Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 10

Nitya-dharma en geschiedenis


Śrī Harihara Bhaṭṭacārya was een professor, die in Agradvīpa woonde. Hij had initiatie in vaiṣṇava-dharma aanvaard en vereerde Bhagavān Śrī Kṛṣṇa in zijn huis. Maar hij had met betrekking tot het Vaiṣṇavisme twijfels gekregen, die hij niet kon oplossen, zelfs niet na zoveel gesprekken met anderen hierover. Eigenlijk maakten deze gesprekken zijn twijfels alleen maar dieper. Op een dag ging Harihara naar het dorp Arkaṭilā en vroeg aan Śrī Caturbhuja Nyāyaratna, "Bhaṭṭacārya Mahāśaya, kunt u me vertellen hoelang het is geleden, dat vaiṣṇava-dharma ontstond?"


Gedurende bijna twintig jaar had Nyāyaratna Mahāśaya de nyāya-śāstra grondig bestudeerd. Het gevolg was, dat hij nogal onverschillig tegenover religie was komen staan en hield er niet van om te worden lastiggevallen met religieuze discussies. Hij toonde alleen enige devotionele neiging op het moment, dat hij śakti-pūjā (verering van Godin Durgā) uitvoerde.

Toen Nyāyaratna zijn vraag hoorde, dacht hij dat Harihara, die een voorstander was van de vaiṣṇava-religie, van plan was hem in een dispuut te betrekken en dat het beter was om een dergelijk conflict te vermijden. Terwijl hij hierover nadacht, zei Nyāyaratna Mahāśaya, "Harihara, wat voor een vraag stel je me vandaag? Je hebt de nyāya-śāstra helemaal tot de muktipada bestudeerd. Kijk, je weet, dat er in de nyāya-śāstra nergens naar vaiṣṇava-dharma wordt verwezen, dus waarom kom je me lastigvallen met zo'n rare vraag?"

Harihara, die nu een beetje was aangedaan, antwoordde, "Bhaṭṭacārya Mahāśaya, mijn voorvaders zijn vele generaties Vaiṣṇava geweest. Ik ben ook met een vaiṣṇava-mantra genitieerd en ik heb nooit enige twijfel gehad omtrent vaiṣṇava-dharma. Maar u hebt misschien gehoord, dat Tarka-cūḍāmaṇi uit Vikramapura bezig is de vaiṣṇava-religie te ontwortelen en er op het ogenblik tegenin predikt, zowel lokaal als over de grens en dat hij er een dikke boterham mee verdient. In een bijeenkomst, die door de meeste volgelingen van Durgā werd bijgewoond, heeft hij verklaard, dat de vaiṣṇava-religie zeer recent is en niet filosofisch is onderbouwd. Hij zei, dat alleen lage-klasse mensen Vaiṣṇavas worden; hoge-klasse mensen hebben geen respect voor vaiṣṇava-dharma.

"Toen ik voor het eerst zulke conclusies hoorde van een wetenschapper van zijn formaat, deed het pijn in mijn hart, maar toen ik erover nadacht, kwam het bij me op, dat er in Bengalen vr de verschijning van Śrī Caitanya nergens vaiṣṇava-dharma was te bekennen. Vr zijn tijd vereerde iedereen Godin Durgā en reciteerde de śakti-mantra's. Er waren weliswaar een paar Vaiṣṇavas zoals wijzelf, die vereerden door vaiṣṇava-mantra's te reciteren, maar ieders doel was uiteindelijk brahma en mukti te bereiken en iedereen legde zich ijverig op dit doel toe.

"In het type vaiṣṇava-dharma, waarin wij zijn genitieerd, keurde iedereen het systeem van pacopāsana goed, maar na de tijd van Caitanya Mahāprabhu nam vaiṣṇava-dharma een andere vorm aan en nu kunnen Vaiṣṇavas zelfs de woorden mukti en brahma niet meer verdragen. Ik kan u niet eens vertellen, wat zij denken, dat bhakti is. Welnu, zoals zij zeggen, 'Een koe met n oog dwaalt dikwijls van de kudde af'. Dat is precies van toepassing op de moderne Vaiṣṇavas. Dus mijn vraag is, bestond dit type vaiṣṇava-dharma al eerder, of is het pas verschenen sinds de tijd van Caitanyadeva?"

Toen hij in de gaten kreeg, dat Harihara niet zo orthodox was als een Vaiṣṇava, zoals hij vreesde, bloeide het gezicht van Nyāyaratna Mahāśaya met vreugde op. "Harihara," zei hij, "je bent een ware geleerde van de nyāya-śāstra. Je hebt zojuist precies uitgedrukt, wat ik ook geloof. Er is tegenwoordig een nieuwe golf van vaiṣṇava-dharma en ik ben bang om er iets tegenin te brengen. We moeten een beetje voorzichtig zijn, want dit is het tijdperk van Kali. Vele rijke en respectabele heren hebben nu Caitanya's doctrine aanvaard. Ze zien ons helemaal niet meer staan en denken zelfs, dat wij hun vijanden zijn. Ik vrees, dat onze professie binnen afzienbare tijd achterhaald gaat worden. Zelfs de inferieure kasten van olieverkopers, betelbladventers en goudhandelaren zijn notabene de śāstra gaan bestuderen en dat doet ons groot verdriet.

"Kijk, gedurende een lange tijd hadden de brāhmaṇas het zodanig geregeld, dat geen andere kaste de śāstra kon bestuderen, zelfs de kāyastha's niet, die direct onder de brāhmaṇas staan. Iedereen was verplicht ons woord te respecteren. Nu zijn mensen uit alle kasten Vaiṣṇavas geworden en bemoeien zich met filosofische waarheden en dit heeft de reputatie van de brahmaanse kaste ernstig geschaad. Nimāi Paṇḍita is voor de destructie van de brāhmaṇa-dharma verantwoordelijk. Harihara, Tarka-cūḍāmaṇi heeft terecht gesproken, of hij het nu heeft gedaan uit hebzucht naar weelde, of na de situatie zorgvuldig te hebben geanalyseerd.

"Wanneer ik de woorden van de Vaiṣṇavas hoor, staat mijn lichaam in vuur en vlam van woede. Nu gaan ze zelfs zover te zeggen, dat Śaṅkarācārya de Māyāvāda śāstra op verzoek van Bhagavān Zelf vestigde en dat de vaiṣṇava-religie eeuwig is. De religie, die nog geen honderd jaar geleden tevoorschijn kwam, is nu opeens zonder begin! Hoe wonderlijk! Een gezegde luidt, 'Het voordeel, dat is bedoeld voor de n, wordt door de ander genoten'.

"Welke glorie Navadvīpa vroeger ook heeft bereikt wordt nu vergooid. En vooral door de Vaiṣṇavas, die nu in Gādīgāchā in Navadvīpa leven, die de wereld zien als een ondiepe aarden vlakte. Een paar gedegen leraren onder hen heeft zoveel deinig gemaakt, dat het hele land is geruneerd. Nu raken de plichten van de vier beroepsgroepen, de eeuwige waarheid van de doctrine van Māyāvāda en de verering van de devatā's en devī's in de vergetelheid. Zelden voeren mensen nog de śrāddha-ceremonie voor het welzijn van hun overleden verwanten uit. Hoe moeten wij, leraren, overleven?"

Harihara zei, "Mahātmā! Is hiervoor geen remedie te bedenken? In Māyāpura zijn nog zes of zeven brahmaanse geleerden met een grote reputatie. Aan de andere zijde van de Gaṅgā in Kuliyā-grāma zijn ook talloze geleerden, die de smṛti en nyāya-śāstras beheersen. Als zij zich samenvoegen en Gādīgāchā aanvallen, zou dat geen resultaat hebben?"

Nyāyaratna zei, "Waarom niet? Het is mogelijk, als de brāhmaṇa-paṇḍita's zich verenigen, maar er is onder hen tegenwoordig verschil van mening. Ik heb gehoord, dat een paar paṇḍita's onder leiding van Kṛṣṇa Cūḍāmaṇi naar Gādīgāchā zijn gegaan en een debat zijn aangegaan, maar ze kwamen verslagen naar hun school terug, waar ze er alleen het hoognodige over wilden vertellen."

Harihara zei, "Bhaṭṭacārya Mahāśaya, u bent niet alleen onze leraar, maar de leraar van vele andere leraren. Uw commentaar op de nyāya-śāstra heeft door ondeugdelijke argumenten te analyseren vele geleerden de kunst van het redeneren geleerd. Als u het wilt, kunt u deze vaiṣṇava-geleerden voor eens en voor altijd verslaan. U kunt aantonen, dat de vaiṣṇava-religie een moderne uitvinding is, die de Veda's niet onderbouwen. Dit zou voor de brāhmaṇas een grote daad van genade zijn en een nieuwe bekrachtiging van onze historische verering van pacopāsanā, dat op het punt staat te verdwijnen."

Caturbhuja Nyāyaratna was inwendig bevreesd om met de Vaiṣṇavas in debat te gaan, want hij dacht, dat ze hem op dezelfde manier zouden verslaan als ze met Kṛṣṇa Cūḍāmaṇi en anderen hadden gedaan. Hij zei, "Harihara, ik ga incognito. Jij moet je als leraar voorstellen en het vuur van het debat in Gādīgāchā ontsteken. Daarna neem ik het over inclusief de verantwoording."

Harihara zei op gelukzalige toon, "Ik zal zeker uw verzoek inwilligen. Volgende week maandag gaan we de Gaṅgā over en vallen we ze aan en dan roepen we de naam van Mahādeva aan voor een gunstig verloop."

Die maandag brak aan, terwijl ze nog over de zaak zaten na te denken. Drie professoren, Harihara, Kamalākānta en Sadāśiva, bezochten Śrī Caturbhuja Nyāyaratna thuis in Arkaṭilā en vergezelden hem bij zijn tocht over de Gaṅgā naar Godruma. Om vier uur in de namiddag arriveerden ze bij de mādhavī-bossage en riepen uit "Haribol! Haribol!" met een gezicht, alsof ze Durvāsā Muni zelf waren, die werd omringd door zijn volgelingen.

Advaita dāsa zat op dat moment hari-nāma in zijn kuṭīra te chanten. Toen hij ze zag, kwam hij naar buiten en bood ieder van hen vol genegenheid een zitplaats aan. Toen vroeg hij, "Waarmee kan ik jullie van dienst zijn?"

Harihara zei, "We zijn gekomen om een paar zaken met de Vaiṣṇavas te bespreken."

Advaita dāsa zei, "De Vaiṣṇavas van deze plaats debatteren over geen enkel onderwerp. Maar het is goed, indien jullie zijn gekomen om op nederige wijze ergens vragen over te stellen. Vorige keer ontketenden een paar professoren een grootschalig debat onder het voorwendsel enkele vragen te stellen en op het eind vertrokken ze in grote ontreddering. Ik zal het aan Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya vragen, voordat ik jullie een antwoord geef." Toen hij dit zei, ging hij Bābājī Mahāśaya's kuṭīra binnen.

Een ogenblik later kwam Advaita dāsa terug en legde een aantal matten voor de gasten klaar om op te zitten. Toen kwam Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya het paviljoen binnen en bood zijn daṇḍavat-praṇāma aan Vṛndā-devī aan en daarna aan de hooggeleerde brahmaanse bezoekers. Met gevouwen handen vroeg hij nederig, "O grote zielen, zeg ons alsjeblieft wat we kunnen doen. Waarmee kunnen we jullie van dienst zijn?"

Nyāyaratna zei, "We hebben n of twee vragen en we stellen het op prijs, als u die beantwoordt."

Toen Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya dit verzoek hoorde, gaf hij Śrī Vaiṣṇava dāsa Bābājī Mahāśaya opdracht bij hen te komen zitten. Toen Vaiṣṇava dāsa Bābājī arriveerde, bood hij praṇāma aan Paramahaṁsa Bābājī aan en nam naast hem plaats. In korte tijd had zich een kleine groep Vaiṣṇavas verzameld.

Nyāyaratna Mahāśaya stelde toen zijn vraag: "Vertelt u ons alstublieft of de vaiṣṇava-religie oud is of modern."

Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya vroeg Vaiṣṇava dāsa te antwoorden. Op een rustige, maar toch ernstige toon zei Vaiṣṇava dāsa, "De vaiṣṇava-dharma is sanātana, duurzaam, en nitya, eeuwig."

Nyāyaratna: Ik zie dat er twee typen vaiṣṇava-dharma zijn. De ene zegt, dat de para-tattva, die we kennen als brahma, vormloos is en geen kwaliteiten heeft. Maar aangezien het geen zin heeft om een vormloos object te vereren, stellen de sādhakas zich eerst een brahma voor met een of andere vorm en vereeren die. Deze verering is alleen nodig om het hart te zuiveren en als het hart is gezuiverd, komt er kennis van het vormloos brahma naar voren. Op dat moment is het niet langer nodig om door te gaan met de verering van vormen. De vormen van Rādhā-Kṛṣṇa, Rāma, of Nṛsiṁha zijn allemaal inbeelding en zijn bijproducten van māyā. Wanneer men deze denkbeeldige vormen vereert, ontwaakt geleidelijk kennis van brahma. Onder de vereerders van de vijf Godheden (pacopāsaka's) beschouwen degenen zich Vaiṣṇavas, die het Godsbeeld van Viṣṇu vereren en de viṣṇu-mantra's in deze attitude reciteren.

In het tweede type vaiṣṇava-dharma worden Bhagavān Viṣṇu, Rāma, of Kṛṣṇa als para-brahma aanvaard en dezen bezitten eeuwige vormen. Als de sādhaka een van deze specifieke vormen met de corresponderende mantra's vereert, krijgt hij eeuwige kennis van de specifieke Godheid, die hij vereert en krijgt hij de genade van die Godheid. Volgens dit gezichtspunt is de doctrine van impersonalistisch Māyāvāda, dat Śaṅkara heeft verspreid, een misverstand. Vertelt u ons nu eens, welk van deze twee typen Vaiṣṇavisme is duurzaam en eeuwig.

Vaiṣṇava dāsa: De tweede is de ware vaiṣṇava-dharma en is eeuwig. De andere is alleen in naam vaiṣṇava-dharma. In werkelijkheid is deze pseudo vaiṣṇava-dharma tegengesteld aan de ware vaiṣṇava-dharma. Deze is tijdelijk en is ontstaan uit de doctrine van Māyāvāda.

Nyāyaratna: Ik begrijp hieruit, dat in uw opvatting de enig ware vaiṣṇava-dharma de doctrine is, die u hebt ontvangen van Caitanyadeva. U aanvaardt niet, dat de verering van Rādhā-Kṛṣṇa, Rāma, of Nṛsiṁha vaiṣṇava-dharma in zichzelf bevat. U aanvaardt dus alleen de verering van Rādhā-Kṛṣṇa, of andere Godheden, als vaiṣṇava-dharma, indien deze wordt uitgevoerd in overeenstemming met de ideologie van Caitanya. Dit is toch juist? Het is een prima idee, maar hoe kunt u volhouden, dat dit type vaiṣṇava-dharma eeuwig is?

Vaiṣṇava dāsa: Dit type vaiṣṇava-dharma wordt in alle Vedische śāstras geleerd en wordt in alle smṛti-śāstras onderwezen. De hele Vedische geschiedenis bezingt de glorie van deze vaiṣṇava-dharma.

Nyāyaratna: Het is duidelijk, dat Caitanyadeva de pionier van deze doctrine is, maar Hij verscheen minder dan honderdvijftig jaar geleden, dus hoe kan hij eeuwig zijn?

Vaiṣṇava dāsa: Deze vaiṣṇava-dharma bestaat al sinds het eerste begin van de verschijning van de jīvas. De jīvas zijn anādi, want ze hebben geen begin in de materile tijd. Daarom is de wezenlijke functie van de jīvas, die we kennen als jaiva-dharma of vaiṣṇava-dharma, ook anādi. Brahmā is de eerste jīva, die een geboorte in dit universum heeft. Zodra hij verscheen, manifesteerde zich ook de Vedische geluidsvibratie, die de basis is van vaiṣṇava-dharma. Dit staat beschreven in de vier essentile ślokas van Śrīmad-Bhāgavatam (2.9.33-36), die bekend zijn als de catuḥ-ślokī. Ook in de Muṇḍaka Upaniṣad (1.1.1) staat vermeld,

brahmā devānāṁ prathanaḥ sambabhūva
viśvasya karttā bhuvanasya goptā
sa brahma-vidyāṁ sarva-vidyā-pratiṣṭhām
atharvāya jyeṣṭha-putrāya prāha

Brahmā, die de eerste is van alle deva's en die verscheen uit de lotus, die uit de navel van Bhagavān ontsproot, is de schepper van het universum en de instandhouder van alle levende wezens. Hij gaf brahma-vidyā, de basis van alle andere kennis, aan zijn oudste zoon, Atharva.

De Ṛg Veda-saṁhitā vermeldt de instructies van de brahma-vidyā (1.22.20):

tad viṣṇoḥ paramaṁ padaṁ
sadā paśyanti sūrayaḥ
divīva cakṣur ātatam

De jānī-jana's (zuivere Vaiṣṇavas) zien altijd de allerhoogste verblijfplaats van Bhagavān Śrī Viṣṇu, zoals een ongehinderd oog de zon aan de hemel ziet staan.

In de Kaṭha Upaniṣad (1.3.9) wordt gezegd:

tad viṣṇoḥ paramaṁ padaṁ / viṣṇor yat paramaṁ padam

Die allerhoogste verblijfplaats van Bhagavān Śrī Viṣṇu is de allerhoogste verworvenheid.

De Śvetāśvatara Upaniṣad (5.4) zegt:

sarvā diśa ūrddhvam adhaś ca tiryak
prakāśayan bhrājate yad vanaḍvān
evaṁ sa devo bhagavān vareṇyo
yoni-svabhāvān adhitiṣṭhaty ekaḥ

Bhagavān is de Allerhoogste Persoon en de oorspronkelijke bron van alle deva's. Hij is het allerhoogste object van verering en is n zonder tweede. Zoals de zon stralend schijnt en alle richtingen verlicht, omhoog, omlaag en naar alle zijden, zo reguleert Bhagavān de materile natuur, die de bakermat is van alle verschillende levensvormen.

In de Taittirīya Upaniṣad (2.1.2) wordt gezegd:

satyaṁ jānam anantaṁ brahma
yo veda nihitaṁ guhāyāṁ parame vyoman
so 'śnute sarvān kāmān saha brahmaṇā vipaścitā

Para-tattva brahma is de belichaming van waarheid, kennis en eeuwigheid. Ofschoon die para-brahma Zich in de spirituele hemel bevindt, zit Hij ook verborgen in de hemel der harten van alle levende wezens. Degene, die Īśvara kent, die Zich als de inwonende Superziel in ons binnenste bevindt, bereikt de vervulling van al zijn verlangens in contact met die alwetende Īśvara.

Nyāyaratna: De Ṛg Veda stelt, tad viṣṇoḥ paramaṁ padaṁ: "Zij zien de allerhoogste verblijfplaats van Viṣṇu." Hoe kunt u nu zeggen, dat dit niet verwijst naar de vaiṣṇava-dharma, die in de māyāvāda-doctrine ligt besloten?

Vaiṣṇava dāsa: De vaiṣṇava-dharma, die ligt besloten in het gebied van Māyāvāda, verwerpt het begrip van eeuwig dienaarschap aan Bhagavān. De Māyāvādīs geloven, dat wanneer de sādhaka kennis verkrijgt, hij tevens de status van brahma krijgt. Maar is er sprake van service, als je brahma wordt? In de Kaṭha Upaniṣad (1.2.23) wordt gezegd:

nāyam ātmā pravacanena labhyo
na medhayā na bahunā śrutena
yam evaiṣa vṛṇute tena labhyas
tasyaiṣa ātmā vivṛṇute tanuṁ svām

Die Paramātmā Parabrahma kan niet worden bereikt door het houden van geleerde verhandelingen, door het intellect aan te spreken, of zelfs door het uitputtend horen van de Veda's. Die Paramātmā wordt alleen bereikt door iemand, die Hij Zijn genade geeft. Aangezien de Paramātma zeer nabij is, openbaart Hij Zijn eigen vorm.

De enige ware religie is de wezenlijke functie van service en overgave. Er is geen andere manier om Bhagavāns genade te krijgen en op die manier Zijn eeuwige vorm te zien. Kennis van brahma stelt je niet in staat om darśana van Bhagavāns eeuwige vorm te krijgen. We kunnen uit deze categorische Vedische uitspraak afleiden, dat zuiver vaiṣṇava-dharma op de Veda's is gebaseerd. Alle Veda's sanctioneren de vaiṣṇava-dharma, die Śrīman Mahāprabhu leerde. Wat dit betreft bestaat er geen enkele twijfel.

Nyāyaratna: Bestaat er een uitspraak in de Veda's, waaruit blijkt, dat kṛṣṇa-bhajana en niet de realisatie van brahma-jāna de hoogste verworvenheid is?

Vaiṣṇava dāsa: In de Taittirīya Upaniṣad (2.7.1) wordt gezegd, raso vai saḥ: "Kṛṣṇa is de belichaming van rasa". Bovendien stelt de Chāndogya Upaniṣad (8.13.1):

śyāmāc chabalaṁ prapadye śabalāc chyāmaṁ prapadye

Door service aan Kṛṣṇa te verlenen bereikt men de bovenzinnelijke verblijfplaats van goddelijke genade, die vol wonderlijk spel en vermaak is en door die transcendentale verblijfplaats der wonderen te bereiken, bereikt men Kṛṣṇa.

Er staan vele overeenkomstige uitspraken in de Veda's, die verklaren, dat kṛṣṇa-bhajana de hoogste verworvenheid is.

Nyāyaratna: Verwijst het woord Śyāma niet naar Kṛṣṇa? In de Ṛg Veda (1.22.164.31) wordt gezegd:

apaśyaṁ gopam anipadyamā namā

Ik zag Śrī Kṛṣṇa, die is geboren in een dynastie van gopa's en die onvergankelijk is.

Er staan vele uitspraken in de Veda's, die in het bijzonder naar Kṛṣṇa verwijzen, die als de zoon van een gopa (koeherder) verscheen.

Nyāyaratna: Kṛṣṇa's naam wordt in geen enkele uitspraak duidelijk genoemd; dit is eenvoudig uw gekunstelde interpretatie.

Vaiṣṇava dāsa: Als je de Veda's nauwgezet bestudeert, dan zie je, dat ze deze typen indirecte uitspraken bij ieder onderwerp hebben toegepast. De heiligen uit de Oudheid hebben de betekenis van deze uitspraken uitgelegd en we dienen het hoogste respect voor hun opinies te hebben.

Nyāyaratna: Vertelt u me dan eens over de geschiedenis van vaiṣṇava-dharma.

Vaiṣṇava dāsa: Ik heb eerder gezegd, dat de verschijning van vaiṣṇava-dharma samenvalt met de oorsprong van de jīvas. Brahmā was de eerste Vaiṣṇava. Śrīman Mahādeva (Śiva) is ook een Vaiṣṇava evenals alle voorvaders van de mensheid. Śrī Nārada Gosvāmī, die uit de geest van Brahmā werd geboren, is een Vaiṣṇava. Dit is een duidelijk bewijs, dat vaiṣṇava-dharma geen recente ontwikkeling is, maar reeds vanaf het begin van de schepping gangbaar was.

Niet alle levende wezens zijn vrij van de invloed van de drie geaardheden van de natuur en de superioriteit van een hoog gekwalificeerde Vaiṣṇava hangt af van de mate, waarin hij vrij is van deze geaardheden. De Mahābhārata, Rāmāyaṇa en de purāṇa's vormen de geschiedenis van het ras der Āryans en ze hebben allemaal de uitmuntendheid van vaiṣṇava-dharma beschreven. We hebben al gezien, dat vaiṣṇava-dharma bij het begin van de schepping aanwezig was. Prahlāda en Dhruva waren beiden zuivere Vaiṣṇavas. In hun tijd waren er vele duizenden andere Vaiṣṇavas, wier namen nergens in de geschiedenis worden vermeld, omdat alleen de meest vooraanstaanden worden genoemd. Dhruva was de kleinzoon van Manu en Prahlāda was de kleinzoon van Prajāpati Kaśyapa en beiden leefden dichtbij het begin van de schepping; hierover bestaat geen twijfel. Daaraan kun je zien, dat zuiver vaiṣṇava-dharma reeds actief was vanaf het begin der geschiedenis.

Later waren de koningen van de dynastien van de zon en de maan en de groot-muni's en ṛṣi's allemaal aandachtig toegewijd aan Śrī Viṣṇu. Er wordt uitgebreid melding gemaakt van vaiṣṇava-dharma in de drie voorgaande tijdperken, Satya, Tretā en Dvāpara. Zelfs in het huidige tijdperk van Kali initieerden Śrī Rāmānuja, Śrī Madhvācārya en Śrī Viṣṇusvāmī in Zuid-India en Śrī Nimbāditya Svāmī in West-India vele duizenden leerlingen in de zuivere vaiṣṇava-dharma. Door hun zegen heeft waarschijnlijk de helft van de Indiase bevolking de oceaan van māyā overgestoken en zijn toevlucht gevonden aan de lotusvoeten van Bhagavān. En kijk eens hoeveel terneergeslagen en gedegradeerde mensen Śrī Śacīnandana, die de meester is van mijn hart en ziel, verlost heeft in dit land van Bengalen. Kun je nog steeds de grootheid van vaiṣṇava-dharma niet inzien, ondanks van dit alles te getuigen?

Nyāyaratna: Ja, maar op basis waarvan noemt u Prahlāda en de anderen Vaiṣṇavas?

Vaiṣṇava dāsa: Ze worden als Vaiṣṇavas gekend op basis van śāstra. De leraren van Prahlāda, Ṣaṇḍa en Amarka, wilden hem in brahma-jāna gecontamineerd met de doctrine van Māyāvāda onderwijzen, maar hij weigerde hun lessen, want hij realiseerde zich, dat hari-nāma de essentie is van alle onderricht en hij chantte voortdurend de naam van Bhagavān met grote liefde en genegenheid. Onder zulke omstandigheden is er geen twijfel aan, dat Prahlāda een zuivere Vaiṣṇava was. De waarheid is, dat niemand de onderliggende essentie van de śāstras begrijpt zonder onpartijdig en nauwgezet onderzoek te verrichten.

Nyāyaratna: Als u zegt, dat vaiṣṇava-dharma altijd heeft bestaan, welk nieuw inzicht heeft Caitanya Mahāprabhu dan geopenbaard, waarvoor Hem zoveel speciaal respect dient te worden betuigd?

Vaiṣṇava dāsa: Vaiṣṇava-dharma is als een lotusbloem, die geleidelijk tot bloei komt, zodra de tijd rijp is. Eerst verschijnt hij als een knop en begint dan langzaam te ontluiken. In zijn rijpe periode staat hij volkomen in bloei en trekt alle jīvas aan door zijn zoete geur in alle richtingen te verspreiden. Bij het begin van de schepping werden vier aspecten der kennis aan Brahmā doorgegeven via het medium van de catuḥ-ślokī Bhāgavatam. Deze waren bhagavat-jāna, transcendentale kennis van de Absolute als Bhagavān; māyā-vijāna, analytische kennis van Īśvara's uiterlijke vermogen; sādhana-bhakti, de methode om het doel te bereiken; en prema, dat het object van het doel is. Deze vier elementen werden in het hart van de jīvas gemanifesteerd als spruit van de lotusbloem van vaiṣṇava-dharma.

In de tijd van Prahlāda nam deze spruit de gedaante van een bloemknop aan, die in de periode van Veda-vyāsa Muni geleidelijk begon te ontluiken en zich in de tijd van Rāmānuja, Madhva en de andere sampradāya-ācāryas tot een bloem ontwikkelde. Bij de verschijning van Śrīman Mahāprabhu werd vaiṣṇava-dharma de tot volle bloei gekomen bloem van prema en begon de harten van alle jīvas aan te trekken door het verspreiden van zijn betoverend zoete geur.

De uitermate vertrouwelijke essentie van vaiṣṇava-dharma is het ontwaken van prema. Śrīman Mahāprabhu schiep voor alle jīvas de juiste voorwaarden door deze prema via het chanten van śrī-hari-nāma te distribueren. Śrī-nāma-saṅkīrtana is een bezit van onschatbare waarde, dat het hoogste respect verdient. Heeft ooit iemand dit onderricht vr Mahāprabhu onthuld? Hoewel deze waarheid in de śāstras aanwezig was, bestond er geen stralend voorbeeld, dat de gewone jīvas kon inspireren tot het praktiseren ervan in hun eigen leven. Heeft dan ooit iemand vr Śrīman Mahāprabhu het pakhuis van prema-rasa geplunderd en het op deze wijze gedistribueerd, zelfs aan de gewone man?

Nyāyaratna: Goed, maar als kīrtana zo heilzaam is, waarom hebben geleerde paṇḍita's er dan geen groot ontzag voor?

Vaiṣṇava dāsa: De betekenis van het woord paṇḍita is in het huidige Kali-tijdperk geperverteerd geraakt. Paṇḍā betekent 'de intelligentie van iemand, die verlicht is door de kennis van de śāstra' en het woord paṇḍita refereert ook werkelijk aan iemand met een dergelijke intelligentie. Tegenwoordig echter zijn mensen paṇḍita's, als ze kunnen pronken met hun vergeefse beheersing van de nyāya-śāstra of wanneer ze de betekenis van de smṛti-śāstra op nieuwe manieren kunnen uitleggen, die de mensen in het algemeen aanspreken. Hoe kunnen zulke paṇḍita's de betekenis van dharma en de ware betekenis van de śāstras begrijpen, of uitleggen? Dat kan alleen worden gerealiseerd door onpartijdige analyse van lle śāstras, dus hoe kan iemand dit bereiken met het intellectuele geworstel van nyāya?

De waarheid is, dat in Kali-yuga degenen, die paṇḍita's heten, deskundig zijn in het misleiden van zichzelf en anderen met zinloos geargumenteer. Hele assemblee's van zulke paṇḍita's houden zich bezig met verhitte debatten over inconsistente zaken, maar ze bespreken nooit de kennis van de hoogste realiteit; kennis van de relatie van de jīvas met de Absolute Waarheid, het hoogste doel van de jīvas; of de methode om dat doel te bereiken. Je kunt de ware aard van prema en kīrtana alleen begrijpen, wanneer je de waarheid van deze zaken onder de knie hebt.

Nyāyaratna: Goed dan, ik geef toe, dat er tegenwoordig geen bekwame paṇḍita's meer zijn, maar waarom aanvaarden eerste-klas brāhmaṇas uw vaiṣṇava-dharma dan niet? Brāhmaṇas bevinden zich in de geaardheid goedheid en ze zijn van nature geneigd het pad van waarheidsgetrouwheid en verheven religieuze principes te volgen, dus hoe komt het, dat bijna alle brāhmaṇas zich verzetten tegen vaiṣṇava-dharma?

Vaiṣṇava dāsa: Die vraag stelt u, dus ik ben benoodzaakt te antwoorden, hoewel Vaiṣṇavas van nature geen kritiek op anderen uitoefenen. Ik zal proberen uw laatste vraag te beantwoorden, als u geen pijn en woede in uw hart voelt en als u de waarheid oprecht wilt weten.

Nyāyaratna: Laat maar komen, onze studie van de śāstra heeft ons met een voorliefde voor rust, zelfbeheersing en tolerantie doordrenkt. Er is geen sprake van, dat ik niet in staat zou zijn uw woorden te tolereren. Spreekt u alstublieft openlijk en zonder schoom; ik zal zeker alles repecteren, wat redelijk en goed is.

Vaiṣṇava dāsa: Neemt u alstublieft in ogenschouw, dat Rāmānuja, Madhva, Viṣṇusvāmī en Nimbāditya allemaal brāhmaṇas waren en dat ieder van hen duizenden brāhmaṇa-leerlingen had. In Bengalen was onze Śrī Caitanya Mahāprabhu een Vedisch brāhmaṇa, onze Nityānanda Prabhu was een Rāḍhīya brāhmaṇa en onze Advaita Prabhu was een Vārendra brāhmaṇa. Onze gosvāmī's en mahājana's waren praktisch allemaal brāhmaṇas. Duizenden brāhmaṇas, die de kern vormen van de brahmaanse, geestelijke erfopvolging, hebben hun toevlucht genomen tot vaiṣṇava-dharma en propageren deze vlekkeloze religie in de wereld. Dus hoe kun je zeggen, dat eerste-klas brāhmaṇas geen respect hebben voor vaiṣṇava-dharma?

We weten, dat die brāhmaṇas, die vaiṣṇava-dharma respecteren allemaal eerste-klas brāhmaṇas zijn. Sommige mensen echter, die in brahmaanse families zijn geboren, zijn vijandig komen staan jegens vaiṣṇava-dharma, omdat ze zijn bedorven door de fouten van gedegradeerde familietradities, ongewenst gezelschap en verkeerde opvoeding. Zulk gedrag demonstreert slechts hun ongeluk en hun gevallen conditie. Dit is geen bewijs, dat ze werkelijk brāhmaṇas zijn. We moeten hierbij in het bijzonder aantekenen, dat volgens śāstra het aantal ware brāhmaṇas in Kali-yuga uitermate klein is en dat deze enkelingen Vaiṣṇavas zijn. Als een brāhmaṇa de vaiṣṇava-gāyatrī-mantra ontvangt, die de moeder der Veda's is, wordt hij een ingewijde Vaiṣṇava. Maar onder invloed van de besmetting van Kali-yuga aanvaarden sommigen van deze brāhmaṇas een andere, niet-Vedische inwijding en verlaten hun Vaiṣṇavisme. Ik geef toe, dat het aantal vaiṣṇava-brāhmaṇas erg klein is, maar dat is nog geen reden om een conclusie te trekken, die is tegengesteld aan de richtlijnen van śāstra.

Nyāyaratna: Hoe komt het, dat zoveel lage-klasse mensen vaiṣṇava-dharma aanvaarden?

Vaiṣṇava dāsa: Dit zou geen reden voor twijfel mogen zijn. De meeste lage-klasse mensen beschouwen zichzelf nogal behoeftig en terneergeslagen en daardoor zijn ze geschikt voor de genade van de Vaiṣṇavas en zonder hun genade word je geen Vaiṣṇava. Nederigheid raakt het hart niet van iemand, die is bedwelmd met de trots van een hoge geboorte en rijkdom en het gevolg ervan is, dat zulke mensen hoogst zelden de zegen van Vaiṣṇavas krijgen.

Nyāyaratna: Ik wil dit onderwerp niet langer bespreken. Ik zie, dat u onvermijdelijk de harde beschrijvingen van śāstra over de brāhmaṇas van Kali-yuga citeert. Ik voel me uitermate gekwetst, als ik bepaalde uitspraken van de śāstra hoor, zoals deze uit de Varāha Purāṇa:

rākṣasāḥ kalim āśrītya jāyante brahma-yoniṣu

Omdat ze hun toevlucht nemen tot het tijdperk van Kali, worden in de families van brāhmaṇas demonen geboren.

Laten we op dit onderwerp niet verder ingaan. Vertelt u me nu alstublieft, waarom u Śrī Śaṅkarācārya, die een oneindige oceaan van kennis is, niet respecteert.

Vaiṣṇava dāsa: Waarom zegt u dat? Wij beschouwen Śrī Śaṅkarācārya als een incarnatie van Śrī Mahādeva. Śrīman Mahāprabhu leerde ons om hem te eren door hem als ācārya aan te spreken. We verwerpen alleen zijn māyāvāda-leer, omdat het een bedekte vorm van Boeddhisme is, die de Veda's niet ondersteunen. Op verzoek van Bhagavān verminkte Śaṅkarācārya de betekenis van de Veda's, de Vedānta en de Gītā en riep de valse leer van onpersoonlijk monisme uit, die we kennen als advaita-vāda, om mensen met een demonische aard te bekeren. Wat is hieraan verkeerd, waardoor je Śaṅkarācārya zou moeten vervloeken?

Buddhadeva is een avatāra van Bhagavān, die ook een doctrine heeft gevestigd, die is tegengesteld aan de Veda's. Maar vervloeken de nakomelingen van de Āryans hem hiervoor? Je kunt het oneens zijn met de activiteiten van Śrī Bhagavān en Mahādeva en volhouden, dat het niet juist is wat ze doen, maar wij zeggen, dat Bhagavān de beschermer van het universum is en Śrī Mahādeva is Zijn vertegenwoordiger en beiden zijn alwetend en alheilzaam. Degenen, die hen iets verwijten, zijn onwetend en bekrompen en kunnen de diepere betekenis van hun activiteiten niet begrijpen.

Bhagavān en Zijn activiteiten gaan boven de pet van de menselijke redeneerkunst, dus intelligente mensen moeten nooit denken, "Īśvara had dat niet moeten doen; het was beter geweest als Hij dt had gedaan." Īśvara is de bestuurder van alle jīvas en alleen Hij kent de noodzaak om mensen met een goddeloze natuur aan de doctrine van illusie te binden. Wij kunnen met geen mogelijkheid begrijpen, wat de bedoeling is van Īśvara om de jīvas bij de schepping te manifesteren en hun vorm op het moment van de kosmische ineenstorting weer teniet te doen. Dit is allemaal de līlā van Bhagavān. Degenen, die met aandacht zijn toegewijd aan Bhagavān, ervaren groot genoegen in het horen van Zijn spel en vermaak; ze houden er niet van om zich over deze zaken in intellectuele debatten te laten betrekken.

Nyāyaratna: Dat zal zo zijn, maar waarom zegt u, dat de māyāvāda-doctrine is tegengesteld aan de Veda's, de Vedānta en de Gītā ?

Vaiṣṇava dāsa: Als u de Upaniṣaden en de Vedānta-sūtra nauwgezet hebt bestudeerd, vertelt u me dan eens, welke mantra's en sūtra's de doctrine van Māyāvāda ondersteunen? Dan zal ik uitleggen, wat de ware betekenis van die uitspraken is en bewijzen, dat ze Māyāvāda in het geheel niet ondersteunen. Het kan lijken, alsof sommige Vedische mantra's een zweem van māyāvāda-filosofie bevatten, maar als u de mantra's bekijkt, die ervoor en erna staan, wordt die interpretatie onmiddellijk ontkracht.

Nyāyaratna: Broeder, ik heb de Upaniṣaden en de Vedānta-sūtra niet bestudeerd. Als het een discussie van de nyāya-śāstra betreft, ben ik bereid over ieder onderwerp te discussiren. Met behulp van logica kan ik een aarden pot in een lap stof veranderen en een lap stof in een aarden pot. Ik heb maar een klein beetje in de Gītā gelezen, maar ik ben er niet dieper op ingegaan, dus op dit punt kan ik niet meepraten. In plaats daarvan wil ik u nog een vraag over een ander onderwerp stellen. U bent een geleerde, dus legt u me eens grondig uit, waarom Vaiṣṇavas geen vertrouwen hebben in de voedselrestanten, die aan de deva's en devī's zijn geofferd, terwijl ze groot vertrouwen hebben in viṣṇu-prasāda.

Vaiṣṇava dāsa: Ik ben geen geleerde; ik ben een grote dwaas. Je moet weten, dat wat ik ook zeg, het mogelijk wordt gemaakt door de genade van mijn Gurudeva, Paramahaṁsa Bābājī Mahārāja. Niemand kan alle śāstras kennen, want ze vormen een oneindige oceaan, maar mijn Gurudeva heeft die oceaan gekarnd en de essentie van de śāstras aan mij doorgegeven. Ik heb die ware essentie aanvaard als de conclusie, die door alle śāstras zijn gevestigd.

Het antwoord op uw vraag is, dat Vaiṣṇavas de prasāda van de deva's en devī's niet minderwaardig achten. Śrī Kṛṣṇa is de Allerhoogste bestuurder van alle bestuurders; daarom heet Hij alleen Parameśvara. Alle deva's en devī's zijn Zijn toegewijden en ze zijn aangewezen op posities in de regering van het universum. Vaiṣṇavas kunnen nimmer de prasāda van bhakta's veronachtzamen, want men krijgt śuddhā-bhakti door hun restanten te aanvaarden. Het stof van de voeten van bhakta's, het water als nectar, dat de voeten van bhakta's heeft gewassen en het voedsel als nectar, dat de lippen van bhakta's heeft aangeraakt zijn drie soorten prasāda, die uitermate heilzaam zijn. Ze zijn het medicijn, dat de ziekte van het materile bestaan verdrijft.

Het is een feit, dat wanneer Māyāvādīs de devatā's vereren en hen voedsel aanbieden, de devatā's dat niet aanvaarden, omdat de vereerders zijn besmet met een gehechtheid aan de doctrine der illusie. Hiervan bestaat overvloedig bewijs in de śāstra en als u me erom vraagt, kan ik u van de citaten voorzien. De vereerders van de deva's zijn voor het grootste deel Māyāvādīs en dat is schadelijk voor bhakti en het is een overtreding jegens Bhakti-devī door de prasāda van de deva's te aanvaarden, als zulke mensen het hebben geofferd. Als een zuivere Vaiṣṇava de prasāda van Kṛṣṇa aan de deva's en devī's offert, aanvaarden ze het met grote liefde en beginnen te dansen en als een Vaiṣṇava daarna die prasāda neemt, ervaart hij een overweldigend geluk.

U moet ook niet vergeten, dat de instructie van de śāstra almachtig is en dat de yoga-śāstras de beoefenaren van het yoga-systeem instrueren om prasāda van geen enkele devatā te aanvaarden. Dit betekent echter niet, dat iedereen, die yoga beoefent, de prasāda van de devatā's veronachtzaamt. Het betekent alleen, dat het opgeven van prasāda degenen, die yoga-sādhana beoefenen, in de meditatie helpt een npuntige concentratie te bereiken. Op dezelfde manier kan een bhakta in bhakti-sādhana niet uitsluitende toewijding bereiken aan Bhagavān, die het object is van zijn verering, indien hij de prasāda van andere deva's aanvaardt. Het is daarom een vergissing te denken, dat Vaiṣṇavas gekant zijn tegen de prasāda van andere deva's en devī's. De uiteenlopende beoefenaren gedragen zich alleen zodanig, omdat ze perfectie trachten te bereiken in hun respectievelijke doelstellingen, zoals de śāstras dat aanbevelen.

Nyāyaratna: Goed, dat is duidelijk, maar waarom bent u tegen het doden van dieren in offers, terwijl de śāstras dat ondersteunen?

Vaiṣṇava dāsa: Het is niet de intentie van śāstra om dieren te doden. De Veda's verklaren, mā himsyāt sarvāṇi bhūtāni: "Men mag jegens geen enkel levend wezen geweld plegen". Deze uitspraak verbiedt geweld jegens dieren. Zolang de menselijke natuur nog sterk wordt benvloedt door de geaardheden hartstocht en onwetendheid, zullen mensen spontaan worden aangetrokken tot onwettig verkeer met de andere sexe, vlees eten en intoxicatie. Zulke mensen vragen de Veda's niet om hun activiteiten te sanctioneren. Het doel van de Veda's is niet om zulke activiteiten aan te moedigen, maar om ze in te tomen. Als mensen zich in de geaardheid goedheid bevinden, kunnen ze gemakkelijk afstand doen van het slachten van dieren, van sexuele lustbevrediging en intoxicatie. Tot dat moment is bereikt, schrijven de Veda's manieren voor om zulke neigingen te leren beheersen. Om die reden sanctioneren ze de associatie met de andere sexe door middel van het huwelijk (vivāha-yaja), het doden van dieren alleen in offers en het drinken van wijn alleen bij bepaalde ceremonies. Door op deze manier te praktiseren zullen de neigingen in een persoon geleidelijk afnemen en zal hij uiteindelijk in staat zijn ze op te geven. Dit is de ware bedoeling van de Veda's. Ze raden niet het doden van dieren aan; hun intentie wordt in deze woorden van Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.11) uitgedrukt:

loke vyavāyāmiṣa-madya-sevā
nityās tu jantor na hi tatra codanā
vyavasthitis teṣu vivāha-yaja
surā-grahair āśu nivṛttir iṣṭā

We nemen waar, dat de mensen in deze wereld een natuurlijke neiging hebben tot intoxicatie, vlees eten en sexueel plezier, maar śāstra kan hun betrokkenheid in zulke activiteiten niet sanctioneren. Daarom zijn er speciale voorzieningen getroffen, waarbij enige associatie met de andere sexe door het huwelijk wordt toegestaan, enig vlees eten wordt toegestaan door het uitvoeren van offers en het drinken van wijn wordt toegestaan door het ritueel, dat we kennen als sautrāmaṇī-yaja. De bedoeling van zulke voorschriften is de wellustige tendenzen van de algemene bevolking in te perken en haar in moreel gedrag te vestigen. De intrinsieke bedoeling van de Veda's om zulke voorzieningen te treffen is om de mensen van zulke activiteiten in hun geheel te laten afzien.

De conclusie van de Vaiṣṇavas omtrent deze materie is, dat er geen bezwaar is, als een persoon met een hartstochtelijke en onwetende natuur dieren doodt. Een persoon echter, die gevestigd is in de geaardheid goedheid, dient dit niet te doen, want het schaden van andere jīvas is een dierlijke neiging. Śrī Nārada heeft dit in Śrīmad-Bhāgavatam (1.13.47) uitgelegd:

ahastāni sa-hastānām apadāni catuṣ-padām
phalgūni tatra mahatāṁ jivo jivasya jivanam

Levende wezens zonder handen zijn prooi voor degenen met handen. Levensvormen zonder benen zijn voedsel voor dieren met vier benen. Met kleine schepselen voeden zich grotere. Op deze manier vormt het ene levende wezen het bestaansmiddel voor het andere.

Het oordeel van Manu-smṛti (5.56) is ook erg duidelijk:

na māṁsa-bhakṣaṇe doṣe na madye na ca maithune
pravṛttir eṣā bhūtānāṁ nivṛttis tu mahā-phalā

Afzien van activiteiten als sexuele lustbevrediging, vlees eten en intoxicatie leidt tot uitermate heilzame resultaten, hoewel een mens er van nature toe is geneigd zich hieraan over te geven.

Nyāyaratna: Ja, maar waarom verwerpen de Vaiṣṇavas de śraddhā-ceremonie en andere activiteiten, die zijn bedoeld om schulden met de voorouders te vereffenen?

Vaiṣṇava dāsa: Mensen die pers voorgeschreven vrome plichten willen uitvoeren, doen dat door de śraddhā-ceremonie uit te voeren in overeenstemming met het karma-kāṇḍa-gedeelte van de Veda's. Vaiṣṇavas maken hiertegen geen bezwaar, maar śāstra verklaart:

devarṣi-bhūtāpta-nṛṇāṁ pitṛṇāṁ
na kiṅkaro nāyam ṛṇī ca rājan
sarvātmanā yaḥ śaraṇaṁ śaraṇyaṁ
gato mukundaṁ parihṛtya kartam
Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.41)

O Koning, wanneer een mens zijn ego van onafhankelijkheid van Bhagavān opgeeft en helemaal zijn toevlucht neemt tot Śrī Mukunda als allerhoogste beschermer, wordt hij vrijgemaakt van zijn schulden aan de deva's, de heiligen, de levende wezens in het algemeen, familieleden, de mensheid en de voorouders. Een dergelijke toegewijde blijft niet langer ondergeschikt aan zulke persoonlijkheden, noch is hij aan hun dienstverlening gebonden.

Het gevolg is, dat bhakta's, die hun toevlucht hebben genomen tot Bhagavān, niet langer zijn verplicht de śraddhā-ceremonie en andere karma-kāṇḍa-activiteiten uit te voeren, welke zijn bedoeld om schulden aan de voorouders te vereffenen. Hen wordt geleerd Bhagavān te vereren, bhagavat-prasāda aan de voorouders aan te bieden en bhagavat-prasāda met hun vrienden en verwanten te eren.

Nyāyaratna: Op welk moment bereikt men de positie en bekwaamheid om op deze manier te handelen?

Vaiṣṇava dāsa: Het is het privilege van een Vaiṣṇava om op deze manier te handelen en je wordt bekwaam om dit ook te doen op het moment, dat je ontwaakt in het vertrouwen van hari-kathā en hari-nāma. In Śrīmad-Bhāgavatam (11.20.9) wordt gezegd:

tāvat karmāṇi kurvīta na nirvidyeta yāvatā
mat-kathā-śravaṇādau vā śraddhā yāvan na jāyate

Men is verplicht zich met karma bezig te houden en de regels en verboden te volgen, die met dat pad zijn verbonden, zolang men niet is ontwaakt in onthechting van baatzuchtige activiteiten en de vruchten ervan (zoals bevordering naar de hemelse planeten), of zolang men niet is ontwaakt in het vertrouwen van het horen en chanten van Mijn līlā-kathā.

Nyāyaratna: Ik ben blij uw uitleg te hebben gehoord. Omdat ik zie, hoe deskundig u bent en welk een genuanceerd onderscheid u maakt, is mijn vertrouwen in vaiṣṇava-dharma gewekt. Mijn broer, Harihara, het heeft geen zin meer om nog verder te debatteren. Deze Vaiṣṇavas zijn grote leraren onder de paṇḍita's. Ze zijn uitermate deskundig in het trekken van conclusies uit alle śāstras. We kunnen zeggen wat we willen om ons vak te behouden, maar het is uiterst twijfelachtig, of er ooit iemand in het land van Bengalen, of in heel India is geweest, die vergelijkbaar is met de beroemde geleerde en verheven Vaiṣṇava, Nimāi Paṇḍita. Laten we gaan. Het begint te schemeren en het wordt moeilijk om de Gaṅgā over te steken, nadat de duisternis is ingevallen.

Nyāyaratna en zijn groep leraren vertrokken, terwijl ze uitriepen, "Haribol! Haribol!" De Vaiṣṇavas begonnen toen te dansen en te chanten, "Jaya Śacīnandana!"

 

 

Aldus eindigt het Tiende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Nitya-dharma en geschiedenis"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________



Vorige: Hoofdstuk 9 "Nitya-dharma, materile wetenschap en civilisatie"

Volgende: Hoofdstuk 11 "Nitya-dharma en afgodenverering"

Inhoud: Inhoud



Top

2017 Jayaradhe.nl