Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 9

Nitya-dharma, materiële wetenschap en civilisatie


Lāhirī Mahāśaya leefde In Śrī Godruma gedurende drie of vier jaar in de associatie van Vaiṣṇava’s en daardoor werd zijn hart volledig gezuiverd. Ieder moment van de dag chantte hij hari-nāma: als hij zat te eten, als hij aan het wandelen was, als hij zat, voordat hij ging slapen en nadat hij was opgestaan. Hij droeg eenvoudige kleding en liep op blote voeten. Hij had de trots op zijn kaste zo volledig van zich afgelegd, dat hij, zodra hij een Vaiṣṇava zag, hem daṇḍavat-praṇāma aanbood en met kracht het stof van zijn voeten nam. Hij koos zuivere Vaiṣṇava’s uit de restanten van hun maaltijden te eren. Zijn zonen kwamen hem van tijd tot tijd op zoeken, maar zodra ze begrepen wat zijn stemming was, vertrokken ze weer snel zonder hem te durven voorstellen met hen mee terug naar huis te gaan. Als je Lāhirī Mahāśaya nu zou zien, zou je hem zeker als een Vaiṣṇava Bābājī beschouwen.


Van de filosofie van de Vaiṣṇava’s van Śrī Godruma had Lāhirī Mahāśaya begrepen, dat het wezenlijke principe bestaat uit ware onthechting in het hart en niet in het dragen van de uiterlijke kleding van onthechting. Om zijn behoeften te minimaliseren volgde hij het voorbeeld van Śrī Sanātana Gosvāmī en scheurde een stuk textiel in vier stukken, die hij als kledingstukken gebruikte. Niettemin droeg hij de heilige draad om zijn hals. Telkens als zijn zonen hem wat geld wilden geven, antwoordde hij, “Van materialisten accepteer ik zelfs geen kauḍī.” Candraśekhara, zijn oudste zoon, bracht hem eens honderd rupee’s voor een festival om de Vaiṣṇava’s te voeden, maar Lāhirī Mahāśaya herinnerde zich Śrī Dāsa Gosvāmī’s voorbeeld en wilde het geld niet aannemen.

Op zekere dag zei Paramahaṁsa Bābājī, “Lāhirī Mahāśaya, je bent nu vrij van alle sporen van niet-vaiṣṇava-gedrag. Zelfs al hebben wij de geloften van de bedelstaf aanvaard, we kunnen van jou toch nog veel over onthechting leren. Je hoeft alleen nog een vaiṣṇava-naam te aanvaarden om alles compleet te maken.”

Lāhirī Mahāśaya antwoordde, “U bent mijn parama-guru. Doet u, wat u goed dunkt.”

Bābājī Mahāśaya zei, “Aangezien je residentie in Śrī Śāntipura is, zullen we je Śrī Advaita dāsa noemen.”

Lāhirī Mahāśaya viel op de grond en bood zijn eerbetuigingen aan en aanvaardde de zegen van zijn nieuwe naam. Vanaf die dag noemde iedereen hem Śrī Advaita dāsa en verwezen naar de kuṭīra, waar hij woonde en zijn bhajana uitvoerde, als Advaita-kuṭīra.

Advaita dāsa had een jeugdvriend genaamd Digambara Caṭṭopādhyāya, die grote rijkdom en reputatie had verworven door belangrijke diensten aan de koninklijke moslimregering te verlenen. Toen Digambara Caṭṭopādhyāya op pensioengerechtigde leeftijd kwam, leegde hij zijn positie neer en keerde naar zijn dorp, Ambikā, terug. Daar hoorde hij, dat zijn jeugdvriend zijn gezin had achtergelaten en nu in Godruma onder de naam Śrī Advaita dāsa leefde en zijn tijd doorbracht met het chanten van hari-nāma.

Digambara Caṭṭopādhyāya was een dogmatisch vereerder van Godin Durgā en hij hield zijn oren met zijn handen gesloten, als hij zoiets hoorde als de naam van een Vaiṣṇava. Toen hij hoorde over de ‘val’ van zijn geliefde vriend, zei hij tegen zijn dienaar, “Vāmana dāsa, regel voor mij onmiddellijk een boot, want ik ga rechtstreeks naar Godruma.”

De dienaar huurde snel een boot en rapporteerde het aan zijn meester.

Digambara Caṭṭopādhyāya was erg scherpzinnig. Hij was een geleerde van de tantra-śāstra’s en was deskundig in de gebruiken van de moslimcultuur. Zijn kennis van het Farsi en Arabisch dwongen zelfs moslimgeleerden en -leraren aan zijn gelijk toe te geven en hij liet menig brahmaans geleerde versteld staan van zijn deskundigheid in het beargumenteren van de tantra-śāstra. Hij had een aanzienlijke reputatie in Delhi, Lucknow en andere steden verworven en in zijn vrije tijd had hij het boek, Tantra-saṅgraha, Een Compendium over de Tantra, geschreven, waarin hij zijn uitgebreide kennis in zijn commentaren op de śloka’s toont.

Digambara nam zijn Tantra-saṅgraha mee en klom met een boze bui de boot in. Binnen zes uur arriveerden ze in Śrī Godruma, waar Digambara een intelligent persoon vroeg naar Śrī Advaita dāsa te gaan, terwijl hijzelf in de boot bleef zitten wachten. Digambara’s boodschapper trof Śrī Advaita dāsa aan, die in zijn kuṭīra hari-nāma zat te chanten, en bood hem zijn praṇāma aan.

“Wie bent u en wat komt u doen?” vroeg Advaita dāsa.

De man antwoordde, “Ik ben gestuurd door de eerwaarde heer Digambara Caṭṭopādhyāya. Hij vraagt of Kālīdāsa hem nog herinnert, of dat hij hem is vergeten.”

Śrī Advaita dāsa vroeg nogal gretig, “Waar is Digambara? Hij is mijn jeugdvriend; hoe kan ik hem vergeten? Is hij nu op vaiṣṇava-dharma overgegaan?”

De man zei, “Hij zit in een boot bij de steiger. Ik kan niet zeggen of hij een Vaiṣṇava is of niet.”

Advaita dāsa zei, “Waarom zit hij aan de kade? Waarom komt hij niet naar mijn kuṭīra?”

Toen de boodschapper deze uitnodiging hoorde, ging hij terug om Digambara te informeren, die vergezeld van een paar andere heren binnen een uur bij Advaita-kuṭīra aankwam. Digambara was in zijn hart altijd een vrijgevig mens geweest en nu werd hij overweldigd door vreugde bij het zien van zijn oude vriend. Hij omhelsde Śrī Advaita dāsa en zong een lied, dat hijzelf had gecomponeerd:

kālī! tomāra līlā-khelā ke jāne mā, tribhuvane?
kabhu puruṣa, kabhu nārī, kabhu matta hao go raṇe
brahmā ha’ye sṛṣṭi kare, sṛṣṭi nāśa ha’ye hara,
viṣṇu ha’ye viśva-vyāpī pāla go mā, sarva-jane
kṛṣṇa-rūpe vṛndāvane, vāṁśī bājāo vane vane
(ābāra) gaura ha’ye navadvīpe, mātāo sabe saṅkīrtane

O Moeder Kālī, wie in de drie werelden kan jouw spel en vermaak bevatten? Soms neem je de gedaante aan van een man, soms die van een vrouw en soms verschijn je met een medogenloos humeur in de strijd. Als Heer Brahmā creëer je het universum, als Heer Śiva verwoest je het en als Heer Viṣṇu doorstraal je het universum en houd je alle levende wezens in stand. Als Śrī Kṛṣṇa verschijn je in Vṛndāvana en zwerf je van het ene bos naar het andere, terwijl je de fluit bespeelt. Dan weer verschijn je in Navadvīpa als Śrī Gaura en bedwelm je iedereen met het chanten van śrī-hari-nāma.

Advaita dāsa bood Digambara Caṭṭopādhyāya een zitplaats van gevlochten palmblad aan en zei, “Kom binnen, mijn broer! Kom binnen! Het is lang geleden, dat we elkaar hebben gezien.”

Digambara nam plaats op de bladeren mat en drukte met tranen zijn genegenheid uit, toen hij zei, “Mijn broeder Kālīdāsa, waar moet ik heengaan? Nu ben je een bedelaar geworden en je hebt geen aandacht meer voor de deva’s of voor je religieuze verplichtingen. Ik kwam juist uit de Punjab en was vol hoop, maar onze jeugdvrienden zijn allemaal dood. Peśā, Pāglā, Khendā, Girish, Iśe Pāglā, Dhanuva, Kele, de kleermaker, en Kānti Bhaṭṭacārya zijn allemaal overleden. Nu zijn jij en ik nog over. Ik dacht, dat ik ooit over de Gaṅgā zou gaan en je in Śāntipura zou ontmoeten en dat jij af en toe over de Gaṅgā zou kunnen gaan en mij in Ambikā zou bezoeken. We hadden al onze resterende tijd kunnen besteden aan het samen zingen en het bestuderen van de tantra-śāstra. Ach! Het noodlot heeft me een zware slag toegebracht. Jij bent een waardeloze hoop koeienmest geworden, die van geen belang is voor dit leven of het volgende. Vertel me eens hoe je dit is overkomen?”

Advaita dāsa kon zien, dat zijn jeugdvriend een uitermate ongewenste gast was en hij begon aan een uitweg te denken om aan zijn boeien te ontsnappen. Terwijl hij hierover nadacht zei hij, “Broer Digambara, kun je je nog die dag in Ambikā herinneren, toen we gullī-ḍaṇḍā aan het spelen waren en we bij de oude tamarindeboom kwamen?”

Digambara: Ja, ja, dat kan ik me nog goed herinneren. Het was de tamarindeboom precies naast Gaurīdāsa Paṇḍita’s huis. Gaura-Nitāi zaten vaak onder die boom.

Advaita: Broeder, toen we aan het spelen waren zei je, “Raak deze tamarindeboom niet aan. Tante Śacī’s zoon zat hier altijd en als we hem aanraken, worden we bedelmonniken.”

Digambara: Ja, dat kan ik me nog goed herinneren. Ik merkte, dat jij neigingen in de richting van Vaiṣṇava’s had en ik zei, “Je zal in de val van Gaurāṅga terechtkomen.”

Advaita: Broer, dat is mijn aard geweest. Op dat moment stond ik nog maar aan het begin van de val, maar nu ben ik er helemaal ingevallen.

Digambara: Pak mijn hand en kom eruit. Het is niet goed om in een val te blijven zitten.

Advaita: Broer, ik ben ontzettend blij met deze val. Ik bid om hier altijd te blijven zitten. Raak deze val slecshts één keer aan en zie voor jezelf wat er gebeurt.

Digambara: Ik heb alles al gezien. In het begin lijkt het gelukkig te zijn, maar op het eind blijkt het eenvoudig een ontnuchtering te worden.

Advaita: En hoe is het met de val, waar jij inzit? Verwacht jij groot geluk op het eind? Houd je jezelf niet voor de gek?

Digambara: Kijk, we zijn de dienaren van Godin Mahāvidyā (Durgā). We hebben nu geluk en we zullen dat ook genieten in het hiernamaals. Jij denkt, dat je nu gelukkig bent, maar ik kan helemaal niet zien, dat je gelukkig bent. Bovendien komt er op het eind geen einde aan het lijden. Ik begrijp niet, waarom iemand een Vaiṣṇava wordt. Kijk, wij genieten van het eten van vlees en vis, wij zijn goed gekleed en we zijn beschaafder dan jullie, Vaiṣṇava’s. Wij genieten van al het geluk, dat de materiële wetenschappen ons permitteren, terwijl jij van al deze dingen bent gedepriveerd en uiteindelijk zal je niet eens bevrijding bereiken.

Advaita: Broer, waarom denk je, dat er voor mij op het eind geen bevrijding is?

Digambara: Niemand – zelfs Heer Brahmā, Heer Viṣṇu of Heer Śiva – kan ooit bevrijding bereiken, zolang ze onverschillig blijven jegens Moeder Nistāriṇī. Moeder Nistāriṇī, zij die bevrijding geeft, is de oerkracht. Zij manifesteert Brahmā, Viṣṇu en Maheśa en daarna houdt ze hen met haar actieve vermogen (kārya-śakti) in stand. Als die Moeder het wil, komt alles terug in haar baarmoeder, die de container is voor het hele universum. Heb je ooit de Moeder vereerd om haar genade te vragen?

Advaita: Is Moeder Nistāriṇī een bewuste entiteit, of is ze dode materie?

Digambara: Ze is persoon geworden bewustzijn en ze beschikt over een onafhankelijke wil. Alleen door haar wil wordt de geest gecreëerd.

Advaita: Wat is puruṣa en wat is prakṛti ?

Digambara: Vaiṣṇava’s houden zich alleen met bhajana bezig; ze hebben geen verstand van fundamenteel filosofische waarheden. Hoewel puruṣa en prakṛti als twee fenomenen verschijnen, zijn ze in feite één, zoals de beide helften van een kikkererwt. Puruṣa is bewust en prakṛti is inert. Wanneer het bewuste en het inerte samenvloeien in een ongedifferentieerde substantie, wordt dat gekend als brahma.

Advaita: Is je moeder prakṛti, vrouwelijk, of puruṣa, mannelijk?

Digambara: Soms is ze vrouwelijk en soms mannelijk.

Advaita: Dus als puruṣa en prakṛti twee helften zijn van een kikkererwt bedekt door een schil, welke is dan de moeder en welke de vader?

Digambara: Stel je filosofische vragen? Goed zo! Wij zijn goed op de hoogte met de waarheid. Het feit is, dat de moeder prakṛti, materie, is en de vader caitanya, bewustzijn.

Advaita: En wie ben jij?

Digambara: Pāśa-baddho bhavej jīvaḥ pāśu-muktaḥ sadāśivaḥ: “Als je wordt gebonden door de ketenen van māyā, ben je een jīva en als je van deze ketenen bent bevrijd, ben je Heer Sadāśiva.”

Advaita: Ben je dan geest of materie?

Digambara: Ik ben geest en Moeder is materie. Zolang ik ben gebonden, is zij mijn Moeder; zodra ik word bevrijd, wordt zij mijn vrouw.

Advaita: Oh, geweldig! Nu is zonder twijfel de hele waarheid aan het licht gekomen. De persoon, die nu je moeder is, wordt later je vrouw. Waar heb je die filosofie vandaan gehaald?

Digambara: Broer, ik ben niet zoals jij, die hier en daar eenvoudig rondloopt en roept, “Vaiṣṇava! Vaiṣṇava!” Ik heb deze kennis gekregen door met ontelbaar veel geperfectioneerde en bevrijde sannyāsī’s, brahmacārī’s en tāntrika’s te associëren en door de tantra-śāstra’s dag en nacht te bestuderen. Als je wilt, kan ik je er ook op voorbereiden om deze kennis te begrijpen.

Advaita dāsa dacht bij zichzelf, “Wat een vreselijk ongeluk!” Maar hij zei hardop, “Heel goed. Leg me dan één idee uit. Wat is beschaving en wat is materiële wetenschap (prākṛtika-vijñāna)?”

Digambara: Beschaving of civilisatie betekent hoffelijk spreken in een gecultiveerde samenleving, jezelf op een respectabele en plezierige manier kleden, en eten, en jezelf gedragen op een wijze, die niet aanstootgevend is voor anderen. Jij doet ze geen van alle.

Advaita: Waarom zeg je dat?

Digambara: Jij bent duidelijk onsociaal, want je bemoeit je niet met anderen. De Vaiṣṇava’s hebben nooit geleerd, wat het betekent om anderen met vriendelijke woorden een plezier te doen. Zodra hun oog op iemand valt, commanderen ze hem om hari-nāma te chanten. Waarom? Valt er geen andere beschaafde discussie te voeren? Iedereen die jouw kleding ziet, zal niet snel geneigd zijn je in een assemblee te laten plaatsnemen. Je draagt een lendedoek, een raar staartje op je achterhoofd en een kralensnoertje om je nek. Wat is dat voor een outfit? En jullie eten alleen aardappelen en wortels. Jullie zijn totaal niet geciviliseerd.

Advaita dāsa besloot, dat een ruzie met Digambara, waarna hij woedend zou weglopen, een grote opluchting zou zijn. Daarom zei hij, “Geeft jouw manier van beschaafd leven je de gelegenheid om een hogere bestemming in het volgende leven te krijgen?”

Digambara: Cultuur op zichzelf garandeert niet, dat je een hogere bestemming in het volgende leven krijgt, maar hoe kan de samenleving worden verheven zonder een cultuur? Als de samenleving wordt verheven, kan men op andere planeten naar vooruitgang streven.

Advaita: Broer, mag ik iets zeggen, zonder dat je boos wordt?

Digambara: Je bent mijn jeugdvriend; ik zou mijn leven voor je geven. Waarom zou ik niet tolereren, wat het ook is, wat je zegt? Ik ben dol op hoffelijkheid; zelfs al wordt ik boos, mijn woorden blijven zoet. Hoemeer een mens zijn innerlijke gevoelens kan verbergen, hoe gecultiveerder hij wordt beschouwd.

Advaita: Het menselijk leven is erg kort en er zijn vele verstoringen. In haar korte levensduur is de enige plicht van de mensheid Śrī Hari met eenvoud vereren. Studie van materiële beschaving en cultuur is eenvoudig bedrog voor de ziel. Ik heb begrepen, dat het woord sabhyatā (civilisatie) eenvoudig een andere naam is voor burgerlijk bedrog. Een mens blijft simpel en eenvoudig, zolang hij het pad van de waarheid blijft volgen. Wanneer hij het pad van oneerlijkheid bewandelt, wil hij beschaafd lijken en wil hij anderen met zoete woordjes behagen, maar innerlijk blijft hij verslaafd aan bedrog en schadelijk gedrag. Wat jij als beschaving beschrijft bevat geen goede kwaliteiten, want waarheidsgetrouwheid en eenvoud zijn werkelijk de enige goede kwaliteiten.

In moderne tijden is de betekenis van beschaving veranderd in het innerlijk achterhouden van je verval. Het woord sabhyatā betekent letterlijk de bekwaamheid om deel te nemen aan een sabhā, of een deugdzaam gezelschap. In werkelijkheid wordt beschaving, die vrij is van zonden en bedrog, alleen onder Vaiṣṇava’s aangetroffen. Niet-Vaiṣṇava’s geven grote voorkeur aan een beschaving, die is verzadigd van zonden. De civilisatie, waarvan jij spreekt, heeft geen relatie met de nitya-dharma van de jīva.

Als beschaving betekent jezelf in stijlvolle kleding opsieren om voor anderen aantrekkelijk te zijn, dan zijn prostituée’s geciviliseerder dan jij. De enige eis, die aan kleding wordt gesteld is, dat kleding het lichaam bedekt, dat kleding schoon is en vrij van onplezierige geurtjes. Voedsel is perfect, als het zuiver en voedzaam is, maar jij wil alleen, dat het goed smaakt; je staat er niet eens bij stil, of het zuiver is of niet. Wijn en vlees zijn van nature onzuiver en een beschaving, die is gebaseerd op de consumptie van zulke spijzen, is eenvoudig een samenleving, die aan zonden is toegewijd. Wat op het ogenblik doorgaat voor beschaving is de cultuur van Kali-yuga.

Digambara: Ben je de beschaving van de moslimkeizers vergeten? Neem de manieren eens in ogenschouw, waarmee de mensen aan het hof van een moslimkeizer zitten, hoe beleefd ze met zoveel etiquetten spreken.

Advaita: Dat is louter werelds gedrag. Hoezeer is een mens in werkelijkheid in gebreke, als hij zich niet aan deze externe formaliteiten houdt? Broer, je hebt zolang in de moslimregering gediend, dat je een deel van dat soort civilisatie bent beworden. In werkelijkheid wordt een mensenleven alleen beschaafd, wanneer het zonder zonden is. De zogenaamde vooruitgang van de beschaving in Kali-yuga betekent eenvoudig een toename van zondige activiteiten; dit is niets anders dan hypocrisie.

Digambara: Kijk, ontwikkelde, moderne mensen hebben geconcludeerd, dat beschaving ‘humanisme’ betekent en dat degenen, die niet beschaafd zijn, geen mensen zijn. Het attractief kleden van vrouwen en daarmee hun gebreken verbergen wordt als een teken van verfijning beschouwd.

Advaita: Ga eens na, of dit idee goed is of verkeerd. Ik zie, dat degenen die jij ‘ontwikkeld’ noemt slechts boeven zijn, die voordeel trekken uit de tijd. Zulke mensen bevoorrechten deze bedriegelijke civilisatie deels vanwege hun zondige indrukken in het hart en deels omdat ze het als een gelegenheid zien om hun gebreken te verbergen. Kan een wijs mens geluk vinden in een dergelijke beschaving? Slechts zinloze argumenten en fysieke intimidatie kunnen het respect voor een civilisatie van boeven instandhouden.

Digambara: Sommige mensen zeggen, dat de samenleving vooruitgang maakt door de toename van kennis in de wereld en dat de samenleving uiteindelijk een hemel op aarde zal worden.

Advaita: Dat is eenvoudig fantasie. Het is heel uitzonderlijk, dat mensen hierin geloven en het is zelfs bizar, dat anderen de brutaliteit hebben om een derglijke zienswijze te propageren zonder er zelf in te geloven. Er zijn twee soorten kennis: paramārthika, kennis gerelateerd aan eeuwige waarheid, terwijl laukika kennis is, die is gerelateerd aan deze voorbijgaande wereld. Paramārthika lijkt niet toe te nemen; in tegendeel, in de meeste gevallen is deze kennis gecorrumpeerd en is afgeweken van zijn oorspronkelijke natuur. Alleen laukika lijkt toe te nemen. Heeft de jīva een externe relatie met laukika kennis? Wanneer laukika-jñāna toeneemt, raakt de geest van mensen door tijdelijk materieel streven afgeleid en wordt de oorspronkelijke, spirituele waarheid veronachtzaamd. Ik geloof er stellig in, dat hoe meer laukika-jñāna toeneemt, hoe misleidender de beschaving wordt. Dit betekent groot ongeluk voor de levende wezens.

Digambara: Ongeluk? Hoezo?

Advaita: Zoals ik eerder zei, het menselijk leven is heel kort. De jīva’s zijn als reizigers in een herberg en ze moeten deze korte levensduur gebruiken om zich voor te bereiden op hun hoogste bestemming. Het zou ronduit dwaas zijn, als reizigers in een herberg zo geabsorbeerd werden door het verbeteren van de condities van hun verblijf, dat ze hun bestemming, waarom het gaat, vergeten. Hoe meer men zich met materiële kennis bezighoudt, hoemeer de tijd voor spirituele zaken afneemt. Ik ben ervan overtuigd, dat materiële kennis alleen dient te worden gebruikt voor zover het onontbeerlijk is om jezelf in stand te houden. Er is geen noodzaak voor excessieve hoeveelheden materiële kennis en zijn metgezel, de materiële civilisatie. Want hoeveel dagen houdt deze aardse glitter stand?

Digambara: Ik zie, dat ik in de boeien van een onbuigzame bedelmonnik ben gevallen. Dient de samenleving dan geen enkele functie?

Advaita: Dat hangt af van de samenstelling van een bepaalde samenleving. De waarden, die worden gediend door een gemeenschap van Vaiṣṇava’s, zijn voor de jīva’s uitermate heilzaam, maar een samenleving van niet-Vaiṣṇava’s of een samenleving, die uitsluitend seculier is, dient geen gunstige waarden voor de jīva’s. Maar genoeg over dit onderwerp. Vertel me eens, wat versta je onder materiële wetenschap?

Digambara: De tantra-śāstra heeft vele soorten materiële wetenschap (prākṛtika-vijñāna) ontwikkeld. Materiële wetenschap sluit alle kennis, techniek en schoonheid in, die in de materiële wereld worden aangetroffen, inclusief de diverse takken van kennis, zoals krijgskunst, geneeskunst, muziek, danskunst en astronomie. Prakṛti (materiële natuur) is de oerkracht en door haar vermogen heeft ze dit materiële universum gemanifesteerd en alle variëteiten, die erin bestaan. Iedere vorm is een bijproduct van dit vermogen en wordt vergezeld door de kennis of wetenschap, die ermee correspondeert. Als je die kennis hebt vergaard, ben je bevrijd van de zonden, die je jegens Moeder Nistāriṇī hebt begaan. De Vaiṣṇava’s zoeken deze kennis niet, maar wij, śākta’s, krijgen op basis hiervan bevrijding. Neem eens in ogenschouw hoeveel boeken er zijn geschreven om deze kennis te vergaren door zulke groten mannen als Plato, Aristoteles, Socrates en de beroemde Hākim.

Advaita: Digambara, je hebt gezegd, dat de Vaiṣṇava’s geen belangstelling hebben in vijñāna (experiementele, gerealiseerde kennis), maar dat is niet waar. De zuivere kennis van de Vaiṣṇava’s is vol vijñāna:

śrī bhagavān uvāca
jñānaṁ parama-guhyaṁ me yad-vijñāna-samanvitam
sa-rahasyaṁ tad-aṅgaṁ ca gṛhāṇa gaditaṁ mayā
                                                                Śrīmad-Bhāgavatam (2.9.31)

Śrī Bhagavān zei, “O Brahmā, kennis over Mij is nondualistisch en toch heeft het vier verschillende componenten: jñāna, vijñāna, rahasya en tad-aṅga. Een jīva kan dit met zijn gewone intelligentie niet bevatten, maar jij kunt het door Mijn genade begrijpen. Jñāna is Mijn svarūpa en Mijn relatie met Mijn vermogen is vijñāna. De jīva is Mijn rahasya (geheim mysterie) en pradhāna is Mijn jñāna-aṅga.”

Vóór deze schepping was Bhagavān met Brahmā’s verering ingenomen en gaf hem instructies over de componenten van zuivere vaiṣṇava-dharma. Bhagavān zei, “O Brahmā, Ik leg je deze uiterst vertrouwelijke jñāna van Mezelf uit, de vijñāna, waarmee het is begiftigd, zijn rahasya en alle aṅga’s (componenten). Aanvaard dit alles van Mij.”

Digambara, er zijn twee soorten kennis: śuddhā-jñāna, zuivere kennis, en viṣaya-jñāna, kennis van materiële objecten. Alle menselijke wezens krijgen viṣaya-jñāna via hun zintuigen, maar die kennis is onzuiver, dus het is zinloos om hiermee transcendentale objecten te onderscheiden. Het is alleen bruikbaar in relatie tot de geconditioneerde staat van het materiële bestaan van de jīva. Kennis, die betrekking heeft op spiritueel bewustzijn, heet śuddhā-jñāna. Die is eeuwig en is de basis van de toegewijde dienst van de Vaiṣṇava’s. Spirituele kennis is de antithese van materiële kennis en is er volkomen verschillend van. Jij zegt, dat viṣaya-jñāna is vijñāna, maar het is geen vijñāna in de ware zin van het woord. De werkelijke reden, waarom jouw Āyur-veda en andere typen materiële kennis vijñāna worden genoemd is, omdat ze zijn tegengesteld aan zuiver spirituele kennis. Ware vijñāna is die zuivere kennis, die van materiële kennis wordt onderscheiden. Er is geen verschil tussen jñāna, die de kennis is van een waarlijk bestaande substantie (cid-vastu), en vijñāna, de kennis over het verschil van een dergelijk object met materie. Jñāna is directe waarneming van een transcendentaal object, terwijl vijñāna de vaststelling is van zuivere kennis in tegenstelling tot materiële kennis. Hoewel beide in feite hetzelfde ding zijn, heten ze ofwel jñāna of vijñāna in overeenstemming met de methoden, die ze aanwenden.

Jij refereert aan materiële kennis als vijñāna, maar de Vaiṣṇava’s zeggen, dat vijñāna de ware diagnose is van materiële kennis. Ze hebben de aard van de krijgskunst onderzocht, van de geneeskunst, van de astronomie en de anorganische natuurkunde (chemie) en hebben geconcludeerd, dat ze allemaal materiële kennisgebieden zijn en dat de jīva er geen eeuwige relatie mee onderhoudt. Daarom hebben deze uiteenlopende soorten materiële kennis geen consequentie in relatie tot de nitya-dharma van de jīva.

De Vaiṣṇava’s begrijpen, dat degenen, die hun wereldse kennis volgens hun materiële aandriften uitbreiden, verzonken zijn in karma-kāṇḍa. Vaiṣṇava’s verdoemen zulke mensen echter niet. Indirect en tot op zekere hoogte helpen de pogingen naar materiële verbetering de vooruitgang van de Vaiṣṇava’s. De materiële kennis van degenen, die zoeken naar materiële vooruitgang, is irrelevant en je kunt het prakṛtika-vijñāna, natuurwetenschap, noemen. Daartegen bestaat zeker geen bezwaar. Het is immers dwaas om over namen te twisten.

Digambara: Welnu, als er geen vooruitgang in materiële kennis bestond, hoe konden jullie, Vaiṣṇava’s, dan met veel gemak jullie materiële noden lenigen en vrij zijn om je bezig te houden met bhajana? Jullie moeten voor materiële ontwikkeling toch ook wat pogingen ondernemen?

Advaita: Mensen werken op verschillende wijzen, volgens hun respectievelijke aanleg, maar Īśvara is de allerhoogste bestuurder van alles en Hij beloont ieder persoon met het gepaste resultaat van zijn actie.

Digambara: Waar komt die aanleg vandaan?

Advaita: Aanleg ontwikkelt zich in diepgewortelde indrukken in het hart, die zijn verkregen uit voorgaande activiteiten. Hoe uitgebreider men bij materie is betrokken, hoe groter deskundige men wordt in materiële kennis en in de vakken, die uit zulke kennis voortkomen. De artikelen, die zulke mensen fabriceren kunnen de Vaiṣṇava’s helpen om Kṛṣṇa te dienen, maar er is voor Vaiṣṇava’s geen noodzaak om er afzonderlijk voor te werken. Timmerlieden bijvoorbeeld verdienen hun brood met het produceren van siṁhāsana’s, die gṛhastha-vaiṣṇava’s als platform gebruiken voor het installeren van hun Godsbeeld. Bijen zijn geneigd honing te verzamelen, die toegewijden accepteren voor de service aan het Godsbeeld. Het is niet zo, dat alle jīva’s in de wereld moeite doen om spirituele vooruitgang te boeken. Ze doen verschillende soorten werk, die worden aangestuurd door hun respectievelijke naturen.

Mensen hebben verschillende neigingen, sommigen hoog en anderen laag. Degenen met lagere naturen houden zich bezig met allerlei soorten werk, die worden gedreven door hun lagere tendenzen. De ondergeschikte arbeid, die ze verrichten, assisteert andere typen werk, dat wordt opgewekt door hogere naturen. Het wiel van dit universum draait bij de gratie van deze verdeling van arbeid. Iedereen, die onder de wet van de materie functioneert, werkt volgens zijn materiële aanleg en assisteert daarmee de Vaiṣṇava’s in hun spirituele ontwikkeling. Zulke materialisten zijn zich niet bewust, dat hun activiteiten de Vaiṣṇava’s helpen, omdat ze worden begoocheld door het vermogen van Śrī Viṣṇu’s māyā. Het resultaat is, dat de hele wereld de Vaiṣṇava’s dient zonder het bewust te zijn.

Digambara: Wat is deze viṣṇu-māyā?

Advaita: In de Caṇḍī-māhātmya van de Mārkaṇḍeya Purāṇa (81.40) wordt viṣṇu-māyā beschreven als mahamāyā hareḥ śaktir yayā sammohitaṁ jagat: “Het vermogen van Bhagavān, dat de hele wereld begoochelt, heet mahamāyā.”

Digambara: Wie is dan de godin, die ik ken als Moeder Nistāriṇī?

Advaita: Zij is het externe vermogen van Śrī Hari, dat viṣṇu-māyā heet.

Digambara opende zijn boek over tantra en zei, “Kijk, er staat in tantra-śāstra, dat mijn goddelijke Moeder bewustzijn in eigen persoon is. Zij beschikt over volledige wil en ze bevindt zich achter de drie kwaliteiten van de materiële natuur, toch ondersteunt ze de drie geaardheden. Jouw viṣṇu-māyā is niet vrij van de invloed van de drie geaardheden van de natuur, dus hoe kun je viṣṇu-māyā met mijn Moeder vergelijken? Dit soort fanatisme van de Vaiṣṇava’s irriteert me mateloos. Jullie, Vaiṣṇava’s, hebben blind geloof.”

Advaita: Mijn broer Digambara, wees alsjeblieft niet boos. Je bent me na zo langetijd komen opzoeken en ik wil je tevredenstellen. Is het een geringe zaak om over viṣṇu-māyā te spreken? Bhagavān Viṣṇu is de belichaming van het allerhoogste bewustzijn en Hij is de ene allerhoogste bestuurder van al dat is. Alles, dat een bestaan heeft, is Zijn vermogen. Vermogen is geen onafhankelijk object (vastu), maar eerder de functionele kracht, die in een object aanwezig is (vastu-dharma). Om te zeggen, dat śakti (vermogen) de wortel is van al dat is, is diepgaand tegengesteld aan tattva, metafysische waarheid. Śakti kan niet onafhankelijk van het object bestaan, waaruit het voortkomt. We moeten eerst het bestaan van een object aanvaarden, dat volkomen spiritueel bewustzijn bezit, anders is het aanvaarden van śakti op zichzelf als de droom van een bloem in de lucht. 

Het commentaar op de Vedānta zegt, śakti-śaktimator abhedaḥ: “Er is geen verschil tussen het vermogen en de bezitter van het vermogen.” Dit betekent, dat śakti geen afzonderlijk object is. De Allerhoogste Persoon, die de meester is van alle vermogens, is de enig waarlijk bestaande substantie. Śakti is de kwaliteit, of de inherente functie, die ondergeschikt is aan Zijn wil. Je hebt gezegd, dat śakti de belichaming is van bewustzijn, dat het over wil beschikt en dat het zich achter de invloed van de drie kwaliteiten van de materiële natuur bevindt. Dit is juist, maar alleen voor zover śakti volledig met steun van een zuiver bewuste entiteit opereert en daarom identiek wordt geacht aan die krachtige entiteit. Verlangen kan in śakti niet bestaan; het is eerder zo, dat śakti in overeenstemming met de wens van het Allerhoogste Wezen handelt. Je hebt de kracht te bewegen en wanneer je wil bewegen, zal die kracht handelen. Als je zegt “de kracht beweegt” is dat louter een manier van uitdrukken; het betekent eigenlijk, dat de persoon, die over die kracht beschikt, beweegt.

Bhagavān heeft maar één śakti, die zich in verschillende vormen manifesteert. Als zij in een spirituele capaciteit functioneert, heet ze cit-śakti, en als ze in een materiële capaciteit opereert, heet ze māyā, of jaḍa-śakti. In de Śvetāśvatara Upaniṣad (6.8) wordt gezegd, parāsya śaktir vividhaiva śrūyate, “De Veda’s zeggen, dat Bhagavāns goddelijke śakti vol variëteit is.”

De śakti, die de drie geaardheden van de materiële natuur ondersteunt – sattva, rajaḥ en tamaḥ - heet jaḍa-śakti en haar functies zijn bedoeld om het universum te scheppen en te vernietigen. De purāṇa’s en de tantra refereren ernaar als viṣṇu-māyā, mahāmāyā, māyā, enzovoort. Er zijn vele allegorische beschrijvingen van haar activiteiten. Er wordt bijvoorbeeld gezegd, dat zij de moeder is van Brahmā, Viṣṇu en Śiva en dat zij de demonische broers Śumbha en Niśumbha versloeg. De levende wezens blijven onder controle van deze śakti, zolang zij zich tegoed doen aan materieel plezier. Zodra de jīva beschikt over zuivere kennis, wordt hij zich bewust van zijn eigen svarūpa en deze gewaarwording stelt hem in staat māyā-śakti te overstijgen en de bevrijde staat te bereiken. Dan komt hij onder supervisie van de cit-śakti en bereikt spiritueel geluk.

Digambara: Sta jij niet onder controle van een of andere macht?

Advaita: Ja, we zijn jīva-śakti. We hebben māyā-śakti achter ons gelaten en staan nu onder bescherming van cit-śakti.

Digambara: Dan ben jij ook een śākta.

Advaita: Ja, de Vaiṣṇava’s zijn echte śākta’s. We staan onder controle van Śrī Rādhikā, de belichaming van cit-śakti. Alleen onder Haar bescherming geven we service aan Kṛṣṇa, dus wie zijn méér śākta dan de Vaiṣṇava’s? Wij zien geen verschil tussen de Vaiṣṇava’s en de ware śākta’s. Degenen, die alleen gehecht zijn aan māyā-śakti zonder hun toevlucht te nemen tot cit-śakti, kunnen śākta’s worden genoemd, maar ze zijn geen Vaiṣṇava’s; ze zijn slechts materialisten. In de Nārada-pañcarātra legt Śrī Durgā Devī uit:

tava vakṣasi rādhāhaṁ rāse vṛndāvane vane

In het bos genaamd Vṛndāvana ben ik Jouw interne śakti, Śrī Rādhikā, die Je borst tooit in de rāsa-dans.

Uit deze uitspraak van Durgā Devī blijkt, dat het duidelijk is, dat er slechts één śakti is, geen twee. Die śakti is Rādhikā, wanneer Ze Zich manifesteert als intern vermogen en ze is Durgā, wanneer Ze Zich manifesteert als extern vermogen. In de hoedanigheid van vrijheid van contact met de materiële geaardheden van de natuur is viṣṇu-māyā de cit-śakti. Diezelfde viṣṇu-māyā is de jaḍa-śakti, wanneer zij beschikt over de drie geaardheden van de natuur.

Digambara: Je zei dat je jīva-śakti bent. Wat is dat?

Advaita: Bhagavān heeft in de Bhagavad-Gītā (7.4-5) gezegd:

bhūmir āpo ‘nalo vāyuḥ khaṁ mano buddhir eva ca
ahaṅkāra itīyaṁ me bhinnā prakṛtir aṣṭadhā
apareyam itas tv anyāṁ prakṛtiṁ viddhi me parām
jīva-bhūtāṁ mahā-bāho yayedaṁ dhāryate jagat

Mijn inferieure of materiële prakṛti bestaat uit acht elementen: aarde, water, vuur, lucht, ruimte; verstand, intelligentie en ego. Deze acht elementen staan onder supervisie van jaḍa-māyā. Er is echter nog een andere prakṛti, die superieur is aan deze jaḍa-prakṛti, en die bestaat uit de jīva’s. Door deze jaḍa-prakṛti wordt de materiële wereld waargenomen, of gezien.

Digambara, ken je de glorie van de Bhagavad-Gītā? Deze śāstra is de essentie van de instructies van alle śāstra’s en lost alle conflicten op tussen de diverse filosofische ideologieën. Dit boek bevestigt, dat de categorie entiteiten, die we kennen als jīva-tattva, fundamenteel verschillend is van de materiële wereld en die één van Īśvara’s vermogen is. De geleerde autoriteiten verwijzen naar de tattva als de taṭastha-śakti. Deze śakti is superieur aan het externe vermogen en inferieur aan het interne vermogen. Daarom zijn de jīva’s een unieke śakti van Kṛṣṇa.

Digambara: Kālīdāsa, heb je de Bhagavad-Gītā gelezen?

Advaita: Ja, ik heb hem een tijd geleden gelezen.

Digambara: Wat is de aard van zijn filosofisch onderricht?

Advaita: Mijn broer Digambara, mensen prijzen melasse slechts zolang ze geen kandijsuiker hebben geproefd.

Digambara: Mijn broer, dit is gewoon blind vertrouwen van jouw zijde. Iedereen heeft een enorm ontzag voor de Devī-Bhāgavata en de Devī-gītā. Jullie, Vaiṣṇava’s, zijn de enigen, die zelfs niet de namen van deze twee boeken kunnen verdragen.

Advaita: Heb je de Devī-gītā gelezen?

Digambara: Nee. Waarom zou ik liegen? Ik wilde deze twee boeken kopiëren, maar ik was nog niet in de gelegenheid dat te doen.

Advaita: Hoe kun je zeggen of een boek goed is of slecht, als je het niet eens hebt gelezen? Is mijn vertrouwen, of het jouwe blind?

Digambara: Broer, ik ben sinds mijn jeugd altijd een beetje bang voor je geweest. Je was altijd erg spraakzaam, maar nu je een Vaiṣṇava bent geworden, ben je zelfs nog assertiever in het uitdrukken van je gezichtspunten. Wàt is ook zeg, jij hakt alles aan barrels.

Advaita: Zeker, ik ben een waardeloze gek, maar ik kan wel zien, dat er buiten de vaiṣṇava-dharma geen śuddhā-dharma is. Jij was altijd vijandig tegen de Vaiṣṇava’s en dat is de reden, waarom je niet eens het pad naar je eigen heil kon herkennen.

Digambara: (een beetje boos) Wil je zeggen, dat ik het pad naar mijn eigen heil niet kan vinden, terwijl ik zoveel sādhana en bhajana heb uitgevoerd? Heb ik al die tijd gras staan snijden om mijn paard te voederen? Kijk nu eens naar deze Tantra-saṅgraha, die ik heb geschreven! Denk je, dat het een grap was om dit boek te produceren? Jij pronkt op arrogante wijze met je Vaiṣṇavisme en maakt de moderne wetenschap en civilisatie belachelijk. Wat kan ik daaraan doen? Kom, laten we naar een beschaafd gezelschap gaan en zien wie gelijk heeft – jij of ik.

Advaita dāsa wilde zich zo snel mogelijk van Digambara’s ongewenste gezelschap bevrijden, want hij voelde, dat deze ontmoeting volkomen onproductief was. “Welnu  broer,” zei hij, “wat is op het moment van de dood de zin van jouw materiële wetenschap en civilisatie?”

Digambara: Kālīdāsa, je bent echt een vreemd figuur. Blijft er iets over na de dood? Zolang je leeft, moet je proberen onder geciviliseerde mensen faam te verwerven en genieten van de vijf geneugten des levens: wijn, vlees, vis, rijkdom en vrouwen. Op het moment van de dood zal Moeder Nistāriṇī de bestemming voor je arrangeren, die je verdient. De dood is zeker, dus waarom maak je je op dit moment zo druk? Waar hang je ergens uit, wanneer de vijf elementen van dit lichaam in de vijf grote elementen van de materiële natuur oplossen?

Deze wereld is māyā, yogamāyā en mahāmāyā. Het is zij, die je nu geluk en bevrijding na de dood kan geven. Er bestaat niets anders dan śakti; je bent uit śakti voortgekomen en je zal op het eind in śakti terugkeren. Dien gewoon śakti en getuig van de macht van śakti in wetenschap. Probeer je spirituele kracht door de discipline van yoga te vergroten. Op het eind zal je zien, dat er niets anders is, dan dit onbevattelijke vermogen. Waar heb je dit vergezochte verhaal van een bewuste, supreme God vandaan gehaald? Je geloof in zo’n verhaal maakt je nu een slachtoffer en ik kan niet overzien, welke bestemming je in het volgende leven zal krijgen, dat superieur is aan het onze. Wat is de noodzaak van een persoonlijke God? Dien gewoon śakti en als je opgaat in die śakti, zal je er altijd in verblijven.

Advaita: Mijn broer, je bent door deze materiële śakti besmet geraakt. Als er een alwetende Bhagavān is, wat zal er dan gebeuren na je dood? Wat is geluk? Geluk is vrede in je hoofd en je hart. Ik heb alle materiële plezier opgegeven en vond geluk in innerlijke vrede. Mocht er nog iets méér na de dood  te behalen zijn, zal ik dat óók krijgen. Maar jij bent niet voldaan. Hoe meer je probeert plezier te maken, hoe meer je hunkering naar materieel plezier toeneemt. Weet je niet eens wat geluk is? Je drijft gewoon mee in de stroom van sensualiteit en roept, "Plezier! Plezier!" maar er komt een dag, dat je in de oceaan van verdriet valt.

Digambara: Wat mijn lot ook zijn moge. Maar waarom heb jij de associatie van beschaafde mensen opgegeven?

Advaita: Ik heb de associatie van beschaafde mensen niet opgegeven; het is eerder precies datgene, wat ik heb gekregen. Ik probeer juist de associatie van gedegenereerde mensen op te geven.

Digambara: Hoe definieer jij gedegenereerd gezelschap?

Advaita: Dan moet je luisteren zonder boos te worden, zodat ik het je kan vertellen. Śrīmad-Bhāgavatam (4.30.33) zegt:

yāvat te māyayā spṛṣṭā bhramāma iha karmabhiḥ
tāvad bhavat-prasaṅgānāṁ saṅgaḥ syān no bhave bhave
                                                              in: Hari-bhakti-vilāsa (10.292)

O Bhagavān! Zolang we in de illusie van Jouw begoochelende energie verkeren en we zwerven rond in het materiële bestaan onder invloed van onze karmische activiteiten, bidden we leven na leven voor de associatie van Je premī-bhakta's.

In de Hari-bhakti-vilāsa (10.294) staat:

asadbhiḥ saha saṅgas tu na kartavyaḥ kadācana
yasmāt sarvārtha-hāniḥ syād adhaḥ-pātaś ca jāyate

Men mag nimmer associëren met mensen, die in non-realiteit zijn verzonken, want door zulke associatie wordt men gedepriveerd van alle waardevolle aanwinsten en valt men terug naar een gedegradeerde levensstaat.

De Katyāyana-saṁhitā stelt:

varaṁ hutavaha-jvālā pañjarāntar-vyavasthitiḥ
na śauri-cintā-vimukha-jana-samvāsa-vaiśasam
                                                              in: Hari-bhakti-vilāsa (10.295)

Zelfs al zou ik sterven in een brullend vuur, of voor altijd in een kooi gevangen worden gehouden, wil ik niet in het gezelschap verkeren van personen, die gekeerd zijn tegen het denken aan Kṛṣṇa.

In Śrīmad-Bhāgavatam (3.31.33-34) staat:

satyaṁ śaucaṁ dayā maunaṁ buddhir hrīr śrīr yaśaḥ kṣamā
śamo damo bhagaś ceti yat-saṅgād yāti saṅkṣayam
teṣv aśānteṣu mūḍheṣu khaṇḍitātmasv asādhuṣu
saṅgaṁ na kuryāc chocyeṣu yosit-krīḍā-mṛgeṣu ca
                                                                  in: Hari-bhakti-vilāsa (10.297-98)

Als je associeert met degenen, die niet over deugden beschikken, verdwijnen je goede kwaliteiten in hun geheel – zoals eerlijkheid, reinheid, genade, beheersing van de spraak, intelligentie, verlegenheid, rijkdom, roem, vergevingsgezindheid, beheersing van de zintuigen, beheersing van de geest, en geluk. Daarom dien je nimmer te associëren met onbetamelijk publiek, dat is opgewonden door zijn hunkering naar lustbevrediging, dat dwaas is, dat wordt geabsorbeerd door lichaamsbewustzijn en dat een speelbal is in de handen van vrouwen.

In de Garuḍa Purāṇa (231.17) staat:

antargato 'pi vedānāṁ sarva-śāstrārtha-vedy api
yo na sarveśvare bhaktas taṁ vidyāt puruṣādhamam
                                                              in: Hari-bhakti-vilāsa (10.303)

Je kunt alle Veda's hebben bestudeerd en bekend zijn met de betekenis van alle śāstra’s, maar als je geen toegewijde bent van Śrī Hari, dien je te worden beschouwd als de laagste der mensen.

Śrīmad-Bhāgavatam (6.1.18) stelt:

prāyaścittāni cīrṇāni nārāyaṇa-parāṇmukham
na niṣpunanti rājendra surā-kumbham ivāpagāḥ
                                                             in: Hari-bhakti-vilāsa (10.305)

O Koning, zoals het water van vele rivieren een wijnvat niet kan reinigen, zo kan iemand, die zich verzet tegen Śrī Nārāyaṇa, door geen enkel type boetedoening worden gezuiverd, zelfs al wordt deze keer op keer perfect uitgevoerd.

In de Skanda Purāṇa wordt gezegd:

hanti nindati vai deveṣṭi vaiṣṇavān nābhinandati
krudhyate yāti no harṣaṁ darśane patanāni ṣaṭ
                                                               in: Hari-bhakti-vilāsa (10.312)

De zes oorzaken van een terugval zijn: een Vaiṣṇava slaan, hem belasteren, een wrok jegens hem koesteren, nalaten hem te verwelkomen of hem een plezier te doen, woede jegens hem uiten en geen genoegen scheppen in zijn aanwezigheid.

Digambara, niemand kan door deze typen immorele associatie ooit voorspoed behalen. Welk mogelijk heil kun je aantrekken door in een maatschappij van zulke mensen te leven?

Digambara: Tjonge jonge, met welk een onderscheiden heer heb ik het genoegen te spreken! Je moet vooral temidden van zuivere Vaiṣṇava’s blijven. Ik ga naar huis.

Advaita dāsa voelde, dat de uitwisseling met Digambara tot een eind kwam en dat het gepast was om het gesprek vriendelijk af te sluiten. Met een hoffelijk gebaar zei hij, "Je bent mijn jeugdvriend. Ik weet, dat je naar huis moet terugkeren, maar ik wil je niet zomaar laten gaan. Je bent helemaal hier naartoe gekomen, dus blijf alsjeblieft nog even. Neem wat prasāda en daarna mag je gaan."

Digambara: Kālīdāsa, je weet heel goed, dat ik een strikt dieet volg. Ik eet alleen haviṣya en ik had al gegeten, voordat ik hier naartoe kwam. Maar het was leuk om je te zien. Als ik tijd heb, kom ik nog eens langs. Ik kan niet blijven logeren, want ik heb een paar verplichtingen, die ik volgens het systeem van mijn guru moet uitvoeren. Broer, ik moet er nu vandoor.

Advaita: Ik zal je naar de boot brengen. Laten we gaan.

Digambara: Nee, nee. Ga gewoon door met je eigen zaken. Ik heb een paar mannen meegebracht.

Digambara ging toen weg, terwijl hij een lied zong over Godin Kālī en Advaita dāsa kon ongehinderd in zijn kuṭīra śrī-nāma chanten.

 

Aldus eindigt het Negende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Nitya-dharma, materiële wetenschap & civilisatie"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________



Vorige: Hoofdstuk 8 – "Nitya-dharma en Vaisnava-etiquetten"

Volgende: Hoofdstuk 10 – "Nitya-dharma en geschiedenis"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl