Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 12

Nitya-dharma, Sadhana & Sadhya


Śrī Navadvīpa-maṇḍala is de meest verheven van alle heilige plaatsen ter wereld. Evenals Śrī Vṛndāvana bestrijkt het een gebied van ruim nenvijftig vierkante kilometer en heeft de vorm van een achtbladige lotusbloem. Het hart van die lotus is Śrī Antardvīpa, waarvan het centrum Māyāpura is. Ten noorden van Śrī Māyāpura ligt Śrī Sīmantadvīpa, waar een tempel van Śrī Sīmantinī Devī staat. Ten noorden van deze tempel ligt het dorp Bilva-puṣkariṇī en ten zuiden van de tempel ligt Brāhmaṇa-puṣkariṇī. Het gebied, dat in het noordelijk gedeelte van sri Navadvīpa ligt, wordt over het algemeen Simuliyā genoemd.


In de tijd van Śrī Mahāprabhu was Simuliyā de residentie van vele geleerde paṇḍita's. De vader van Śacīdevī, Śrī Nīlāmbara Cakravartī Mahāśaya, had ook in dit dorp gewoond. Welnu, niet ver van het huis van Nīlāmbara Cakravartī's, dat er nog stond, woonde een Vedisch brāhmaṇa genaamd Vrajanātha Bhaṭṭacārya. Vrajanātha was sinds zijn jeugd een briljant persoon geweest. Hij had op een school voor Sanksriet in Bilva-puṣkariṇī gezeten en was zo'n buitengewoon geleerde in de wetenschap der logica (nyāya-śāstra) geworden, dat zijn ingenieuze en vernieuwende argumenten alle beroemde wetenschappers versteld hadden doen staan en hadden gentimideerd, zowel in Bilva-puṣkariṇī als in Brāhmaṇa-puṣkariṇī, Māyāpura, Godruma, Madhyadvīpa, Āmraghaṭṭa, Samudra-garh, Kuliyā, Pūrvasthalī en andere plaatsen.

Overal waar een bijeenkomst van paṇḍita's plaatsvond zette Vrajanātha Nyāya-pacānana het gezelschap in lichterlaaie met een spervuur van ongekende argumenten. Onder deze paṇḍita's bevond zich een hardvochtig geleerde genaamd Naiyāyika Cūḍāmaṇi, die zich diep gekwetst voelde door de wonden van de vlijmscherpe uithalen van Vrajanātha's logica. Deze geleerde had besloten Nyāya-pacānana te vermoorden door occulte kennis uit de tantra-śāstras toe te passen, waarmee iemands dood met behulp van magische toverspreuken kan worden aangeroepen. Hij ging naar de crematieplaats van Rudradvīpa en begon dag en nacht de mantra's van de dood te zingen.

Het was amāvāsya, de nacht van de nieuwe maan, en er hing een compacte duisternis over alle vier windrichtingen. Om middernacht zat Naiyāyika Cūḍāmaṇi in het midden van de crematieplaats en sprak tot zijn eerbiedwaardige godheid, "O Moeder, u bent de enige godheid in dit tijdperk van Kali, die verering waard is. Ik heb gehoord, dat u gunstig gestemd raakt door eenvoudig een paar mantra's te reciteren en dat u uw aanbidders gemakkelijk van gunsten voorziet. O Godin met het angstaanjagende gelaat, uw dienaar heeft zich enorme moeite getroost om dagenlang uw mantra's te reciteren. Weest u mij alstublief slechts n keer genadig. O Moeder, ofschoon ik wordt geplaagd door vele gebreken, bent u toch mijn moeder. Vergeeft u mij al mijn zonden en wilt u vandaag aan mij verschijnen?"

Terwijl hij zijn ellende keer op keer uithuilde, bood Nyāya Cūḍāmaṇi zijn offergaven aan het vuur aan bij het uitspreken van een mantra in de naam van Vrajanātha Nyāya-pacānana. Hoe verbazingwekkend was de kracht van die mantra ! De hemel werd onmiddellijk bedekt door een massa dichte, donkere wolken. Er stak een harde wind op en er rolden oorverdovende donderslagen door het landschap. In de weerschijn van de lichtflitsen van het onweer werden verscholen entiteiten en boze geesten zichtbaar. Met behulp van de offerwijn verzamelde Cūḍāmaṇi al zijn energie en riep uit, "O Moeder, stelt u het geen ogenblik langer meer uit."

Precies op dat moment antwoordde een orakel uit de hemel, "Wees gerust. Vrajanātha Nyāya-pacānana zal de nyāya-śāstra niet langer bespreken. Binnen enkele dagen zal hij het debatteren opgeven en blijven zwijgen. Hij zal niet langer je rivaal zijn. Wees gerust en keer huiswaarts."

Toen de paṇḍita dit orakel hoorde was hij tevreden. Hij bood herhaaldelijk zijn praṇāma aan Mahādeva, de leider van de deva's en de auteur van de tantra, aan en ging naar huis.

Vrajanātha Nyāya-pacānana was op nentwintig jarige leeftijd een dig-vijayī paṇḍita geworden (iemand die de vier richtingen met kennis heeft overwonnen). Dag en nacht bestudeerde hij de boeken van de beroemde geleerde, Śrī Gaṅgeśopādhyāya, die een nieuw systeem van logica had gentroduceerd, dat navya-nyāya heette. Vrajanātha had veel inconsistenties in Kāṇāībhaṭṭa Śiromaṇi's Dīdhīti gevonden, een gevierd commentaar op Gaṅgeśopādhyāya's Tattva-cintāmaṇi, en was zijn eigen commentaar gaan schrijven. Hoewel hij nimmer dacht aan materieel plezier, kwam het woord paramārtha (spirituele realiteit) zijn oren bij lange na niet binnen. Zijn enige doel in zijn leven was het organiseren van debatten over logica, waarbij hij de begrippen en terminologie van nyāya gebruikte, zoals avaccheda (de eigenschap van een object, waardoor het zich van al het andere onderscheidt), vyavaccheda (uitsluiting van het ene object van het andere), ghaṭa (een aarden pot) en paṭa (een stuk textiel). Als hij sliep, droomde, at, of rondliep, was zijn hart vol gedachten over de aard van objecten, over de aard van de tijd en over de bijzonderheden van vloeibare en solide eigenschappen.

Op een avond zat Vrajanātha aan de oever van de Gaṅgā en zat te peinzen over de zestien categorien, die Gautama in zijn logica had voorgesteld, toen een nieuwe student van de syāya-śāstra hem benaderde. "Nyāya-pacānana Mahāśaya," zei de student, "hebt u gehoord, dat de logica van Nimāi Paṇḍita de atomische theorie van de schepping heeft weerlegd?"

Nyāya-pacānana gromde als een leeuw, "Wie is Nimāi Paṇḍita? Heb je het over de zoon van Jagannātha Miśra? Vertel me over zijn logische argumenten."

De student zei, "Een grote persoonlijkheid genaamd Nimāi Paṇḍita leefde kort geleden in Navadvīpa. Hij componeerde vele innovatief logische argumenten gerelateerd aan de nyāya-śāstra en bracht Kāṇāībhaṭṭa Śiromaṇi in verlegenheid. In Zijn tijd was er in de beheersing van de nyāya-śāstra geen geleerde aan Hem gelijk. Terwijl Hij zo bedreven was in de nyāya-śāstra, vond Hij het nogal onbetekenend. Hij vond niet alleen de nyāya-śāstra irrelevant, maar ook de hele materile wereld. Daarom ging Hij als een rondtrekkende bedelmonnik de wereldverzakende levensorde binnen en trok van de ene plaats naar de andere om het chanten van hari-nāma te propageren. De hedendaagse Vaiṣṇavas aanvaarden Hem als pūrṇa-brahma, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, en vereren Hem met de śrī-gaura-hari-mantra. Nyāya-pacānana Mahāśaya, u moet echt eens naar Zijn dialectische argumenten kijken, al is het maar n keer."

Nadat hij zoveel lof over Nimāi Paṇḍita's redeneerkunst van de logica had gehoord, werd Vrajanātha Nyāya-pacānana nogal benieuwd naar Zijn argumenten. Hij was met moeite in staat om een paar van die argumenten uit diverse bronnen te verzamelen. De menselijke natuur is zodanig, dat wanneer men vertrouwen krijgt in een bepaald onderwerp, men van nature respect krijgt voor de leraren van dat onderwerp. Bovendien ontwikkelen gewone mensen om uiteenlopende redenen niet gemakkelijk vertrouwen in verheven persoonlijkheden, die nog in leven zijn, terwijl ze wel de neiging hebben groot vertrouwen te ontwikkelen in de activiteiten van mahājana's, die allang zijn heengegaan. Nyāya-pacānana ontwikkelde een onwrikbaar vertrouwen in Nimāi Paṇḍita door zijn these over logica te bestuderen.

Vrajanātha zei dan ook, "O Nimāi Paṇḍita, als ik in Jouw tijd was geboren geweest, had ik onuitsprekelijk veel van Je kunnen leren. O Nimāi Paṇḍita, kom alsjeblieft n keer mijn hart binnen. Je bent zowaar pūrṇa-brahma, want hoe anders hebben zulke buitengewoon logische argumenten Je verstand kunnen beroeren? Je bent zonder twijfel Gaura-Hari, want Je hebt de duisternis van onwetendheid verdreven door zulke opmerkelijke argumenen te creren. De duisternis van onwetendheid is zwart, maar Jij hebt het verdreven door Gaura (lichte gelaatskleur) te worden. Je bent Hari, want Je bent in staat de geest van de hele wereld stelen. Je hebt mijn hart gestolen met het vernuft van Je logica."

Door regelmatig op deze manier te spreken raakte Vrajanātha enigszins buiten zichzelf. Hij riep luid uit, "O Nimāi Paṇḍita! O Gaura-Hari! Wees alsjeblieft genadig. Wanneer ben ik in staat logische argumenten, zoals die van Jou, te creren? Als Je mij genadig bent, kan ik Je niet vertellen welk een groot geleerde van de nyāya-śāstra ik kan worden."

Vrajanātha dacht bij zichzelf, "Het schijnt me toe, dat degenen die Gaura-Hari vereren ook worden aangetrokken tot Nimāi Paṇḍita's deskundigheid in nyāya, evenals ik. Ik moet naar ze toegaan en kijken of ze boeken hebben, die Hij over nyāya heeft geschreven." Doordat hij zo dacht ontwikkelde Vrajanātha een verlangen om met de toegewijden van Gaurāṅga te associren. Door voortdurend de zuivere namen van Bhagavān, zoals Nimāi Paṇḍita en Gaura-Hari, in zijn hoofd te houden en door het verlangen te koesteren met de toegewijden van Gaura te associren verzamelde Vrajanātha een enorme hoeveelheid sukṛti.

Op een dag, toen Vrajanātha met zijn grootmoeder van vaders zijde zat te eten, vroeg hij, "Oma, hebt u Gaura-Hari ooit ontmoet? Toen zijn grootmoeder de naam van Śrī Gaurāṅga hoorde herinnerde ze zich met weemoed haar jeugd en zei, "Aha! Wat was Hij een betoverende verschijning! Ach! Zal ik ooit Zijn mooie, beminnelijke gedaante weerzien? Kan iemand, die deze fascinerende vorm heeft aanschouwd, ooit nog haar verstand op haar huishouden gericht houden? Als Hij hari-nāma-kīrtana uitvoerde en in extatische trance was verzonken, verloren de vogels, de dieren, de bomen en de struiken van Navadvīpa door de bedwelming van prema hun bewustzijn van de buitenwereld volledig. Zelfs nu nog, terwijl ik deze gedachten heb, stroomt er een onophoudelijke tranenvloed op onbeheersbare wijze uit mijn ogen en doordrenkt mijn borst."

Vrajanātha informeerde verder, "Kunt u zich iets herinneren van Zijn spel en vermaak, dat Hij uitvoerde?"

Grootmoeder antwoordde, "Dat doe ik zeker, mijn zoon! Als Śrī Gaurāṅga met Moeder Śacī het huis van Zijn moeders broer bezocht, gaven de oudere dames uit ons huis Hem śāka (spinazie) en rijst te eten. Dan prees Hij de śāka hartstochtelijk en at het gerecht met veel prema op."

Precies op dat moment schepte Vrajanātha's eigen moeder wat śāka op zijn bord. Toen Vrajanātha dat zag, schiep hij genoegen in de synchroniciteit van dat moment en raakte hij uitzinnig van plezier. "Deze śāka is het lievelingsgerecht van de logicageleerde Nimāi Paṇḍita," zei hij en at het met het grootste respect op.

Hoewel Vrajanātha volledig in gebreke ging van de transcendentale kennis over de absolute realiteit, werd hij buitengewoon aangetrokken tot het briljante specialisme van Nimāi Paṇḍita. De intensiteit van deze aantrekkingskracht was werkelijk niet te overzien. Zelfs de naam Nimāi werd een gebakje voor zijn oren. Als bedelmonniken langs kwamen om aalmoezen te collecteren en spraken "Jaya Śacīnandana" uit, ontving hij ze hartelijk en gaf hen te eten. Soms ging hij naar Māyāpura, waar hij bābājīs de namen van Gaurāṅga hoorde chanten en legde hen vele vragen voor over de triomferende activiteiten van Gaurāṅga op het gebied van wetenschap en kennis.

Na enkele maanden was Vrajanātha niet meer de oude. Voorheen had de naam van Nimāi hem alleen plezier gedaan in relatie tot Zijn deskundigheid in nyāya, maar nu gaf Nimāi hem in alle opzichten plezier. Vrajanātha verloor al zijn belangstelling voor de studie en het onderricht van nyāya en had geen smaak meer voor droge argumenten of het debat. Nimāi, de geleerde der logica, had geen voet meer in het koninkrijk van zijn hart, want Nimāi, de toegewijde, had alle gezag naar Zich toegetrokken.

Vrajanātha's hart begon te dansen, zodra hij het geluid van mṛdaṅga en karatāla's hoorde en hij bood in gedachten zijn praṇāma aan, overal waar hij zuivere toegewijden bespeurde. Hij vertoonde een grote toewijding voor Śrī Navadvīpa en respecteerde deze plaats als de geboortegrond van Śrī Gaurāṅgadeva. Toen rivaliserende paṇḍita's zagen, dat Nyāya-pacānana zachtmoedig was geworden, waren ze zeer met zijn conditie ingenomen. Nu konden ze eindelijk hun huis verlaten zonder in de rats te zitten hem tegen te komen. Naiyāyika Paṇḍita dacht, dat zijn eerbiedwaardige godin Vrajanātha op non-actief had gezet en dat het niet langer nodig was om bevreesd te zijn.

Op een dag, toen Vrajanātha op een afgelegen plek aan de oever van de Bhāgīrathī zat, dacht hij bij zichzelf, "Als zo'n gedegen kenner van de nyāya-śāstra als Nimāi zich van logica kan onthouden en het pad van bhakti kan inslaan, wat is er dan verkeerd aan, als ik hetzelfde zou doen? Toen ik in mijn obsessie van nyāya zat, kon ik me niet toeleggen op het cultiveren van bhakti, noch kon ik de naam van Nimāi verdragen. In die tijd was ik zo ondergedompeld in de nyāya-śāstra, dat ik niet eens tijd had om te eten, te drinken of te slapen. Nu zie ik de dingen van een heel andere kant. Ik houd me niet langer bezig met de onderwerpen van de nyāya-śāstra; in plaats daarvan herinner ik me steeds de naam van Gaurāṅga. En toch, zelfs al wordt mijn geest geboeid door het extatisch devotionele dansen van de Vaiṣṇavas, ben ik de zoon van een Vedisch brāhmaṇa. Ik werd in een prestigieuze familie geboren en sta in de maatschappij in hoog aanzien. Hoewel ik echt geloof, dat het gedrag van de Vaiṣṇavas uitmuntend is, is het voor mij niet gepast hun manier van doen openlijk over te nemen.

"Er zijn vele Vaiṣṇavas in Śrī Māyāpura bij Khola-bhāṅgāḍāṅgā, waar de Chānd Kāzī een mṛdaṅga in tween sloeg om de saṅkīrtana te stoppen; en er is Vairāgī-ḍāṅgā, de plaats van het vaiṣṇava-ascetisme. Ik voel me in mijn hart gezuiverd en gelukkig, als ik de uitstraling van hun gezichten zie. Maar van al die toegewijden is het Śrī Raghunātha dāsa Bābājī Mahāśaya, die mijn geest geheel in beslag neemt. Wanneer ik hem zie, vult mijn hart zich met śraddhā. Ik zou altijd bij hem willen zijn en de bhakti-śāstras van hem willen leren. In de Veda's wordt gezegd:

ātmā vā are draṣṭavyaḥ śrotavyo mantavyo nididhyāsitavyaḥ
Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (4.5.6)

Men dient de Allerhoogste Absolute Waarheid te zien, te horen, te denken en te mediteren.

"In deze mantra betekent het woord mantavyaḥ 'om over na te denken, te worden beschouwd of onderzocht, te worden erkend of aangenomen, te worden goedgekeurd of gesanctioneerd, of in twijfel te worden getrokken'. Hoewel dit woord suggereert, dat men brahma-jāna dient te verkrijgen door de nyāya-śāstra te bestuderen, impliceert het woord śrotavya (te worden gehoord of geleerd van een leraar) de noodzaak voor iets groters. Tot nu toe heb ik grote delen van mijn leven aan zinloze argumenten en debatten besteed. Zonder nog meer tijd te verspillen verlang ik er nu naar mezelf toe te wijden aan de voeten van Śrī Gaura-Hari. Het zal voor mij uiterst heilzaam zijn om na zonsondergang darśana te nemen van Śrī Raghunātha dāsa Bābājī Mahāśaya."

Bij het vallen van de avond vertrok Vrajanātha naar Śrī Māyāpura. De zon zonk snel onder de westelijke horizon, maar zijn karmozijnrode stralen dansten nog door de boomtoppen. Er stond een zacht briesje uit het zuiden en vogels vlogen in diverse richtingen om naar hun nest terug te keren. Geleidelijk verschenen de eerste paar sterren aan de hemel. Toen Vrajanātha in Śrīvāsāṅgana (het binnenhof van Śrīvāsa Ṭhākura's huis) arriveerde, begonnen de Vaiṣṇavas juist met de sandhyā-āratī ter ere van Bhagavān en chantten en zongen met lieflijke stemmen. Vrajanātha ging op een platform zitten onder een bakula-boom. Zijn hart smolt bij het horen van de āratī-kīrtana van Gaura-Hari en toen het was afgelopen, kwamen de Vaiṣṇavas bij hem op het platform zitten.

Op dat moment kwam de seniore Raghunātha dāsa Bābājī Mahāśaya naar hen toe en ging bij hen op het platform zitten, terwijl hij chantte, "Jaya Śacīnandana, Jaya Nityānanda, Jaya Rūpa-Sanātana, Jaya Dāsa Gosvāmī." Iedereen stond op en bood hem daṇḍavat-praṇāma aan en Vrajanātha voelde, dat hij hetzelfde moest doen. Toen de bejaarde Bābājī Mahāśaya de buitengewone schoonheid van Vrajanātha's gelaat zag, omhelsde hij hem en vroeg hem naast hem te komen zitten. "Wie ben je, mijn zoon?" vroeg Bābājī.

Vrajanātha antwoordde, "Ik ben iemand, die dorst naar de waarheid en ik hunker ernaar van u wat instructies te ontvangen."

Een Vaiṣṇava, die vlakbij zat, herkende Vrajanātha en zei, "Hij heet Vrajanātha Nyāya-pacānana. In heel Navadvīpa is geen geleerde van de nyāya, die aan hem gelijk is, maar nu heeft hij wat vertrouwen ontwikkeld in Śacīnandana."

Toen Bābājī hoorde over Vrajanātha's uitgebreide scholing, zei hij op een hoffelijke toon, "Mijn beste zoon, je bent een groot geleerde en ik ben een dwaze, ellendige ziel. Jij bent een inwoner van de heilige dhāma van onze Śacīnandana, daarom zijn wij de objecten van je genade. Hoe kunnen wij je nu voorlichten? Wees zo goed en deel met ons enkele zuiverende vertellingen van jouw Gaurāṅga en kalmeer ons brandend hart."

Toen Bābājī Mahārāja en Vrajanātha zo zaten te converseren, stonden de andere Vaiṣṇavas n voor een op en verspreidden zich om met hun service door te gaan.

Vrajanātha zei, "Bābājī Mahāśaya, ik werd geboren in een brahmaanse familie en het gevolg is, dat ik nogal trots ben op mijn opvoeding. Vanwege het egosme van mijn hoge geboorte en kennis heb ik het idee, dat de hele wereld aan mijn voeten ligt. Ik heb niet geleerd om sādhu's en grote persoonlijkheden te respecteren. Ik kan niet zeggen, door welk geluk ik ben ontwaakt tot het vertrouwen in uw karakter en gedrag. Ik wil u een paar vragen stellen; wilt u ze alstublieft beantwoorden in de wetenschap, dat ik niet naar u ben toegekomen met enige bijbedoeling."

Toen vroeg Vrajanātha aan Bābājī op hartstochtelijke wijze, "Weest u zo goed en legt u me het volgende uit: Wat is het hoogste levensdoel (sādhya) van de jīva en wat is de methode (sādhana) om dat doel te bereiken? Toen ik de nyāya-śāstra bestudeerde kwam ik tot de slotsom, dat de jīva eeuwigdurend is afgescheiden van Īśvara en dat de genade van Īśvara de enige oorzaak is voor het bereiken van mukti door de jīva. Ik heb begrepen, dat de bepaalde methode om de genade van Īśvara te krijgen sādhana wordt genoemd. Het resultaat van sādhana heet sādhya. Ik heb de nyāya-śāstra diverse keren doorgelopen om erachter te komen wat sādhya en sādhana zijn. De nyāya-śāstra echter rept met geen woord hierover. De nyāya-sastra heeft me dus niet van een antwoord voorzien. Vertelt u me alstublieft wat uw conclusies zijn met betrekking tot sādhya en sādhana."

Śrī Raghunātha dāsa Bābājī was een discipel van Śrī Raghunātha Dāsa Gosvāmī en hij was niet alleen een groot geleerde, maar ook een zelfgerealiseerd heilige. Hij had onder begeleiding van Śrī Dāsa Gosvāmī's lotusvoeten langetijd in Rādhā-kuṇḍa gewoond, waar hij iedere middag het spel van Śrī Caitanyadeva uit zijn mond had gehoord. Raghunātha dāsa Bābājī besprak regelmatig filosofische conclusies met Kṛṣṇadāsa Kavirāja Mahāśaya en als er twijfel ontstond, gingen ze te rade bij Śrī Dāsa Gosvāmī. Toen Raghunātha dāsa Gosvāmī en Kṛṣṇadāsa Kavirāja Gosvāmī de wereld verlieten, ging Śrī Raghunātha dāsa Bābājī naar Śrī Māyāpura en werd de belangrijkste paṇḍita-bābājī in Śrī Gauḍa-maṇḍala. Hij en Premadāsa Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya uit Śrī Godruma bespraken dikwijls de onderwerpen van Śrī Hari, waarbij ze diep waren verzonken in prema.

Bābājī: Nyāya-pacānana Mahāśaya, iemand die nyāya-śāstra heeft gestudeerd en daarna informeert naar sādhya en sādhana is in deze wereld waarlijk gezegend, want het belangrijkste doel van de nyāya-śāstra is met behulp van logische analyse axiomatische waarheden te verzamelen. Het is tijdverspilling om nyāya-śāstra te studeren louter om te leren hoe je met droge argumenten en debatten moet omgaan. Als je dat toch doet, heeft je studie van logica een onlogisch resultaat opgeleverd; dan is je arbeid vergeefs geweest en heb je je hele leven doelloos doorgebracht.

Sādhya betekent de waarheid (tattva), die wordt bereikt door een bepaalde oefening te ondernemen. Die oefening heet sādhana en is de methode, die je gebruikt om die sādhya (doel) te bereiken. Degenen, die door māyā worden geconditioneerd, zien volgens hun individuele aanleg en kwalificaties verschillende objecten als het hoogste doel van het leven. In werkelijkheid echter, is er slechts n allerhoogste doel.

Er zijn drie doelen, die je kunt trachten te bereiken en verschillende individuen kiezen het ene of het andere doel in overeenstemming met hun aanleg, neigingen en adhikāra (bekwaamheid). De drie doelen zijn bhukti (materieel plezier), mukti (bevrijding) en bhakti (toegewijde dienstverlening). Degenen, die verstrikt zijn in wereldse activiteiten en die versnipperd raken door hun verlangens naar materieel plezier, kiezen bhukti als doel. De śāstras worden vergeleken met een koe, die alle verlangens (kāma-dhenu) vervult, want een mens kan ieder object van de śāstras krijgen, dat hij verlangt. De śāstras, die handelen over karma-kāṇḍa, hebben uiteengezet, dat materieel plezier de sādhya (doel) is voor degenen, die geschikt zijn zich bezig te houden met baatzuchtig streven en deze śāstras beschrijven alle variteiten van materieel plezier, waarvoor je mogelijkerwijs in deze wereld kunt streven. Omdat de jīvas in deze wereld materile lichamen aanvaarden, zijn ze dol op zintuiglijke lustbevrediging. De materile wereld is een verblijfplaats, die lustbeleving via de materile zintuigen faciliteert. Het plezier, dat je vanaf je geboorte tot je dood via je zintuigen geniet, heet levenslust (aihika-sukha).

Er zijn ook vele verschillende typen zintuiglijke genoegens, waarvan je kunt genieten in de staat van zijn, die je na je dood bereikt en deze worden āmutrika-sukha (plezier met betrekking tot het volgende leven) genoemd. De genoegens van de celestijnse sfeer bijvoorbeeld behelsen het resideren in Svarga (de hogere planeten) of Indraloka (de planeet van Indra) waar je getuige kunt zijn van het dansen van de hemelse nimfen genaamd apsarā's; het drinken van het elixer van onsterfelijkheid; het ruiken van geurende bloemen en het zien van de schoonheid van de nandanakānana-tuinen; het zien van het wonder van Indrapurī; het horen van de melodieuze liederen van de gandharva's en het associren met de hemelse hofdames genaamd vidyādharī's.

Boven Indraloka staan achtereenvolgens de planeten Maharloka, Janaloka, Tapoloka en tenslotte Brahmaloka, de hoogste planeet in het materile universum. De śāstras geven minder beschrijvingen van Maharloka en Janaloka dan van de hemelse genoegens in Indraloka en ze geven nog minder beschrijvingen van Tapoloka en Brahmaloka. In tegenstelling tot deze hogere planetenstelsels is het sensuele plezier van deze aardeplaneet, Bhūrloka, uitermate grof. De regel is, hoe hoger het planetaire stelsel, hoe subtieler de zintuigen en hun objecten. Dit is het enige verschil tussen deze gebieden; met andere woorden, het geluk, dat op al deze planeten beschikbaar is, is louter het plezier van de zintuigen, ander geluk is er niet. Spiritueel geluk (cit-sukha) is op al deze planeten afwezig, want het geluk, dat op zulke plaatsen wordt aangetroffen, is gerelateerd aan het subtiele lichaam bestaande uit verstand, intelligentie en ego en is louter een schijn van zuiver bewustzijn. Het genoegen van al deze typen plezier wordt bhukti genoemd en de sādhana van de jīvas, die in de kringloop van karma gevangen zitten, bestaat uit de activiteiten, die ze ondernemen om hun aspiraties voor bhukti te vervullen. In de Yajur-Veda (2.5.5) wordt gezegd:

svarga-kāmo 'śvamedhaṁ yajeta

Degenen, die de hemelse planeten willen bereiken, dienen de aśvamedha-yaja uit te voeren.

De śāstras beschrijven vele verschillende typen sādhana om bhukti te verkrijgen, zoals een bepaald soort vuuroffer, dat agniṣṭoma heet; het brengen van offers aan een zekere klasse devatā's; het graven van putten, het bouwen van tempels en soortgelijke charitatieve werken voor het heil van anderen, en ceremonin uitgevoerd op de dagen van de nieuwe en de volle maan. Bhukti is het doel (sādhya) voor degenen, die aspiraties hebben voor materieel plezier.

Een aantal van degenen, die zich onderdrukt zien door de ellende van het materile bestaan, beschouwen de veertien planetaire stelsels als gebieden van alle materile genoegens als waardeloos. Deze mensen willen dan ook ontsnappen uit de kringloop van karma. Zij beschouwen mukti als de enige sādhya en zien bhukti eenvoudig als gevangenschap. Zulke mensen zeggen, "Degenen, wier neigingen tot materieel plezier nog niet zijn afgenomen, kunnen hun doel van bhukti realiseren door karma-kāṇḍa te ontwikkelen. De Bhagavad-Gītā (9.21) echter stelt:

kṣīṇe puṇye martya-lokaṁ viśanti

Zodra hun vrome tegoeden zijn uitgeput, gaan ze wederom de planeten der sterfelijkheid binnen.

Deze śloka bevestigt duidelijk en ontegenzeglijk, dat bhukti vergankelijk is en niet eeuwig. Alles, dat onderhevig is aan verval, is materieel, niet spiritueel. Sādhana moet je pas ondernemen, wanneer je een eeuwig doel wilt bereiken. Mukti is eeuwig, dus het dient zeker de sādhya van de jīvas te zijn. Mukti kan met vier typen sādhana worden verkregen. Deze zijn: het onderscheiden van eeuwige en tijdelijke objecten; het zich onthouden van plezier uit de resultaten van werk in deze wereld en de volgende; het ontwikkelen van zes eigenschappen, zoals beheersing van de geest en de zintuigen, en het cultiveren van het verlangen naar bevrijding. Deze vier activiteiten zijn de ware sādhana.

Dit is het gezichtspunt van degenen, die mukti zien als levensdoel en de śāstras, die handelen over jāna-kāṇḍa, presenteren deze analyse van sādhya en sādhana.

De śāstras zijn kāma-dhenu en ze arrangeren voor de jīvas uiteenlopende situaties in overeenstemming met hun adhikāra (kwalificatieniveau). Over het algemeen wordt mukti begrepen als de beindiging van het individuele ego. Echter, aangezien de jīvas hun individuele bestaan en identiteit weer terugkrijgen, zodra ze mukti bereiken, kan mukti niet het hoogste doel zijn. Het betekent, dat de jīvas met mukti slechts komen tot de grens van de opheffing van het individuele zelf (nirvāṇa), echter de jīvas zijn eeuwig, dus ze kunnen in werkelijkheid niet worden vernietigd. Dit wordt bevestigd in de Śvetāśvatara Upaniṣad (6.13):

nityo nityānāṁ cetanaś cetanānām

Hij is het allerhoogste eeuwige wezen onder alle eeuwig levende wezens en Hij is de allerhoogste bewuste entiteit onder alle bewuste entiteiten.

Deze en andere Vedische mantra's vestigen de waarheid, dat de jīva eeuwig is en dat om die reden beindiging van zijn individuele existentie (nirvāṇa) onmogelijk is. Degenen, die deze waarheid aanvaarden, begrijpen dat de jīva als een individu blijft bestaan, nadat hij mukti heeft bereikt. Het gevolg is, dat ze bhukti en mukti niet als hoogste doel aanvaarden. Ze beschouwen bhukti en mukti eerder als externe doeleinden, die in feite wezensvreemd zijn aan de natuur van de jīva.

Iedere poging heeft een doel en een methode om het te bereiken. Het resultaat, waarnaar men streeft, heet sādhya en de methode, die men aanwendt om het resultaat te bewerkstelligen, heet sādhana. Als je hierover goed nadenkt, zal je zien, dat de doelen van de levende wezens en de methoden, die ze gebruiken om hun doelen te bereiken, als achtereenvolgende schakels in een ketting zijn. Dat, wat nu een sādhya (doel) is, wordt de sādhana op een later tijdstip, de methode om de volgende sādhya te bereiken. Als je deze reeks van oorzaak en gevolg aanvaardt, kom je uiteindelijk uit bij de laatste schakel in de ketting. Het effect, of de sādhya, die in het laatste stadium wordt bereikt, is de hoogste en ultieme sādhya, die geen sādhana (middel) tot iets anders meer wordt, want er bestaat geen hogere sādhya, die erachter ligt. Wanneer je alle schakels in deze ketting van sādhya en sādhana doorloopt, bereik je uiteindelijk de laatste schakel en die wordt bhakti genoemd. Bhakti is daarom de hoogste sādhya (doel), want het is de jīvas eeuwige staat van perfectie (nitya-siddha-bhāva).

Iedere actie in het menselijk leven is een schakel in de ketting van sādhana en sādhya, of oorzaak en gevolg. Het karmische gedeelte van deze ketting van oorzaak en gevolg bestaat uit vele schakels, die in elkaar grijpen. Wanneer je de ene groep schakels hebt doorlopen, vormt zich een volgende reeks van schakels, die jāna heet. Uiteindelijk begint het bhakti-gedeelte, waar het jāna-gedeelte eindigt. De laatste sādhya (doel) in de reeks van karma is bhukti (materieel plezier), de laatste sādhya in de reeks van jāna is mukti (bevrijding) en de laatste sādhya in de reeks van bhakti is prema-bhakti (zuivere liefde). Als je nadenkt over de aard van de geperfectioneerde staat van de jīvas, moet je concluderen, dat bhakti zowel sādhana (middel) als sādhya (doel) is. Karma en jāna zijn geen laatste sādhya of sādhana, want ze zijn slechts overgangsstadia.

Vrajanātha: Er zijn vele vooraanstaande uitspraken in de upaniṣaden, die bhakti niet als allerhoogst beschouwen, of bhakti als hoogste doel zien. In de Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (4.5.15, 2.4.24) wordt gezegd, kena kaṁ paśyet: "Wie is de kenner? Wat wordt gekend? En wat is de kennis?" In hetzelfde geschrift (1.4.10) staat, ahaṁ brahmāsmi: "Ik ben brahma". In de Aitareya Upaniṣad (1.5.3) wordt gezegd, prajānaṁ brahma: "Bewustzijn is brahma". En in de Chāndogya Upaniṣad (6.8.7) wordt gezegd, tat tvam asi śvetaketo: "O Śvetaketu, jij bent dat brahma". Al deze uitspraken bij elkaar genomen, vraag ik me af wat er verkeerd is om mukti als allerhoogste sādhya te beschouwen?

Bābājī: Ik heb eerder uitgelegd, dat er vele verschillende soorten sādhya zijn in overeenstemming met verschillende soorten aanleg. Je kunt niet inzien wat de waarde van mukti is, zolang je nog naar bhukti verlangt en veel uitspraken in de śāstra zijn geschreven voor mensen op dat niveau. De Āpastamba Śrauta-sūtra (2.1.1) stelt bijvoorbeeld, akṣayaṁ ha vai cāturmasya-yājinaḥ: "Zij, die de gelofte van cāturmasya naleven, krijgen een blijvend bestaan in de hemel". Betekent dit, dat mukti een waardeloos doel is? Karmīs zijn alleen uit op lustbevrediging. Ze zijn niet in staat de aanbevelingen van śāstra voor mukti te vinden, maar betekent dat, dat mukti nergens in de Veda's wordt beschreven? Er zijn enkele ṛṣī's, die het pad van karma aanbevelen en volhouden, dat onthouding alleen wordt voorgeschreven aan degenen, die incompetent zijn, en dat degenen, die wel competent zijn, karma moeten uitvoeren. Dit is eigenlijk niet waar; deze instructies worden aan mensen op lagere ontwikkelingsniveau's gegeven om het vertrouwen in hun respectievelijke posities te versterken.

Het is voor jīvas niet gunstig de plichten, waarvoor ze verantwoordelijk zijn, te veronachtzamen. Als je je plichten uitvoert in het volle vertrouwen, dat ze geschikt zijn voor je huidige ontwikkelingsniveau, krijg je gemakkelijk toegang tot het volgende kwalificatieniveau. Daarom worden de voorschriften in de Veda's, die dit type vertrouwen stimuleren, niet afgekeurd. Als je daarentegen zulke voorschriften wel veroordeelt, is de kans groot, dat je valt. Alle jīvas, die zich in deze wereld hebben verheven, hebben dat gedaan door zich strikt vast te houden aan de plichten, waarvoor ze waren gekwalificeerd.

Jāna is in feite bovengeschikt aan karma, omdat het tot mukti leidt. Niettemin prijzen de śāstras, die de bekwaamheid voor karma bespreken, karma als hoogste aan en laten zich niet uit over de verhevenheid van jāna. En als de śāstras de competentie voor jāna bespreken, treffen we alle mantra's aan, die jij zojuist noemde, die mukti prijzen. Zoals de bekwaamheid voor jāna bovengeschikt is aan die voor karma, is de bekwaamheid voor bhakti bovengeschikt aan die voor jāna. Mantra's, zoals tat tvam asi en ahaṁ brahmāsmi, blazen de loftrompet voor bevrijding en versterken het vertrouwen van degenen, die dit zoeken om het pad te volgen, waarvoor ze gekwalificeerd zijn. Om die reden is het niet verkeerd om de verhevenheid van jāna te vestigen. Toch is jāna niet de hoogste sādhana, en de sādhya van jāna, namelijk mukti, is niet de allerhoogste sādhya. De Vedische mantra's stellen als laatste conclusie vast, dat bhakti de sādhana is en prema-bhakti de sādhya.

Vrajanātha: De mantra's, die ik citeerde, zijn kardinale uitspraken van de Veda's en heten mahā-vākya's. Hoe is het mogelijk, dat de sādhya en sādhana, die ze naar voren brengen, onbelangrijk zijn?

Bābājī: De Vedische stellingen, die je zojuist citeerde, worden nergens in de Veda's beschreven als mahā-vākya's, noch zijn ze beschreven als bovengeschikt aan andere uitspraken. De leraren van jāna echter hebben deze uitspraken als mahā-vākya's uitgeroepen om de verhevenheid van hun eigen doctrine te vestigen, maar in werkelijkheid is praṇava (oṁ) de enige mahā-vākya. Alle andere Vedische stellingen hebben alleen betrekking op bepaalde aspecten van Vedische kennis.

Het zou niet verkeerd zijn om alle uitspraken van de Veda's mahā-vākya's te noemen. Het is echter dogmatisch om n bepaalde uitspraak als de mahā-vākya te selecteren en alle andere als gewoon te bestempelen. Degenen, die dat doen, maken een overtreding jegens de Veda's. De Veda's beschrijven vele uiterlijke doeleinden en hun methoden om ze te bereiken, dus de ene keer prijzen ze karma-kāṇḍa en de andere keer mukti, maar de hoogste analyse van de Veda's vat samen, dat alleen bhakti zowel sādhana als sādhya is.

De Veda's zijn als een koe en Śrī Nanda-nandana is de melkman. In de Bhagavad-Gītā (6.46-47) heeft Hij de betekenis van de Veda's met betrekking tot hun hoogste doel geopenbaard:

tapasvibhyo 'dhiko yogī jānibhyo 'pi mato 'dhikaḥ
karmibhyaś cādhiko yogī tasmād yogī bhavārjuna
yoginām api sarveṣāṁ mad-gatenāntarātmanā
śraddhāvān bhajate yo māṁ sa me yuktatamo mataḥ

O Arjuna, een yogī is groter dan alle typen asceten, baatzuchtig werkers en degenen, die onpersoonlijke kennis cultiveren om bevrijding te bereiken. Daarom moet je een yogī worden. En Ik beschouw die yogī het grootst van allen, die met vast vertrouwen tot Mij is aangetrokken en Mij onafgebroken met heel zijn hart vereert.

In de Śvetāśvatara Upaniṣad (6.23) wordt gezegd:

yasya deve parā bhaktir yathā deve tathā gurau
tasyaite kathitā hy arthāḥ prakāśante mahātmanaḥ

Alle vertrouwelijke betekenissen van de Veda's worden volledig onthuld aan die grote ziel, die dezelfde parā-bhakti heeft voor zijn Gurudeva als voor Śrī Bhagavān.

In de Gopāla-tāpanī Upaniṣad, Pūrva-vibhāga (2.2) wordt gezegd:

bhaktir asya bhajanaṁ tad ihāmutropādhi-
nairāsyenaivāmuṣmin manasaḥ kalpanam
etad eva ca naiṣkarmyam

Bhakti uitgevoerd voor het plezier van Śrī Kṛṣṇa heet bhajana. Dit impliceert het opgeven van alle verlangens naar plezier in deze wereld en de volgende, het wijden van de geest aan Kṛṣṇa en het ontwikkelen van een gevoel van volkomen eenheid met Hem wegens een overweldigende sensatie van prema. Deze bhajana brengt tevens de vrijheid met zich mee van alle activiteiten, die op resultaten zijn gericht.

In de Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (1.4.8) wordt gezegd:

ātmānam eva priyam upāsīta

Men dient de Allerhoogste Ziel, Śrī Kṛṣṇa, te eren als het meest gekoesterde object van zijn liefde.

Ook wordt in de Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (4.5.6) gezegd:

ātmā vā are draṣṭavyaḥ śrotavyo
mantavyo nididhyāsitavyaḥ

O Maitreyī, je moet de Allerhoogste Absolute Waarheid Paramātmā zien, horen, aan denken en op mediteren.

Als je deze Vedische uitspraken nauwgezet bestudeert, wordt het duidelijk dat bhakti de beste vorm van sādhana is.

Vrajanātha: Het karma-kāṇḍa-gedeelte van de Veda's geeft instructies om bhakti uit te voeren voor Īśvara, die de resultaten van alle activiteiten schenkt. In het gedeelte van jāna-kāṇḍa treffen we ook instructies aan om Hari te plezieren door bhakti uit te voeren via het medium van de vier typen sādhana genaamd sādhana-catuṣṭaya. Dus hoe kan bhakti het doel zijn, als het een middel is om bhukti en mukti te bereiken? Aangezien bhakti het middel is, houdt het op te bestaan, wanneer het leidt tot bhukti of mukti. Dit is een algemeen principe. Wilt u me hierover alstublieft inlichten?

Bābājī: Het is waar, dat het uitvoeren van de regulerende principes (sādhana) van bhakti in karma-kāṇḍa tot materieel plezier leidt en dat bhakti-sādhana uitgevoerd in jāna-kāṇḍa tot mukti leidt. Je kunt geen enkel resultaat bereiken zonder Parameśvara een plezier te doen en Hij is alleen tevreden met bhakti. Hij is het reservoir van al het vermogen en ieder vermogen, dat in de jīvas of in dode materie wordt aangetroffen, is slechts een minuuskuul vertoon van Zijn vermogen. Karma en jāna kunnen Īśvara geen plezier doen. Karma en jāna leveren alleen resultaten op met behulp van bhagavad-bhakti. Ze zijn niet in staat om op onafhankelijke wijze tot resultaten te leiden. Daarom zie je, dat er in karma en jāna een regeling is getroffen voor het uitvoeren van een schijn van bhakti. Dit is echter geen śuddhā-bhakti. Het is slechts bhakty-ābhāsa. In overeenstemming hiermee is de bhakti, die je in karma en jāna aantreft, louter devotionele schijn, geen śuddhā-bhakti en het is deze bhakty-ābhāsa, die bemiddelt bij het voortbrengen van resultaten bij die betreffende bezigheden van karma en jāna.

Er zijn twee soorten bhakty-ābhāsa: śuddhā bhakty-ābhāsa (zuivere schijn) en viddha bhakty-ābhāsa (geperverteerde schijn). Zuivere bhakty-ābhāsa zal ik later bespreken, maar op dit moment moet je onthouden, dat er drie typen geperverteerde bhakty-ābhāsa zijn. Deze zijn bhakty-ābhāsa gecorrumpeerd met zelfzuchtig streven; bhakty-ābhāsa gecorrumpeerd met monistische kennis; en bhakty-ābhāsa gecorrumpeerd met zowel baatzuchtig streven als monistische kennis.

Als iemand een yaja uitvoert, kan hij zeggen, "O Indra, O Pūṣana (de devatā van de zon), weest u alstublieft genadig en schenkt u ons de resultaten van deze yaja." Alle activiteiten, die een schijn vertonen van bhakti geperverteerd door dit soort verlangens, worden gekend als een schijn van bhakti gecorrumpeerd door baatzuchtige of zelfzuchtige activiteiten. Sommige grote zielen hebben naar dit type overspelige bhakti verwezen als toewijding vermengd met baatzuchtige activiteiten (karma-miśra-bhakti). Anderen hebben het beschreven als activiteiten, waaraan de symptomen van bhakti indirect zijn toegevoegd (āropa-siddha-bhakti).

Een ander persoon kan zeggen, "O Yadunandana, ik ben uit angst voor het materile bestaan naar U toegekomen. Ik chant Uw naam, Hare Kṛṣṇa, dag en nacht. Geeft U me alstublieft bevrijding. O Allerhoogste Heer, U bent brahma. Ik ben in de val van māyā gelopen. Bevrijdt U me alstublieft van deze verstrikking en laat me in eenheid versmelten met U." Deze sentimenten zijn een schijn van bhakti gecorrumpeerd door monistische kennis. Sommige grote zielen hebben dit beschreven als devotie vermengd met monistische kennis (jāna-miśra-bhakti) en anderen als activiteiten, waaraan de symptomen van bhakti indirect zijn toegevoegd (āropa-siddha-bhakti). Deze overspelige vormen van devotie zijn verschillend van śuddhā-bhakti.

In de Gītā (6.47) wordt gezegd, śraddhāvān bhajate yo māṁ sa me yuktatamo mataḥ: "Ik beschouw diegene, die Mij met vertrouwen vereert, de beste van alle yogī's." De bhakti, waarnaar Śrī Kṛṣṇa in deze uitspraak verwijst, is śuddhā-bhakti en deze is onze sādhana. Wanneer deze vervolmaakt is, heet het prema. Karma en jāna zijn de methoden om respectievelijk bhukti en mukti te krijgen. Ze zijn niet de methoden, waarmee de jīva zijn nitya-siddha-bhāva kan bereiken, of zijn eeuwige, grondrechtelijke positie van goddelijke liefde."

Toen Vrajanātha al deze samenvattende waarheden had gehoord, was hij die dag niet meer in staat nadere vragen te stellen. In plaats daarvan dacht hij bij zichzelf, "Dit onderzoek en de discussie over al deze subtiele filosofische waarheden zijn meer waard dan de dialectishe analyse van de nyāya-śāstra. Bābājī Mahāśaya is een groot geleerde op dit gebied. Ik zal geleidelijk op de hoogte komen door bij hem over deze onderwerpen te rade te gaan. Het is al laat, dus ik moet nu terug naar huis."

Toen hij hierover nadacht zei hij, "Bābājī Mahāśaya, door uw genade heb ik vandaag essentile, superieure kennis ontvangen. Ik zou graag af en toe bij u terugkomen om meer van deze soort instructies te krijgen. U bent een diep gerealiseerd geleerde en een geweldige leraar; weest u mij alstublieft genadig. Staat u me alstublieft toe om u vandaag nog n vraag te stellen; het is al laat en ik ga naar huis, nadat ik uw antwoord heb vernomen. Heeft Śrī Śacīnandana Gaurāṅga een boek geschreven, waarin al Zijn instructies staan? Als dat zo is, zou ik het graag willen lezen."

Bābājī Mahāśaya antwoordde, "Śrīman Mahāprabhu heeft Zelf geen boek geschreven, maar Zijn volgelingen schreven vele boeken op Zijn verzoek. Mahāprabhu gaf de jīvas persoonlijk acht instructies in de vorm van aforismen, genaamd Śikṣāṣṭaka. Deze zijn voor de bhakta's als een snoer van juwelen. In deze acht ślokas heeft Hij de instructies van de veda's, de Vedānta, de upaniṣaden en de purāṇa's op een beknopte en confidentile manier verwerkt als een enorme oceaan gecomprimeerd in een enkele aarden pot. Gebaseerd op deze vertrouwelijke instructies hebben de bhakta's tien fundamentele principes samengesteld genaamd Daśa-mūla. Deze Daśa-mūla beschrijft op bondige wijze zowel sādhya als sādhana met betrekking tot de onderwerpen van sambandha, abhidheya en prayojana. Deze zou je eerst moeten begrijpen."

"Alles, wat u voorstelt, is mijn plicht te vervullen," zei Vrajanātha. "U bent mijn śikṣā-guru. Morgenavond kom ik terug en neem ik van u de instructies over van Daśa-mūla."

Vrajanātha bood toen zijn daṇḍavat-praṇāma aan Bābājī Mahāśaya aan, die hem met grote genegenheid omhelsde. "Mijn zoon," zei Bābājī, "je hebt de brahmaanse opvolging gezuiverd. Ik zal zeer verheugd zijn, als je morgenavond terugkomt."

 

Aldus eindigt het Twaalfde Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Nitya-dharma, Sādhana & Sādhya"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________



Vorige: Hoofdstuk 11 "Nitya-dharma en afgodenverering"

Volgende: Hoofdstuk 13 "Pramana en het begin van Prameya"

Inhoud: Inhoud



Top

2017 Jayaradhe.nl