Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 11

Nitya-dharma en afgodenverering


Op de westelijke oever van de Bhāgīrathī in het district Koladvīpa, Navadvīpa, ligt het bekende dorp Kuliyā Pāhārpura. In de tijd van Śrīman Mahāprabhu woonde in dat dorp een zeer gerespecteerd en invloedrijk Vaiṣṇava, Ṣrī Mādhava dāsa Caṭṭopādhyāya, (ook wel Chakaurī Caṭṭopādhyāya genoemd). Chakaurī Caṭṭopādhyāya had een zoon genaamd Śrīla Vaṁśī-vadanānanda Ṭhākura. Door de genade van Śrī Caitanya Mahāprabhu beschikte Śrī Vaṁśī-vadanānanda over enorme macht en genoot groot gezag. Iedereen sprak hem aan als Vaṁśī-vadanāndana Prabhu, omdat men hem beschouwde als een incarnatie van Kṛṣṇa’s fluit. Hij stond bekend als bijzonder begenadigd door Śrī Viṣṇu-priyā.


Na de verdwijning van Śrī  Priyājī bracht Vaṁśī Prabhu het Godsbeeld, dat zij had vereerd, van Śrīdhāma-Māyāpura over naar Kuliyā Pāhārpura, waarna zijn nadkomelingen enige tijd de service van dit Godsbeeld op zich namen. Toen zijn nageslacht echter de genade van Śrī  Jāhnavā Mātā kreeg en van Kuliyā Pāhārpura naar Śrīpāṭ Bāghanāpārā verhuisde, werd de verering van het Godsbeeld in Kuliyā-grāma voortgezet door de Sevaïeten van Mālañcha.

Kuliyā-grāma ligt aan de overzijde van de Gaṅgā gezien vanuit Prācīna, (Oud-) Navadvīpa, dat in die tijd een aantal kleine nederzettingen omvatte, waarvan Cināḍāṅgā en een paar andere nogal bekend waren. Een toegewijd zakenman in Cināḍāṅgā hield eens een spiritueel festival in de tempel van Kuliyā Pāhārpura en nodigde veel brāhmaṇa-paṇḍita’s en alle Vaiṣṇava’s in een straal van vijftig kilometer rond Navadvīpa uit. Op de dag van het festival kwamen uit alle richtingen de Vaiṣṇava’s en brachten hun eigen entourage mee. Śrī  Ananta dāsa kwam uit Śrī  Nṛsiṁha-pallī; Gorācānda dāsa Bābājī kwam uit Śrī  Māyāpura; Śrī  Nārāyaṇa dāsa Bābājī  kwam uit Śrī  Bilva-puṣkariṇī; de beroemde Narahari dāsa kwam uit Śrī  Modadruma; Śrī  Paramahaṁsa Bābājī  en Śrī  Vaiṣṇava dāsa kwamen uit Śrī  Godruma en Śrī  Śacīnandana dāsa kwam uit Śrī  Samudragarh.

De voorhoofden van de Vaiṣṇava’s waren getooid met de vertikale tilakatekens (ūrddhva-puṇḍra), waarmee ze lieten zien, dat hun lichaam de tempel van Śrī Hari was. Om hun hals droegen ze tulasī-mālā’s en hun ledematen, die waren bestempeld met de namen van Śrī Gaura-Nityānanda, zagen er prachtig uit. Sommigen hielden hari-nāma-mālā’s in hun hand en anderen zongen luid de saṇkīrtana van de mahā-mantra, Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare, begeleid door mṛdaṅga en karatāla’s; en anderen dansten onafgebroken onder het chanten van śrī-kṛṣṇa-caitanya prabhu nityānanda śrī-advaita gadādhara śrīvāsādi-gaura-bhakta-vṛnda.

Op het lichaam van een aantal Vaiṣṇava’s werden de uiterlijke kenmerken van extase zichtbaar, zoals een stortvloed van tranen, en hun haar, dat recht overeind ging staan. Terwijl ze weenden, riepen sommigen hardgrondig uit, “O Gaura-Kiśora! Wanneer sta Je me een visioen van Je eeuwige spel en vermaak in Navadvīpa toe?” Er waren veel groepen Vaiṣṇava’s, die bij het lopen śrī-nāma zongen onder begeleiding van mṛdaṅga en andere instrumenten. De vrouwen van Kuliyā, die ook bhakta’s waren van Śrī  Gaurāṅga, waren verbaasd deze spirituele emoties te zien en prezen het grote spirituele geluk van de Vaiṣṇava’s.

Terwijl ze zich op deze manier voortbewogen, arriveerden de Vaiṣṇava’s in de nātya-mandīra (danstempel) direct naast het altaar, waar de Godsbeelden stonden. Dit was de plek waar Śrīman Mahāprabhu altijd danste en saṇkīrtana uitvoerde. De zakenman, die het festival sponsorde, groette hen allemaal. Als een teken van onderwerping droeg hij een doek om zijn hals en viel aan de voeten van de Vaiṣṇava’s, waarmee hij aan zijn gevoelens van grote nederigheid uitdrukking gaf. Toen alle Vaiṣṇava’s in de nāṭya-mandīra zaten, brachten de Sevaïeten van de tempel geofferde bloemenkransen en legden ze om hun hals. Toen werden de poëtische śloka’s van Śrī  Caitanya-maṅgala werden melodieus gechant en bij het horen van het abrozijnen līlā van Śrī  Caitanyadeva begonnen de Vaiṣṇava’s verscheidene soorten sāttvika-bhāva’s te vertonen.

Terwijl ze zo waren verzonken in premānanda, kwam de deurwachter binnen en richtte zich tot de tempelauthoriteiten: “De Hoofdmullah van Sātsaikā Paraganā zit met zijn gevolg voor de ontvangsthal. Hij verzoekt om een discussie met één van de Vaiṣṇava paṇḍita’s.” De tempelauthoriteiten informeerden de verheven paṇḍita-bābājī’s, dat de Mullah was gearriveerd en een gesprek met hen wilde hebben. Op het moment, dat de Vaiṣṇava’s dit nieuws ontvingen, werd in hun gezelschap de stemming door een onderbreking in de vloed van transcendentale rasa door neerslachtigheid overdekt.

Kṛṣṇa dāsa Bābājī  Mahāśaya uit Śrī  Madhyadvīpa vroeg aan de tempelauthoriteiten, “Wat is de bedoeling van de Mullah Sāhib?” Ze wisten wat de Mullah wilde en antwoordden, “De Mullah Sāhib wil een paar spirituele zaken met de Vaiṣṇava paṇḍita’s bespreken.” Ze voegden eraan toe, dat de Mullah de voornaamste geleerde onder de Moslims was en buitengewoon werd gerespecteerd door de Keizer in Delhi. Hoewel hij altijd was toegewijd aan de promotie van zijn eigen godsdienst, was hij niet in het minst vijandig gezind of neerbuigend jegens andere religies. De tempelauthoriteiten verzochten op nederige wijze, of één of twee Vaiṣṇava paṇḍita’s naar voren wilden komen om de śāstra met hem te bespreken en de uitmuntendheid van de heilige vaiṣṇava-dharma uiteen te zetten.

Enkele Vaiṣṇava’s voelden zich geroepen om met de Mullah Sāhib te spreken, omdat ze een gelegenheid zagen de vaiṣṇava-dharma  uiteen te zetten. Uiteindelijk kwamen ze met elkaar overeen, dat Gorācānda dāsa Paṇḍita Bābājī  uit Śrī  Māyāpura, Vaiṣṇava dāsa Paṇḍita Bābājī  uit Śrī  Godruma, Premadasa Bābājī  uit Jahnu-nagara en Kali-pāvana dāsa Bābājī  uit Campāhaṭṭa met de Mullah Sāhib in discussie gingen. Alle andere Vaiṣṇava’s konden ook bij de discussie komen zitten, nadat de recitatie van Śrī Caitanya-maṅgala was voltooid. Toen ze deze beslissing hoorden riepen de vier bābājī’s luid uit, “Jaya Nityānanda!” en volgden de mahānta naar de grote binnenplaats buiten het tempelgebouw.

Aan de Mullah en zijn gezelschap werden zitplaatsen op de binnenplaats onder de heerlijk verkoelende schaduw van een grote banyanboom aangeboden. Toen ze de Vaiṣṇava’s zagen naderen, stond de Mullah en zijn gevolg op om hen hartelijk te begroeten. Omdat ze wisten, dat alle jīva’s dienaren zijn van Kṛṣṇa, boden de Vaiṣṇava’s op hun beurt daṇḍavat aan Śrī  Vāsudeva aan, die Zich in het hart van de Mullah en zijn metgezellen bevindt, en gingen op hun respectievelijke plaatsen zitten. De situatie was buitengewoon om te zien. Aan de ene zijde zaten vijftig goed geklede moslimgeleerden met witte baarden en hun majestueus gedecoreerde hengsten achter zich aangelijnd. Aan de andere zijde zaten vier Vaiṣṇava’s als een goddelijke verschijning in een nederig houding. In grote verwachting kwamen veel Hindoe’s aangelopen en gingen achter hen zitten. Een hoeveelheid anderen verzamelden zich ook en namen in de nabijheid van het gezelschap plaats.

Paṇḍita Gorācānda was de eerste, die het gesprek opende. Hij vroeg, “O grote zielen, waarom hebt u zulke onbetekenende figuren als wij bij u geroepen?”

Mullah Badrud-Dīn Sāhib antwoordde nederig, “Salām! Wij willen een paar vragen stellen.”

Paṇḍita Gorācānda zei, “Welke kennis zouden wij kunnen hebben, waarmee we mogelijkerwijs uw geleerde vragen kunnen beantwoorden?”

Badrud-Dīn Sāhib kwam een beetje dichterbij en zei, “Broeders, de deva’s en devī’s zijn sinds de Oudheid in de hindoegemeenschap vereerd. Welnu, we zien in onze Qur’ān-sharīf, dat Allah één is, en niet twee, en dat Hij geen vorm heeft. Het is een overtreding om een afbeelding van Hem te maken en die te vereren. Ik koester twijfel met betrekking tot deze kwestie en ik heb vele brāhmaṇa-paṇḍita’s geconsulteerd in de hoop een oplossing te vinden.

“Deze paṇḍita’s antwoordden, dat Allah in feite vormloos is, maar dat men echter onmogelijk iets kan bevatten, dat geen vorm heeft. Daarom dient men eerst een denkbeeldige vorm van Allah te maken en op Hem te mediteren door die vorm te vereren.

“Ik ben echter niet tevreden met dit antwoord, want een denkbeeldige vorm van Allah maken is het werk van Satan. Dat heet ‘but’ en is volstrekt verboden voor verering. Het is verre van plezierig voor Allah en zulke verering maakt je alleen maar tot het object van Zijn toorn. We hebben gehoord, dat jullie oorspronkelijke voorganger, Śrī Caitanyadeva, alle fouten in de Hindoedharma heeft gecorrigeerd en toch maakt Zijn sampradāya ook voorzieningen om materiële vormen te vereren. We willen van jullie, Vaiṣṇava’s, horen, waarom jullie de verering van materiële vormen niet hebben opgegeven, hoewel jullie deskundig zijn in de conclusies van de śāstra .” 

De Vaiṣṇava paṇḍita’s  waren vanbinnen geamuseerd met de vraag van de Mullah. Uitwendig verklaarden zij, “Paṇḍita Gorācānda Mahāśaya, wilt u zo goed zijn om een bevredigend antwoord op de vraag van de Mullah te geven?”

Paṇḍita Gorācānda zei met gratie, “Zoals u wilt,” en ging door de vraag te beantwoorden.

Gorācānda: Degene, aan Wie u refereert als Allah, noemen wij Bhagavān. De Supreme Heer is één, maar Hij wordt gekend onder verschillende namen in de Qur’ān, in de purāṇa’s en in verschillende landen en talen. De eerste consideratie is, dat de naam, die àlle eigenschappen van de Supreme Heer uitdrukt, voorrang dient te worden gegeven. Om die reden hebben we een groter respect voor de naam Bhagavān, dan voor de namen Allah, brahma, en Paramātma. Het woord Allah verwijst naar dat Wezen, dat geen hogere boven Zich heeft, maar we beschouwen de grootheid of suprematie niet als de hoogste eigenschap van de Heer. De eigenschap, die de hoogste mate van verwondering (camatkārita) en beminnelijkheid (mādhurī) oproept, is veel eerder het hoogste respect waardig.

Iets, dat extreem groot is, inspireert tot een type verwondering, maar nietigheid is een tegenpool van grootheid en inspireert tot een ander type verwondering. Daarom drukt de naam Allah niet de uiterste grens van verwondering uit, want het drukt grootheid uit, geen nietigheid. Het woord Bhagavān daarentegen impliceert ieder type verwondering, dat denkbaar is.

De eerste karakteristiek van Bhagavān is volkomen aiśvarya (overvloed), dat verwijst naar de uiterste grens van grootheid en kleinheid. De tweede karakteristiek is, dat Hij het machtigst is, want Hij bezit alle śakti’s (sarva-śaktimattā). Datgene, wat buiten het bereik van het menselijk intellect staat, wordt bestuurd door Īśvara’s acintya-śakti (onbevattelijk vermogen), waardoor Hij gelijktijdig vorm heeft en vormloos is. Als men denkt, dat Īśvara geen vorm kan hebben, wijst men Zijn acintya-śakti af, waarmee Bhagavān Zijn eeuwige vorm en spel voor Zijn bhakta’s manifesteert. Allah, brahma, of Paramātmā zijn nirākāra (vormloos), dus ze hebben geen enkel wonderbaarlijk kenmerk.

De derde karakteristiek van Bhagavān is, dat Hij altijd maṅgalamaya, heilzaam, en yaśa-pūrṇa, alom beroemd, is. Daarom zijn Zijn spel en vermaak vol nectar. Zijn vierde karakteristiek is, dat Hij over alle schoonheid (saundarya) beschikt en alle levende wezens, die over een transcendentale visie beschikken, zien Hem als de allermooiste persoon. Bhagavān’s vijfde karakteristiek is, dat Hij over onbegrensde kennis (aśeṣa-jñāna) beschikt. Het betekent, dat Hij zuiver is, volmaakt, alwetend en transcendentaal is aan wereldse materie. Zijn vorm is juist de belichaming van bewustzijn en bevindt zich voorbij alle materiële elementen (bhūta). Zijn zesde karakteristiek is, dat, zelfs al is Hij heer en meester van alle jīva’s, Hij niet is gehecht (nirlepa) en onafhankelijk (svatantra) is. Dit zijn Bhagavān’s zes voornaamste eigenschappen.

Bhagavān heeft twee manifestaties: Zijn stijl van aiśvarya (majesteit) en Zijn stijl van mādhurya (lieftalligheid). Zijn manifestatie van mādhurya is de allerhoogste vriend voor de jīva’s  en deze is de persoonlijkheid van Kṛṣṇa of Caitanya, die de Heer is van ons hart. U hebt gezegd, dat de verering van een of andere denkbeeldige vorm van de Heer verering is van materiële vormen, but-parast [Arabisch] of bhūta-pūjā [Sanskriet], en daarmee zijn wij het eens. De dharma van de Vaiṣṇava’s is het vereren van de volkomen bewuste, eeuwige vorm van het Godsbeeld van Bhagavān. Daarom maakt afgodenverering (but-parast) geen deel uit van de vaiṣṇavadoctrine.

Men moet goed begrijpen, dat de verering door de Vaiṣṇava’s van het Godsbeeld geen afgodenverering is. Men kan de verering van het Godsbeeld niet verbieden, alleen maar omdat er boeken zijn, die afgodenverering afwijzen; alles is afhankelijk van de kwaliteit van het vertrouwen in het hart van de toegewijde. Hoe meer het hart de invloed van de materie weet te overstijgen, hoe bekwamer men zal zijn om de zuivere vorm van het Godsbeeld te vereren. U bent de Mullah Sāhib, het Hoofd van de moslimgeleerden, en uw hart kan vrij zijn van de invloed van materie, maar hoe zit het met leerlingen van u, die niet zo geleerd zijn? Is hun hart vrij van alle gedachten aan materie?

Hoe meer men is verzonken in gedachten aan materie, hoe meer men zich in de verering van materie begeeft. Hoewel hij volhoudt, dat de Heer vormloos is, kan zijn hart nog immer vol zijn met gedachten aan materie. Voor de massa van de bevolking is het zeer moeilijk de zuivere vorm van het Godsbeeld te vereren, want zulke verering is volkomen een kwestie van persoonlijke kwalificatie. Met andere woorden, alleen degene, die verheven is boven de invloed van de materie, kan de gedachten aan een materiële vorm overstijgen. Ik wil u oprecht verzoeken om dit onderwerp zorgvuldig in beschouwing te nemen.

Mullah: Ik heb uw uitspraken zorgvuldig overwogen. U zegt, dat Bhagavān verwijst naar zes verbazingwekkende eigenschappen van de Allerhoogste, en ik heb geconcludeerd, dat de Qur’ān-sharīf dezelfde zes kwaliteiten in relatie tot het woord Allah ook beschrijft. Er valt niet te twisten over de betekenis van het woord Allah;  Allah is Bhagavān.

Gorācānda: Heel goed. Als dat waar is, moet u de schoonheid en overvloed van het Allerhoogste Wezen aanvaarden. Dan geeft u toe, dat Hij een schitterende vorm in de spirituele wereld bezit, die is onderscheiden van de wereld der stoffelijke natuur. Dit is onze goddelijke vorm van het Godsbeeld.

Mullah: In onze Qur’ān staat geschreven, dat de Allerhoogste Entiteit een goddelijke, totaal bewuste vorm heeft, dus we zijn gedwongen dit feit te aanvaarden. Maar iedere afbeelding van die spirituele vorm is materieel; dat is wat wij but noemen. De verering van but is niet de verering van het Allerhoogste Wezen. Vertelt u me hierover eens uw standpunt, alstublieft.

Gorācānda: In de Vaiṣṇava śāstra  wordt een voorziening getroffen voor de verering van de goddelijke, spirituele vorm van het Godsbeeld van Bhagavān. Voor de verheven klasse toegewijden is geen voorschrift gegeven om materiële objecten te vereren, die bestaan uit aarde, water, vuur of andere elementen. In Śrīmad-Bhāgavatam (10.84.13) wordt gezegd:

yasyātma-buddhiḥ kuṇape tri-dhātuke
sva-dhīḥ kalatrādiṣu bhauma ijya-dhīḥ
yat tīrtha-buddhiḥ salile na karhicij
janeṣv abhijñeṣu sa eva go-kharaḥ

Iemand, die zijn kadaverachtige lichaam bestaande uit de drie elementen, vata, pita en kapha, als zijn ware zelf beschouwt; die zijn vrouw, kinderen en anderen ziet als van zichzelf; die aardse vormen gemaakt van aarde, steen of hout eerwaardig acht; die louter water als een pelgrimsoord beschouwt – maar de bhagavad-bhakta’s niet dierbaarder dan zichzelf acht, als waarlijk zichzelf, eerwaardig en als pelgrimsoorden beschouwt; zo iemand, die weliswaar een mens is, is niet beter dan een ezel onder de dieren.

In de Gītā (9.25) wordt gezegd:

bhūtāni yānti bhūtejyā

Degenen, die materie vereren gaan naar de oorden der materie.

We zien aan deze en vele andere samenvattende uitspraken, dat er in śāstra  geen basis bestaat voor de verering van dode materie. Hier dienen we een belangrijk punt in ogenschouw te nemen. Mensen hebben volgens hun kennis en saṁskāra uiteenlopende maten van kwalificatie. Alleen degenen, die de zuiver spirituele existentie kunnen bevatten zijn competent om de zuiver spirituele vorm van het Godsbeeld te vereren. Wat dit betreft staat iemands begrip in verhouding tot zijn ontwikkeling.

Degenen met een uitermate lage spirituele kwalificatie kunnen de zuivere, spirituele staat-van-zijn niet bevatten. Zelfs wanneer zulke mensen in gedachen op de Heer mediteren, is de vorm, die ze zich voorstellen, materieel en het mediteren op een materiële vorm is hetzelfde als het samenstellen van een vorm uit fysieke elementen en deze als de vorm van de Heer beschouwen. Daarom is het voor een persoon op dit niveau van bekwaamheid heilzaam om het Godsbeeld te vereren. Het zou in feite uiterst ongunstig zijn voor de algemene klasse van mensen, als er geen verering van Godsbeelden zou zijn. Wanneer gewone jīva’s  belangstelling krijgen voor de dienst van de Heer, worden ze wanhopig, als ze de vorm van het Godsbeeld niet voor zich kunnen zien. Bij religies waar geen verering van het Godsbeeld is, zijn de leden met een laag niveau van spirituele ontwikkeling uitermate materialistisch en nalatig jegens Īśvara, of ze zijn in een staat van verwarring. Daarom is de verering van het Godsbeeld voor de hele mensheid het fundament van religie.

De vorm van Parameśvara wordt aan de mahājana’s in hun trance van onvermengde jñāna-yoga geopenbaard en ze mediteren op die zuivere, transcendentale vorm in hun hart, dat door bhakti  wordt gezuiverd. Wanneer het hart van de bhakta na zijn onafgebroken meditatie aan de wereld wordt geopenbaard, wordt de afbeelding van de transcendentale vorm van de Heer in deze wereldse omgeving vorm gegeven. De goddelijke gedaante van de Heer, die op deze manier door de mahājana’s is bespiegeld, is de vorm van het Godsbeeld geworden.

De vorm van het Godsbeeld is altijd cinmaya (spiritueel en bewust) voor degenen op het hoogste platform van bekwaamheid. Degenen op het middelste niveau zien alleen, dat het Godsbeeld beschikt over waarneming en gewaarwording (manomaya). Dit betekent, dat de middelmatige toegewijde weet, dat het Godsbeeld van zijn gedachten en gebeden op de hoogte is en zijn gevoel voor verering aanvaardt. De gemiddelde toegewijde echter ziet het Godsbeeld in tegenstelling tot de gevorderde toegewijde niet als de alom bewuste vorm van Bhagavān. Degenen op het laagste niveau zien het Godsbeeld aanvankelijk als materieel (jaḍamaya), maar na verloop van tijd openbaart het Godsbeeld Zijn zuiver spirituele gedaante aan de intelligentie, die door spirituele liefde is gezuiverd. Hierdoor is de vorm van het Godsbeeld van Bhagavān geschikt te worden vereerd en te worden gediend door alle klassen van toegewijden. Het is onnodig een denkbeeldige vorm te vereren, maar het is wel uitermate heilzaam om Bhagavān’s eeuwige vorm van het Godsbeeld te vereren.

De sampradāya’s van de Vaiṣṇava’s voorzien de mensen op deze drie niveau’s van verering van het Godsbeeld. Hierin schuilt geen defect, want het is de enige opstelling, waarbij de jīva’s  geleidelijk hun heil kunnen bereiken. Dit wordt in Śrīmad-Bhāgavatam  (11.14.26) bevestigd:

yathā yathātmā parimṛjyate ‘sau
mat-puṇya-gāthā-śravānābhidhānaiḥ
tathā tathā paśyati vastu sūkṣmaṁ
cakṣur yathaivāñjana-samprayuktam

O Uddhava, zoals ogen, die worden behandeld met therapeutische zalf, zeer kleine objecten kunnen waarnemen, evenzo kan het hart, dat is gezuiverd van materiële besmetting door het horen en reciteren van de verhalen over Mijn supreem zuivere activiteiten, Mijn subtiel bovenzinnelijke gedaante waarnemen, welke buiten het gezichtsveld van de materie ligt.

De jīvātmā wordt bedekt door het materiële verstand en in deze staat kan hij zichzelf niet kennen of dienst verlenen aan Paramātmā. Maar door sādhana-bhakti te beoefenen – dat bestaat uit horen, chanten en andere devotionele handelingen – ontwikkelt de ātmā geleidelijk spirituele kracht. Naarmate die kracht toeneemt, neemt materiële gebondenheid af en hoemeer materiële gebondenheid wordt losgelaten, hoemeer de eigen, natuurlijke functie van de ziel zich verheft. Men krijgt dus geleidelijk aan rechtstreekse waarneming van het zelf en van Īśvara en men houdt zich rechtstreeks bezig met spirituele activiteiten.

Sommige mensen denken, dat je moet proberen de Absolute Waarheid te realiseren door alles af te wijzen, dat geen waarheid is. Dit heet het cultiveren van droge kennis. Welke kracht heeft een geconditioneerde ziel om zich tegen objecten te verzetten, die in zichzelf niet echt zijn? Kan een gevangene, die vastzit in zijn cel, zichzelf bevrijden door het eenvoudig te wensen? Zijn doel dient te zijn het uitroeien van zijn wandaad, die hem in gevangenschap heeft geplaatst. Het fundamentele gebrek van de jīvātmā is, dat hij is vergeten een eeuwige dienaar van Bhagavān te zijn, en dat is de reden, waarom hij wordt vastgehouden door māyā en wordt gedwongen in deze wereld onder materieel geluk, verdriet, herhaalde geboorten en dood te lijden.

Hoewel iemand aanvankelijk druk bezig kan zijn met lustbevrediging, zal zijn oorspronkelijke natuur als eeuwige dienaar van Kṛṣṇa worden versterkt, indien zijn verstand om een of andere reden enige toenadering in de richting van Īśvara zoekt en hij regelmatig darśana van het Godsbeeld neemt en līlā-kathā hoort. Hoemeer kracht zijn inherente natuur ontwikkelt, hoe competenter hij wordt om de geest, de Spirit, rechtstreeks waar te nemen. De enige hoop op geestelijke vooruitgang van degenen, die het minst spiritueel zijn ontwikkeld, is het Godsbeeld te dienen en over de Heer te horen en te chanten. Dat is de reden waarom de mahājana’s de dienst aan het Godsbeeld hebben ingesteld.

Mullah: Is meditatie op een vorm van de Heer in de geest niet superieur aan het uitbeelden van een vorm met behulp van materiële elementen?

Gorācānda: Ze zijn hetzelfde. Het verstand volgt de materie en waarover het denkt is ook materieel. Wel kunnen we zeggen, dat brahma aldoordringend is, maar hoe kan ons verstand dit eigenlijk bevatten? We worden gedwongen om in termen van de aldoordingbaarheid van het luchtruim te denken. Hoe kan het verstand zich voorbij deze beschouwing bewegen? Ons begrip van brahma wordt daarom beperkt door de begrenzing van de materiële ruimte.

Als je zegt, “Ik mediteer op brahma,” wordt de ervaring van brahma beperkt door materiële tijd, want de ervaring vervaagt op het moment, dat de meditatie wordt afgesloten. Hoe kan meditatie met het verstand een object te pakken krijgen, dat zich boven de materie bevindt, dat wordt geconditioneerd door tijd en ruimte, die op hun beurt ook materiële verschijnselen zijn? Je kunt het idee verwerpen, dat de vorm van het Godsbeeld kan bestaan uit materiële elementen, zoals aarde en water, en je kunt je voorstellen, dat Īśvara Zich in alle windrichtingen of in de ruimte bevindt, maar toch is dit allemaal bhūta-pūjā, verering van materie.

Geen enkel materieel object kan het bereik van een bovenzinnelijk doel ondersteunen. Het enige, dat dit faciliteert, is het ontwaken van je toegenegenheid tot Īśvara. Deze toegenegenheid is de jīvātmā  aangeboren en wordt geleidelijk versterkt en in bhakti omgezet, zodra je de naam van God uitspreekt, Zijn spel en vermaak reciteert en inspiratie ontvangt door het aanschouwen van het Godsbeeld (śrī vigraha). De spirituele vorm van de Heer kan alleen worden ervaren door zuivere bhakti, niet door jñāna of karma.

Mullah: Materie is verschillend van God. Ik denk, dat het beter is om geen materiële objecten te vereren, want men zegt, dat Satan de verering van materie heeft geïntroduceerd om de levende wezens aan de materiële wereld gebonden te houden.

Gorācānda: Īśvara is één zonder tweede en Hij heeft geen rivaal. Alles in deze wereld wordt door Hem gecreëerd en alles staat onder Zijn beheer. Daarom kan Hij tevreden worden gesteld met ieder object, indien het in het proces van Zijn verering wordt gebruikt. Er is in deze wereld geen object, dat je kunt vereren en dat Zijn boosheid kan opwekken, want Hij is alheilzaam. Zelfs al zou een persoon als Satan bestaan, is hij niets meer dan een bijzondere jīva, die onder controle van God staat en geen enkele macht heeft om iets uit te richten in weerwil van God. Het is in mijn opvatting echter niet mogelijk, dat een dergelijk monsterlijk wezen bestaat. Er kan geen activiteit plaatsvinden, die aan de wil van Īśvara is tegengesteld, noch bestaat er een levend wezen, dat onafhankelijk van de Heer opereert.

U kunt zich afvragen, “Wat is de oorsprong van zonde?” Mijn antwoord is alsvolgt. Vidyā (kennis) is het begrijpen, dat de jīva’s  dienaren zijn van Bhagavān, en avidyā (onwetendheid) is de vergetelheid hiervan. Alle jīva’s , die om welke reden dan ook hun toevlucht zoeken in avidyā, zaaien in het hart het zaad van alle zonden. In het hart van die jīva’s, die eeuwige metgezellen zijn van Bhagavān, bestaat geen zaad van zonde. Men zou deze waarheid van avidyā goed moeten begrijpen, in plaats van zich een buitensporige mythe over Satan in te beelden. Het betekent, dat het geen overtreding is om de Heer in materiële elementen te vereren. De verering van het Godsbeeld is zeer wezenlijk voor degenen met een geringe spirituele ontwikkeling en het is in het bijzonder heilzaam voor mensen met een hoge spirituele bekwaamheid. Volgens ons is het louter dogma om te denken, dat de verering van het Godsbeeld niet deugt. In śāstra  is er geen logica of bewijs, die dit standpunt onderbouwt.

Mullah: De toegenegenheid naar God kan niet worden gestimuleerd door de verering van het Godsbeeld, want het verstand van iemand, die zulke verering uitvoert, blijft altijd beperkt tot de eigenschappen van de materie.

Gorācānda: Wij kunnen het defect in uw theorie begrijpen door gegevens uit de antieke geschiedenis te bestuderen van degenen, die grote toegewijden zijn geworden. Veel mensen begonnen als neofieten het Godsbeeld te vereren, maar terwijl hun devotionele gevoel zich in de associatie van zuivere toegewijden ontwikkelde, nam ook hun realisatie van de transcendentale en bewuste natuur van het Godsbeeld toe en raakten ze uiteindelijk in de oceaan van prema verzonken.

De onweerlegbare conclusie is, dat sat-saṅga de wortel is van alle spirituele vooruitgang. Als je associeert met bhakta’s van Bhagavān, die zich volkomen in het goddelijk bewustzijn bevinden, ontwaakt je bovenzinnelijke genegenheid voor Bhagavān. Hoemeer deze transcendentale genegenheid toeneemt, hoemeer het materialistische idee van het Godsbeeld vervaagt en door groot geluk zal dit goddelijke bewustzijn zich geleidelijk ontplooien. De voorstanders van niet-Āryan religies daarentegen bestrijden in het algemeen de verering van het Godsbeeld, maar gaat u eens na – hoeveel van hen hebben spirituele realisatie (cinmaya-bhāva) bereikt? Ze verdoen hun tijd met zinloze argumenten en haatgevoelens. Wanneer hebben ze ware devotie voor Bhagavān ervaren?

Mullah: Er bestaat dus geen defect, als men innerlijk de bhajana van God in een liefdevolle stemming uitvoert en zich uiterlijk in de verering van het Godsbeeld begeeft. Maar hoe kan de verering van een hond, een kat, een slang of een misdadiger verering van God worden genoemd? Onze eerwaarde profeet, Paigambara Sāhib, heeft zulke verering van materiële objecten hardgrondig vervloekt.

Gorācānda: Alle menselijke wezens zijn God dankbaar. Het maakt niet uit hoeveel zonden ze begaan, want er komt een gelegenheid, dat ze zich van God als de allerhoogste entiteit bewust worden en zodra ze dit geloof koesteren, knielen ze voor de buitengewone verschijnselen in deze wereld neer. Als onwetende mensen worden geïnspireerd door hun dankbaarheid aan God, bieden ze van nature respect aan de zon, een rivier, een berg, of aan grote dieren aan. Ze drukken hun hart voor zulke dingen uit en tonen hun onderwerping. Ik geef toe, dat er een enorm verschil is tussen dit soort verering van materiële objecten en de bovenzinnelijke affectie jegens de Heer (cinmaya bhagavad-bhakti). En toch, wanneer zulke onwetende mensen een gevoel van dankbaarheid jegens God aannemen en een gevoel van respect koesteren jegens materiële objecten, levert dat geleidelijk een positief effect op. Als men dus de situatie logisch bekijkt, kan men hen geen enkel defect verwijten.

De meditatie op de vormloze, aldoordringende existentie van de Heer en het aanbieden van namāz of andere soorten gebeden aan een onpersoonlijk aspect van de Heer gaan ook in gebreke van zuiver transcendentale liefde, dus in welk opzicht verschillen deze methoden van de verering van een kat, bijvoorbeeld? Wij beschouwen het als essentieel om op welke manier dan ook bhāva voor Bhagavān op te wekken. De poort, die leidt tot geleidelijke verheffing, blijft volledig gesloten, als mensen op welk niveau van verering ook worden vervloekt of belachelijk gemaakt. Degenen, die in de betovering van dogmatisme verzeild raken en daardoor sectarisch worden, ontberen de kwaliteiten vrijgevigheid en empathie. Dat is de reden, waarom ze anderen, die niet op dezelfde wijze vereren als zijzelf, vervloeken en belachelijk maken. Dit is een groot gebrek aan hun zijde.

Mullah: Moeten we dan concluderen, dat alles God is en dat de verering van wat dan ook verering van God is? Dat zou betekenen, dat de verering van zondige objecten, of de neiging tot zondigen ook verering van God is. Zouden al deze verschillende typen van verering God een plezier doen?

Gorācānda: Wij zeggen niet, dat alles God is. In tegendeel, God is verschillend van al deze zaken. God creëert en beheert alles en alles heeft met Hem een relatie. De rode draad van die relatie loopt door alles heen en dat is de reden, waarom men onderzoek kan instellen naar de aanwezigheid van God in alle dingen. Omdat men de aanwezigheid van God in alle dingen onderzoekt, kan men geleidelijk de supreem transcendentale en bewuste entiteit proeven of ervaren. Dit wordt uitgedrukt in de sūtra, jijñāsā-āsvādanāvadhi : “Onderzoek leidt tot ervaring.”

U allen bent geleerde paṇḍita’s. Als u deze kwestie met een genereus gevoel in ogenschouw neemt, zult u het begrijpen. Wij, Vaiṣṇava’s, zijn totaal niet geïnteresseerd in materiële zaken en we willen niet betrokken raken bij lange, uiteen getrokken argumenten. Als u zo goed bent ons toe te staan, zullen we nu de sublieme, muzikale vertelling van Śrī Caitanya-maṅgala laten horen.”

Het was niet duidelijk tot welke conclusie de Mullah Sāhib als gevolg van deze discussie was gekomen. Na een korte stilte zei hij, “Ik was blij uw standpunt te horen. Een andere dag zal ik terugkeren en nader informeren. Het is al laat en ik wil naar huis terugkeren.” De Mullah en zijn gevolg beklommen hun paarden en vertrokken naar Sātsāika Paraganā.

De bābājī’s riepen de naam van Śrī  Hari luid en met grote vreugde uit en gingen de tempel binnen om de recitatie van Śrī Caitanya-maṅgala te horen.

 

 

Aldus eindigt het Elfde Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld

"Nitya-dharma en afgodenvergering"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________



Vorige: Hoofdstuk 10 – "Nitya-dharma en geschiedenis"

Volgende: Hoofdstuk 12 – "Nitya-dharma, Sadhana & Sadhya"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl