Vedische literatuur aanvaard zolang ze de Veda's onderbouwen en de leiding volgen van Ṛg, Sāma, Yajuḥ en Atharva. We ontvangen alle Vedische literatuur van de ācāryaís in de sat-sampradāya's, dus we kunnen ze als bewijs uit een bonafide bron aanvaarden.

Vrajanātha: Is er in de Veda enig bewijs, dat aantoont, dat logica op transcendentale onderwerpen geen vat heeft?

Bābājī: Er zijn vele welbekende uitspraken in de Veda's, zoals naiṣā tarkena matir āpaneyā, "O Naciketa! Alle intelligentie, die je hebt verkregen met betrekking tot ātma-tattva, mag niet door logica (tarka) worden verwoest" (Kaṭha Upaniṣad 1.2.9) en uitspraken uit de Vedānta-sūtra, zoals tarkāpratiṣṭhānāt, "Argumenten, die op logica zijn gebaseerd, hebben geen basis en kunnen niet worden aangewend om enige conclusies over de bewuste realiteit te trekken, want een feit, dat vandaag door de ťťn met logica en argumenten wordt vastgesteld, kan morgen worden gefalsificeerd door iemand, die intelligenter en gekwalificeerd is. Daarom wordt gezegd, dat het proces van argumentatie ongegrond en zonder basis is" (Brahma-sūtra 2.1.11).

Verder wordt gesteld:

acintyāḥ khalu ye bhāvā na tāṁs tarkeṇa yojayet
prakṛtibhyaḥ paraṁ yac ca tad acintyasya lakṣaṇam
††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Mahābhārata, Bhīṣma-parva (5.22)

Alle transcendentale tattva's bevinden zich boven de materiŽle natuur en zijn daardoor onbevattelijk. Droge argumenten bevinden zich binnen de rechtsgeldigheid van de materiŽle natuur en kunnen dus alleen worden toegepast op wereldse kwesties. Ze kunnen de transcendentale tattva's niet eens benaderen, laat staan bevatten. Voor zover het onbevattelijke concepten betreft, is de toepassing van droge argumenten onwenselijk en zinloos.

Deze śloka uit de Mahābhārata bevestigt de grenzen van de logica en Śrīla Rūpa Gosvāmī, de ācārya van bhakti-mārga, heeft daarom in Bhakti-rasāmṛta-sindhu (Oostelijke Sector 1.1.32) geschreven:

svalpāpi rucir eva syāt bhakti-tattvāvabodhikā
yuktis tu kevalā naiva yad asyā apratiṣṭhatā

Je kunt bhakti-tattva begrijpen, wanneer je zelfs maar een beetje smaak hebt voor śāstraís, die bhakti-tattva vestigen, zoals Śrīmad-Bhāgavatam. Je kunt deze bhakti-tattva echter niet bevatten met droge logica alleen, want logica heeft geen basis en argumentatie is oeverloos.

Niets oorspronkelijks kan met logica en argumenten te weten worden gekomen, zoals deze antieke uitspraak bewijst:

yatnenopādito 'py arthaḥ kuśalair anumātṛbhiḥ
abhiyuktatarair anyair anyathaivopapādyate

Iedere wetenschapper kan ieder gegeven glashelder vaststellen met gebruikmaking van argumenten, maar iemand, die deskundiger is met argumentatie, kan zijn bewijs gemakkelijk weerleggen. Je gebruikt logica om de ene siddhānta vandaag te vestigen, maar een wetenschapper, die intelligenter en gekwalificeerd is, zal in staat zijn het morgen te falsificeren, dus waarom zou je je op logica verlaten?

Vrajanātha: Bābājī, ik heb helemaal begrepen, dat de Veda, die zo gezegd kennis is, die svataḥ-siddha (zelfsprekend) is, pramāṇa is. Sommige geleerden der logica argumenteren tegen de Veda's in, maar hun pogingen zijn zinloos. Wilt u nu zo genadig zijn de tweede śloka van Daśa-mūla-tattva uit te leggen?

Bābājī:

haris tv ekaṁ tattvaṁ vidhi-śiva-sureśa-praṇamitaḥ
yad evedaṁ brahma prakṛti-rahitaṁ tat tv anumahaḥ
parātmā tasyāṁśo jagad-anugato viśva-janakaḥ
sa vai rādhā-kānto nava-jalada-kāntiś cid-udayaḥ

Zowaar is Śrī Hari, aan wie Brahmā, Śiva, Indra en andere devatā's ononderbroken hun praṇāma betuigen, de enige Allerhoogste Absolute Waarheid. Nirveśeṣa-brahma, die is verstoken van śakti, is Śrī Hari's lichaamsuitstraling. Mahā-Viṣṇu, die het universum heeft geschapen en er, als de inwonende Superziel van alles, is binnengegaan, is eenvoudig Zijn deelmanifestatie. Het is die Śrī Hari alleen, wiens gelaatskleur lijkt op een pas geformeerde onweerswolk, die Śrī Rādhā-vallabha is, de geliefde van Śrī Rādhā.

Vrajanātha: De upaniṣaden beschrijven brahma, die transcendentaal is aan de verbinding met materie, als de allerhoogste waarheid. Welk argument of bewijs heeft Śrī Gaurahari dan gebruikt om brahma als de lichaamsuitstraling van Śrī Hari te vestigen?

Bābājī: Śrī Hari is voorzeker Bhagavān, wiens ware natuur in de Viṣṇu Purāṇa (6.5.74) is vastgesteld:

aiśvaryasya samagrasya vīryasya yaśasaḥ śriyaḥ
jŮāna-vairāgyayoś caiva ṣaṇṇāṁ bhaga itīṅganā

Bhagavān is de Allerhoogste Absolute Waarheid, die beschikt over zes onbevattelijke kwaliteiten: volkomen overvloed, kracht, roem, schoonheid, kennis en onthouding.

Welnu, er bestaat een wederzijdse relatie tussen deze eigenschappen van het lichaam (aṅgī) en de ledematen (aṅga). Je kunt je afvragen, welke eigenschappen aṅgī zijn en welke aṅga's? De aṅgī (lichaam) is datgene, waarin de aṅga's (ledematen) zijn besloten. Bijvoorbeeld, een boom is aṅgī en zijn takken en bladeren zijn de aṅga's; het lichaam is aṅgī en de handen en voeten zijn de aṅga's. Daarom wordt de voornaamste eigenschap (aṅgī-guṇa) door het lichaam vertegenwoordigd en op die eigenschap worden alle andere eigenschappen (aṅga-guṇa's) als ledematen gerangschikt.

De aṅgī-guṇa (voornaamste lichaamskenmerk) van Bhagavāns transcendentale gedaante is Zijn schitterende schoonheid (śrī) en de drie kwaliteiten Ė overvloed (aiśvarya), kracht (vīrya) en roem (yaśa) Ė zijn Zijn aṅga's (ledematen). De laatste twee kwaliteiten Ė kennis (jŮāna) en onthouding (vairāgya) Ė zijn de uitstraling van de kwaliteit roem, want jŮāna en vairāgya zijn slechts attributen van een eigenschap en geen oorspronkelijke kwaliteiten op zichzelf. Dus jŮāna en vairāgya zijn eigenlijk nirvikāra-jŮāna, de intrinsieke, grondrechtelijke gedaante van de nirviśeṣa-brahma en die brahma is de lichaamsuitstraling van de spirituele wereld. De onveranderlijke, onbeweeglijke nirviśeṣa-brahma, die zonder lichaam en ledematen enzovoort existeert, is in zichzelf geen volkomen tattva, maar is afhankelijk van de transcendentale vorm van Bhagavān. Brahma is daarom geen supreme vastu (entiteit), die op zichzelf bestaat; het is een eigenschap van de vastu. Bhagavān is waarlijk die vastu en brahma is Zijn kwaliteit, zoals het licht van een vuur geen volkomen en onafhankelijke tattva is, maar slechts een kwaliteit, die van het vuur afhankelijk is.

Vrajanātha: De onpersoonlijke nirviśeṣa-eigenschappen van brahma worden op vele plaatsen in de Veda's beschreven en aan het eind van die beschrijvingen wordt altijd de mantra 'oṁ śāntiḥ śāntiḥ, hariḥ oṁ'gebruikt om de allerhoogste waarheid, Śrī Hari, te beschrijven. Wie is dan deze Śrī Hari?

Bābājī: Die Śrī Hari is in feite de cit-līlā-mithuna (de gecombineerde vorm van Rādhā en Kṛṣṇa), die het goddelijk spel speelt.

Vrajanātha: Over dat onderwerp wil ik liever vragen stellen op een later tijdstip. Vertelt u me nu alstublieft hoe Paramātmā, de schepper van het universum, een deelmanifestatie van Bhagavān is.

Bābājī: Door alles te doordringen met Zijn kwaliteiten aiśvarya (overvloed) en vīrya (macht) en door alle universa te creŽren gaat Bhagavān ieder universum met zijn aṁśa (deelmanifestatie), Viṣṇu, binnen. Iedere aṁśa van Bhagavān blijft altijd volkomen; geen enkele is ooit onvolkomen.

pūrṇam adaḥ pūrṇam idaṁ pūrṇāt pūrṇam udacyate
pūrṇasya pūrṇam ādāya pūrṇam evāvaśiṣyate
†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (5.1),
†††††††††††††††††††††††††††††††† †††††††††††††††††
Īśopaniṣad (invocatie)

De avatārī-puruṣa (de oorsprong van alle avatāra's) is volmaakt en volkomen. Omdat Hij volkomen volmaakt is, zijn alle avatāra's, die uit Hem voortkomen, ook volmaakt toegerust als volkomen geheel. Alles wat uit het Allerhoogste Geheel voorkomt, is op zichzelf eveneens volkomen. Zelfs als het geheel aan het geheel wordt onttrokken, blijft Hij toch volkomen heel. Op geen enkele manier ervaart die Parameśvara enige vermindering.

Daarom is dat volmaakte geheel, Viṣṇu, die het universum binnentreedt en overziet, voorzeker de inwonende Superziel, Paramātmā. Die Viṣṇu heeft drie gedaanten: Kāraṇodakaśāyī Viṣṇu, Kṣīrodakaśāyī Viṣṇu en Garbhodakaśāyī Viṣṇu. Kāraṇodakaśāyī Viṣṇu, een deelmanifestatie of plenaire expansie van Śrī Bhagavān, plaatst Zich op de Oceaan der Oorzaken, of de Virajārivier, die zich uitstrekt tussen de cit (geestelijke) en māyika (materiŽle) werelden. Vandaaruit werpt Hij een vluchtige blik over māyā, die zich op geruime afstand bevindt, en creŽert met zijn blik de materiŽle wereld. Bhagavān Śrī Kṛṣṇa heeft de schepping van de materiŽle wereld in Śrīmad Bhagavad-Gītā (9.10) beschreven:

mayādhyakṣeṇa prakṛtiḥ sūyate sa-carācaram

Onder Mijn supervisie creŽert Mijn begoochelende energie het universum vol mobiele en immobiele wezens.

Dan wordt er gezegd, sa aikṣata, "Die Paramātmā wierp een vluchtige blik" (Aitareya Upaniṣad 1.1.1).

Sa imāl lokān asṛjat, "Die Paramātmā creŽerde het universum van beweeglijke en onbeweeglijke entiteiten na een vluchtige blik over Zijn māyā te hebben geworpen" (Aitareya Upaniṣad 1.1.2).

De kracht van Kāraṇodakaśāyī Viṣṇu's vluchtige blik, welke māyā binnengaat, transformeert zich in Garbhodakaśāyī Viṣṇu; de plaatselijke atomen in de lichtstralen van de transcendentale blik van die Mahā-Viṣṇu zijn de geconditioneerde zielen en in het hart van ieder jīva is Īśvara in de afmeting van een duim als een expansie van Kṣīrodakaśāyī Viṣṇu aanwezig, die ook Hiraṇyagarbha wordt genoemd. Śvetāśvatara Upaniṣad (4.6) stelt, dvā suparṇā sāyujā sakhāyā, "De jīva en Paramātmā zitten beiden in het hart van de jīva als twee volgels op de tak van een boom. De ene vogel is Īśvara, die de resultaten van baatzuchtige activiteiten verstrekt en de andere vogel is de jīva, die de vruchten van zijn activiteiten proeft." Śrī Bhagavān heeft deze tattva in de Gītā Upaniṣad (10.41) alsvolgt uitgedrukt:

yad yad vibhūtimat sattvaṁ śrīmad ūrjitam eva vā
tad tad evāvagaccha tvaṁ mama tejo'ṁśa-sambhavam

Je moet begrijpen, dat alle overvloed, existentie, schittering en vermogen afkomstig zijn uit een klein deel van Mijn rijkdom. Daarom, Arjuna, wat is de noodzaak om al Mijn attributen afzonderlijk te bevatten? Probeer eenvoudig te begrijpen, dat Ik met een expansie van Mezelf deze totale creatie heb geschapen en haar daarmee volkomen doordring.

Daarom worden de attributen van God, zoals de schepper en instandhouder van het universum te zijn, gemanifesteerd in Paramātmā, de deelmanifestatie (aṁśa-svarūpa) van parama-puruṣa Bhagavān.

Vrajanātha: Ik snap dat brahma de lichaamsuitstraling van Śrī Hari is en dat Paramātmā een expansie is van Hem. Maar wat toont aan, dat Bhagavān Śrī Hari Kṛṣṇa Zelf is?

Bābājī: Śrī Kṛṣṇa Bhagavān is eeuwigdurend manifest in twee stijlen, de ene is aiśvarya (overvloed en majesteit) en de andere is mādhurya (lieftalligheid). De stijl van aiśvarya wordt vervuld door Nārāyaṇa, de meester van de spirituele wereld, Vaikuṇṭha, en de oorsprong van Mahā-Viṣṇu. Śrī Kṛṣṇa daarentegen is de volkomen belichaming van de mādhurya-stijl. Deze Śrī Kṛṣṇa is de uiterste maatstaf van volkomen lieftalligheid; Zijn beminnelijkheid is waarlijk zo groot, dat de uitstraling ervan Zijn aiśvarya volledig overstraalt. Vanuit het perspectief van siddhānta of tattva is er geen verschil tussen Nārāyaṇa en Kṛṣṇa. Als we echter de mate van rasa, die in de spirituele wereld wordt geproeft, in ogenschouw nemen, is Kṛṣṇa niet alleen het fundament van alle rasa, maar Hij is Zelf, omdat hij de zuivere vorm van rasa is, ook parama upādeya-tattva, het allerhoogste pleziergevende Wezen. We vinden in de veda's, de upaniṣaden en de purāṇa's het bewijs, dat Śrī Kṛṣṇa Svayaṁ Bhagavān Śrī Hari is. De Ṛg Veda (1.12.164.31) stelt:

apaśyaṁ gopām aṇipadyamā namā
ca parā ca pathibhiś carantam sa-sadhrīcīḥ
sa viṣucīr vasāna āvarīvartti-bhuvaneṣv antaḥ

Ik zag een jongen, die in de dynastie van koeherders verscheen. Hij is onfeilbaar en onvergankelijk. Hij slentert over verscheidene paden, soms dichtbij en soms heel ver weg. Soms is Hij prachtig getooid in diverse kledingstukken en soms draagt Hij effen doeken. Op die wijze spreidt Hij Zijn gemnifesteerde en ongemanifesteerde spel herhaaldelijk tentoon.

Ik voeg er nog aan toe, dat in de Chāndogya Upaniṣad (8.13.1) wordt vastgesteld:

śyāmāc chabalaṁ prapadye śabalāc chyāmaṁ prapadye

Door sevā aan Śyāma te verlenen bereikt men Zijn transcendentale verblijfplaats, die vol spirituele zegen en verbijsterende, gevarieerde līlā's is, en binnen die cit-jagat verkrijgt men zijn eeuwige toevlucht bij Śyāma.

Een ander begrip van deze śloka is, dat het woord śyāma verwijst naar Kṛṣṇa en het woord Śyāma of Kṛṣṇa, wat zwart betekent, beschrijft de nirguṇa-para-tattva, die, evenals zwart, kleurloos is, terwijl het woord śabala, wat gaura betekent, verwijst naar iemand met gevarieerde kleuren. Met andere woorden, als para-tattva beschikt over alle transcendentale kwaliteiten, wordt Hij gaura genoemd. De geheime betekenis van deze mantra is, dat je Gaura krijgt door kṛṣṇa-bhajana uit te voeren en dat je Kṛṣṇa krijgt door gaura-bhajana uit te voeren. Deze en andere mantra's beschrijven de activiteiten van de bevrijde en geperfectioneerde jīvaís zelfs na het stadium van mukti.

In Śrīmad-Bhāgavatam (1.3.28) lezen we:

ete cāṁśāḥ kalāḥ puṁsaḥ kṛṣṇas tu bhagavān svayam

Rāma, Nṛsiṁha en de andere avatāra's zijn allemaal delen (aṁśa's) of plenaire delen (kalā) van de Allerhoogste Persoonlijkheid, Śrī Bhagavān, maar Śrī Kṛṣṇa is die oorspronkelijke Bhagavān Zelf.

In de Gītā Upaniṣad (7.7) zegt Śrī Kṛṣṇa Zelf, mattaḥ parataraṁ nānyat kincid asti dhanaŮjaya, "O Arjuna, er is niets, dat superieur is boven Mij" en ook in de Gopāla-tāpanī Upaniṣad (Pūrva 2.8) wordt gezegd:

eko vaśī sarva-gaḥ kṛṣṇa īḍyaḥ
eko 'pi san bahudhā yo 'vabhāti

Śrī Kṛṣṇa is de aldoordringende, nonduale para-brahma, die alles bestuurt. Hij is het enig eerwaardige object voor alle devatā's, voor de mensheid en voor alle andere levensvormen. Hoewel Hij ťťn is, manifesteert Hij door Zijn acintya-śakti vele gedaanten en voert vele soorten līlā's uit.

Vrajanātha: Maar hoe kan Śrī Kṛṣṇa aldoordringend zijn, als Hij een menselijke vorm met een gemiddelde afmeting heeft? Als we aarvaarden, dat Hij een vorm heeft, betekent dat, dat Hij maar op ťťn plaats tegelijk kan zijn en dat roept zoveel filosofische discrepanties op. De eerste is, dat Hij niet de aldoordringende tattva kan zijn, als Hij een vorm en een lichaam heeft. Ten tweede, als Hij een lichaam heeft, wordt Hij beperkt door de materiŽle geaardheden van de natuur, dus hoe kan Hij onafhankelijk zijn en oneindig en absoluut gezag hebben? Hoe kan dit met elkaar worden verenigd?

Bābājī: Mijn beste zoon, nu denk je op deze manier, omdat je door de kenmerken van māyā bent geconditioneerd. Zolang de intelligentie door materiŽle kwaliteiten gebonden blijft, kan zij śuddhā-sattva niet aanraken. Als een dergelijk geconditioneerde intelligentie haar eigen begrenzingen poogt te overstijgen door te trachten śuddhā-tattva te begrijpen, legt het māyika-vormen en -kwaliteiten op aan śuddhā-tattva en vormt zich op die manier een materieel begrip van de Transcendentie. Na enige tijd wijst de intelligentie deze vorm als tijdelijk, veranderlijk en onderhevig aan de materiŽle geaardheden af en ziet de nirviśeṣa-brahma. Dit is de reden, waarom je geen begrip van de Allerhoogste Absolute Waarheid via de intelligentie kunt krijgen.

Iedere beperking, die je oplegt aan de transcendentale, middelmatig gevormde gedaante, is volledig ongegrond. Vormloosheid, onveranderlijkheid en onbeweeglijkheid behelsen eenvoudig materiŽle concepties van hetgeen tegengesteld is aan ons begrip van materiŽle eigenschappen, dus deze zijn zelf een vorm van materiŽle geaardheid. Śrī Kṛṣṇa echter heeft ook eigenschappen, die van een volslagen andere aard zijn: bijvoorbeeld, Zijn prachtige, bloesemende glimlach op Zijn gezicht; Zijn lotusogen; Zijn mooie lotusvoeten, die angst verdrijven en Zijn bhakta's kalmeren, en Zijn spirituele vorm, die de zuivere belichaming van transcendentie is met een lichaam en ledematen, die exact geschikt zijn voor allerlei vormen van sportief spel. De 'middelmatig gebouwde' śrī-vigraha, die juist de basis is van deze twee typen eigenschappen (vorm en aldoordringendheid), is buitengewoon plezierig. De Nārada-paŮcarātra beschrijft Zijn exorbitante, spirituele aantrekkingskracht en deze beschrijving is verzadigd van alle siddhānta:

nirdoṣa-guṇa-vigraha ātma-tantro
niścetanātmaka-śarīra-guṇaiś ca hīhaḥ
ānanda-mātra-kara-pāda-mukhodarādiḥ
sarvatra ca svagata-bheda-vivarjitātmā

Śrī Kṛṣṇa's transcendentale lichaam is samengesteld uit eeuwigheid, bewustzijn en vreugde zonder zelfs een spoor van materiŽle kwaliteiten. Hij is niet onderhevig aan tijd of ruimte. In tegendeel, Hij existeert volkomen op alle plaatsen en te allen tijde tegelijk. Zijn vorm en bestaan zijn de belichaming van absolute nondualiteit (advaya-jŮāna-svarūpa-vastu).

In de materiŽle wereld is richting (ruimte) een onbegrensde entiteit. Volgens de materiŽle inschatting echter kan alleen een vormloos object onbegrensd of aldoordringend zijn; een entiteit met een middelmatige vorm kan dat niet. Deze conceptie is alleen van toepassing in de materiŽle wereld. In de spirituele wereld daarentegen zijn alle objecten en hun intrinsieke naturen en attributen onbegrensd, dus Śrī Kṛṣṇa's middelmatige vorm is ook aldoordringend. In deze materiŽle wereld hebben objecten met een middelmatige afmeting deze kwaliteit van aldoordringendheid niet, maar deze is op betoverende wijze in Śrī Kṛṣṇa's middelmatig gebouwde vigraha manifest. Dat is de bovennatuurlijke glorie van Zijn transcendentale vigraha. Worden zulke glorieuze attributen in de conceptie van het aldoordringend brahma aangetroffen? MateriŽle substanties worden altijd begrensd door tijd en ruimte. Als een entiteit, die zich van nature boven de effecten van de tijd bevindt, wordt vergeleken met de aldoordringende hemel, die wordt begrensd door tijd en ruimte, is dan die entiteit, die zich achter de invloed van de tijd bevindt, niet onvergelijkbaar veel groter?

Śrī Kṛṣṇa's vraja-dhāma is geen ander dan de Brahma-pura, waarover in de Chāndogya Upaniṣad wordt gesproken. Deze vraja-dhāma is een volkomen transcendentale realiteit en bestaat uit allerlei soorten transcendentale variŽteiten. Alles in dat gebied Ėaarde, water, rivieren, bergen, bomen, vogels, hemel, zon, maan en sterrenstelsels Ė is transcendentaal en zonder materiŽle gebreken of tekortkomingen. Bewust plezier is altijd en overal aanwezig in zijn meest volkomen vorm. Mijn lieve jongen, deze Māyāpura-Navadvīpa hier is precies diezelfde plaats. Je bent echter niet in staat hem te zien, omdat je in māyā's ketenen bent gebonden. Maar, als door de genade van heiligen en sādhu's spiritueel bewustzijn in je hart ontwaakt, zal je dit land als de spirituele dhāma waarnemen en alleen dan bereik je de perfectie van vraja-vāsa (residentie in Vraja).

Wie heeft je verteld, dat er materiŽle verdiensten en gebreken moeten zijn, waar een middelmatige vorm bestaat? Je kunt de eigenlijke glorie van de transcendentaal middelmatige vorm niet realiseren, zolang je intelligentie is geketend in materiŽle indrukken.

Vrajanātha: Geen intelligent persoon kan met betrekking tot dit punt enige twijfel hebben. Maar ik zou willen weten wanneer, waar en hoe Kṛṣṇa's spirituele vigraha, dhāma en līlā binnen materiŽle beperkingen worden gemanifesteerd, gezien Śrī Rādhā-Kṛṣṇa's vigraha en lichaamskleur, Hun līlā's, metgezellen, huizen, speelbossen, oerwouden, secundaire oerwouden en alle andere objecten in de geestelijke wereld bovenzinnelijk zijn.

Bābājī: Śrī Kṛṣṇa beschikt over alle vermogens, dus zelfs dat, wat onmogelijk lijkt, is voor Hem in feite mogelijk. Wat is hieraan zo verwonderlijk? Hij is de almachtige Persoonlijkheid (sarva-śaktimān puruṣa), de volkomen onafhankelijke allerhoogste bestuurder, die volkomen autocratisch is en van līlā is voorzien. Eenvoudig door het te wensen kan Hij in Zijn eigen spirituele vorm samen met Zijn spirituele entourage in deze materiŽle wereld verschijnen. Waarom zou hierover enige twijfel bestaan?

Vrajanātha: Omdat Hij het wenst, kan Hij alles doen en kan Hij Zijn zuivere spirituele vorm in deze materiŽle wereld manifesteren Ė zover is alles duidelijk. Materialistische mensen echter hebben de neiging te denken, dat Śrī Kṛṣṇa's eigen transcendentale verblijfplaats, die hier manifest is, eenvoudig een deel is van dit materiŽle universum en ze beschouwen Zijn vraja-līlā als gewone, māyika activiteiten. Hoe komt dat? Waarom kunnen wereldse mensen Kṛṣṇa's zelf-gemanifesteerde, sprituele vorm niet als sac-cid-ānanda zien, wanneer Hij zo genadevol in deze wereld van geboorte en dood verschijnt?

Bābājī: Een van Kṛṣṇa's onbeperkte, transcendentale kwaliteiten is Zijn bhakta-vātsalya (genegenheid voor Zijn bhakta's). Door deze eigenschap smelt Zijn hart en door Zijn hlādinī-śakti geeft Hij Zijn bhakta's een soort spiritueel vermogen, dat hen in staat stelt rechtstreekse darśana van Zijn zelf-gemanifesteerde vorm en Zijn transcendentale spel te krijgen. De ogen, oren en andere zintuigen van niet-toegewijden echter zijn door māyā samengesteld, zodat zij geen verschil waarnemen tussen Bhagavāns spirituele spel en de wereldse gebeurtenissen in de geschiedenis van de mensheid.

Vrajanātha: Betekent dit dan, dat Bhagavān Śrī Kṛṣṇa neerdaalde om niet ŗlle jīvaís te zegenen?

Bābājī: Bhagavān komt zeker voor het heil van de hele wereld. De bhakta's zien Zijn neerdaling en līlā als transcendentaal, terwijl de niet-toegewijden ze beschouwen als gewone, menselijke gebeurtenissen, die onder invloed van materiŽle principes plaatsvinden. Het is zelfs zo, dat deze līlā's de kracht hebben om een soort spirituele verdienste (sukṛti) te schenken en als deze sukṛti zich geleidelijk opstapelt, wordt men gevoed, waardoor men ťťnpuntige śraddhā jegens kṛṣṇa-bhakti ontwikkelt. Dat is de manier, waarop Bhagavāns neerdaling wel zeker tot heil van alle jīvaís in het universum strekt, want jīvaís, die zulke śraddhā hebben en ananya-bhakti-sādhana (onvermengde toegewijde dienst) uitvoeren, zullen op zekere dag in staat zijn Bhagavāns transcendentale vorm en līlā waar te nemen.

Vrajanātha: Waarom wordt kṛṣṇa-līlā niet duidelijk in de Veda's beschreven?

Bābājī: Het spel van Śrī Kṛṣṇa wordt hier en daar in de Veda's beschreven, maar op sommige plaatsen wordt het openlijk beschreven en op andere plaatsen wordt er indirect naar verwezen.

Er zijn twee typen uitdrukkingen of tendenzen, die de betekenis van woorden in een tekst bepalen: de rechtstreekse of letterlijke betekenis (abhidhā) en de indirecte, secundaire of figuurlijke betekenis (lakṣaṇa). Deze worden ook respectievelijk mukhya-vṛtti en gauṇa-vṛtti genoemd. De letterlijke betekenis (abhidhā-vṛtti) van de mantra, śyāmāc chabalaṁ prapadye in het laatste deel van de Chāndogya Upaniṣad, beschrijft de eeuwigheid van rasa en de dienstverlenende houding van de bevrijde jīvaís jegens Kṛṣṇa volgens hun respectievelijke rasa. De indirecte betekenis van woorden wordt gauṇa-vṛtti (secundaire of figuurlijke zin) genoemd. Aan het begin van de conversatie tussen YājŮa-valkya, Gārgī en Maitreyī worden Kṛṣṇa's eigenschappen in figuurlijke zin (lakṣaṇa-vṛtti) beschreven en op het eind wordt de superuitmuntendheid van Kṛṣṇa in letterlijke zin (mukhya-vṛtti) beschreven. Het eeuwige spel (nitya-līlā) van Bhagavān wordt in de Veda's soms in de letterlijke betekenis van het woord benoemd en op vele andere plaatsen wordt de glorie van brahma en Paramātmā in de figuurlijke betekenis benaderd. Het is in feite de plechtige gelofte van alle Veda's om Śrī Kṛṣṇa's glorie weer te geven.

Vrajanātha: Bābājī Mahāśaya, er bestaat geen twijfel over, dat Bhagavān Śrī Hari para-tattva is, maar wat is de positie van de devatā's, zoals Brahmā, Śiva, Indra, Sūrya en Gaṇeśa? Weest u alstublieft zo genadig om dit aan me uit te leggen. Heel wat brāhmaṇaís vereren Mahādeva als de hoogste brahma-tattva. Ik ben in zo'n brahmaanse familie geboren en ik heb dit sinds mijn geboorte gehoord en doorverteld. Ik wil de eigenlijke waarheid weten.

Bābājī: Dan zal ik je nu beschrijven welke de respectievelijke kwaliteiten zijn van de gewone levende wezens, van de eerbiedwaardige devatā's en devī's en van Śrī Bhagavān. Aan de gradatie van hun achtereenvolgende eigenschappen kun je gemakkelijk de waarheid met betrekking tot het allerhoogste object van verering schouwen.

ayaṁ netā su-ramyāṅgaḥ sarva-sal-lakṣaṇānvitaḥ
ruciras tejasā yukto balīyān vayasānvitaḥ

Dit zijn de eigenschappen van Śrī Kṛṣṇa, de grootste held. Hij is 1) voorzien van verrukkelijk betoverende ledematen; 2) voorzien van alle gunstige eigenschappen; 3) mooi; 4) stralend; 5) sterk; 6) eeuwigdurend jeugdig;

vividhādbhutga-bhāṣā-vit satya-vākyaḥ priyaṁ-vadaḥ
vāvadūkaḥ su-pāṇḍityo buddhimān pratibhānvitaḥ

7) deskundig in vele soorten verbijsterende talen; 8) waarheidslievend; 9) een prettige spreker; 10) welsprekend; 11) intelligent; 12) geleerd; 13) vindingrijk;

vidagdhaś caturo dakṣaḥ kṛta-jŮaḥ su-dṛḍha-vrataḥ
deśa-kāla-supātra-jŮaḥ śāstra-cakṣuḥ śucir vaṣī

14) kundig in het proeven van smaken; 15) slim; 16) deskundig; 17) dankbaar; 18) zeer krachtig in Zijn geloften; 19) een scherpzinnig rechter van tijd, plaats en omstandigheid; 20) een ziener door de ogen van śāstraís; 21) zuiver; 22) beheersd;

sthiro dāntaḥ kṣamā-śilo gambhīro dhṛtimān samaḥ
vadānyo dhārmikaḥ śūraḥ karuṇo mānya-māne-kṛt

23) standvastig; 24) grootmoedig; 25) vergevingsgezind; 26) ondoorgrondelijk; 27) nuchter; 28) gelijkmoedig; 29) uitermate genereus; 30) deugdzaam; 31) galant; 32) mededogend; 33) respectvol naar anderen;

dakṣiṇo vinayī hrīmān śaraṇāgata-pālakaḥ
sukhī bhakta-suhṛt prema-vaśyaḥ sarva-śubhaṇ-karaḥ

34) beminnelijk; 35) bescheiden; 36) verlegen; 37) de beschermer van zielen, die zich hebben overgegeven; 38) gelukkig; 39) een persoon, die het geluk wenst van Zijn bhakta's; 40) beheersd door prema; 41) weldoener van iedereen;

pratāpī kīrtimān rakta-lokaḥ sādhu-samāśrayaḥ
nārī-gaṇa-manohārī sarvārādhyaḥ samṛddimān

42) bestoker van Zijn vijanden; 43) befaamd; 44) door een ieder geliefd; 45) partijdig aan de zijde van de sādhu's; 46) betoveraar van de vrouwelijke psyche; 47) al-eerbiedwaardig; 48) al-overvloedig;

varīyān īśvaraś ceti guṇās tasyānukīrtitāḥ
samudrā iva paŮcāśad durvigāha harer amī

49) superieur aan alles; en 50) de bestuurder. Deze vijftig kwaliteiten zijn in Bhagavān Śrī Hari als een ondoorgrondelijke oceaan in onbeperkte mate aanwezig.

Ze zijn in geringe mate in de jīvaís aanwezig, terwijl ze in Puruṣottama Bhagavān volkomen zijn vertegenwoordigd. Nog vijf andere kwaliteiten van Kṛṣṇa zijn aanwezig in Brahmā, Śiva en andere devatā's, maar niet in gewone jīvaís:

sadā svarūpa-samprāptaḥ sarva-jŮo nitya-nūtanaḥ
sac-cid-ānanda-sāndrāṅgaḥ sarva-siddhi-niṣevitaḥ

51) Hij bevindt Zich altijd in Zijn svarūpa; 52) Hij is alwetend; 53) Hij is altijd fris en nieuw; 54) Hij is de geconcentreerde vorm van existentie, kennis en vreugde; en 55) Hij bedient Zich van alle mystieke vermogens.

De bovenstaande vijfenvijftig kwaliteiten zijn deels aanwezig in de devatā's.

athocyante guṇāḥ paŮca ye lakṣmīśādi-vartinaḥ
avicintya-mahā-śaktiḥ koṭi-brahmāṇḍa-vigrahaḥ
avatārāvalī-bījaṁ hatāri-gati-dāyakaḥ
ātmārāma-gaṇākarṣīty amī kṛṣṇe kilādbhutāḥ

Lakṣmīpati Nārāyaṇa heeft vijf kwaliteiten extra: 56) Hij beschikt over onbevattelijke vermogens; 57) ontelbaar veel universa zijn in Zijn lichaam gesitueerd; 58) Hij is de oorspronkelijke oorzaak of het zaad van alle avatāra's; 59) Hij geeft gati (een hogere bestemming) aan degenen, die Hij doodt; en 60) Hij is in staat zelfs diegenen aan te trekken, die ātmārāma (in zichzelf genoeg) zijn.

Deze vijf extra kwaliteiten zijn niet in Brahmā of Śiva aanwezig, maar ze zijn op wonderbaarlijke wijze en in hun meest volkomen vorm aanwezig in Śrī Kṛṣṇa. Behalve deze zestig kwaliteiten heeft Śrī Kṛṣṇa Zelf nog eens vier extra kwaliteiten, namelijk:

sarvādbhuta-camatkāra-līlā-kallola-vāridhiḥ
atulya-mādhurya-prema-maṇḍita-priya-maṇḍalaḥ
tri-jagan-mānasākarṣī-muralī-kala-kūjitaḥ
asamānorddhva-rūpa-śrīḥ vismāpita-carācaraḥ

61) Hij is als een uitgestrekte oceaan, die wemelt van de golven van de meest verbijsterende en wonderbaarlijke līlā's; 62) Hij is getooid met onvergelijkbare mādhurya-prema en is daarom verpersoonlijkt heil voor Zijn geliefde bhakta's, die eveneens beschikken over onvergelijkbare prema voor Hem; 63) Hij trekt de drie werelden aan met de wonderschone vibratie van Zijn muralī (fluit); en 64) de schitterende rūpa (schoonheid) van Zijn transcendentale vorm is ongeŽvenaard, betoverend en verbijsterend voor alle beweeglijke en onbeweeglijke entiteiten in de drie werelden.

līlā premṇā priyādhikyaṁ mādhurye veṇu-rūpayoḥ
ity asādhāraṇaṁ proktaṁ govindasya catuṣṭayam

Śrī Kṛṣṇa's vierenzestig kwaliteiten en symptomen zijn beschreven, inclusief līlā-mādhurī, prema-mādhurī, veṇu-mādhurī en rūpa-mādhurī. Deze zijn de vier buitengewone kwaliteiten, die alleen Hij bezit.

Deze vierenzestig kwaliteiten zijn volkomen en eeuwigdurend manifest in Śrī Kṛṣṇa, die de belichaming is van sac-cid-ānanda. De laatste vier kwaliteiten zijn alleen in Śrī Kṛṣṇa's svarūpa aanwezig en niet in Zijn andere spelvormen. Behalve deze vier kwaliteiten, zijn de overige zestig kwaliteiten op schitterende wijze en in hun volkomen en volledig bewuste staat aanwezig in Śrī Nārāyaṇa, die de belichaming is van Transcendentie. Behalve de laatste vijf van deze zestig kwaliteiten, zijn de resterende vijfenvijftig tot op zekere hoogte aanwezig in Śiva, Brahmā en andere devatā's en de eerste vijftig kwaliteiten zijn in zeer beperkte mate in alle jīvaís aanwezig.

De devatā's, zoals Śiva, Brahmā, Sūrya, Gaṇeśa en Indra zijn behebt met Bhagavāns deelkwaliteiten om de zaken in het materiŽle universum te reguleren. Om dit te volbrengen hebben ze een speciale mate van Bhagavāns overvloed gekregen, dus ze worden als een soort bijzondere incarnaties beschouwd. De inherente en constitutionele natuur van al deze devatā's is, dat ze Bhagavāns dienaren zijn en vele jīvaís hebben door hun genade bhagavad-bhakti gekregen. Omdat ze zoveel hoger zijn gekwalificeerd dan andere jīvaís, worden ze ook onder de eerbiedwaardige godheden van de jīvaís gerekend afhankelijk van de kwalificatie en het bewustzijnsniveau van de jīvaís. Het uitvoeren van hun pūjā wordt daarom beschouwd als een secundaire functie van de regels en voorschriften van bhagavad-bhakti. Ze worden altijd vereerd als de guru's van de jīvaís, want ze geven hen op genadevolle wijze ťťnpuntige kṛṣṇa-bhakti. Mahādeva, de Īśvara van alle deva's, is zo volmaakt in bhagavad-bhakti, dat hij wordt gezien als niet-verschillend van bhagavat-tattva. Dit is de reden, waarom de Māyāvādīís hem vereren als de allerhoogste brahma-tattva.

 

Aldus eindigt het Dertiende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Pramana & het begin van Prameya"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________



Vorige: Hoofdstuk 12 Ė "Nitya-dharma, Sadhya en Sadhana"

Volgende: Hoofdstuk 14 Ė "Prameya: Sakti-Tattva"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl