Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 8

Nitya-dharma en Vaisnava-etiquetten


In een woud langs de zuidoostelijke oever van de heilige vijver, Śrī Gorā-hrada, leefden enkele Vaiṣṇava’s in een afgelegen bos. Op een namiddag nodigden de Vaiṣṇava’s van die plaats de Vaiṣṇava’s van Godruma uit voor een gezamenlijke avondmaaltijd met prasāda. Nadat ze de prasāda hadden geëerd zaten ze samen in de boshut (kuñja). Op dat moment zong Lāhirī Mahāśaya een bhajana, die in ieders hart extatische liefde voor Vraja wekte.


(gaura!) kata līlā karile ekhāne
advaitādi bhakta-saṅge nācile e vane raṅge
kāliya-damana-saṅkīrtane
e hrada haite prabhu, nistārile nakra prabhu
kṛṣṇa yena kāliya-damane

Oh, denk aan al het tijdverdrijf van Gaura hier! Hij danste en vermaakte zich in deze kuñja in het gezelschap van Advaita en andere Vaiṣṇava’s. Zoals Śrī Kṛṣṇa Kāliya-nāga temde, zo bevrijdde onze Prabhu met Zijn saṅkīrtana een krokodil uit zijn vijver en werd beroemd als kālīya-damana-saṅkīrtana.

Toen de bhajana was gezongen begonnen de Vaiṣṇava’s de eenheid van gaura-līlā en kṛṣṇa-līlā te bespreken. Tijdens hun discussie arriveerden er een paar Vaiṣṇava’s uit Baragāchī en boden hun daṇḍavat-praṇāma aan; eerst aan Gorā-hrada en daarna aan de Vaiṣṇava’s. De Vaiṣṇava’s onder de bossage boden de nieuwkomers gepast respect en gaven hen een zitplaats.

In die afgelegen kuñja stond een eeuwenoude banyan-boom, aan de voet waarvan de Vaiṣṇava’s een rondvormig terras hadden gemetseld. Iedereen eerde de boom als Nitāi-vaṭa (Nityānanda Prabhu’s banyan-boom), want Hij vond het fijn om onder deze boom te zitten. De Vaiṣṇava’s zaten nu onder deze Nitāi-vaṭa en begonnen spirituele zaken te bespreken. Een jonge onderzoekende Vaiṣṇava in de groep uit Baragāchī zei heel nederig, “Ik zou graag een vraag willen stellen en ik zal heel gelukkig zijn als één van u deze alstublieft wilt beantwoorden.”

Haridāsa Bābājī Mahāśaya was een bewoner van die afgelegen kuñja en was een wijs en hooggeleerd persoon. Hij was bijna honderd jaar. Hij had Nityānanda Prabhu vele jaren geleden persoonlijk onder die banyan-boom zien zitten en wenste uit de grond van zijn hart de wereld vanaf precies deze plek te verlaten. Toen hij de woorden van deze jongen hoorde, zei hij, “Mijn zoon, aangezien het gevolg van Paramahaṁsa Bābājī hier aanwezig is, hoef je je geen zorgen te maken over het antwoord op je vraag.”

De jonge Vaiṣṇava uit Baragāchī vroeg toen heel nederig, “Ik heb begrepen, dat vaiṣṇava-dharma een eeuwige religie is en daarom wil ik tot in detail weten hoe iemand, die zijn toevlucht tot vaiṣṇava-dharma heeft genomen zich jegens anderen dient te gedragen.”

Toen hij de vraag van de nieuwkomer had gehoord, wierp Haridāsa Bābājī Mahāśaya een vluchtige blik naar Śrī Vaiṣṇava dāsa Bābājī en zei, “Vaiṣṇava dāsa, er is in Bengalen op het ogenblik geen geleerde, die jou evenaart en bovendien ben je een Vaiṣṇava in de overtreffende trap. Je hebt het gezelschap van Śrīla Prakāśānanda Sarasvatī Gosvāmī genoten en je hebt instructies van Paramahaṁsa Bābājī ontvangen. Je bent echter ook een zeer fortuinlijk begenadigde van Śrīman Mahāprabhu’s zegen en daarom ben jij het meest geschikt om deze vraag te beantwoorden.”

Vaiṣṇava dāsa Bābājī Mahāśaya zei nederig, “O grote ziel, u hebt Śrīman Nityānanda Prabhu gekend, die een avatāra is van Baladeva Zelf en uw instructies hebben ontelbaar veel mensen op het spirituele pad geleid. Ik zou het als een grote zegen beschouwen, indien u ons vandaag instructies geeft.”

Alle andere Vaiṣṇava’s waren het met Vaiṣṇava dāsa Bābājī eens. Bābājī Mahāśaya zag geen andere uitweg en gaf uiteindelijk toe. Hij bood zijn daṇḍavat-praṇāma aan Śrī Nityānanda Prabhu aan de voet van de banyan-boom aan en begon te spreken.

Bābājī: Ik bied mijn praṇāma aan alle jīva’s van deze wereld aan en beschouw ze als dienaren van Kṛṣṇa. “Iedereen is een dienaar van Sir Kṛṣṇa, hoewel sommigen dit aanvaarden en anderen niet.” Ofschoon iedereen van nature een dienaar is van Śrī Kṛṣṇa, willen sommige zielen dit onder invloed van hun onwetendheid of illusie niet aanvaarden. Ze vormen een groep. Een andere groep bestaat uit degenen, die hun natuurlijke identiteit als dienaar van Śrī Kṛṣṇa wel aanvaarden. Het gevolg is, dat er in deze wereld twee typen mensen zijn: kṛṣṇa-bahirmukha, degenen die van Kṛṣṇa zijn afgedwaald; en kṛṣṇa-unmukha, degenen die naar Kṛṣṇa attent zijn.

De meeste mensen in deze wereld zijn van Kṛṣṇa afgedwaald en aanvaarden dharma niet. Aan de eerste groep hoef ik niet veel woorden vuil te maken. Ze hebben geen idee wat dient te worden gedaan en wat niet dient te worden gedaan, zodat hun hele bestaan is gebaseerd op zelfzuchtig geluk.

De mensen, die enige morele principes aanvaarden, beschikken over een gevoel van plicht. Voor hen heeft de grote Vaiṣṇava, Manu, geschreven:

dhṛtiḥ kṣamā damo ‘steyaṁ śaucam indriya-nigrahaḥ
dhīr vidyā satyam akrodho daśakaṁ dharma-lakṣaṇam

Er zijn tien karakteristieken van het religieuze leven: dhṛti (vastberadenheid met geduld); kṣamā (vergevingsgezindheid), wat betekent geen wraak nemen als je door anderen onheus bent behandeld; dama (beheersing van de geest), wat betekent gelijkmatigheid zelfs ten overstaan van ontwrichtende omstandigheden; asteya (afzien van diefstal); śaucam (reinheid); indriya-nigrahaḥ (het wegnemen van de zintuigen van hun zintuigobjecten); dhī (intelligentie), wat betekent kennis van de śāstra; vidyā (wijsheid), wat betekent realisatie van de ziel; satya (waarheidslievendheid); en akrodha (afwezigheid van woede), zoals gelijkmoedigheid temidden van irriterende omstandigheden.

Zes van deze eigenschappen – vastbeslotenheid, beheersing van de geest, reinheid, beheersing van de zintuigen, kennis van de śāstra en wijsheid – zijn plichten aan jezelf. De andere vier – vergevingsgezindheid, afzien van diefstal, waarheidslievendheid en afwezigheid van woede – zijn plichten aan anderen. Deze tien religieuze plichten worden voor mensen in het algemeen voorgeschreven, maar geen van alle wijzen uitdrukkelijk op hari-bhajana. Verder zal je in het leven niet noodzakelijkerwijs volledig succesvol zijn door deze plichten trouw uit te voeren. Dit wordt bevestigd in de Viṣṇu-dharmottara Purāṇa:

jivitaṁ viṣṇu-bhaktasya varaṁ pañca-dinānica
na tu kalpa-sahasrāṇi bhakti-hīnasya keśave
                                                 in: Hari-bhakti-vilāsa (10.317)

Het is buitengewoon gunstig om in deze wereld zelfs maar voor vijf dagen te leven als een bhakta van Śrī Viṣṇu, terwijl het in het geheel niet gunstig is om duizenden kalpa’s in deze wereld te leven zonder bhakti voor Śrī Keśava.

Een persoon, die in gebreke gaat van kṛṣṇa-bhakti is niet geschikt om een mens te worden genoemd, daarom rekent śāstra zulke mensen onder de tweevoetige dieren. Śrīmad-Bhāgavatam (2.3.19) stelt:

śva-viḍ-varāhoṣṭra-kharaiḥ saṁstutaḥ puruṣaḥ paśuḥ
na yat karṇa-pathopeto jātu nāma gadāgrajaḥ

Alleen mensen als honden, varkens, kamelen en ezels prijzen degenen, die nimmer de heilige naam horen van Śrī Kṛṣṇa, de oudere broer van Gada.

Als iemand śrī-kṛṣṇa-nāma nooit zijn oren binnenlaat, is hij gelijk een dier. Hij is in feite meer gedegradeerd dan zwijnen, die uitwerpselen en ander afval eten; kamelen, die in de woestijn van saṁsāra zwerven en kaktussen eten; en ezels, die zware lasten voor anderen dragen en altijd worden weggeschopt door de ezelin. De vraag van vandaag was echter niet wat zulke onfortuinlijke mensen moeten doen en niet moeten doen. De vraag betrof hoe degenen, die hun toevlucht hebben genomen tot het pad van bhakti, zich jegens anderen dienen te gedragen. 

Degenen, die het pad van bhakti zijn ingeslagen, kunnen worden verdeeld in drie categorieën: kaniṣṭha (neofieten), madhyama (middelmatigen), en uttama (de hoogsten). Kaniṣṭha’s zijn degenen, die het pad van bhakti zijn ingeslagen, maar nog geen ware bhakta’s zijn. Hun symptomen worden alsvolgt beschreven:

arcāyām eva haraye pūjāṁ yaḥ śraddhayehate
na tad-bhakteṣu cānyeṣu sa bhaktaḥ prākṛtaḥ smṛtaḥ
                                                                 Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.47)

Iemand die de goddelijke vorm van Śrī Hari trouw vereert, maar geen dienst verleent aan Zijn bhakta's of andere levende wezens, is een prākṛta-bhakta, een materialistische toegewijde.

Hier wordt dus bevestigd, dat śraddhā (vertrouwen) de bīja, of het zaad, is van bhakti. Jouw bhakti is alleen effectief, als je Bhagavān met śraddhā vereert en er is geen sprake van śuddhā-bhakti, tenzij je de bhakta’s ook vereert. Bhakti ontwikkelt zich niet grondig genoeg, zolang je nalaat dit te doen. Dit type bhakta heeft amper de drempel van de beoefening van bhakti betreden. In de Śrīmad-Bhāgavatam (10.84.13) wordt gezegd:

yasyātma-buddhiḥ kuṇape tri-dhātuke
sva-dhīḥ kalatrādiṣu bhauma ijya-dhīḥ
yat tīrtha-buddhiḥ salile na karhicij
janeṣv abhijñeṣu sa eva go-kharaḥ

Iemand, die zijn lichaam, dat is als een lijk en uit drie elementen bestaat, vata, pita en kapha, beschouwt als zijn ware zelf; iemand die zijn vrouw, kinderen en anderen beschouwt als iets van hemzelf; die wereldse vormen gemaakt van aarde, steen of hout als eerbiedwaardig beschouwt; en die louter water aanziet als een pelgrimsoord – maar die de bhagavad-bhakta’s niet als méér dan zichzelf beschouwt, niet als zijn eigen zelf, die verering waard zijn en pelgrimsoorden zijn, een dergelijk persoon, hoewel een mens, is niet beter dan een ezel onder de dieren.

De betekenis van deze twee śloka’s is, dat men zelfs niet de drempel van bhakti kan betreden zonder Bhagavān in de vorm van het Godsbeeld te vereren. Als iemand het Godsbeeld afwijst en overgaat tot het logische debat louter om de waarheid eruit af te leiden, versteent zijn hart en kan hij het ware object van verering niet vaststellen. Zelfs al aanvaardt men het Godsbeeld, het is essentieel om Hem in transcendentaal bewustzijn (śuddhā-cinmaya-buddhi) te vereren. In deze wereld zijn de jīva’s cinmaya vastu, bewuste entiteiten en onder alle jīva’s zijn de bhakta’s van Kṛṣṇa śuddhā-cinmaya, in het bezit van zuiver bewustzijn. Kṛṣṇa en de bhakta’s zijn beiden śuddhā-cinmaya-vastu (zuivere bewuste entiteiten) en om ze te begrijpen is het essentieel om over sambandha-jñāna te beschikken, kennis over de wederzijdse relatie tussen de materiële wereld, de jīva’s en Kṛṣṇa. Als men het Godsbeeld vereert met sambandha-jñāna, moet men Kṛṣṇa vereren en de bhakta’s gelijkertijd dienen. Deze soort adoratie en respect voor cinmaya-tattva, de bovenzinnelijke realiteit, welke vol vertrouwen is, heet śāstrīya śraddhā, vertrouwen gebaseerd op śāstra.

Verering van het Godsbeeld, die in gebreke gaat van deze ontegenzeglijke kennis van de wederzijdse relatie tussen de verschillende aspecten van de transcendentale realiteit is eenvoudig gebaseerd op laukika śraddhā, gewoonte of traditie. Dergelijke verering van het Godsbeeld uit gewoonte is geen śuddhā-bhakti, ofschoon het de eerste stap is in de toenadering van bhakti; dit is de conclusie van śāstra. Degenen, die dit stadium van bhakti hebben bereikt, worden alsvolgt omschreven:

gṛhīta-viṣṇu-dīkṣāko viṣṇu-pūjā-paro naraḥ
vaiṣṇavo ‘bhihito ‘bhijñair itaro ‘smād avaiṣṇavaḥ
                                                               Hari-bhakti-vilāsa (1.55)

De geleerden hebben vastgesteld, dat een Vaiṣṇava iemand is, die in overeenstemming met de voorschriften van śāstra is geïnitieerd in een viṣṇu-mantra en die zich bezighoudt met de verering van Śrī Viṣṇu. Alle anderen zijn niet-Vaiṣṇava’s.

Kaniṣṭha-vaiṣṇava’s of prākṛta-bhakta's, zijn degenen die gebruik maken van een priester uit hun familietraditie, of die tot laukika śraddhā (werelds geloof) worden aangezet om anderen te imiteren door initatie te nemen in een viṣṇu-mantra en het Godsbeeld van Śrī Viṣṇu te vereren. Zulke materialistische toegewijden zijn geen śuddhā-bhakta's; in hen is veeleer een schaduwbeeld van bhakti overheersend, dat chāyā-bhakty-ābhāsa heet. Ze hebben echter geen pratibimba-bhakty-ābhāsa, dat een weerspiegelende weerschijn van bhakti vormt. Deze pratibimba-bhakty-ābhāsa is van nature offensief en gaat in gebreke van Vaiṣṇavisme. Het stadium van chāyā-bhakty-ābhāsa is het resultaat van een groot fortuin, want het is de voorbereidende fase van bhakti en deze mensen kunnen zich geleidelijk tot madhyama- en uttama-vaiṣṇava’s ontwikkelen. Nochtans kunnen degenen in het stadium van chāyā-bhakty-ābhāsa geen śuddhā-bhakta’s worden genoemd. Zulke mensen vereren het Godsbeeld met laukika śraddhā (werelds geloof). Zij kunnen zich alleen tot anderen verhouden volgens de tien typen religieuze plichten voor de mensen in het algmeen, die ik eerder heb beschreven. Het gedrag, dat de śāstra’s voor bhakta’s voorschrijven, is op hen niet van toepassing, want ze kunnen zelfs niet vaststellen wie een echte bhakta is en wie niet. Dat onderscheidingsvermogen is een symptoom van de madhyama-vaiṣṇava.

Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.46) beschrijft het gedrag van de madhyama-vaiṣṇava alsvolgt:

īśvare tad-adhīneṣu bāliśeṣu dviṣatsu ca
prema-maitrī-kṛpo pekṣā yaḥ karoti sa madhyamāh

Een madhyama-bhāgavata is iemand, die van Īśvara houdt, die vriendelijk met Zijn bhakta’s omgaat, die genade toont jegens degenen, die onwetend zijn van bhakti en die degenen, die Īśvara of Zijn bhakta’s vijandig gezind zijn, geen aandacht schenkt.

Het gedrag dat hier wordt beschreven wordt geclassificeerd als nitya-dharma. Ik verwijs hier niet naar naimittika-dharma (tijdelijke religie of wereldse plichten). Het gedrag, dat ik hier beschrijf, is onderdeel van nitya-dharma en is essentieel in het leven van een Vaiṣṇava. Andere typen gedrag, die niet zijn tegengesteld aan deze houding kan waar nodig worden geaccepteerd.

Het gedrag van een Vaiṣṇava is gericht op vier categorieën individuen: īśvara, de Allerhoogste Heer; tad-adhīna, Zijn bhakta's; bāliśa, materialistische mensen, die geen idee hebben van spirituele waarheid; en dveṣī, de tegenstanders van bhakti. Een Vaiṣṇava toont respectievelijk liefde, vriendschap, genade en nalatigheid jegens deze vier soorten individuen. Met andere woorden, hij gedraagt zich liefdevol jegens Īśvara, vriendschappelijk jegens de bhakta's, en genadevol jegens de onwetenden; hij veronachtzaamt degenen, die vijandig gezind zijn.

De eerste karakteristiek van een madhyama-vaiṣṇava is, dat hij prema koestert voor Śrī Kṛṣṇa, die de Allerhoogste Heer is van al dat is. Het woord prema verwijst hier naar śuddhā-bhakti, waarvan de symptomen alsvolgt worden omschreven in Bhakti-rasāmṛta-sindhu (1.1.11):

anyābhilāṣitā-śūnyaṁ jñāna-karmādy-anāvṛtam
ānukūlyena kṛṣṇānuśīlanaṁ bhaktir uttamā

Uttamā-bhakti is de complete poging om Śrī Kṛṣṇa in een gunstige stemming te dienen. Het is vrij van ieder ander verlangen en het wordt niet bedekt door kennis van onpersoonlijk brahma, door de dagelijkse en periodieke plichten voorgeschreven door de smṛti-śāstra’s, noch door onthouding, yoga, sāṅkhya en andere soorten dharma.

Bhakti met zulke eigenschappen wordt het eerst aangetroffen in de sādhana van een madhyama-vaiṣṇava, welke zich uitstrekt tot de stadia bhāva en prema. De enige eigenshap van de bhakti van de kaniṣṭha is de trouwe dienstverlening aan het Godsbeeld. Een dergelijk persoon heeft geen kenmerken van uttamā-bhakti, namelijk: anyābhilāṣitā-śūnya, vrijheid van bijkomende motieven; jñāna-karmādy-anāvṛta, vrijheid van onpersoonlijke kennis en baatzuchtig streven; en ānukūlyena kṛṣṇānuśīlana, completerende pogingen om Kṛṣṇa in een gunstige stemming te dienen.

Een kaniṣṭha wordt beschouwd een madhyama-vaiṣṇava en een echte bhakta te zijn geworden, wanneer zich bhakti met deze symptomen in zijn hart manifesteert. Vóór dit stadium is hij een prākṛta-bhakta, wat betekent, dat hij slechts de schijn van een bhakta (bhakta-ābhāsa), of de schijn van een Vaiṣṇava (vaiṣṇava-ābhāsa) heeft. Het woord kṛṣṇānuśīlana verwijst naar prema, liefde voor Kṛṣṇa en wordt gekwalificeerd door het woord ānukūlyena. Dit wijst op die zaken, die gunstig zijn voor kṛṣṇa-prema, namelijk vriendschap met de bhakta's, genade jegens de onwetenden en veronachtzaming jegens tegenstanders. Deze drie kenmerken zijn ook symptomen van een madhyama-vaiṣṇava.

De tweede eigenschap van een madhyama-vaiṣṇava is zijn vriendschap met bhakta's, in wier hart śuddhā-bhakti is verschenen en die toegeeflijk zijn aan Bhagavāns wil. Kaniṣṭha-bhakta’s zijn geen śuddhā-bhakta's, die zich volledig hebben overgegeven aan Bhagavān, en ze betuigen geen respect of gastvrijheid aan śuddhā-bhakta's. Daarom zijn madhyama en uttama-bhakta’s de enigen, die geschikt zijn om intieme vriendschapsrelaties mee aan te knopen.

Gedurende drie achtereenvolgende jaren vroegen de bhakta’s van Kulīna-grāma aan Śrīman Mahāprabhu, “Wat is een Vaiṣṇava en wat zijn de kenmerken, waaraan hij kan worden herkend?” Śrī Mahāprabhu antwoordde door ze instructies te geven omtrent uttama-, madhyama- en kaniṣṭha-vaiṣṇava’s. Welnu, volgens de karakteristieken van Zijn beschrijving komen alle drie klassen – zoals Hij ze beschreef – overeen met de standaarden, die ik heb gedefinieerd voor madhyama- en uttama-vaiṣṇava’s. Geen enkele correspondeerde met de kaniṣṭha-bhakta's, die alleen in staat zijn om de vorm van het Godsbeeld te vereren, omdat ze śuddhā-kṛṣṇa-nāma niet uitspreken. Het chanten, dat ze doen, is chāyā-nāmābhāsa. Chāyā-nāmābhāsa verwijst naar de schijn van de zuivere naam, die wordt verduisterd door onwetendheid en anartha’s, zoals de zon wordt verduisterd door wolken, waardoor hij zijn volle licht niet kan manifesteren. 

Mahāprabhu gaf instructies aan madhyama-adhikārī gṛhastha-vaiṣṇava’s om drie soorten Vaiṣṇava’s te dienen, die Hij alsvolgt omschreef: iemand uit wiens mond zelfs eenmaal kṛṣṇa-nāma wordt gehoord; iemand uit wiens mond kṛṣṇa-nāma constant wordt gehoord; en iemand wiens eerste aanblik spontaan aanleiding geeft tot het chanten van śrī-kṛṣṇa-nāma. Al deze drie typen Vaiṣṇava’s zijn dienstverlening waard, maar dit geld niet voor iemand, die alleen nāmābhāsa uitstoot en geen śuddhā-kṛṣṇa-nāma. Alleen aan Vaiṣṇava’s, die śuddhā-nāma uitspreken, is het waard service te verlenen.

Ons wordt de opdracht gegeven de Vaiṣṇava’s in overeenstemming met hun respectievelijke niveau’s van ontwikkeling te dienen. Het woord maitrī betekent associatie, conversatie en dienstverlening. Zodra men een zuivere Vaiṣṇava ziet, dient men hem te ontvangen, respectvol met hem te converseren en, voor zover men daartoe in staat is, hem in zijn behoeften te voorzien. Men dient hem op al deze manieren van dienst te zijn en hem nimmer te benijden. Men mag ook geen kritiek op hem uitoefenen, zelfs niet per ongeluk, of hem onheus behandelen, zelfs al is zijn verschijning onaantrekkelijk, of al heeft hij een ziekte.

De derde eigenschap van de madhyama-vaiṣṇava is, dat hij zijn genade aan de onwetenden geeft. Het woord bāliśa wijst op mensen, die geen enkel begrip hebben van spirituele waarheid, die begoocheld of dwaas zijn. Het wijst op materialistische mensen, die geen ware spirituele begeleiding hebben gehad, maar die ook niet besmet zijn geraakt met ongeauthoriseerde doctrines, zoals Māyāvāda. Ze zijn niet afgunstig op bhakta’s en bhakti, maar hun wereldse egoïsme en gehechtheid voorkomen, dat ze vertrouwen in Īśvara ontwikkelen. Ook grote geleerden behoren tot deze categorie, indien ze niet de hoogste baten van hun studie hebben bereikt, namelijk het ontwikkelen van vertrouwen in Īśvara.

De kaniṣṭha-adhikārī prākṛta-bhakta staat op de drempel van de tempel van bhakti, maar omdat hij de principes niet kent van sambhandha-jñāna, heeft hij nog een śuddhā-bhakti bereikt. Zo iemand wordt ook gezien als bāliśa (onwetend), totdat hij op het platform van śuddhā-bhakti komt. Zodra hij bekend raakt met de waarheid van sambandha-jñāna en een smaak voor śuddhā-hari-nāma in de associatie van zuivere bhakta’s ontwikkelt, verdwijnt zijn onwetendheid en bereikt hij de status van een madhyama-vaiṣṇava.

Het is essentieel, dat een madhyama-vaiṣṇava zijn genade aan alle bovengenoemde onwetende mensen geeft. Hij moet ze als gasten behandelen en dient hun noden te lenigen voor zover hij daartoe in staat is, maar dat is op zichzelf niet voldoende. Hij moet ook op een manier handelen, dat hun vertrouwen in ananya-bhakti en hun smaak voor śuddhā-nāma ontwaakt. Dat is de ware betekenis van genade. De ontwetenden kunnen ten prooi vallen aan slecht gezelschap en kunnen ieder ogenblik vallen, want ze ontberen de deskundigheid uit de śāstra’s. De madhyama-vaiṣṇava dient zulke kwetsbare mensen altijd tegen slecht gezelschap te beschermen. Hij moet ze genadevol zijn gezelschap schenken en geleidelijk inleiden in spirituele zaken en in de glorie van śuddhā-nāma.

Iemand die ziek is moet worden verzorgd door een dokter, omdat hij zichzelf niet kan genezen. Zoals men de woede van een zieke dient te verontschuldigen, zo dient men ook het ongepaste gedrag van de onwetenden over het hoofd te zien. Deze houding heet genade. De onwetenden koesteren heel wat misverstanden, zoals geloof in karma-kāṇḍa, het bij gelegenheid bezighouden met jñāna, het Godsbeeld vereren met bijbedoelingen, geloof in yoga, onverschilligheid jegens de associatie van zuivere Vaiṣṇava’s, gehechtheid aan varṇāśrama en vele andere zaken. De kaniṣṭha-adhikārī echter kan snel een madhyama-adhikārī worden, wanneer deze misvattingen door goed gezelschap, genade en goede instructies worden verdreven.

Wanneer zulke mensen het Godsbeeld van Bhagavān beginnen te vereren, hebben ze de basis gelegd voor alles wat gunstig is. Dit is zonder twijfel waar. Ze hebben niet de fout aan valse doctrines vast te houden en om die reden hebben ze een zweem van ware śraddhā. Hun verering van het Godsbeeld is niet dat van de Māyāvādī’s, die zelfs geen spoor van śraddhā voor hun Godsbeeld hebben en daarom zondaren aan de lotusvoeten van Bhagavān zijn. Daarom worden de woorden śraddhayā īhate (hij vereert vol vertrouwen) in de śloka (11.2.47) gebruikt, die de kaniṣṭha-bhakta beschrijft.

De filosofische opvatting in het hart van Māyāvādī’s en voorstanders van andere soortgelijke doctrines is, dat Bhagavān geen vorm heeft en dat het Godsbeeld, dat wordt vereerd, eenvoudig een denkbeeldig ikoon vormt. Hoe kan onder zulke omstandigheden enig vertrouwen in het Godsbeeld bestaan? Dat is de reden, waarom er een aanzienlijk verschil bestaat tussen de verering van het Godsbeeld door Māyāvādī’s en zelfs de prilste beginners in het Vaiṣṇavisme.

Kaniṣṭha-adhikārī Vaiṣṇava’s vereren het Godsbeeld met vertrouwen en weten, dat Bhagavān over een persoonlijke vorm en persoonlijke eigenschappen beschikt. Māyāvādī’s daarentegen geloven, dat Bhagavān geen vorm of attributen heeft en dat het Godsbeeld daarom denkbeeldig en tijdelijk is. Neofieten, beginnelingen, zijn niet schuldig aan de overtreding van Māyāvāda en dat is de reden waarom ze als prākṛta-vaiṣṇava’s (materialistische toegewijden) worden aanvaard, zelfs al beschikken ze niet over andere eigenschappen van Vaiṣṇava’s. Daarin ligt hun Vaiṣṇavisme. Op basis van deze ene eigenschap en door de genade van sādhu’s zullen ze geleidelijk en zonder twijfel worden verheven. Madhyama-adhikārī Vaiṣṇava’s moeten jegens zulke mensen waarlijk genadevol zijn en als ze dit doen, zal de verering van het Godsbeeld en het chanten van hari-nāma door de beginneling snel van het ābhāsa-stadium naar het zuiver transcendentale stadium vorderen.

De vierde karakteristiek van de madhyama-vaiṣṇava is veronachtzaming van degenen, die vijandig gezind zijn. Hier moeten we vijandigheid en zijn verschillende typen uiteenzetten. Dveṣa, vijandigheid, is een bepaalde houding, die ook bekend is als matsaratā, afgunst, en dit is precies het tegenovergestelde van liefde. Īśvara is het enige object van liefde en dveṣa is de houding, die rechtstreeks is tegengesteld aan liefde voor Hem. Er zijn vijf verschillende soorten dveṣa: gebrek aan vertrouwen in Īśvara; het idee dat Īśvara niets anders is dan een natuurlijk vermogen, dat het resultaat van alle activiteiten tot stand brengt; het idee dat Īśvara geen bepaalde vorm heeft; het idee dat de jīva’s niet eeuwig ondergeschikt zijn aan Īśvara; en gebrek aan genade.

Individuen wier hart is besmet met deze vijandige houdingen gaan volslagen in gebreke van śuddhā-bhakti. Ze hebben zelfs geen prākṛta-bhakti, vergankelijke toewijding, die de poort vormt naar śuddhā-bhakti en die wordt vertegenwoordigd door de verering van het Godsbeeld door neofiete bhakta's. De vijf soorten vijandigheid zijn verbonden met de gehechtheid aan materiële lustbevrediging. De tweede en derde typen vijandigheid (Īśvara is een natuurlijk vermogen en Īśvara heeft geen vorm) kunnen tot zulke extreme vormen van ascetisme of boetedoening leiden, dat ze uitmonden in zelfvernietiging. Dit wordt aangetroffen in het leven van de Māyāvāda sannyāsī’s. Hoe zouden śuddhā-bhakta’s met zulke zondige mensen kunnen omgaan? Het is hun plicht ze te vermijden.

Het woord upekṣā, verwaarlozing, betekent niet dat men alle sociale onderhandelingen, die in het normale leven tussen mensen voorkomen, moet opgeven. Het betekent ook niet, dat men moet nalaten de problemen of deprivatie van een vijandig persoon te verlichten, als hij in nood zit. Gṛhastha-vaiṣṇava’s blijven binnen de samenleving, waardoor ze vele soorten relaties onderhouden, bijvoorbeeld met verwanten door echtelijke verbintenissen, met anderen via zakelijke contacten, via het instandhouden van eigendom en het houden van dieren, via de pogingen om het lijden en het gebrek van anderen te verlichten en via hun positie als inwoners van een land. Deze uiteenlopende sociale relaties impliceren contacten met vijandiggezinde mensen en hen vermijden betekent niet, dat men ze allemaal tegelijk dient op te geven. Iedereen is verplicht om routinematige zaken uit te voeren en met mensen om te gaan, die onverschillig zijn jegens Īśvara, maar men moet niet hun gezelschap zoeken als het gaat om spirituele kwesties.

Er zijn personen in de eigen familie, die als gevolg van hun zondige activiteiten in voorgaande levens een slechte natuur krijgen. Moet je deze mensen loslaten? Zeker niet. Je kunt zonder gehecht te zijn met ze omgaan voor zover het dagelijkse kwesties betreft, maar je moet met hen niet in debat treden over spirituele onderwerpen. Upekṣā dient hier te worden toegepast. Spirituele associatie betekent samenkomen om geestelijke vooruitgang te bewerkstelligen, om onderwerpen over eeuwige waarheid te bespreken en diensten en welzijn met elkaar uit te wisselen, die je devotionele gevoelens wekken. Upekṣā betekent het gezelschap vermijden van mensen met wie een dergelijke uitwisseling niet mogelijk is.

Als vijandige personen met onprettige of onsamenhangende opvattingen de lofzang van śuddhā-bhakti of deugdzame instructies voor bhakti horen, komen ze onmiddellijk met een paar futiele argumenten aandragen, die zowel voor jezelf als voor hem of haar ongunstig zijn. Zulke vruchteloze argumentatie moet je vermijden en alleen met zulke mensen omgaan voor zover het nodig is in routinematige sociale contacten. Je zou kunnen denken, dat je vijandige mensen onder de onwetenden kunt rekenen en dat je ze daarom je genade kunt schenken, maar als je dat doet, zijn zij er niet bij gebaat en zal je jezelf alleen maar schaden. Je kunt goedgunstig zijn, maar je moet ook voorzichtig zijn.

Madhyama-adhikārī śuddhā-bhakta’s dienen deze vier instructies stellig te volgen. Als ze deze op welke manier dan ook achterwege laten, zijn ze schuldig aan onjuist gedrag en verzaken daardoor datgene, waarvoor ze zijn gekwalificeerd. Dit wordt als een ernstig vergrijp beschouwd, zoals wordt uitgelegd in Śrīmad-Bhāgavatam (11.21.2):

sve sve ‘dhikāre yā niṣṭhā sa guṇaḥ parikīrtitaḥ
viparyayas tu doṣaḥ syād ubhayor eṣa niścayaḥ

Door stevig verankerd te zijn in de plichten, waartoe men is bevoegd, is een goede eigenschap, terwijl nalaten dit te doen een fout is. Goede kwaliteiten en fouten worden op deze manier verzekerd.

Met andere woorden, goede en verkeerde kwaliteiten worden bepaald volgens je bekwaamheid en niet door andere criteria. Volgens de śāstra’s dient de madhyama-adhikārī śuddhā-bhakta prema voor Kṛṣṇa en vriendschap met Zijn zuivere bhakta’s te ontwikkelen. Hij dient genadevol te zijn jegens de onwetenden en degenen, die vijandig zijn, te negeren. De mate van vriendschap, die de madhyama-bhakta met andere bhakta’s ontwikkelt, dient gelijk op te gaan met de standaard van zijn vooruitgang in bhakti; de mate van genade, die hij aan de onwetenden weggeeft, hangt af van hun mate van oprechtheid of dwaasheid en de mate, waarin hij de vijandige typen veronachtzaamt, hangt af van hun mate van vijandigheid. De madhyama-bhakta neemt al deze zaken in beschouwing, als hij zich met anderen over spirituele zaken inlaat. Wereldse zaken dienen te worden uitgevoerd op een rechtstreekse manier, maar moeten altijd worden uitgevoerd met aandacht voor het hoogste spirituele heil.

Juist op dat moment interrumpeerde een inwoner van Baragāchī, genaamd Nityānanda dāsa, met de vraag, “Wat is het gedrag van uttama-bhakta's?”

Licht geschrokken zei Bābājī Mahāśaya, “Broeder! Je stelt een vraag, die ik nu juist bezig ben te beantwoorden. Laat ik eerst afronden wat ik te zeggen heb. Ik ben een oude man en mijn geheugen is aan het afbrokkelen. Als het onderwerp te snel verandert, vergeet ik wat ik wilde zeggen.”

Haridāsa was een strikte Bābājī. Hoewel hij nooit aanmerkingen had op anderen, kon hij een adrem antwoord geven, wanneer iemand op ongepaste wijze het woord overnam. Iedereen zat aan de grond genageld, toen ze zijn opmerking hoorden. Hij bood opnieuw zijn praṇāma aan Nityānanda Prabhu bij de voet van de banyan-boom aan en ging door met zijn betoog.

Bābājī: Wanneer de bhakti van de madhyama-vaiṣṇava zich voorbij de stadia van sādhana en bhāva ontwikkelt en op het niveau van prema komt, wordt het zeer geconcentreerd en op dat moment wordt de Vaiṣṇava een uttama-bhakta. Srimad Bhagavatam (11.2.45) beschrijft de symptomen van een uttama-vaiṣṇava alsvolgt:

sarva-bhūteṣu yaḥ paśyed bhagavad-bhāvam ātmanaḥ
bhūtāni bhagavaty ātmany eṣa bhāgavatottamaḥ

Iemand, die zijn eigen bhagavad-bhāva, extatische gevoelens van aantrekkingskracht tot Śrī Kṛṣṇacandra, in het hart van alle jīva’s (sarva-bhūteṣu) ziet en alle wezens schouwt in Śrī Kṛṣṇacandra, is een uttama-bhāgavata.

Een uttama-vaiṣṇava neemt waar, dat alle levende wezens van Bhagavān houden met hetzelfde bijzondere gevoel van transcendentale liefde, dat hijzelf koestert voor zijn iṣṭadeva. Hij ziet ook, dat Bhagavān een wederkerend gevoel van liefde voelt jegens alle levende wezens. Een uttama-vaiṣṇava heeft geen ander aanknopingspunt dan zijn gevoel van bovenzinnelijke liefde. Andere gevoelens komen naar aanleiding van verschillende omstandigheden van tijd tot tijd naar boven, maar deze zijn allemaal transformaties van die prema.

Śukadeva Gosvāmī, bijvoorbeeld, was een uttama-bhāgavata en beschreef Kaṁsa met de woorden bhoja-pāṁśula, een ontaarding van de Bhojadynastie. Hoewel het lijkt, alsof deze woorden werden gesproken uit vijandigheid jegens Kaṁsa, waren ze in werkelijkheid een blijk van prema jegens Kṛṣṇa. Als śuddhā-prema het leven van een bhakta vult, heet hij een uttama-bhāgavata. In deze hoedangheid bestaat er niet langer enig onderscheid tussen liefde, vriendschap, genade en veronachtzaming, zoals het geval is bij de madhyama-adhikārī. Zijn hele houding wordt een manifestatie van prema en in zijn ogen is er geen verschil tussen een kaniṣṭha, madhyama of een uttama-vaisnava, noch tussen een Vaiṣṇava en een niet-Vaiṣṇava. Deze gevorderde conditie is uitermate zeldzaam.

Denk je nu even in, dat een kaniṣṭha-vaiṣṇava geen diensten verleent aan Vaiṣṇava’s, terwijl een uttama-vaiṣṇava geen onderscheid maakt tussen Vaiṣṇava’s en niet-Vaiṣṇava’s, want hij ziet alle jīva’s als dienaren van Kṛṣṇa. Dat betekent, dat alleen madhyama-vaiṣṇava’s hun respect betuigen aan Vaiṣṇava’s en hen diensten verlenen. Een madhyama-vaiṣṇava moet drie typen Vaiṣṇava’s bedienen – degenen, die kṛṣṇa-nāma slechts eenmaal chanten, degenen die kṛṣṇa-nāma constant chanten en degenen, wier aanblik automatisch aanleiding geeft tot het dansen van kṛṣṇa-nāma op de tong. Een Vaiṣṇava kan worden beschouwd als een Vaiṣṇava, een superieure Vaiṣṇava, of een Vaiṣṇava in de overtreffende trap naarmate van zijn vooruitgang. Een madhyama-bhakta dient Vaiṣṇava’s volgens hun status te dienen. Alleen een uttama-vaiṣṇava concludeert, dat het ongepast is om een Vaiṣṇava te beschouwen als kaniṣṭha, madhyama of uttama. Als een madhyama-adhikārī Vaiṣṇava op deze manier denkt, wordt hij een overtreder. Śrīman Mahāprabhu heeft dit duidelijk gemaakt aan de bewoners van Kulīna-grāma en Zijn instructies dienen door alle madhyama-vaiṣṇava’s te worden behandeld zelfs met meer respect dan die van de Veda's. En wat zijn de Veda's, of śruti ? Ze zijn de orders van Parameśvara.

Nadat hij dit had gezegd, bleef Haridāsa Bābājī een moment zwijgen. Op dat moment vouwde Nityānanda dāsa Bābājī uit Baragāchī zijn handen en zei, “Mag ik nu een vraag stellen?”

Haridāsa Bābājī antwoordde, “Zoals je wilt.”

“Bābājī Mahāśaya, tot welke categorie Vaiṣṇava’s denkt u, dat ik behoor? Ben ik een kaniṣṭha of een madhyama-vaiṣṇava? Ik ben zeker geen uttama-vaiṣṇava.”

Haridāsa Bābājī Mahāśaya glimlachte een beetje en zei, “Broeder, kan iemand, die de naam Nityānanda dāsa heeft ontvangen, iets anders zijn dan een uttama-vaiṣṇava? Mijn Nitāi is heel genadig. Zelfs als Hij wordt geslagen, geeft Hij prema terug. Dus als iemand Zijn naam draagt en Zijn dāsa wordt, moet daaraan nog iets worden toegevoegd?”

Nityānanda dāsa: Ik wil echt heel graag mijn werkelijke positie weten.

Bābājī: Vertel me dan je hele verhaal. Als Nitāi me de kracht geeft om te spreken, zal ik iets zeggen.

Nityānanda dāsa: Ik werd geboren in een lage kaste in een klein dorp op de oever van de rivier Padmāvatī. Ik was sinds mijn jeugd van nature heel eenvoudig en nederig en ik bleef altijd ver uit de buurt van slecht gezelschap. Ik trouwde op jonge leeftijd, maar na enkele dagen stierven mijn ouders, en mijn vrouw en ik bleven alleen in huis achter. We hadden niet veel rijkdom, dus we werkten iedere dag om in ons levensonderhoud te voorzien. We waren gelukkig en onze dagen passeerden, maar ons geluk hield geen stand, want na enige tijd verliet ook zij haar lichaam. Vanwege mijn afgescheidenheid van haar werden in mijn geest gevoelens van onthechting wakker. Vlakbij mijn dorp waren vele Vaiṣṇava’s, die het huiselijke leven hadden opgegeven en ik zag, dat de mensen van Baragāchī hen groot respect betuigden. Ik hunkerde sterk naar dat respect en vanwege de tijdelijke gevoelens van onthechting, die door de dood van mijn vrouw teweeg werden gebracht, ging ik naar Baragāchī en aanvaardde het kleed van een vaiṣṇava-bedelmonnik. Na enkele dagen echter werd mijn geest wispelturig; ik werd bezocht door slechte gedachten en het werd erg moeilijk om mezelf te beheersen, maar door groot geluk kreeg ik associatie van een voortreffelijke Vaiṣṇava, die zuiver en eenvoudig is. Op dit moment voert hij bhajana uit in Vraja. Met grote genegenheid gaf hij me diepgaand advies, hield me in zijn associatie en zuiverde mijn geest.

Nu is mijn geest niet langer verstoord door slechte gedachten. Ik heb een smaak gecultiveerd voor het chanten van honderdduizend namen van hari-nāma per dag. Ik begrijp, dat er geen verschil is tussen Śrī Hari en śrī-nāma en dat beiden volkomen spiritueel zijn. Ik respecteer het vasten op Ekādaśī volgens de śāstra en geef water aan Tulasī. Als de Vaiṣṇava’s kīrtana uitvoeren, doe ik met grote aandacht mee. Ik drink het badwater van de voeten van zuivere Vaiṣṇava’s. Ik bestudeer de bhakti-śāstra’s iedere dag. Ik heb niet langer behoefte aan smakelijk voedsel of mooie kleding. Ik heb geen smaak meer voor het horen of deelnemen aan wereldse gesprekken. Wanneer ik extatische Vaiṣṇava’s zie, welt in mijn geest een gevoel op om aan hun voeten over de grond te rollen en soms doe ik dat ook, maar dat doe ik niet uit prestigieuze overwegingen. Geeft u nu alstublieft uw beoordeling: tot welke klasse Vaiṣṇava’s behoor ik en hoe dien ik me te gedragen?

Haridāsa Bābājī keek klimlachend naar Vaiṣṇava dāsa Bābājī en zei, “Zeg ons tot welke klasse van Vaiṣṇava’s Nityānanda dāsa behoort!”

Vaiṣṇava dāsa: Uit hetgeen ik heb gehoord blijkt, dat hij het kaniṣṭha-stadium voorbij is en het madhyama-stadium is binnengegaan.

Bābājī: Dat gevoel heb ik ook.

Nityānanda dāsa: Wat een wonder! Vandaag ben ik uit de mond van Vaiṣṇava’s te weten gekomen wast mijn ware positie is. Geeft u me alstublief uw genade, zodat ik geleidelijk tot het stadium van een uttama-vaiṣṇava mag komen.

Vaiṣṇava dāsa: Toen je het bedelaarschap aanvaardde, was er een verlangen naar eer en prestige in je hart, dus was je eigenlijk niet gekwalificeerd om de wereldverzakende levensorde binnen te gaan en daarom was het aanvaarden van het bedelaarschap besmet met een vleug ongeauthoriseerde overweging. Ondanks dit heb je een ware gunst gekregen door de genade van de Vaiṣṇava’s.

Nityāndanda dāsa: Zelfs nu heb ik nog wat behoefte aan eer. Ik denk, dat ik de aandacht van anderen trek en geweldig aan respect win, als ze mij hard zien huilen en extatische emoties zien ondergaan.

Bābājī: Je moet proberen dit op te geven, anders is er groot gevaar, dat je bhakti erodeert, waardoor je weer moet afdalen naar het kaniṣṭha-platform. Hoewel je de zes vijanden, lust, woede, hebzucht, jaloezie, trots en illusie, misschien achter je hebt gelaten, blijft het verlangen naar eer bestaan. Het verlangen naar faam is de meest gevaarlijke vijand van de Vaiṣṇava’s en faam laat de sādhaka’s niet gemakkelijk met rust. Bovendien is een enkele druppel ware spirituele emotie veruit superieur aan het vertoon van geïmiteerde emotie (chāyā-bhāva-ābhāsa).

“Schenkt u me uw genade,” zei Nityānanda dāsa en legde met groot respect het stof van de lotusvoeten van Haridāsa Bābājī op zijn eigen hoofd. Daarvan raakte Bābājī ondersteboven. Hij stond snel op, omarmde Nityānanda dāsa, zette hem naast zich neer en klopte hem op de rug. Hoe buitengewoon is het effect van de aanraking van een Vaiṣṇava! Er stroomden onmiddellijk tranen uit Nityānanda dāsa’s ogen en Haridāsa Bābājī kon ook zijn eigen tranen niet bedwingen, hoewel hij het probeerde. Er manifesteerde zich een prachtige atmosfeer en er welden tranen in de ogen van alle verzamelde Vaiṣṇava’s. Vanaf dat moment aanvaardde Nityānanda dāsa Śrī Haridāsa in zijn hart als zijn guru en zijn leven werd een succes. Snel daarna dreven de emoties weg en hij informeerde, “Wat zijn de primaire en secundaire eigenschappen van een kaniṣṭha-bhakta met betrekking tot bhakti?”

Bābājī: De twee belangrijkste eigenschappen van een kaniṣṭha-vaiṣṇava zijn vertrouwen in de eeuwige vorm van Bhagavān en zijn verering van het Godsbeeld.  Zijn secundaire eigenschappen zijn de toegewijde activiteiten, die hij uitvoert, zoals luisteren, chanten, herinneren en het opzenden van gebeden.

Nityānanda dāsa: Je kunt geen Vaiṣṇava zijn, tenzij je vertrouwen hebt in de eeuwige vorm van Bhagavān en het Godsbeeld vereert volgens de voorschriften van śāstra, dus ik kan wel begrijpen waarom deze twee activiteiten primaire symptomen zijn. Maar ik begrijp niet, waarom luisteren, chanten, herinneren en andere soortgelijke activiteiten secundair zijn.

Bābājī: De kaniṣṭha-vaiṣṇava is niet bekend met de intrinsieke aard van śuddhā-bhakti, waarvan luisteren, chanten, enzovoort, aṅga’s (onderdelen) zijn. Het gevolg hiervan is, dat zijn luisteren en chanten niet de primaire identiteit aannemen, maar zich manifesteren in een gauṇa-vorm (secundair). En verder heet datgene, wat voortkomt uit de drie guṇa’ssattva (goedheid), rajaḥ (hartstocht) en tamaḥ (onwetendheid) – gauṇa. Zodra deze activiteiten nirguṇa worden, vrij van de invloed van de materiële geaardheden, zijn ze aṅga’s van śuddhā-bhakti en heeft men het madhyama-stadium bereikt.

Nityānanda dāsa: Hoe kan de kaniṣṭha-vaiṣṇava een bhakta worden genoemd, als hij is besmet met karma en jñāna en wanneer zijn hart vol zit met andere verlangens dan bhakti?

Bābājī: Je wordt geschikt voor bhakti, als je eenmaal śraddhā hebt bereikt, de wortel van bhakti; dan is er geen twijfel meer, dat je op de drempel naar bhakti staat. Het woord śraddhā betekent viśvāsa, geloof. Zodra in de kaniṣṭha-bhakta geloof in het goddelijk Beeld ontwaakt, wordt hij geschikt voor bhakti.

Nityānanda dāsa: Wanneer krijgt hij bhakti?

Bābājī: De kaniṣṭha-bhakta wordt een śuddhā-bhakta op het niveau van madhyama, wanneer hij niet langer is besmet met karma en jñāna en hij niets anders verlangt dan ananya-bhakti (exclusieve bhakti). Op dat punt aangekomen begrijpt hij, dat er een verschil is tussen het dienen van gasten en het dienen van bhakta’s en zodoende ontwaakt een smaak voor het dienen van bhakta’s in hem, welke gunstig is voor bhakti.

Nityānanda dāsa: Śuddhā-bhakti komt gaandeweg met sambhanda-jñāna. Wanneer wordt die kennis gewekt, die je geschikt maakt voor śuddhā-bhakti?

Bābājī: De ware sambandha-jñāna en śuddhā-bhakti worden gelijktijdig manifest, wanneer kennis besmet met māyāvāda-begrippen is verdwenen.

Nityānanda dāsa: Hoelang duurt dat?

Bābājī: Hoe sterker de sukṛti uit voorgaande levens van de persoon, hoe sneller hij het zal bereiken.

Nityānanda dāsa: Wat is het eerste resultaat, dat door voorgaand sukṛti wordt verkregen?

Bābājī: Je krijgt sādhu-saṅga.

Nityānanda dāsa: En wat is de vooruitgang, die je van sādhu-saṅga krijgt?

Bābājī: Śrīmad-Bhāgavatam (3.25.25) beschrijft de systematische evolutie van bhakti heel beknopt:

satāṁ prasaṅgān mama vīrya-samvido
bhavantihṛt-karṇa-rasāyaṇāḥ kathāḥ
taj-joṣaṇād āśv apavarga-vartmani
śraddhā ratir bhaktir anukramiṣyati

In de associatie van śuddhā-bhakta’s is de recitatie en discussie van Mijn glorieuze activiteiten en tijdverdrijf plezierig voor zowel het hart als de oren. Door op deze manier kennis te verwerven raakt men gevestigd op het pad van bevrijding en verkrijgt men steeds meer śraddhā, dan bhāva en tenslotte prema-bhakti. 

Nityānanda dāsa: Hoe krijg je sādhu-saṅga?

Bābājī: Ik zei zojuist, dat je sādhu-saṅga krijgt door sukṛti, die je hebt opgebouwd in voorgaande levens. Dit wordt ook door Śrīmad-Bhāgavatam (10.51.53) uiteengezet:

bhavāpavargo bhramato yadā bhavej
janasya tarhy acyuta sat-samāgamaḥ
sat-saṅgamo yarhi tadaiva sad-gatau
parāvareśe tvayi jāyate ratiḥ

O Acyuta, de jīva heeft sinds onheuglijke tijden in de cyclus van geboorte en dood gezworven. Als de tijd voor zijn bevrijding uit deze cyclus nadert, krijgt hij sat-saṅga. Vanaf dat moment raakt hij sterk gehecht aan Jou, de bestuurder van zowel geest als materie en het hoogst bereikbare doel van de sādhu's.

Nityānanda dāsa: Alleen door sādhu-saṅga wordt in een kaniṣṭha-bhakta de neiging gewekt om het Godsbeeld te vereren, dus hoe kunnen ze zeggen, dat hij geen dienst verleent aan sādhu's?

Bābājī: Wanneer je door groot geluk sādhu-saṅga krijgt, ontwaakt viśvāsa, of geloof in de goddelijkheid van het Godsbeeld. Niettemin moet de verering van het Godsbeeld vergezeld gaan van dienstverlening aan de sādhu’s zelf. Totdat dit soort geloof ontwikkelt, is je śraddhā onvolledig en blijf je ongeschikt voor ananya-bhakti.

Nityānanda dāsa: Welke zijn de stadia van vooruitgang van een kaniṣṭha-bhakta?

Bābājī: Stel je voor, dat een kaniṣṭha-bhakta de vorm van het Godsbeeld van Bhagavān iedere dag met vertrouwen vereert, maar hij is nog niet vrij van de besmetting van karma, jñāna en externe verlangens. Door toeval krijgt hij bezoek van een paar gasten, die bhakta’s blijken te zijn. Hij verwelkomt ze en dient ze, zoals hij met alle andere gasten zou hebben gedaan. De kaniṣṭha-bhakta ziet de activiteiten en het gedrag van de bhakta’s en krijgt een kans om hun gesprekken over spirituele onderwerpen te horen, die zijn gebaseerd op śāstra. Op die manier begint hij een groot respect te ontwikkelen voor het karakter van de bhakta's.

Op dat punt wordt hij zich gewaar van zijn eigen gebreken. Hij gaat het gedrag van de sādhu’s volgen en herstelt daarmee tevens zijn eigen gedrag. Zijn gebreken van karma en jñāna nemen geleidelijk af en naarmate zijn hart zuiverder wordt, raakt hij ook externe verlangens kwijt. Hij bestudeert de śāstra door regelmatig verhalen te horen over het tijdverdrijf van Bhagavān, ontologische (existentionele) waarheden van Bhagavān. Zijn sambhandha-jñāna wordt steeds sterker naarmate hij de bovenzinnelijke natuur van Bhagavān, śrī-nāma en de aṅga’s van bhakti, zoals horen en chanten, aanvaardt. Als zijn sambandha-jñāna compleet is, bereikt hij het stadium van een madhyama-vaiṣṇava. Dat is het punt, waarop hij echt met bhakta’s begint te associëren. Dan ziet hij, dat bhakta’s vele malen superieur zijn aan gewone gasten en gaat hij ze zien op het niveau van guru.

Nityānanda dāsa: Hoe komt het, dat zoveel kaniṣṭha-bhakta’s geen vooruitgang maken?

Bābājī: Zolang de kaniṣṭha-bhakta voornamelijk met mensen associeert, die vijandig zijn, zal zijn onvolwassen niveau van bekwaamheid voor bhakti snel afnemen en wordt zijn bekwaamheid voor karma en jñāna weer dominant. In sommige gevallen neemt bekwaamheid noch af noch toe, maar blijft exact hetzelfde.

Nityānanda dāsa: Wanneer gebeurt dat?

Bābājī: Wanneer hij in gelijke mate associeert met bhakta’s en vijandige mensen.

Nityānanda dāsa: Onder welke omstandigheden kan zijn vooruitgang worden verzekerd?

Bābājī: Zodra zijn associatie met bhakta’s prominent wordt en zijn associatie met degenen, die tegendraads zijn, minimaal, boekt hij snel succes.

Nityānanda dāsa: Wat is de aard van de neiging van de kaniṣṭha-adhikārī tot zondige en vrome activiteiten?

Bābājī: In het prille stadium zal zijn neiging tot zondige en vrome activiteiten zoals die van de karmī’s en jñāni’s zijn, maar naarmate hij vooruitgang in bhakti boekt, nemen deze tendenzen af en wordt zijn neiging om Bhagavān een plezier te doen prominent.

Nityānanda dāsa: Geliefde meester, ik heb de situatie van kaniṣṭha-adhikārī’s begrepen. Wilt u nu zo goed zijn om de primaire symptomen van de madhyama-adhikārī bhakta’s te beschrijven?

Bābājī: De madhyama-bhakta heeft ananya-bhakti naar Kṛṣṇa toe. Zijn vriendschap met de bhakta’s bestaat uit vier attitudes: hij beschouwt de bhakta’s als dierbaarder dan zichzelf (ātma-buddhi); hij voelt een grote bezitsdrang jegens hen (mamatā-buddhi); hij beschouwt bhakta’s eerbiedwaardig (ijya-buddhi); en hij beschouwt ze als een pelgrimsoord (tīrtha-buddhi). De madhyama-bhakta schenkt ook zijn genade aan degenen, die onwetend zijn van spirituele waarheden en hij vermijdt degenen, die vijandig zijn. Dit zijn de primaire eigenschappen van de madhyama-bhakta.

Wanneer je sambandha-jñāna ontwikkelt en je beoefent bhakti-sādhana, dat het middel (abhidheya) is, bereik je het doel van prema (prayojana). Dit is de methodologie van de madhyama-bhakta. Je ziet in het algemeen, dat madhyama-bhakta’s hari-nāma, kīrtana en andere soortgelijke activiteiten in het gezelschap van bhakta’s uitvoeren, die vrij zijn van iedere overtreding.

Nityānanda dāsa: Welke zijn de secundaire symptomen van de madhyama-bhakta?

Bābājī: De secundaire symptomen van de madhyama-bhakta bestaan in de manier, waarop hij zijn leven leidt. Hij leeft in volkomen overgave aan de wil van Kṛṣṇa en dat is gunstig voor bhakti.

Nityānanda dāsa: Kan hij nog zonden of overtredingen begaan?

Bābājī: Er zijn neigingen om zonden of overtredingen te begaan, maar die blijven in het beginstadium; geleidelijk echter verdwijnen ze. De zonden of overtredingen, die nog aanwezig zijn in het begin van zijn madhyama-stadium, zijn als pinda’s, die praktisch tot pasta worden vermalen; ze zijn nog zichtbaar als kleine klontjes, maar binnen enkele ogenblikken worden ze vermalen en houden ze op te bestaan. Yukta-vairāgya (gepaste onthouding) is het leven en de ziel van de madhyama-bhakta.

Nityānanda dāsa: Heeft de madhyama-bhakta nog een spoor van karma, jñāna of externe verlangens?

Bābājī: In het beginstadium kunnen nog zwakke sporen van deze zaken resteren, maar ze worden uiteindelijk ontworteld. De bolwerken van karma en jñāna, die in het beginstadium nog kunnen bestaan, maken zichzelf bij gelegenheid zichtbaar en toch belanden ze geleidelijk in de vergetelheid.

Nityānanda dāsa: Verlangen zulke bhakta’s eigenlijk te leven en als dat zo is, waarom dan?

Bābājī: Eigenlijk hebben ze geen verlangen naar het leven of de dood, noch om bevrijding te krijgen. Ze willen alleen leven om hun bhajana te proeven.

Nityānanda dāsa: Maar waarom verlangen ze niet naar de dood? Welk plezier beleven ze door in dit verdichte, materiële lichaam te blijven? Want als ze sterven, krijgen ze dan niet hun spirituele vorm en identiteit door Kṛṣṇa’s genade?

Bābājī: Ze houden er geen onafhankelijke verlangens op na. Al hun verlangens zijn alleen afhankelijk van de wil van Kṛṣṇa, omdat ze er vast van overtuigd zijn, dat alles door Zijn wil plaatsheeft en dat alles gebeurt alleen, omdat Hij het wil. Daarom hebben ze er geen behoefte aan naar iets onafhankelijks te streven.

Nityānanda dāsa: Ik heb de symptomen van de madhyama-adhikārī begrepen. Wilt u me nu alstublieft vertellen over de secundaire symptomen van de uttama-adhikārī?

Bābājī: Hun secundaire symptomen zijn hun lichamelijke activiteiten, maar zelfs deze kunnen eigenlijk niet afzonderlijk als secundaire symptomen worden gezien, omdat ze zozeer beheerst worden door prema, dat voorbij alle invloeden van de materiële geaardheden ligt.

Nityānanda dāsa: Prabhu, in śāstra is er voor de kaniṣṭha-adhikārī’s een voorziening getroffen om het gezinsleven te verlaten en madhyama-adhikārī’s mogen zich onthouden van het gezinsleven of als bedelmonnik leven. Is het mogelijk, dat bepaalde uttama-adhikārī’s kunnen leven als huisvaders?

Bābājī: Je niveau van bekwaamheid kan niet worden bepaald aan de hand van het feit of je huisvader bent of bedelmonnik; het enige criterium is je standaard van bhakti. Voor een uttama-adhikārī bhakta is er geen gevaar, als hij een huisvader blijft. Alle gṛhastha-bhakta’s van Vraja waren uttama-adhikārī’s. Vele gṛhastha-bhakta’s van onze Śrī Caitanya Mahāprabhu waren uttama-adhikārī’s; Rāya Rāmānanda is het beste voorbeeld hiervan.

Nityānanda dāsa: Prabhu, als een uttama-adhikārī bhakta een gṛhastha is en een madhyama-adhikārī bhakta bevindt zich in de wereldverzakende levensorde, hoe moeten ze zich dan jegens elkaar gedragen?

Bābājī: De persoon die het minst is gekwalificeerd dient daṇḍavat-praṇāma aan te bieden aan de persoon, die hoger is gekwalificeerd. Deze richtlijn geldt voor de madhyama-adhikārī, want de uttama-adhikārī bhakta verwacht respect van niemand. In alle levende wezens ziet hij de aanwezigheid van Bhagavān.

Nityānanda dāsa: Zou je vele Vaiṣṇava’s bij elkaar moeten brengen en festivals moeten geven om bhagavat-prasāda uit te delen?

Bābājī: Gezien vanuit spiritueel oogpunt is er geen bezwaar om vele Vaiṣṇava’s voor een bijzondere gelegenheid bij elkaar te brengen, omdat een madhyama-adhikārī gṛhastha-bhakta hen wil eren door bhagavat-prasāda te distribueren. Maar het is niet goed om een grootse vertoning te maken van het feit, dat je de Vaiṣṇava’s een dienst bewijst, want dan raakt die activiteit gecorrumpeerd door de geaardheid hartstocht. Je dient prasāda onder de verzamelde Vaiṣṇava’s te distribueren met grote zorg en aandacht. Dat is je plicht. Als je de Vaiṣṇava’s op die manier wilt eren, dien je alleen zuivere Vaiṣṇava’s te inviteren.

Nityānanda dāsa: In Baragāchī is een nieuwe kaste ontstaan, die bestaat uit mensen, die zichzelf als nakomelingen van Vaiṣṇava’s beschouwen. Kaniṣṭha-adhikārī huisvaders nodigen hen uit en voeden hen in de naam van vaiṣṇava-sevā. Hoe moet je hier tegenaan kijken?

Bābājī: Hebben deze nakomelingen van Vaiṣṇava’s zich overgegeven aan śuddhā-bhakti?

Nityānanda dāsa: Bij geen van hen zie ik śuddhā-bhakti. Ze noemen zichzelf alleen Vaiṣṇava’s. Sommigen dragen kaupīna’s (lendedoeken).

Bābājī: Ik kan je niet vertellen, waarom dit soort gebruik mode is. Het zou niet mogen gebeuren. Ik kan alleen vermoeden, dat dit gebeurt, omdat kaniṣṭha-vaiṣṇava’s niet in staat zijn een ware Vaiṣṇava te herkennen.

Nityānanda dāsa: Verdienen de nakomelingen van Vaiṣṇava’s enig bijzonder respect?

Bābājī: Eer is bestemd voor degenen, die in feite Vaiṣṇava’s zijn. Als de nakomelingen van Vaiṣṇava’s zuivere Vaiṣṇava’s zijn, dienen ze te worden vereerd naar de standaard van hun bhakti.

Nityānanda dāsa: En als de nakomeling van een Vaiṣṇava slechts een wereldse man is?

Bābājī: Dan dient hij te worden beschouwd als een wereldse man en niet als een Vaiṣṇava; hij dient niet te worden geëerd als een Vaiṣṇava. Je moet altijd de instructie onthouden, die Śrīman Mahāprabhu (Śikṣāṣṭaka 3) heeft gegeven:

tṛṇād api sunīcena taror api sahiṣṇunā
amāninā mānadena kīrtanīyaḥ sadā hariḥ

Je kunt śrī-hari-nāma chanten met een nederige houding, terwijl je jezelf minder belangrijk acht als een strootje op straat en wanneer je toleranter bent dan een boom. Zonder het minste gevoel van vals prestige en indien je altijd bereid bent om alle respect aan anderen te betuigen, kun je śrī-hari-nāma constant chanten.

Men dient vrij te zijn van trots en men dient gepaste eer aan anderen te betuigen. Men dient Vaiṣṇava’s het respect te bieden, dat hen toekomt en men dient niet-Vaiṣṇava’s het respect te geven, dat een mens toekomt. Als men anderen geen respect betuigt, verkrijgt men niet de noodzakelijke kwalificatie om śrī-nāma te chanten.

Nityānanda dāsa: Hoe raakt men vrij van trots?

Bābājī: Je mag niet trots zijn en denken, “Ik ben een brāhmaṇa”, “Ik ben rijk”, “Ik ben geleerd”, “Ik ben een Vaiṣṇava”, of “Ik heb het gezinsleven opgegeven”. De mensen kunnen je weliswaar respect voor je kwaliteiten geven, maar je mag geen respect van anderen verwachten uit egoïstische trots. Je dient jezelf altijd waardeloos, onbetekenend, behoeftig en minder dan een grasspriet te beschouwen.

Nityānanda dāsa: Het lijkt erop, dat je geen Vaiṣṇava kunt zijn zonder nederigheid en mededogen.

Bābājī: Dat is heel waar.

Nityānanda dāsa: Is Bhakti-devi dan ook afhankelijk van nederigheid en mededogen?

Bābājī: Nee, bhakti is volkomen onafhankelijk. Bhakti is de belichaming van schoonheid en ze is het hoogste ornament; ze is van geen andere goede kwaliteit afhankelijk. Nederigheid en mededogen zijn geen afzonderlijke kwaliteiten, maar zijn in bhakti ingesloten. “Ik ben een dienaar van Kṛṣṇa”, “Ik ben armlastig”, “Ik heb niets”, “Kṛṣṇa is alles voor me”, - de bhakti, die zich in deze houding uitdrukt, bestaat zelf uit nederigheid (dainya).

De tederheid van het hart, die je voelt in relatie tot Kṛṣṇa, heet bhakti. Alle andere jīva’s zijn dienaren van Kṛṣṇa en de tederheid van het hart jegens hen is mededogen (dayā). Daarom is mededogen in bhakti ingesloten.

Kṣamā (vergevingsgezindheid) is de bhāva, die zich tussen nederigheid en mededogen bevindt. “Als ikzelf zo ellendig en onbetekenend ben, hoe kan ik dan straf uitdelen aan anderen?”- als deze houding wordt gecombineerd met mededogen, verschijnt automatisch vergevingsgezindheid. Vergevingsgezindheid is ook in bhakti ingesloten.

Kṛṣṇa is satya, waar. Het feit, dat de jīva’s dienaren van Kṛṣṇa zijn, is ook waar evenals het feit, dat de materiële wereld slechts een kosthuis voor de jīva’s is. Dat betekent, dat bhakti ook waar is, want deze waarheden zijn gebaseerd op de relatie van de jīva’s met Kṛṣṇa, die op zichzelf bhakti is. Waarheid, nederigheid, mededogen en vergevingsgezindheid zijn vier speciale kwaliteiten, die in bhakti besloten liggen.

Nityānanda dāsa: Hoe moet een Vaiṣṇava zich gedragen met leden van andere religies?

Bābājī: De instructie van Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.26) is:

nāyāyaṇa-kalāḥ śāntāḥ bhajantihy anasūyavaḥ

Degenen, die vrij zijn van het belasteren van anderen en die geheel vredelievend zijn, vereren Śrī Nārāyaṇa en Zijn volkomen deelaspecten.

Er is geen andere dharma dan vaiṣṇava-dharma. Alle andere dharma’s, die er nu zijn, of ooit in deze wereld zullen worden gepropageerd, zijn ofwel treden op de trap naar vaiṣṇava-dharma, of het zijn verminkingen ervan. De dharma’s, die als treden naar bhakti leiden, dienen te worden gerespecteerd volgens hun zuiverheidsgehalte. Je moet geen wrok koesteren jegens dharma’s, die verbasteringen van bhakti zijn, maar je moet je uitsluitend richten op het cultiveren van je eigen devotionele waarheden. Je mag geen vijandigheden koesteren jegens de volgelingen van andere religies. Wanneer de tijd rijp is, zullen de volgelingen van diverse andere dharma’s gemakkelijk Vaiṣṇava worden. Dat lijdt geen twijfel.

Nityānanda dāsa: Is het onze plicht om vaiṣṇava-dharma te prediken of niet?

Bābājī: Dat is het zeker. Onze Śrī Caitanya Mahāprabhu heeft iedereen de verantwoordelijkheid gegeven om deze dharma te verspreiden:

nāco, gāo, bhakta-saṅge kara saṅkīrtana
kṛṣṇa-nāma upadeśi’ tāra’ sarva-jana
                                           Śrī Caitanya-caritāmṛta, Ādi-līlā (7.92)

Dans, zing en voer saṅkīrtana uit in de associatie van bhakta's. Jullie moeten iedereen bevrijden door hen de instructie te geven śrī-kṛṣṇa-nāma te chanten.

ataeva āmi ājñā diluñ sabākāre
jāhāñ tāhāñ prema-phala deha’ yāre tāre
                                                     Śrī Caitanya-caritāmṛta, Adi-līlā (9.36)

Daarom draag ik iedereen op de vruchten van prema te distribueren, waar ze ook mogen gaan en wie ze ook mogen tegenkomen.

Echter, je moet onthouden, dat je śrī-kṛṣṇa-nāma niet geeft aan ongekwalificeerde mensen. Zulke mensen moeten eerst de nodige kwalificatie worden gegeven; alleen dan kan hen hari-nāma worden uitgereikt. Verder zijn de uitspraken van Śrīman Mahāprabhu niet van toepassing, wanneer veronachtzaming (upekṣā) het alternatief is, bijvoorbeeld, wanneer je vijandiggezinde mensen ontmoet. Als je zulke mensen tracht te verlichten, zal dat alleen maar obstakels voor het prediken vormen.

Toen Nityānanda dāsa de ambrozijnen woorden van Haridāsa Bābājī Mahāśaya had gehoord, rolde hij aan zijn voeten met grote liefde over de grond. Het bos weergalmde de luide uitroepen van de Vaiṣṇava’s van śrī-hari-nāma en iedereen bood zijn daṇḍavat-praṇāma aan Bābājī Mahāśaya aan. De samenkomst in die afgelegen bossage kwam die dag tot een eind en iedereen keerde terug naar zijn respectievelijke verblijfplaats.

 

____________________________

 

Vervolg voetnoot 2:

 

In de Viṣṇu Purāṇa (3.8.9) vinden we de volgende uitspraak met betrekking tot āśrama:

varṇāśramācāravatā puruṣeṇa paraḥ pumān
viṣṇur ārādhyate panthā nānyat tat-toṣa-kāraṇam

Śrī Viṣṇu is vereerd alleen door de voorgeschreven plichten in varṇāśrama uit te voeren. Er is geen andere manier om Hem een plezier te doen.

In deze śloka verwijst het woord āśrama niet alleen naar de gṛhastha-āśrama, maar naar alle vier āśrama’s. In Śrīmad-Bhāgavatam (11.17.14) staat de volgende uitspraak met betrekking tot āśrama:

gṛhāśramo jaṅghanato brahmacaryaṁ hṛdo mama
vakṣaḥ-sthalād vane vāsaḥ sannyāsaḥ śirasi sthitaḥ

De gṛhastha-āśrama is ontsproten aan de dijen van Mijn universele gedaante, de brahmacārī-āśrama aan Mijn hart, de vānaprastha-āśrama aan Mijn borst en de sannyāsa-āśrama aan Mijn hoofd.

Dit zijn de vier āśrama’s, die in de śāstra worden beschreven. Een van de kenmerkende eigenschappen van een Vaiṣṇava is betrokken te zijn in de verering van Śrī Viṣṇu, terwijl hij in de āśrama blijft, waarvoor hij is geschikt. Er is geen gebrek aan voorbeelden. In dit boek zijn de karakters van Prema dāsa, Vaiṣṇava dāsa, Ananta dāsa en vele andere gekwalificeerde raadgevers sannyāsī’s, brahmacārī’s of gṛha-tyāgī’s.

Een ander punt is, dat niet alle volgelingen van de auteur, Śrī Bhaktivinoda Ṭhākura, gṛhastha-bhakta’s zijn. Sommigen zijn brahmacārī’s en anderen hebben het gezinsleven opgegeven en bevinden zich in de hoogste orde, sannyāsa, die wordt beschreven als de hoogste āśrama. Dezelfde conclusie staat in Śrīmad-Bhāgavatam (11.17.15), het kroonjuweel van alle śāstra’s:

varṇānām āśramāṇāṁś ca janma-bhūmy-anusāriṇīḥ
āsan prakṛtayo nṛṇāṁ nīcair nīcottamottamāḥ

De varṇa’s en āśrama’s van de mensheid hebben hogere en lagere naturen in overeenstemming met de hogere en lagere plaatsen op het universele lichaam van Śrī Bhagavān, waaruit ze voortkwamen.

De conclusie van deze uitspraak is, dat sannyāsa de hoogste van de vier āśrama’s is en gṛhastha de laagste. De brahmacāri-āśrama bevindt zich boven de gṛhastha-āśrama en de vānaprastha-āśrama staat boven de brahmacāri-āśrama. Deze āśrama’s zijn gerelateerd aan de verworven tendens, die voortkomt uit onze tijdelijke natuur.

Zoals de varṇa’s zijn de āśrama’s ook verdeeld volgens geaardheid, aanleg en werk. Mensen in een lagere natuur, die geneigd zijn zich bezig te houden met baatzuchtig streven, worden gedwongen om gṛhastha’s te worden. Naiṣṭhika-brahmacārī’s, degenen die een leven lang de gelofte van het celibaat afleggen, zijn de rijkdom van Śrī Kṛṣṇa’s hart. Degenen, die zijn onthecht in vānaprastha, zijn voortgekomen uit Kṛṣṇa’s borst en sannyāsī’s, die het reservoir van gunstige kwaliteiten vormen, zijn uit Zijn hoofd voortgekomen. De brahmacārī’s, vānaprastha’s en sannyāsī’s zijn daarom allemaal bovengeschikt aan de gṛhastha's, maar men blijft onbekwaam om in deze drie hoogste āśrama’s binnen te gaan, zolang de smaak voor het pad van onthouding niet in het hart is ontwaakt. In de Manu-saṁhitā (5.56) wordt gezegd:

na māṁsa-bhakṣaṇe doṣe na madhye na ca maithune
pravṛttir eśā bhūtānāṁ nivṛttis tu mahāphalāḥ

Mensen zijn volgens hun natuur geneigd te genieten van het eten van vlees, van intoxicatie en sexuele lustbevrediging, maar onthouding van deze activiteiten levert uiterst heilzame resultaten op.

Dit wordt onderbouwd door Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.11):

loke vyavāyāmiṣa-madya-sevā nityā hi jantor na hi tatra codanā
vyavasthitis teṣu vivāha-yagña-surā-grahair āsu nivṛttir iṣṭā

In deze wereld kunnen we zien, dat de mensen een natuurlijke neiging hebben naar sexueel genot, vleeseten en intoxicatie. Śāstra kan zulke activiteiten niet sanctioneren, maar er zijn bijzondere voorzorgsmaatregelen gegeven, waarbij enige associatie met de andere sexe door het huwelijk wordt toegestaan; enig vleeseten wordt toegestaan door het uitvoeren van offers; en het drinken van wijn wordt toegestaan in het ritueel dat sautrāmaṇī-yagña heet. De bedoeling van zulke voorschriften is de wellustige neigingen van het algemene publiek te beperken en het in moreel gedrag te verankeren.

De impliciete bedoeling van de Veda’s om zulke voorschriften te maken is om de mensen uiteindelijk volledig te ontmoedigen zich aan zulke activiteiten over te geven.

In vele andere śāstra’s is de superieuriteit van het pad van onthechting uiteengezet. Op het eind van ieder tiende hoofdstuk van dit boek heeft Śrī Bhaktivinoda Ṭhākura het hierboven genoemde vers van Śrīmad-Bhāgavatam geciteerd en de volgende conclusie getrokken:

“Het is niet de bedoeling van śāstra om het doden van dieren aan te moedigen. De Veda's stellen, mā himsyāt sarvāṇi bhūtāni : ‘Doe geen enkel levend wezen leed aan’. Deze uitspraak verbiedt geweld jegens dieren. Maar zolang iemands natuur sterk wordt beïnvloed door hartstocht en onwetendheid, zal hij een natuurlijke neiging hebben te genieten van sexueel genot, vleeseten en intoxicatie. Zo iemand hoeft niet de goedkeuring van de Veda’s te verwachten om zich met deze zaken bezig te houden. De intentie van de Veda’s is in een middel te voorzien, waarmee mensen, die niet de geaardheid goedheid hebben overgenomen – en daarmee de neiging tot geweld, sexueel genot en intoxicatie hebben afgelegd – zulke neigingen teniet kunnen doen en deze impulsen met behulp van religieuze methoden kunnen bevredigen.

“Mensen, die door deze lagere tendensen worden gedreven, mogen met het andere geslacht associëren door middel van een religieus huwelijk; ze mogen dieren doden alleen middels bepaalde voorgeschreven offermethoden; en ze kunnen bedwelmende middelen gebruiken alleen bij bepaalde gelegenheden en door bepaalde procedures te volgen. Door deze methoden te volgen zullen hun neigingen afnemen en zullen ze deze geleidelijk opgeven.”

Het is in Kali-yuga noodzakelijk de gṛhastha-āśrama binnen te gaan om te worden afgeleid van het pad van baatzuchtig streven en over te gaan op het pad van onthechting. Het is nooit de bedoeling van de auteur geweest om te suggereren, dat degenen, die geschikt zijn voor de hoogste levensorde, gṛhastha’s te laten worden. Verderop in hetzelfde hoofdstuk heeft Śrī Bhaktivinoda Ṭhākura de bedoeling van het huwelijk in de volgende woorden uitgedrukt:

“Men moet geen huwelijk aangaan om kinderen te krijgen of de voorouders te vereren. Men dient te denken, ‘Ik aanvaard deze dienstmaagd van Kṛṣṇa, opdat we in staat zin elkaar te helpen in onze service aan Kṛṣṇa’. Deze houding is gunstig voor bhakti.

Hieruit volgt, dat degenen, die trouwen zonder het verlangen naar kinderen, in feite ware gṛhastha-vaiṣṇava’s zijn. Als een man zijn vrouw werkelijk ziet als een dienstmaagd van Kṛṣṇa, is er geen gelegenheid haar te beschouwen als een object voor zijn eigen genoegen; in plaats daarvan zal zijn houding er een zijn van adoratie. Het is waar, dat er uitspraken zijn, die de kinderwens sanctioneren, zoals putrārthe kriyate bhāryā : “Een vrouw wordt aanvaard met het doel om kinderen te krijgen”, maar dit impliceert, dat men dienaren van Kṛṣṇa wenst te krijgen en geen gewone, wereldse kinderen.

Het woord putra (zoon) is afkomstig van het woord put, dat verwijst naar een bepaalde helse planeet en tra komt van het werkwoord ‘bevrijden’. Dus de traditionele betekenis van het woord putra is het krijgen van een zoon, die je uit de hel kan verlossen door offergaven aan te bieden, nadat je uit de wereld bent vertrokken. Er is echter geen mogelijkheid, dat Vaiṣṇava’s, die regelmatig śrī-hari-nāma chanten, naar de hel genaamd put gaan. Daarom verlangen zij geen putra’s, maar dienaren van Kṛṣṇa.

Over het algemeen verzadigt een man zich, die door materiële conditioneringen is gebonden en het pad van baatzuchtig streven inslaat, in sexuele gemeenschap met een vrouw om zijn gerief te halen. Kinderen worden alleen geboren als bijproducten van dat verlangen. Dit is de reden, dat de mensen van vandaag de dag over het algemeen een wellustige natuur hebben. Zoals men pleegt te zeggen, ātmavat jāyate putraḥ : “De appel valt niet ver van de boom”.

Ofschoon de gṛhastha-āśrama de laagste van de vier āśrama’s is, heeft Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura deze āśrama aangeraden in een verlangen om iedereen in de wereld te begunstigen. Zijn raad is in het bijzonder gericht aan mensen met een mentaliteit, zoals die van het koopliedenechtpaar Caṇḍīdāsa en Damayanti. In feite zullen grote zielen, die natuurlijkerwijs het pad van onthechting gaan onder invloed van de sukṛti, die ze in voorgaande levens hebben opgebouwd, nimmer verstrengeld raken in het huiselijke leven door een huwelijk te aanvaarden. Zulke verheven mensen hebben weliswaar de gelegenheid te vallen, maar wat betekent vallen voor mensen, die al gevallen zijn?

 Als een naiṣṭhika-brahmacāri of een sannyāsī de onderliggende betekenis van de bovengenoemde instructies zou misverstaan en op basis van die woorden zijn brahmacarya of sannyāsa in weerwil van de śāstra zou opgeven door een van zijn leerlingen, een godzuster, of een andere vrouw te trouwen, of een andere brahmacāri of sannyāsī zou adviseren dat te doen, dan zou een dergelijke betreurenswaardige, lage en atheïstische persoon inderdaad zeldzaam zijn in de wereldgeschiedenis.

Een ander punt is, dat het voor ongekwalificeerde mensen uiterst ongepast is om de kleding van brahmacārī’s, tyāgī’s, of sannyāsī’s te dragen om hun gedrag te imiteren en zichzelf gelijkwaardig te achten aan grote persoonlijkheden, die zich in die āśrama’s bevinden. Zulke lieden zijn vergelijkbaar met Śṛgāla Vāsudeva, de jakhals die Śrī Kṛṣṇa imiteerde en wiens verhaal staat beschreven in Śrīmad-Bhāgavatam, Harivaṁsa, Caitanya-Bhāgavata en andere śāstra’s. Mensen, die zich op een lager platform bevinden en gehecht zijn aan het pad van baatzuchtige activiteiten, moeten eerst de deplorabele neiging tot lust zien terug te dringen door wettig te trouwen volgens religieuze principes. Het doel van de śāstra is alle levende wezens naar het pad van onthechting te leiden.

De Brahma-vaivarta Purāṇa (Kṛṣṇa-khaṇḍa 115.112-113) stelt:

aśvamedhaṁ gavālambhaṁ sannyāsaṁ palapaitṛkam
devareṇa sutotpattiṁ kalau pañca vivarjayet

In Kali-yuga zijn vijf activiteiten verboden: het offeren van een paard; het offeren van een koe; het aanvaarden van sannyāsa; het offeren van vlees aan de voorouders; en het krijgen van kinderen bij de broer van een echtgenoot.

Sommige mensen trachten op basis van dit vers vast te stellen, dat het aanvaarden van sannyāsa in Kali-yuga verboden is. Maar deze śloka bevat een verborgen intentie. De bedoeling van deze śloka is niet om sannyāsa totaal te verbieden. Vele grote persoonlijkheden, die in Kali-yuga verschenen, waren inderdaad tyāgī’s of sannyāsī’s, inclusief Śrī Rāmānuja, Śrī Madhva, Śrī Viṣṇu-svāmī en andere ācārya’s, die goed op de hoogte waren met alle śāstra’s en natuurlijk de kroonjuwelen van alle ācārya’s, de Zes Gosvāmī’s, die bhakta’s waren van Śrī Gaura.

De zuivere opvolging van sannyāsī’s continueert zelfs vandaag nog. Het voorschrift tegen het aanvaarden van sannyāsa in Kali-yuga betekent in feite, dat het ongepast is ekadaṇḍa-sannyāsa te aanvaarden, dat voortkwam uit de ongeauthoriseerde lijn van denken gepropageerd door Ācārya Śaṅkara en die wordt uitgedrukt in spreuken als so ‘haṁ (Ik ben die brahma) en ahaṁ brahmāsmi (Ik ben brahma). Het is dit type sannyāsa, dat is verboden.

Tridaṇḍa-sannyāsa is de ware, permanente sannyāsa en deze is van toepassing op alle tijden. Een enkele keer verschijnt tridaṇḍa-sannyāsa uiterlijk in de vorm van ekadaṇḍa-sannyāsa. Ekadaṇḍa-sannyāsī’s van dit type, die in feite grote zielen zijn, aanvaarden de eeuwigheid van tridaṇḍa-sannyāsa, die de drie vormen van sevya (het object van de dienst), sevaka (de dienaar) en sevā (dienst) symboliseert. Zulke mensen beschouwen de ekadaṇḍa-sannyāsa gepropageerd door Śaṅkara als volkomen ongeauthoriseerd en niet onderbouwd door śāstra. Hierbij is aangetoond, zelfs op basis van de Brahma-vaivarta Purāṇa śloka geciteerd door smārta ācārya’s, dat het logisch is voor sādhaka’s, die nivṛtti-mārga volgen, om sannyāsa te aanvaarden.

 

 

Aldus eindigt het Achtste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
”Nitya-dharma en Vaisnava-etiquetten”

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________



Vorige: Hoofdstuk 7 – "Nitya-dharma en het materiële bestaan"

Volgende: Hoofdstuk 9 – "Nitya-dharma, materiële wetenschap & civilisatie"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl