Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 7

Nitya-dharma en het materiële bestaan


Door de eeuwen heen hadden talloze goudsmeden in het antieke koopliedenstadje Saptagrāma op de oever van de rivier Sarasvatī gewoond. Door de genade van Śrī Nityānanda Prabhu waren deze kooplieden sinds de tijd van Śrī Uddhāraṇa Datta aan hari-nāma-saṅkīrtana verslingerd geraakt. Eén van hen echter was een vrek genaamd Caṇḍīdāsa, die meestal geen deel nam aan hari-kīrtana met de bewoners, omdat hij bang was geld te moeten besteden aan het sponsoren van festivals. Caṇḍīdāsa was er met zijn gierigheid in geslaagd een flink vermogen op te bouwen. Zijn vrouw, Damayantī, had dezelfde mentaliteit en had geen enkele gastvrijheid voor Vaiṣṇava’s of andere gasten. Dit ondernemersechtpaar had, toen ze jong waren, vier zonen en twee dochters op de wereld gezet. Hun dochters waren alletwee getrouwd en ze hadden een enorme erfenis voor hun zonen gereserveerd.


Als een huis nooit door heilige mensen wordt bezocht, krijgen de kinderen minder kans om vriendelijk en mededogend te worden. Naarmate de zonen opgroeiden, werden ze steeds zelfzuchtiger en wensten hun ouders' dood, zodat zij de nalatenschap konden erven. Het ondernemersechtpaar werd uitermate ongelukkig. Eén voor één gingen de zonen trouwen. Naarmate hun vrouwen ouder werden, namen ze de aard van hun echtgenoten over en begonnen ook de dood van hun schoonouders te wensen. Na verloop van tijd werden de zonen zakelijk bekwaam en ontwikkelden een deskundig inzicht met betrekking tot in- en verkoop van artikelen. Nadat ze het grootste deel van hun vaders vermogen hadden verdeeld, begon ieder zijn eigen bedrijf.

Op zekere dag riep Caṇḍīdāsa iedereen bij zich en zei, "Luistert! Ik heb sinds mijn kinderjaren een spaarzaam bestaan geleid met als resultaat, dat ik in staat was een groot fortuin voor jullie weg te leggen. Ik heb eigenlijk nooit behoorlijk brood gegeten of luxe kleding gedragen en je moeder heeft op dezelfde schamele wijze geleefd. Nu wij oud worden is het jullie plicht om voor ons te zorgen, maar we zijn onlangs steeds ongeruster geworden, omdat we beginnen te merken, dat jullie ons geen aandacht meer schenken. Ik heb nog wat geld achtergehouden en ik geef dat aan diegene van mijn zonen, die zo goed zal zijn om voor ons te zorgen.

Caṇḍīdāsa's zonen en schoondochters hoorden zijn woorden zwijgend aan en gingen toen naar een aparte kamer om met elkaar een samenzwering te beramen. Ze kwamen het volgende overeen, "Het beste is om Moeder en Vader weg te sturen en hun verborgen rijkdom te incasseren, zodat we deze onder ons kunnen verdelen, voordat die oude man het verkeerd gaat besteden." Iedereen was ervan overtruigd, dat het vermogen lag begraven in de slaapkamer van hun vader.

Op een ochtend bij het krieken van de dag ging Caṇḍīdāsa' oudste zoon, Haricaraṇa, naar zijn vader en zei met geveinsde nederigheid, "Beste Vader, u en Moeder zouden tenminste één keer darśana van Śrī Navadvīpa-dhāma moeten nemen, zodat uw mensenleven succesvol wordt. Ik heb gehoord, dat er in dit tijdperk van Kali geen heilige plaats zo heilzaam is als Śrī Navadvīpa-dhāma. Het zal helemaal niet oncomfortabel of kostbaar voor u zijn om daar naartoe te gaan en als u niet kunt lopen, huren we een boot om u beiden voor een spotprijsje stroomopwaarts te brengen. Er is ook een Vaiṣṇāvī, die graag met u zou willen meegaan."

Toen Caṇḍīdāsa Damayantī vertelde over het voorstel van hun zoon, werd ze heel blij. Ze kwamen tot de conclusie, "Sinds ons gesprek van die dag zijn onze kinderen bedachtzaam en hoffelijk geworde. We kunnen best lopen, dus laten we de pelgrimage naar Śrīdhāma-Navadvīpa via Kālnā en Śāntipura maken."

Het echtpaar had een gunstige dag uitgekozen en vertrok met de Vaiṣṇavī op pelgrimage. De volgende dag kwamen ze na een behoorlijke afstand te hebben gelopen in Ambikā-Kālnā aan. Daar kookten ze voor zichzelf in een winkel en gingen zitten eten. Terwijl ze zaten te eten kwam iemand, die hen kende uit Saptagrāma, naar hen toe en informeerde hen, "Jullie zonen hebben jullie kamer ingebroken en al jullie bezittingen gestolen. Ze laten jullie niet meer toe in huis. Ze hebben ook jullie spaargeld gevonden en het onder elkaar verdeeld."

Toen Caṇḍīdāsa en Damayantī dit nieuws te horen kregen, waren ze heel verdrietig over het verlies van hun vermogen. Ze konden geen hap meer naar binnen krijgen en bleven de hele dag onophoudelijk zitten huilen. Na verloop van tijd probeerde de Vaiṣṇavī hen te troosten en zei, "Weest u niet gehecht aan uw huis. Kom! U kunt nu het leven van vaiṣṇava-asceten gaan leiden. U bouwt gewoon een simpele āśrama, waar Vaiṣṇava’s bijeen kunnen komen en kunnen wonen. De kinderen, voor wie u alles hebt opgegeven, zijn uw vijanden geworden. Er is dus geen reden om naar huis terug te gaan. We gaan naar Navadvīpa en blijven daar voortaan. U kunt uzelf in leven houden door aalmoezen te aanvaarden. Dat zal een veel beter leven zijn."

Toen Damayantī en Caṇḍīdāsa aan het gedrag van hun zonen en schoondochters dachten, zeiden ze telkens tegen elkaar, "Het is beter te sterven, dan naar huis terug te gaan." Op het eind bleven ze nog enkele dagen in huis bij een Vaiṣṇava in het dorp Ambikā, waarna ze Śāntipura gingen bekijken en arriveerden tenslotte in Śrī Navadvīpa-dhāma. Ze bleven een paar dagen in Śrī Māyāpura met een familielid, dat ook ondernemer was en gingen de zeven heilige plaatsen van Navadvīpa op de oever van de Gaṅgā en de zeven plaatsen in Kuliyā-grāma op de andere oever van de rivier bezoeken. Na enkele dagen echter kwam de gehechtheid aan hun zonen en schoondochters weer naar de oppervlakte.

Caṇḍīdāsa zei tegen zijn vrouw, "Kom, laten we teruggaan naar huis in Saptagrāma. Ze zijn tenslote onze zonen, of niet? Zouden ze ons niet een beetje genegenheid kunnen tonen?"

Hun vaiṣṇavī-dienstmeisje was met hen begaan en zei, "Hebt u geen waardigheid? Deze keer zullen ze u ombrengen!"

Toen het oude echtpaar dit hoorde, zag het de waarheid van haar woorden in en het echtpaar werd ongerust. "O gerespecteerde Vaiṣṇavī," zeiden ze, "jij mag naar je eigen plaats teruggaan. We kunnen nu redelijk goed onderscheid maken. We zullen ons in leven houden met bedelen, we zullen een gekwalificeerd persoon zoeken om ons instructies te geven en we zullen ons gaan bezighouden met bhagavad-bhajana."

Het vaiṣṇavī-dienstmeisje vertrok en het ondernemersechtpaar, dat nu alle hoop om terug te keren naar hun vroegere huis in Saptagrāma had opgegeven, begon een nieuw huis te bouwen in de omgeving van Kuliyā-grāma, waar Chakaurī Caṭṭopādhyāya had gewoond. Terwijl ze bijdragen en raad kregen van veel hoffelijke en goedgemanierde mensen, bouwden zij een landhuisje en gingen daar permanent wonen. Kuliyā-grāma staat bekend als de heilige plaats, waar overtredingen worden vergeven en men geloofde er heilig in, dat alle ooit gemaakte overtredingen zouden worden vergeven, als men daar woonde.

Op zekere dag zei Caṇḍīdāsa, "O moeder van Hari, spreek niet meer over onze kinderen; denk zelfs niet meer aan ze. We werden in een zakenfamilie geboren vanwege de vele zonden, die we begingen en door een gebrekkige geboorte werden we gierigaards en hebben nooit iets voor gasten of Vaiṣṇava's gedaan. Als we hier wat geld verdienen, zullen we het gebruiken om gasten te ontvangen, zodat ons volgende leven gunstiger mag zijn. Ik dacht over het openen van een winkel in levensmiddelen. Ik ga aan een paar vriendelijke heren wat geld vragen en ga weer aan het werk."

In korte tijd opende Caṇḍīdāsa een klein winkeltje en kreeg het voor elkaar om iedere dag een beetje winst te maken. Het echtpaar ontving dagelijks een gast aan tafel en bracht het leven op een plezieriger manier door dan voorheen.

Caṇḍīdāsa was vroeger naar school gegaan en nu zat hij ieder vrij ogenblik in zijn winkel Guṇarāja Khāna's Crī Kṛṣṇa Vijaya te lezen. Hij dreef zijn winkel op eerlijke wijze en was gastvrij. Er gingen vijf of zes maanden op deze manier voorbij en toen de mensen van Kuliyā op de hoogte kwamen met Caṇḍīdāsa's verleden, kregen ze vertrouwen in hem.

In dit dorp leefde ook een gṛhastha-brāhmaṇa, die Yādava dāsa heette en iedere dag een lezing gaf over Śrī Caitanya-maṅgala. Caṇḍīdāsa woonde af en toe zijn lezingen bij en toen hij en Damayantī zagen, dat Yādava dāsa en zijn vrouw altijd Vaiṣṇava’s over de vloer hadden, raakten ze geïnsprieerd hetzelfde te doen.

Op een dag vroeg Caṇḍīdāsa aan Yādava dāsa, "Wat stelt dit materiële bestaan eigenlijk voor?"

Yādava dāsa zei, "Er wonen op de oostelijke oever van de Bhāgīrathī in Śrī Godrumadvīpa heel veel geleerde Vaiṣṇava’s. Kom, laten we er naartoe gaan en het aan hen vragen. Ik ga er zelf af en toe heen en kom altijd terug met een aantal goede adviezen. Op het ogenblik zijn de vaiṣṇava-geleerden van Śrī Godruma deskundiger in de conclusies van de śāstra’s dan de brāhmaṇa-geleerden. Een paar dagen geleden versloeg Śrī Vaiṣṇava dāsa Bābājī in een debat de brāhmaṇa-paṇḍita's uit de buurt. Zo'n diepzinneige vraag van jou kan daar heel bevredigend worden beantwoord."

Yādava dāsa en Caṇḍīdāsa gingen zich klaarmaken om in de namiddag de Gaṅga over te steken. Damayantī bediende nu regelmatig zuivere Vaiṣṇava’s en het verdriet in haar hart was zo goed als verdwenen. "Ik ga met je mee naar Sir Godruma," zei ze.

"De Vaiṣṇava’s daar zijn geen gṛhastha's," zei Yādava dāsa. "Ze zijn strikt in de orde van onthechting en zijn ontdaan van iedere relatie met vrouwen. Als je meekomt, ben ik bang, dat ze niet blij zijn."

Damayantī antwoordde, "Ik bied mijn daṇḍavat-praṇāma van een afstand aan en ik kom niet op hun terrein. Ik ben een oude vrouw. Ze zullen op mij niet boos worden."

Yādava dāsa stemde ermee in, maar waarschuwde, "Het is niet gebruikelijk, dat vrouwen daar komen. Maar we kunnen je in een dorp in de buurt achterlaten en je weer meenemen, als we naar huis terugkeren."

Laat in de namiddag gingen ze met zijn drieën de Gaṅga over en arriveerden in Pradyumna-kuñja. Damayantī bood languit haar daṇḍavat-praṇāma aan bij de ingang van de kuñja en ging vlakbij onder een oude banyan-boom zitten. Yādava dāsa en Caṇḍīdāsa gingen de kuñja binnen en boden met grote toewijding hun daṇḍavat-praṇāma aan het gezelschap van Vaiṣṇava’s aan, die onder de mālatī-mādhavī-bossage zaten.

Paramahaṁsa Bābājī zat in het midden van het gezelschap met Śrī Vaiṣṇava dāsa, Lāhirī Mahāśaya, Ananta dāsa Bābājī en vele anderen aan zijn voeten. Caṇḍīdāsa zat vlak naast Yādava dāsa.

Ananta dāsa Bābājī keek Yādava dāsa aan en vroeg, "Wie is die nieuwe man?"

Yādava dāsa vertelde hem het hele verhaal van Caṇḍīdāsa. Ananta dāsa Bābājī glimlachte en zei, "Ja, dit noemen we het materiële bestaan. Degene, die het materiële bestaan kent, is in feite wijs en degenen, die in de kringloop van het materiële bestaan vallen zijn beklagenswaardig."

Het verstand van Caṇḍīdāsa raakte geleidelijk gezuiverd, want als men nitya-sukṛti uitvoert, zoals het gastvrij ontvangen van Vaiṣṇava’s en het lezen en horen van vaiṣṇava-śāstra’s, is dat zeker gunstig en kan men heel gemakkelijk śraddhā in ananya-bhakti (exclusieve devotie) ontwikkelen. Toen hij de woorden van Śrī Ananta dāsa Bābājī hoorde, zei Caṇḍīdāsa met een gelouterd hart, "Mijn nederige gebed is, dat u mij genadig bent en me duidelijk uitlegt wat dit materiële bestaan inhoudt."

Ananta dāsa Bābājī zei, "Dat is een diepgaande vraag en ik zou willen, dat Śrī Paramahaṁsa Babai Mahāśaya of Śrī Vaiṣṇava dāsa Bābājī Mahāśaya hem beantwoordt."

Paramahaṁsa Bābājī zei, "Śrī Ananta dāsa Bābājī Mahāśaya is heel bekwaam om een dergelijke diepgaande vraag te beantwoorden. Vandaag zullen we allemaal naar zijn instructies luisteren."

Ananta dāsa: Als u mij dit verzoek doet, zal ik zeker vertellen wat ik weet. Eerst zal ik de lotusvoeten van mijn Gurudeva, Śrī Pradyumna Brahmacārī, een vertrouwelijk metgezel van Śrī Caitanya Mahāprabhu, herinneren.

De jīva’s bevinden zich in twee staten: de bevrijde staat (mukta-daśā) en de staat van materiële gehechtheid (saṁsāra-baddha-daśā). De jīva’s, die zuivere bhakta's van Śrī Kṛṣṇa zijn en die nimmer door māyā gebonden zijn geweest, of die van hun materiële bestaan zijn bevrijd door de genade van Kṛṣṇa, heten mukta-jīva’s. De bevrijde staat heet mukta-daśā. De baddha-jīva’s daarentegen zijn degenen, die Śrī Kṛṣṇa hebben vergeten en sinds onheuglijke tijden in de greep van māyā zijn gevallen. Hun geconditioneerde levensstaat heet saṁsāra-baddha-daśā. De jīva’s, die van māyā zijn bevrijd, zijn cinmaya, volkomen spiritueel, en hun hele leven bestaat uit dienstverlening aan Kṛṣṇa (kṛṣṇa-dāsya). Zij leven niet in deze materiële wereld, maar in een van de zuiver spirituele werelden, zoals Goloka, Vaikuṇṭha, of Vṛndāvana. Er zijn ontelbaar veel jīva’s, die van māyā zijn bevrijd.

De jīva’s, die door māyā zijn gebonden, zijn ook ontelbaar. Door hun kṛṣṇa-vimukhatā, hun gebrek door vervreemding van Kṛṣṇa, bindt Kṛṣṇa's schaduwvermogen, dat chāyā-śakti of māyā heet, de jīva met haar drievoudige koorden, die bestaan uit de drie kwaliteiten van de materiële natuur, namelijk sattva-guṇa (goedheid), rajo-guṇa (hartstocht) en tamo-guṇa (onwetendheid). De geconditioneerde zielen verschijnen in een variëteit aan levensstandaarden onder invloed van de diverse gradaties van deze guṇa's in de vorm van lichaam, gevoelens, verschijning, natuur, levensomstandigheden en bewegingen.

Wanneer de jīva de materiële natuur binnentreedt, neemt hij een nieuw soort egoïsme aan. In zijn zuivere staat-van-zijn heeft de jīva het egoïsme een dienaar van Kṛṣṇa te zijn, maar in de geconditioneerde staat komen verschillende soorten egoïsme naar voren, die het levend wezen laten geloven, "Ik ben een mens", "Ik ben een devatā", "Ik ben een dier", "Ik ben een koning", 'Ik ben een brāhmaṇa", "Ik ben een outcaste", "Ik ben ziek", "Ik heb honger", "Ik ben onteerd", "Ik ben liefdadig", "Ik ben een echtgenoot", "Ik ben een vrouw", "Ik ben een vader", "Ik ben een zoon", "Ik ben een vijand", "Ik ben een vriend", "Ik ben een wetenschapper", "Ik ben knap", "Ik ben rijk", "Ik ben arm", "Ik ben gelukkig", "Ik ben bedroefd", "Ik ben sterk" en "Ik ben zwak". Deze houdingen worden ahaṁtā genoemd, wat letterlijk betekent het gevoel van 'Ik-heid', of vals egoïsme.

Behalve deze ahaṁtā komt een andere functie de aard van de jīva binnen, namelijk mamatā ('bezitsdrang', of het gevoel van 'mijn'). Dit wordt tot uitdrukking gebracht in houdingen zoals, "Dit is mijn huis", "Dit zijn mijn bezittingen", "Dit is mijn rijkdom", "Dit is mijn lichaam", "Dit zijn mijn kinderen", "Dit is mijn vrouw", "Dit is mijn echtgenoot", "Dit is mijn vader", "Dit is mijn moeder", "Dit is mijn kaste", "Dit is mijn ras", "Dit is mijn kracht", "Dit is mijn schoonheid", "Dit is mijn kwaliteit", "Dit is mijn kennis", "Dit is mijn onthechting", "Dit is mijn opleiding", "Dit is mijn wijsheid", "Dit is mijn werk", "Dit is mijn eigendom" en "Dit zijn mijn bedienden en ondergeschikten". De enorme consternatie, die de ideeën 'Ik' en 'mijn' oproepen, wordt saṁsāra (materieel bestaan) genoemd.

Yādava dāsa: De ideeën 'ik' en 'mijn' zijn werkzaam in de geconditioneerde staat, maar bestaan ze ook in de bevrijde staat?

Ananta dāsa: Ja, maar in de bevrijde staat zijn ze spiritueel en zonder gebreken. In de bevrijde staat in de spirituele wereld raakt de jīva bekend met zijn zuivere natuur, precies zoals deze door Bhagavān werd geschapen. In die spirituele wereld zijn vele verschillende soorten reëel egoïsme, die allemaal hun eigen karakteristieke gevoel van 'ik' hebben, dus er zijn ook vele typen cid-rasa, transcendentale uitwisseling van gevoelens. Alle verschillende cinmaya-upakaraṇa's, spirituele objecten en persoonlijke bezittingen, die de wezenlijke ingrediënten van rasa vormen, vallen in de categorie 'mijn'.

Yādava dāsa: Wat is dan het defect van de verschillende ideeën van 'ik' en 'mijn', die in de geconditioneerde staat bestaan?

Ananta dāsa: Het defect is, dat in de zuivere staat de begrippen 'ik' en 'mijn' echt zijn, terwijl ze in het materiële bestaan allemaal zijn ingebeeld, of aan het levend wezen zijn opgelegd. Dat betekent, dat deze concepten eigenlijk geen aspecten van de jīva zijn, maar allemaal valse identiteiten en relaties betreffen. Het gevolg is, dat alle variëteiten van materiële identificaties in het wereldse bestaan onbestendig en onecht zijn en slechts tijdelijk geluk en verdriet veroorzaken.

Yādava dāsa: Is dit bedrieglijke, materiële bestaan dus vals?

Ananta dāsa: Nee, deze bedrieglijke wereld is niet onecht; de wereld is een realiteit, omdat Kṛṣṇa het wil. Het is het idee van 'ik' en 'mijn' van de jīva, dat onecht is, wanneer hij de materiële wereld binnengaat. Degenen, die geloven, dat deze wereld onecht is, zijn Māyāvādī's, de pleitbezorgers van de theorie van illusie. Zulke mensen zijn zondaren.

Yādava dāsa: Hoe komt het, dat we in deze illusoire relatie terecht zijn gekomen?

Ananta dāsa: Bhagavān is het volkomen spirituele wezen (pūrṇa-cid-vastu) en de jīva’s zijn geestelijke deeltjes (cit-kaṇa). De eerste locatie van de jīva is op de grens tussen de materiële en spirituele werelden. De jīva’s, die hun relatie met Kṛṣṇa niet vergeten, zijn versterkt met cit-śakti en worden vanuit die positie naar het spirituele gebied getrokken, waar zij Zijn eeuwige metgezellen worden, en beginnen daar de zegen van Zijn service te proeven.

De jīva’s, die zich van Kṛṣṇa afkeren, willen van māyā genieten en māyā trekt hen met haar vermogen aan. Vanaf dat moment ontstaat onze materiële levensstaat en verdwijnt onze ware spirituele identiteit. Dan denken we, "Ik ben de genieter van māyā". Dit vals egoïsme bedekt ons met allerlei soorten valse identiteiten.

Yādava dāsa: Hoe komt het, dat onze ware identiteit zich niet manifesteert ondanks aanzienlijke pogingen?

Ananta dāsa: Er zijn twee soorten pogingen: juiste en onjuiste. Juiste pogingen doen vals egoïsme zeker verdwijnen, maar hoe kunnen onjuiste pogingen daaraan bijdragen?

Yādava dāsa: Wat zijn onjuiste pogingen?

Ananta dāsa: Sommige mensen denken, dat hun hart gezuiverd raakt als ze karma-kāṇḍa volgen en dat ze van māyā worden bevrijd, als ze brahma-jñāna beoefenen. Dit zijn voorbeelden van onjuiste benaderingen. Anderen denken, dat ze door aṣṭāṅga-yoga te beoefenen de trance van samādhi-yoga binnengaan en perfectie bereiken. Dit is een andere onjuiste benadering; er zijn zelfs nog andere ondernemingen.

Yādava dāsa: Waarom zijn deze pogingen onjuist?

Ananta dāsa: Deze methoden zijn ongeschikt, omdat ze vele hindernissen creëren, die het bereiken van je doel in de weg staan. Er is bovendien maar een geringe mogelijkheid om dat doel te bereiken. Het punt is, dat ons materiële bestaan door een overtreding is ontstaan en tenzij we de genade van de persoon krijgen, die we hebben beledigd, zullen we geen bevrijding krijgen van onze materiële conditie en zullen we onze zuivere, spirituele staat niet verkrijgen.

Yādava dāsa: Welke zijn juiste pogingen?

Ananta dāsa: Sādhu-saṅga (associatie van toegewijden) en prapatti (overgave) zijn de juiste methoden. In Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.30) vinden we de volgende uitspraak over sādhu-saṅga :

ata ātyantikaṁ kṣemaṁ pṛcchāmo bhavato 'naghāḥ
saṁsāre 'smin kṣaṇārdho 'pi sat-saṅgaḥ śevadhir nṛṇām

O zondeloze, we stellen je een vraag over het hoogste heil. In deze materiële wereld betekent zelfs een half moment van associatie met een śuddhā-bhakta de grootste rijkdom voor menselijke wezens.

Als je vraagt hoe jīva’s, die in dit materiële bestaan zijn gevallen, hun hoogste goed kunnen bereiken, kan ik je zeggen, dat ze dat kunnen bereiken door zelfs maar een half moment van sat-saṅga te hebben.

Prapatti wordt in de Gītā (7.14) alsvolgt beschreven:

daivī hy eṣā guṇamayī mama māyā duratyayā
mām eva ye prapadyante māyām etāṁ taranti te

Dit goddelijke vermogen van Mij, dat wordt gekend als daivī-māyā, bestaat uit de drie geaardheden van de natuur – sattva, rajas en tamas. Mensen kunnen op eigen kracht niet over deze māyā heenkomen en daarom is het zeer moeilijk. Alleen degenen, die zich aan Mij overgeven, kunnen dit vermogen van Mij tebovenkomen.

Caṇḍīdāsa: O grote ziel, ik kan uw uitleg niet goed volgen. Ik heb begrepen, dat we zuivere entiteiten waren en dat we wegens vergetelheid van Kṛṣṇa in handen van māyā zijn gevallen en aan deze wereld worden gebonden. Als we Kṛṣṇa's genade ontvangen, kunnen we weer worden bevrijd; anders blijven we in dezelfde conditie bestaan.

Ananta dāsa: Ja, het is voor jou op dit moment voldoende, als je dit aanneemt. Yādava dāsa Mahārāja kent al deze waarheden goed. Je zal van hem al deze zaken geleidelijk leren. Śrī Jagadānanda heeft een mooie beschrijving van de gevarieerde condities, waarin de jīva’s leven, in zijn boek Śrī Prema-vivarta (6.1-13) gegeven:

cit-kaṇa – jīva, kṛṣṇa – cinmaya bhāskara
nitya kṛṣṇe dekhi – kṛṣṇe karena ādara
kṛṣṇa-bahirmukha hañā bhoga-vāñchā kare
nikaṭa-stha māyā tāre jāpaṭiyā dhare

De jīva is een oneindig klein deeltje spiritueel bewustzijn, zoals een atomisch lichtdeeltje uit de zon. Śrī Kṛṣṇa is het volkomen spirituele bewustzijn, de transcendentale zon. Zolang de jīva’s hun aandacht op Kṛṣṇa gericht houden, blijven ze achting voor Hem hebben. Maar wanneer ze hun aandacht op iets anders dan Kṛṣṇa vestigen, verlangen ze materieel plezier. Kṛṣṇa's begoochelend vermogen, māyā, die naast hen staat, houdt hen vast in haar omarming.[1]

piśācī pāile jena mati-cchana haya
māyā-grasta jīverahaya se bhāva udaya

De dharma van de jīva, die zich van Kṛṣṇa heeft afgewend, raakt bedekt, zoals de intelligentie van een persoon bedekt raakt, wanneer hij door een heks achterna wordt gezeten.

āmi siddha kṛṣṇa-dāsa, ei kathā bhūle
māyāra naphara haña cira-dina bule

Hij vergeet de identiteit van Bhagavān en zijn eigen identiteit als een dienaar van Hari. Als hij dan een slaaf wordt van māyā, zwerft hij hier en daar en voor lange tijd in dit verwarrende materiële bestaan.

kabhu rājā, kabhu prajā, kabhu vipra, śūdra
kabhu duḥkhī, kabhu sukhī, kabhu kīṭa kṣudra

Soms is hij een koning en soms een onderdaan, soms een brāhmaṇa en soms een śūdra. Soms is hij gelukkig en soms diep bedroefd en soms is hij een klein insect.

kabhu svarge, kabhu martye, narake vā kabhu
kabhu deva, kabhu daitya, kabhu dāsa, prabhu

Soms is hij in de hemel, soms is hij op aarde en soms in de hel. Soms is hij een deva en soms een demon. Soms is hij een dienaar en soms een meester.

ei-rūpe saṁsāra bhramite kona jana
sādhu-saṅge nija-tattva avagata hana

Als hij zich zo door het materiële bestaan begeeft en met groot geluk de associatie van zuivere bhakta's krijgt, leert hij zijn eigen identiteit kennen en krijgt zijn leven betekenis.

nija-tattva jāni āra saṁsāra na cāya
kena vā bhajinu māyā kare hāya hāya

Door zijn associatie met deze bhakta's begrijpt hij zijn ware identiteit en wordt onverschillig jegens materieel plezier. Terwijl hij bittere tranen weent om zijn hachelijke situatie, klaagt hij, "Ach en wee! Waarom heb ik māyā zolang gediend?"

kaṇde ble, ohe kṛṣṇa! āmi tava dāsa
tomāra caraṇa chāḍi' haila sarva-nāśa

Hij weent hartstochtelijk en bidt aan de lotusvoeten van Bhagavān, "O Kṛṣṇa! Ik ben Je eeuwige dienaar, maar ik heb mezelf geruïneerd, omdat ik geen acht sloeg op de service aan Je voeten. Wie weet hoe lang ik doelloos heb rondgezworven als de slaaf van māyā?"

kākuti kariyā kṛṣṇe ḍāke eka-bāra
kṛpā kari kṛṣṇa tāre chāḍāna saṁsāra

"O Patita-pāvana! O Dīna-nātha! Bescherm alsjeblieft deze wanhopige ziel. Bevrijd me van Je māyā en betrek me in Je dienst." Śrī Kṛṣṇa is een oceaan van genade en als Hij de jīva in zo'n wanhopige staat slechts één keer hoort wenen, plaatst Hij hem snel buiten deze onoverkomelijke materiële energie.

māyāke pichane rākhi’ kṛṣṇa-pāne cāya
bhajite bhajite kṛṣṇa-pāda-padma pāya
kṛṣṇa tāre dena nija-cic-chaktira bala
māyā ākarṣaṇa chāḍe haiyā durbala

Kṛṣṇa geeft de jīva kracht met Zijn cit-śakti, zodat māyā’s kracht om de ziel aan te trekken geleidelijk afneemt. De jīva keert dan māyā de rug toe en verlangt ernaar om Kṛṣṇa te bereiken. Hij vereert Kṛṣṇa keer op keer en wordt uiteindelijk competent om zijn lotusvoeten te bereiken.

‘sādhu-saṅge kṛṣṇa-nāma’-ei-mātra cāi
saṁsāra jinite āra kona vastu nāi

Daarom is de enig onfeilbare methode om dit onoverkomelijke materiële bestaan te doorkruisen kṛṣṇa-nāma chanten in de associatie van bhakta's.

Yādava dāsa: Bābājī Mahāśaya, de sādhu's, waarover u spreekt, zijn ook in deze wereld aanwezig en ze worden ook onderdrukt door de ellende van het materiële bestaan, dus hoe kunnen zij andere jīva’s bevrijden?

Ananta dāsa: Het is een feit, dat sādhu’s ook in deze wereld leven, maar er is een groot verschil tussen het aardse leven van sādhu’s en dat van de jīva’s, die door māyā worden begoocheld. Hoewel het aardse leven van beiden aan de buitenkant hetzelfde lijkt, is er innerlijk een groot verschil. Bovendien is de associatie van sādhu’s zeer zeldzaam, want al zijn sādhu’s altijd aanwezig, de gewone man kan hen niet herkennen.

Er zijn twee categorieën jīva’s, die in de ketenen van māyā zijn gevallen. Sommigen worden volkomen in beslag genomen door onbetekenend materieel plezier en hebben een geweldig respect voor deze materiële wereld; terwijl anderen helemaal niet tevreden zijn met het triviale plezier van māyā en hanteren een subtieler onderscheid in de hoop een hogere kwaliteit geluk te vinden. Het gevolg is, dat de mensen van de wereld grofweg in twee groepen verdeeld kunnen worden: degenen die de kracht ontbreekt om onderscheid te maken tussen geest en materie en degenen, die dergelijk inzicht wel hebben.

Sommige mensen noemen degenen zonder inzicht materialistische lustbevredigers en degenen met inzicht, die bevrijding zoeken, mumukṣu’s. Als ik hier het woord mumukṣu gebruik, bedoel ik niet de nirbheda-brahma jñāni’s, degenen die de nirveśeṣa-brahma (ongedifferentieerd brahma) zoeken via het proces van monistische kennis. Degenen, die zijn uitgeput door de ellende van het materiële bestaan en die hun ware spirituele identiteit zoeken, heten in de Vedische śāstra’s mumukṣu’s. Het woord mumukṣā betekent letterlijk ‘het verlangen naar mukti (bevrijding)’. Als een mumukṣu zijn verlangen naar bevrijding opgeeft en zich in de verering van Bhagavān begeeft, heet zijn bhajana śuddhā-bhakti. De śāstra’s adviseren niet om mukti op te geven. Als een persoon, die bevrijding verlangt, kennis verkrijgt over de waarheid van Kṛṣṇa en de jīva’s, is hij onmiddellijk bevrijd. Dit wordt alsvolgt in Śrīmad-Bhāgavatam (6.14.3-5) bevestigd:

rajobhiḥ sama-saṅkhyātāḥ pārthivair iha jantavaḥ
teṣāṁ ye kecanehante śreyo vai manujādayaḥ

De jīva’s van deze wereld zijn in aantal zo ontelbaar als stofdeeltjes. Van al deze levende wezens zijn er maar enkelen, die hogere levensvormen bereiken, zoals die van de mens, de deva’s en de Gandharva’s en slechts enkelen daarvan nemen hogere religieuze principes aan.

prāyo mumukṣavas teṣāṁ kecanaiva dvijottama
mumukṣūṇāṁ sahasreṣu kaścin mucyeta sidhyati

O beste brāhmaṇa, van al diegenen, die hogere religieuze principes aannemen, streven slechts weinigen naar bevrijding, en van de vele duizenden, die streven naar bevrijding, is er maar één, die in feite de perfecte of bevrijde staat bereikt.

muktānām api siddhānāṁ nārāyaṇa-parāyaṇaḥ
su-durlabhaḥ praśāntātmā koṭiṣv api mahā-mune

O grote heilige, van de vele miljoenen bevrijde en perfecte zielen is een toegewijde, die geheel vreedzaam is en zich uitsluitend wijdt aan Śrī Nārāyaṇa, uiterst zeldzaam.

Bhakta’s van Kṛṣṇa zijn zelfs nog zeldzamer, dan die van Nārāyaṇa, want zij hebben het verlangen naar bevrijding overstegen en bevinden zich al in de bevrijde staat. Ze blijven in deze wereld zolang het lichaam stand houdt, maar hun aardse bestaan is categorisch anders dan dat van de materialist. De bhakta’s van Kṛṣṇa leven in deze wereld in twee condities (met een huishouden, of als onthechte monnik).

Yādava dāsa: De bhāgavatam-śloka’s, die u zojuist citeerde verwijzen naar vier categorieën mensen, die over spiritueel inzicht beschikken: vivekī, degenen die plichtsgetrouw zijn; mumukṣu, degenen die bevrijding verlangen; mukta, degenen die bevrijd zijn; en de bhakta. Van al deze mensen is de associatie van vivekī’s en mumukṣu’s heilzaam voor viṣayī’s, grof materialisten. Mukta’s zijn ofwel bevrijde individuen met een onverzadigbare dorst naar transcendentale rasa, of het zijn impersonalisten, die zichzelf op de borst slaan, omdat ze zijn bevrijd. Alleen de associatie met het eerste type mukta’s is heilzaam. Nirbheda Māyāvādī’s zijn zondaren en de associatie met hen is voor iedereen verboden. Zulke mensen worden in Śrīmad-Bhāgavatam (10.2.32) vervloekt:

ye ‘nye ‘ravindākṣa vimukta-māninas
tvayy asta-bhāvād aviśuddha-buddhayaḥ
āruhya kṛcchreṇa paraṁ padaṁ tataḥ
patanty adho ‘nādṛta-yuṣmad-aṅghrayaḥ

O lotusogige Heer, degenen, die niet hun toevlucht zoeken aan Uw lotusvoeten, beschouwen zichzelf vergeefs bevrijd. Hun intelligentie is onzuiver, omdat ze in gebreke gaan van genegenheid en toewijding voor U en in werkelijkheid zijn ze baddha-jīva’s. Zelfs al bereiken zulke mensen het platform van bevrijding door zware boetedoening te ondergaan en spirituele oefeningen te doen, ze vallen terug uit die positie wegens het veronachtzamen van Uw lotusvoeten.

De vierde categorie onderscheidende zielen, de bhakta's, worden ofwel aangetrokken tot Bhagavāns weelderige en majestueuze kenmerken (aiśvarya), of ze worden aangetrokken tot zijn zoete en intieme eigenschappen (mādhurya). De associatie van Bhagavāns bhakta’s is in alle opzichten heilzaam. Vooral als men zijn toevlucht neemt tot de bhakta's, die zijn verzonken in Zijn zoetheid, viśuddha-bhakti-rasa, zullen de bovenzinnelijke smaken van bhakti in het hart verschijnen.

Yādava dāsa: U hebt uitgelegd, dat bhakta’s in twee condities leven. Wilt u dit heel helder maken, zodat mensen, zoals ik met een beperkte intelligentie, het gemakkelijk kunnen begrijpen?

Ananta dāsa: Bhakta’s zijn ofwel gṛhastha-bhakta's, dan zijn ze gehuwd en hebben een huishouden, of ze zijn tyāgī-bhakta's, dan hebben ze het huishoudelijke (gehuwde) leven afgelegd.

Yādava dāsa: Wilt u de aard van de relatie van gṛhastha-bhakta’s met deze wereld beschrijven?

Ananta dāsa: Je wordt geen gṛhastha door eenvoudig een huis te bouwen en er te gaan wonen. Het woord gṛha in gṛhastha verwijst naar het huishouden, dat men sticht, als men volgens de Vedische voorschriften met een geschikte vrouw trouwt. Een bhakta, die zich in deze conditie bevindt en bhakti beoefent, wordt een gṛhastha-bhakta genoemd.

De jīva, die door māyā is gebonden, ziet vormen en kleuren met zijn ogen; hij hoort geluid met zijn oren; hij ruikt geuren met zijn neus; hij voelt met zijn huid; en hij proeft met zijn tong. De jīva komt de materiële wereld binnen via deze vijf zintuigen en raakt eraan gehecht. Hoe meer hij gehecht is aan grove materie, hoe groter zijn afstand is tot zijn Prāṇanātha (Heer van zijn leven) Śrī Kṛṣṇa, en zijn conditie wordt bahirmukha-saṁsāra genoemd, ofwel buitenwaarts bewustzijn gericht op het wereldse bestaan. Degenen, die door dit wereldse bestaan zijn bedwelmd, heten viṣayī’s, degenen die gehecht zijn aan wereldse lustobjecten.

Als bhakta’s leven als gṛhastha's, zijn ze geen viṣayī’s, die louter op zoek zijn naar het bevredigen van hun zintuigen. De dharma-patnī (vrouw, die een partner is bij de realisatie van nitya-dharma) van de huisvader is een dāsī, of een dienstmaagd van Kṛṣṇa evenals zijn zonen en dochters. De ogen van de hele familie worden bevredigd door de vorm van het Godsbeeld en de objecten in relatie tot Kṛṣṇa te zien; hun oren raken volledig bevredigd door het horen van hari-kathā en de levensverhalen van grote sādhu's; hun neus ervaart bevrediging door de geur van tulasī en andere geurende objecten te ruiken, die aan de lotusvoeten van Śrī Kṛṣṇa worden geofferd; hun tong proeft de nectar van kṛṣṇa-nāma en de restanten van het voedsel, dat aan Kṛṣṇa is geofferd; hun huid voelt vreugde door het aanraken van de ledematen van Śrī Hari’s bhakta's; hun hoop, activiteiten, verlangens, gastvrijheid en dienst aan het Godsbeeld zijn allemaal ondergeschikt aan hun service aan Kṛṣṇa. Hun hele leven is een groot feest, dat bestaat uit kṛṣṇa-nāma, hun genade voor de jīva’s en de service aan Vaiṣṇava’s.

Alleen gṛhastha-bhakta’s kunnen over materiële objecten beschikken en ze gebruiken zonder eraan gehecht te raken. In het tijdperk van Kali is het voor jīva’s heel geschikt om gṛhastha­-vaiṣṇava te worden, want dan is er geen angst om terug te vallen.[2]

Bhakti kan ook vanuit deze positie volledig worden ontwikkeld. Veel gṛhastha-vaiṣṇava’s zijn guru’s, die goed belezen zijn in de fundamentele waarheden van de śāstra. Als de kinderen van zulke engelachtige Vaiṣṇava’s ook zuivere Vaiṣṇava’s (Gosvāmī’s) zijn, worden ook zij onder de gṛhastha-bhakta’s gerekend. Dit is de reden waarom de associatie van gṛhastha-bhakta’s in het bijzonder heilzaam is voor de jīva’s.

Yādava dāsa: Gṛhastha-vaiṣṇava’s hebben zeker de plicht om de sociale conventies uit te voeren, zoals hun kinderen laten trouwen, ceremoniële functies voor overleden voorouders verzorgen en meer van dergelijke verantwoordelijkheden. Ze mogen zich echter niet bezighouden met kāmya-karma, rituele activiteiten bedoeld om alleen materiële ambities te vervullen.

Als het erop aankomt zijn bestaan te handhaven, is iedereen – zelfs iemand die zich nirapekṣa (ontdaan van iedere behoefte) noemt – afhankelijk van andere mensen of dingen. Alle belichaamde wezens hebben behoeften; ze hebben medicijnen nodig als ze ziek worden, ze hebben voedsel nodig wanneer ze honger hebben, ze zijn afhankelijk van kleding tegen de kou en hebben een huis nodig om zich tegen buitensporige hitte of regen te beschermen. Nirapekṣa betekent zijn behoeften zoveel mogelijk reduceren, want niemand is absoluut onafhankelijk, zolang hij een materieel lichaam heeft. Toch is het ’t beste om zo vrij mogelijk van materiële afhankelijkheid te zijn, want dat is een betere geleider voor de ontwikkeling van bhakti.

Alle activiteiten, die ik eerder noemde, worden foutloos alleen wanneer men ze in relatie tot Kṛṣṇa brengt. Men dient bijvoorbeeld niet het huwelijk in te stappen met een verlangen om kinderen te krijgen, of om de voorouders en de Prajāpati’s te vereren. Het is voor bhakti gunstig om te denken, “Ik aanvaard deze dienstmaagd van Kṛṣṇa alleen, opdat we elkaar kunnen bijstaan in Kṛṣṇa’s service en samen een familieleven kunnen hebben, dat zich afspeelt rond Kṛṣṇa.” Wat de materieel gehechte familieleden of familiepriester ook mogen zeggen, men oogst uiteindelijk de vruchten van zijn eigen vastberadenheid.

Ter gelegenheid van de śraddhā-ceremonie dient men eerst aan de voorouders de restanten van het voedsel aan te bieden, dat aan Śrī Kṛṣṇa is geofferd en daarna dient men de brāhmaṇa’s en Vaiṣṇava’s voedsel uit te reiken. Als gṛhastha-vaiṣṇava’s de śraddhā-ceremonie op deze wijze in acht nemen, is dit gunstig voor hun bhakti.

Alle smārta-rituelen zijn karma, tenzij en totdat men ze combineert met bhakti. Als men het karma uitvoert, dat men volgens de Veda’s dient uit te voeren om śuddhā-bhakti te ontwikkelen, is dat karma niet ongunstig voor bhakti. Gewone activiteiten dient men uit te voeren met een onthechte geest en zonder aan de resultaten gehecht te zijn en men dient spirituele activiteiten uit te voeren in het gezelschap van bhakta's;  dan zullen er geen ongerechtigheden zijn.

Sta er eens bij stil, dat de meeste metgezellen van Śrīman Mahāprabhu gṛhastha-bhakta’s waren evenals vele rājarṣi’s (heilige koningen) en devarṣi’s (grote heiligen) uit de antieke Oudheid. Dhruva, Prahlāda en de Pāṇḍava’s waren allemaal gṛhastha-bhakta's. Je zou moeten weten, dat gṛhastha-bhakta’s ook in de wereld zeer zijn gerespecteerd.

Yādava dāsa: Als gṛhastha-bhakta’s zozeer worden gerespecteerd en dierbaar zijn aan iedereen, waarom onthechten sommigen van hen dan van het huishoudelijke leven?

Ananta dāsa: Sommige gṛhastha-bhakta’s zijn bekwaam om van hun huishoudelijke leven af te zien, maar zulke Vaiṣṇava’s zijn in deze wereld zeer schaars en hun associatie is zeldzaam.

Yādava dāsa: Wilt u me uitleggen hoe men bekwaam wordt om af te zien van het gezinsleven?

Ananta dāsa: Mensen hebben twee neigingen: bahirmukha-pravṛtti, de uiterlijke tendens; en antarmukha-pravṛtti, de innerlijke tendens. De Veda’s verwijzen naar deze twee tendensen als naar buiten, naar de externe wereld gekeerd te zijn en naar binnen, naar de ziel gekeerd te zijn.

Als de zuivere, spirituele ziel zijn ware identiteit vergeet, vereenzelvigt hij zijn geest met zijn zelf, maar de geest is echt alleen een deel van het subtiel materiële lichaam. Als hij zichzelf met zijn geest heeft geïdentificeerd, maakt de ziel gebruik van de poorten van de zintuigen en raakt gehecht aan de uiterlijke zintuigobjecten. Dit is de uiterlijke neiging. Iemand geeft blijk van de innerlijke neiging, wanneer de stroom van het bewustzijn zich van de grove materie in de geest terugtrekt en zich van daaruit op de ziel richt.

Degene, wiens neiging voornamelijk naarbuiten is gericht, moet alle externe neigingen zonder overtredingen uitvoeren met Kṛṣṇa in het centrum onder de krachtige leiding van sādhu-saṅga. Als je je toevlucht neemt tot kṛṣṇa-bhakti, worden de uiterlijke neigingen snel gestopt en omgebogen naar de innerlijke neiging. Als de richting van je neiging helemaal naarbinnen is gekeerd, wordt de bekwaamheid geboren om het gezinsleven op te geven, maar als je het gezinsleven opgeeft, voordat dit stadium is bereikt, bestaat er een aanzienlijke kans, dat je weer terugvalt. De gṛhastha-āśrama is een speciale school, waar de jīva’s instructies krijgen over ātma-tattva, spirituele waarheid, en waar ze de gelegenheid krijgen hun realisatie van zulke zaken te ontwikkelen. Ze mogen de school pas verlaten, als hun opleiding is voltooid.

Yādava dāsa: Wat zijn de symptomen van een bhakta, die geschikt is om het gezinsleven op te geven?

Ananta dāsa: Hij moet vrij zijn van het verlangen om met de andere sexe te associëren; hij moet een onvoorwaardelijke compassie voor alle levende wezens koesteren; hij dient geheel onverschillig te staan jegens de pogingen om rijkdom te vergaren en hij mag alleen voedsel en kleding naar behoefte aanvaarden louter om zichzelf in stand te houden. Hij dient een onvoorwaardelijke liefde voor Kṛṣṇa te koesteren; hij dient de associatie van materialisten te vermijden en hij dient vrij te zijn van voor- en afkeur voor het leven en de dood. Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.45) beschrijft deze symptomen alsvolgt:

sarva-bhūteṣu yaḥ paśyed bhagavad-bhāvam ātmanaḥ
bhūtāni bhagavaty ātmany eṣa bhāgavatottamaḥ

Iemand die zijn eigen gevoel van gehechtheid aan Śrī Kṛṣṇa-candra, de Ziel van alle zielen, in alle jīva’s ziet, en die ook ziet, dat alle levende wezens zich onder de hoede van Śrī Kṛṣṇa bevinden, is een uttama-bhāgavata.

In Śrīmad-Bhāgavatam (3.25.22) beschrijft Kapiladeva de primaire karakteristieken van sādhu's:

mayy ananyena bhāvena bhaktiṁ kurvanti ye dṛḍhām
mat-kṛte tyakta-karmāṇas tyakta-svajana-bāndhavāḥ

Degenen, die niemand anders dan alleen Mij vereren en die zich daarom alleen bezighouden met vastbesloten en exclusieve toewijding aan Mij, geven alles op om Mijnent wil, inclusief alle plichten, die worden voorgeschreven door varṇāśrama-dharma, en alle contacten met hun vrouw, kinderen, vrienden en verwanten.

Er staat ook in Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.55):

visṛjāti hṛdayaṁ na yasya sākṣad-
dharir avaśābhihito ‘py aghaugha-nāśaḥ
praṇaya-rasanayā dhṛtāṅghri-padmaḥ
sa bhavati bhāgavata-pradhāna uktaḥ

Als men zelfs onbedoeld śrī-hari-nāma uitspreekt in een onbevangen stemming, worden onmiddellijk grote hoeveelheden zonden, die zich gedurende vele levens hebben opgestapeld, teniet gedaan. Zo een persoon bindt Śrī Hari’s lotusvoeten in zijn hart met koorden van liefde en wordt als de beste van alle bhakta’s beschouwd.

Als deze symptomen zich in een gṛhastha-bhakta manifesteren, is hij niet langer geschikt om zich in het karmische leven te begeven en geeft hij daarom het gezinsleven op. Zulke nirapekṣa-bhakta's (geheel onthechte zielen) zijn zeldzaam en je moet jezelf buitengewoon fortuinlijk achten, als je hun associatie krijgt.

Yādava dāsa: Tegenwoordig zijn er dikwijls jonge mannen, die uit het gezinsleven treden en het kleed van de wereldverzakende levensorde aantrekken. Ze vestigen een plaats om met sādhu’s samen te zijn en beginnen het Godsbeeld van de Heer te vereren. Na een poosje belanden ze weer in het gezelschap van vrouwen, maar geven het chanten van hari-nāma niet op. Ze reserveren hun kluizenaarschap door van diverse plaatsen aalmoezen op te halen. Zijn zulke mannen tyāgī’s of gṛhastha-bhakta's?

Ananta dāsa: Je vraag roept een aantal onderwerpen tegelijk op, maar ik zal ze één voor één beantwoorden. Ten eerste, de bekwaamheid om het gezinsleven op te geven heeft niets te maken met leeftijd. Sommige gṛhastha-bhakta’s zijn door de saṁskāra’s, die ze in dit leven en voorgaande levens hebben verzameld, gekwalificeerd om het gezinsleven op te geven, zelfs terwijl ze nog jong zijn. Bijvoorbeeld, Śukadeva’s verzamelde saṁskāra’s stelden hem in staat het gezinsleven te veronachtzamen vanaf het moment, dat hij werd geboren. Je moet alleen kunnen inzien, dat deze bekwaamheid niet kunstmatig is. Als de ware onthechting ontwaakt, is de jeugd geen beletsel.

Yādava dāsa: Wat is ware onthechting en wat is valse onthechting?

Antanta dāsa: Ware onthechting is zo sterk, dat zij nimmer kan worden verbroken. Valse onthechting ontstaat door misleiding, oneerlijkheid en het hunkeren naar prestige. Sommige mensen maken een vals vertoon van hun onthechting om het respect af te dwingen, dat aan nirapekṣa-bhakta’s wordt gegeven, die het gezinsleven hebben opgegeven, maar zulke valse onthechting is nietig en totaal ongunstig. Zodra zo iemand zijn huis verlaat, verdwijnen de symptomen van zijn bekwaamheid voor onthechting en zet het verval in.

Yādava dāsa: Moet een bhakta, die het gezinsleven heeft opgegeven, de uiterlijke kleding van een monnik aanvaarden?

Ananta dāsa: Nirapekṣa-akiñcana-bhakta's, die de geest van het genieten werkelijk hebben opgegeven, zuiveren de hele wereld, ongeacht of ze in het bos wonen of thuis blijven. Sommigen dragen een lendedoek en afgedragen, gerafelde kleren als een uiterlijk teken, opdat men ze als leden van de wereldverzakende levensorde identificeert. Op het moment, dat ze deze outfit aanvaarden, zetten ze hun besluit kracht bij door een gelofte te doen in aanwezigheid van andere Vaiṣṇava’s, die in de wereldverzakende levensorde zijn. Dit heet het binnengaan in de wereldverzakende levensorde, of het aanvaarden van de geschikte kleding voor onthechting. Als je hieraan refereert als bheka-grahaṇa of veśa-grahaṇa, het aanvaarden van de kleding van onthechting, is dat dan een punt?

Yādava dāsa: Wat is het nut om te worden geïdentificeerd als een lid van de wereldverzakende levensorde?

Ananta dāsa: Het is heel ondersteunend om te worden geïdentificeerd als een lid van de wereldverzakende levensorde. Familieleden zullen met zo iemand geen realtie meer onderhouden en zullen hem gemakkelijk kunnen opgeven. Hij heeft er geen behoefte meer aan zijn huis op te zoeken en er ontwaakt een natuurlijke onthechting in zijn hart, waarmee een consequente angst voor de materialistische wereld gepaard gaat. Voor sommige bhakta’s is het heilzaam om de uiterlijke tekenen van onthechting te dragen, hoewel dat niet noodzakelijk hoeft te zijn, als de onthechting van het huishoudelijke leven helemaal is gerijpt. In de Śrīmad-Bhāgavatam (4.29.46) wordt gezegd: sa jahāti matiṁ loke vede ca pariniṣṭhitām, “Een bhakta, die de zegen van Bhagavān heeft ontvangen, geeft zijn gehechtheid aan alle wereldse activiteiten en alle rituele verplichtingen voorgeschreven in de Veda’s op.”

Er is voor zulke bhakta’s geen voorschrift om de uiterlijke kleding van onthechting te dragen. Dat is alleen noodzakelijk zolang er nog een zekere afhankelijkheid van de publieke opinie bestaat.

Yādava dāsa: Van wie dient men de wereldverzakende levensorde te aanvaarden?

Ananta dāsa: Je dient de wereldverzakende levensorde te aanvaarden van een Vaiṣṇava, die zich in de wereldverzakende levensorde bevindt. Gṛhastha-bhakta’s hebben geen ervaring met het gedrag van onthechte bhakta's, dus zij mogen niemand in de wereldverzakende levensorde inwijden. De volgende uitspraak in de Brahma-vaivarta Purāṇa bevestigt dit:

aparīkṣyopadiṣṭaṁ yat loka-nāśāya tad bhavet

Men ruïneert de wereld, indien men anderen instructies over religieuze principes geeft, die men zelf niet naleeft.

Yādava dāsa: Welke criteria dient een guru te hanteren bij het aanbieden van de wereldverzakende levensorde?

Ananta dāsa: De guru moet eerst zien of de discipel gekwalificeerd is of niet. Hij moet eerst kijken, of de gṛhastha-bhakta op basis van zijn kṛṣṇa-bhakti een spiritueel temperament heeft ontwikkeld, dat de kenmerken heeft van bepaalde kwaliteiten, zoals volledige beheersing over de geest en de zintuigen. Zijn het verlangen naar rijkdom en het bevredigen van de tong aan de wortel uitgebannen of niet? De guru dient de leerling enige tijd onder zijn hoede te houden om hem grondig te leren kennen en hij kan hem inwijden in de wereldverzakende levensorde, op het moment dat hij hem een geschikte candidaat vindt. Hij mag hem onder geen voorwaarde inwijden, voordat dit punt van bekwaamheid is bereikt. Als de guru een onbekwaam persoon inwijding aanbiedt, zal hijzelf zeker vallen.

Yādava dāsa: Ik zie nu, dat het niet eenvoudig is om de wereldverzakende levensorde te aanvaarden; dat is een serieuze aangelegenheid. Ongekwalificeerde guru’s maken van dit gebruik een gewone zaak. Het is nog maar pas begonnen en het is de vraag wanneer het ophoudt.

Ananta dāsa: Śrī Caitanya Mahāprabhu deelde een zware straf uit aan Choṭa Haridāsa voor een totaal onbelangrijke misstap eenvoudig om de heiligheid van de wereldverzakende levensorde te beschermen. De volgelingen van onze Heer dienen zich altijd de straf van Choṭa Haridāsa te herinneren.

Yādava dāsa: Is het aanvaardbaar om een klooster te bouwen en de verering van een Godheid te vestigen, nadat men de wereldverzakende levensorde is binnengegaan?

Ananta dāsa: Nee. Een gekwalificeerde discipel, die de wereldverzakende levensorde is binnengetreden, dient zich in stand te houden door iedere dag te bedelen. Hij mag zich niet gaan bezighouden met de bouw van een klooster of met andere grote ondernemingen. Hij kan overal wonen, ofwel in een afgezonderde hut of in de tempel van een huisvader. Hij dient afzijdig te blijven van alle zaken, waarvoor geld nodig is en hij dient bij voortduring śrī-hari-nāma zonder overtredingen te chanten.

Yādava dāsa: Hoe noemt u monniken, die een klooster stichten en dan als huisvader gaan leven?

Ananta dāsa: Je kunt ze vāntāsī (degenen die hun eigen braaksel eten) noemen.

Yādava dāsa: Kunnen ze niet langer als Vaiṣṇava’s worden beschouwd?

Ananta dāsa: Welk heil brengt hun associatie, als hun gedrag is tegengesteld aan śāstra en vaiṣṇava-dharma? Ze hebben zuivere bhakti opgegeven en hebben zich overgegeven aan een hypocriete levensstijl. Welk soort relatie zou een Vaiṣṇava met zulke mensen kunnen hebben?

Yādava dāsa: Hoe kunt u zeggen, dat ze het Vaiṣṇavisme hebben opgegeven, als ze het chanten van hari-nāma niet hebben opgegeven?

Ananta dāsa: Hari-nāma en nāma-aparādha zijn twee verschillende dingen. Zuivere hari-nāma is iets heel anders dan chanten met overtredingen, dat alleen de uiterlijke schijn heeft van hari-nāma. Het is een overtreding om zonden te begaan op grond van het chanten van śrī-nāma. Als je śrī-nāma chant en tegelijkertijd zondige activiteiten begaat, waarbij je denkt, dat de kracht van śrī-nāma je van zondige reacties vrijwaart, pleeg je nāma-aparādha. Dit is geen śuddhā-hari-nāma en je moet je verre houden van zulk offensief chanten.

Yādava dāsa: Wordt het huiselijke leven van zulke mensen dan niet beschouwd als gecentreerd rond Kṛṣṇa?

“Nooit,”zei Ananta dāsa met kracht. “Er is geen plaats voor hypocrisie in een huiselijk leven met Kṛṣṇa in het centrum. Er kan alleen volkomen eerlijkheid en eenvoud zijn zonder spoor van overtreding.”

Yādava dāsa: Is zo iemand inferieur aan een gṛhastha-bhakta?

Ananta dāsa: Hij is niet eens een toegewijde. Er is dus geen sprake van enige vergelijking met welke bhakta dan ook.

Yādava dāsa: Hoe kan hij worden gerectificeerd?

Ananta dāsa: Hij wordt weer onder de bhakta’s gerekend, zodra hij al zijn overtredingen opgeeft, voortdurend śrī-nāma chant en huilt van berouw.

Yādava dāsa: Bābājī Mahāśaya, gṛhastha-bhakta’s bevinden zich onder de regulerende principes van varṇāśrama-dharma. Als een gṛhastha wordt uitgesloten van varṇāśrama-dharma, kan hij dan toch een Vaiṣṇava worden?

Ananta dāsa: Ach! Vaiṣṇava-dharma is heel liberaal. Alle jīva’s hebben recht op vaiṣṇava-dharma; dat is de reden waarom het ook jaiva-dharma heet. Zelfs out-castes kunnen overgaan op vaiṣṇava-dharma en als gṛhastha’s leven, ook al maken ze geen deel uit van varṇāśrama. Bovendien kunnen mensen, die binnen het varṇāśrama-stelsel sannyāsa hebben aanvaard en daarna van hun positie zijn gevallen, later zuivere bhakti aanvaarden onder invloed van sādhu-saṅga. Zulke mensen kunnen gṛhastha-bhakta’s worden, ofschoon ze tegelijkertijd buiten de reguleringen van het rechtsstelsel van varṇāśrama vallen.

Er zijn anderen, die varṇāśrama-dharma verlaten wegens hun wangedrag. Als zij en hun kinderen hun toevlucht nemen tot śuddhā-bhakti onder invloed van sādhu-saṅga, kunnen ze gṛhastha-bhakta’s worden, ofschoon die zich ook buiten varṇāśrama bevinden. Dus we zien, dat er twee soorten gṛhastha-bhakta’s zijn: één die wel onderdeel uitmaakt van varṇāśrama en één die van varṇāśrama is uitgesloten.

Yādava dāsa: Welke van de twee is beter?

Ananta dāsa: Degene met de meeste bhakti is de beste. Als geen van beiden bhakti heeft, is degene die varṇāśrama volgt relatief gezien beter dan de vyāvahārika, omdat deze op zijn minst enkele religieuze principes volgt, terwijl de andere een out-caste is zonder religieuze principes. Maar, gezien vanuit paramārthika, of het absolute, spirituele perspectief zijn beiden gevallen, want ze beschikken niet over bhakti.

Yādava dāsa: Heeft een gṛhastha het recht om de kleding van een bedelmonnik te dragen, terwijl hij nog een huisvader is?

Ananta dāsa: Nee. Als hij dat doet, maakt hij zich schuldig aan twee overtredingen: hij bedriegt zichzelf en hij bedriegt de wereld. Als een gṛhastha de kleding van een bedelmonnik draagt, compromitteert hij de echte bedelmonniken en maakt hij hen eenvoudig belachelijk, die de kleding van de ontechte levensorde dragen.

Yādava dāsa: Bābājī Mahāśaya, beschrijven de śāstra’s eigenlijk een systeem voor het aanvaarden van de wereldverzakende levensorde?

Ananta dāsa: Het wordt niet expliciet beschreven. Mensen uit alle klassen en kasten kunnen Vaiṣṇava’s worden, maar volgens śāstra kunnen alleen de tweemaal geborenen sannyāsa aanvaarden. In Śrīmad-Bhāgavatam (7.11.35) beschrijft Nārada de afzonderlijke eigenschappen van de verschillende varṇa’s en vat het samen met de volgende uitspraak:

yasya yal-lakṣaṇaṁ proktaṁ puṁso varṇābhivyañjakam
yad anyatrāpi dṛśyeta tat tenaiva vinirdiśet

Iemand dient te worden beschouwd te behoren tot die varṇa, waarvan hij de eigenschappen bezit, zelfs al is hij geboren in een andere kaste.

Het gebruik om sannyāsa aan te bieden aan mannen die, ofschoon ze zijn geboren in andere kasten, de symptomen bezitten van brāhmaṇa’s, heeft plaats op basis van deze uitspraak van de śāstra’s. Als een man, die is geboren in een andere kaste, werkelijk de symptomen van een brāhmaṇa heeft en sannyāsa wordt gegeven, dan moet worden toegegeven, dat dit systeem door śāstra wordt goedgekeurd.

Deze uitspraak door de śāstra’s onderbouwt het gebruik om sannyāsa te geven aan mannen, die brahmaanse eigenschappen bezitten, zelfs al zijn ze in andere kasten geboren, niettemin heeft het alleen betrekking op paramārthika kwesties en niet op vyāvahārika zaken.

Yādava dāsa: Broeder Caṇḍīdāsa, zijn al je vragen beantwoord?

Caṇḍīdāsa: Ik ben vandaag gezegend. Van alle instructies, die voortvloeiden uit de mond van de meest gerespecteerde Bābājī Mahāśaya, zijn dit de punten, die ik in staat was op te nemen. De jīva is een eeuwige dienaar van Kṛṣṇa, maar hij vergeet dit en neemt een materieel lichaam aan. Onder invloed van de eigenschappen van de materiële natuur, ontvangt hij geluk en verdriet uit materiële objecten. Om het voorrecht van de vruchten van zijn materiële activiteiten te genieten, moet hij de bloemenslinger dragen van geboorte, ouderdom en dood.

De jīva neemt soms geboorte in hogere posities en soms in een lagere positie en wordt wegens zijn herhaalde identiteitsmutaties naar ontelbaar vele omstandigheden geleid. Honger en dorst zetten hem aan tot actie in een lichaam, dat ieder moment verloren kan gaan. Hij heeft gebrek aan de noodzakelijke levensbehoeften van deze wereld en wordt in een oneindig aantal variëteiten van lijden gestort. Vele ziekten en kwalen verschijnen, die zijn lichaam pijnigen. Thuis maakt hij ruzie met zijn vrouw en kinderen en soms gaat hij zover om zelfmoord te plegen. Zijn zucht naar rijkdom drijft hem tot vele zonden. Hij wordt door de overheid gestraft, wordt door anderen beledigd en zo lijdt hij aan ongekende lichamelijke aandoeningen.

Hij is voortdurend verdrietig om de afwezigheid van zijn familieleden, het verlies van kapitaal, diefstal door plunderaars en ontelbaar veel andere oorzaken van het lijden. Als hij oud wordt, bekommert niemand zich om hem en dat geeft hem groot verdriet. Zijn verschrompelde lichaam wordt aangevallen door slijm, rheuma en een hoeveelheid andere pijnen en hij wordt eenvoudig een bron van ellende. Ondanks dit alles blijft zijn onderscheidingsvermogen overweldigd worden door lust, woede, hebzucht, illusie, trots en jaloezie. Dit is saṁsāra.

Nu begrijp ik de betekenis van het woord saṁsāra. Ik bied keer op keer mijn daṇḍavat-praṇāma aan Bābājī Mahāśaya aan. De Vaiṣṇava’s zijn guru’s voor de hele wereld. Door de genade van de Vaiṣṇava’s heb ik vandaag ware kennis van deze materiële wereld gekregen.

Nadat de aanwezige Vaiṣṇava’s de diepgaande instructies van Ananta dāsa Bābājī Mahāśaya hadden gehoord, riepen ze allemaal luid uit, “Sādhu! Sādhu!” Op dat moment hadden vele Vaiṣṇava’s zich daar verzameld en ze begonnen de bhajana te zingen, die Lāhirī Mahāśaya had gecomponeerd.

e ghora saṁsāre, paḍiyā mānava, na pāya duḥkhera śeṣa
sādhu-saṅga kori’, hari bhaje yadi, tabe anta haya kleśa

De jīva die in dit afschuwlijke materiële bestaan is gevallen vindt geen eind aan zijn ellende, maar zijn problemen zijn beëindigd, zodra hij wordt begenadigd door de associatie van sādhu’s en overgaat op de verering van Śrī Hari.

viṣaya-anale, jvaliche hṛdaya, anale bāḍe anala
aparādha chaḍi’ laya kṛṣṇa-nāma, anale paḍaye jala

Het verwoestende vuur van zinnelijke verlangens verbrandt zijn hart en als hij probeert die verlangens te bevredigen, laait het vuur eenvoudig op met een grotere intensiteit. Maar, het herstellen van overtredingen en het chanten van śrī-kṛṣṇa-nāma komt als een verkoelende regen, die dit verwoestende vuur blust.

nitāi-caitanya-caraṇa-kamale, āśraya laila yei
kālidāsa bole, jīvane maraṇe, ānāra āśraya sei

Kālīdāsa zegt, “Hij die zijn toevlucht heeft genomen tot de lotusvoeten van Caitanya-Nitāi, is mijn toevluchtsoord in leven en dood.”

Terwijl de kīrtana doorging, danste Caṇḍīdāsa in grote extase. Hij nam het stof van de voeten van de bābājī’s op zijn hoofd en begon over de grond te rollen en weende met intense vreugde. Iedereen zei, “Caṇḍīdāsa is buitengewoon fortuinlijk!”

Na enige tijd zei Yādava dāsa, “Laten we gaan, Caṇḍīdāsa; we moeten nog naar de overzijde van de rivier.”

Caṇḍīdāsa antwoordde glimlachend, “Als jij me overzet (over de rivier van het materiële bestaan), dan zal ik gaan.”

Beiden boden hun daṇḍavat-praṇāma aan Pradyumna-kuñja aan en vertrokken. Toen ze de kuñja uitliepen zagen ze Damayantī, die keer op keer haar eerbetuigingen aanbood en zei, “Ach! Waarom heb ik een geboorte als vrouw genomen? Als ik een man was geweest, had ik gemakkelijk deze kuñja kunnen binnengaan, had ik darśana kunnen nemen van de grote zielen en had ik gezuiverd kunnen worden door het stof van hun voeten op mijn hoofd te nemen. Mag ik leven na leven eenvoudig de dienaar worden van de Vaiṣṇava’s van Śrī Navadvīpa en mijn dagen slijten in hun dienst.”

Yādava dāsa zei, “Ach! Deze Godruma-dhāma is een volmaakt heilige plaats. Door hier eenvoudig naartoe te komen krijg je śuddhā-bhakti. Godruma is een koeherdersdorp, de plaats waar Śacīnandana, de Heer van ons leven, Zijn goddelijk spel uitvoerde. Śrī Prabodhānanda Sarasvatī realiseerde zich in zijn hart deze waarheid en bad de volgende woorden:

na loka-vedoddhṛta-mārga-bhedair
āviśya saṅkliśyate re vimūḍhāḥ
haṭheṇa sarvaṁ parihṛtya gauḍe
śrī-godrume parṇa-kuṭīṁ kurudhvam
                                             Śrī Navadvīpa-śataka (36)

‘O dwazen, hoewel jullie zijn ondergedoken in een wereldse samenleving en de Veda’s en vele sociale en religieuze verplichtingen op je hebt genomen, blijven jullie vol ellende. Geef deze dubieuze paden op en ga snel je bladeren hut in Śrī Godruma bouwen.’”

Terwijl ze zo met elkaar hari-kathā uitwisselden, staken ze gedrieën de Gaṅga over en arriveerden in Kuliyā-grāma. Vanaf die tijd gaven Caṇḍīdāsa en zijn vrouw Damayantī blijk van een wonderbaarlijk vaiṣṇava-gedrag. Onaangeroerd door de wereld van māyā raakten ze getooid door de kwaliteiten van vaiṣṇava-sevā, het voortdurend chanten van kṛṣṇa-nāma en het tonen van genade voor alle jīva’s. Gezegend is het koopliedenechtpaar! Gezegend is Śrī Navadvīpa-bhūmi!

 

____________________________

 

Vervolg voetnoot 2:

 

In de Viṣṇu Purāṇa (3.8.9) vinden we de volgende uitspraak met betrekking tot āśrama:

varṇāśramācāravatā puruṣeṇa paraḥ pumān
viṣṇur ārādhyate panthā nānyat tat-toṣa-kāraṇam

Śrī Viṣṇu is vereerd alleen door de voorgeschreven plichten in varṇāśrama uit te voeren. Er is geen andere manier om Hem een plezier te doen.

In deze śloka verwijst het woord āśrama niet alleen naar de gṛhastha-āśrama, maar naar alle vier āśrama’s. In Śrīmad-Bhāgavatam (11.17.14) staat de volgende uitspraak met betrekking tot āśrama:

gṛhāśramo jaṅghanato brahmacaryaṁ hṛdo mama
vakṣaḥ-sthalād vane vāsaḥ sannyāsaḥ śirasi sthitaḥ

De gṛhastha-āśrama is ontsproten aan de dijen van Mijn universele gedaante, de brahmacārī-āśrama aan Mijn hart, de vānaprastha-āśrama aan Mijn borst en de sannyāsa-āśrama aan Mijn hoofd.

Dit zijn de vier āśrama’s, die in de śāstra worden beschreven. Een van de kenmerkende eigenschappen van een Vaiṣṇava is betrokken te zijn in de verering van Śrī Viṣṇu, terwijl hij in de āśrama blijft, waarvoor hij is geschikt. Er is geen gebrek aan voorbeelden. In dit boek zijn de karakters van Prema dāsa, Vaiṣṇava dāsa, Ananta dāsa en vele andere gekwalificeerde raadgevers sannyāsī’s, brahmacārī’s of gṛha-tyāgī’s.

Een ander punt is, dat niet alle volgelingen van de auteur, Śrī Bhaktivinoda Ṭhākura, gṛhastha-bhakta’s zijn. Sommigen zijn brahmacārī’s en anderen hebben het gezinsleven opgegeven en bevinden zich in de hoogste orde, sannyāsa, die wordt beschreven als de hoogste āśrama. Dezelfde conclusie staat in Śrīmad-Bhāgavatam (11.17.15), het kroonjuweel van alle śāstra’s:

varṇānām āśramāṇāṁś ca janma-bhūmy-anusāriṇīḥ
āsan prakṛtayo nṛṇāṁ nīcair nīcottamottamāḥ

De varṇa’s en āśrama’s van de mensheid hebben hogere en lagere naturen in overeenstemming met de hogere en lagere plaatsen op het universele lichaam van Śrī Bhagavān, waaruit ze voortkwamen.

De conclusie van deze uitspraak is, dat sannyāsa de hoogste van de vier āśrama’s is en gṛhastha de laagste. De brahmacāri-āśrama bevindt zich boven de gṛhastha-āśrama en de vānaprastha-āśrama staat boven de brahmacāri-āśrama. Deze āśrama’s zijn gerelateerd aan de verworven tendens, die voortkomt uit onze tijdelijke natuur.

Zoals de varṇa’s zijn de āśrama’s ook verdeeld volgens geaardheid, aanleg en werk. Mensen in een lagere natuur, die geneigd zijn zich bezig te houden met baatzuchtig streven, worden gedwongen om gṛhastha’s te worden. Naiṣṭhika-brahmacārī’s, degenen die een leven lang de gelofte van het celibaat afleggen, zijn de rijkdom van Śrī Kṛṣṇa’s hart. Degenen, die zijn onthecht in vānaprastha, zijn voortgekomen uit Kṛṣṇa’s borst en sannyāsī’s, die het reservoir van gunstige kwaliteiten vormen, zijn uit Zijn hoofd voortgekomen. De brahmacārī’s, vānaprastha’s en sannyāsī’s zijn daarom allemaal bovengeschikt aan de gṛhastha's, maar men blijft onbekwaam om in deze drie hoogste āśrama’s binnen te gaan, zolang de smaak voor het pad van onthouding niet in het hart is ontwaakt. In de Manu-saṁhitā (5.56) wordt gezegd:

na māṁsa-bhakṣaṇe doṣe na madhye na ca maithune
pravṛttir eśā bhūtānāṁ nivṛttis tu mahāphalāḥ

Mensen zijn volgens hun natuur geneigd te genieten van het eten van vlees, van intoxicatie en sexuele lustbevrediging, maar onthouding van deze activiteiten levert uiterst heilzame resultaten op.

Dit wordt onderbouwd door Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.11):

loke vyavāyāmiṣa-madya-sevā nityā hi jantor na hi tatra codanā
vyavasthitis teṣu vivāha-yagña-surā-grahair āsu nivṛttir iṣṭā

In deze wereld kunnen we zien, dat de mensen een natuurlijke neiging hebben naar sexueel genot, vleeseten en intoxicatie. Śāstra kan zulke activiteiten niet sanctioneren, maar er zijn bijzondere voorzorgsmaatregelen gegeven, waarbij enige associatie met de andere sexe door het huwelijk wordt toegestaan; enig vleeseten wordt toegestaan door het uitvoeren van offers; en het drinken van wijn wordt toegestaan in het ritueel dat sautrāmaṇī-yagña heet. De bedoeling van zulke voorschriften is de wellustige neigingen van het algemene publiek te beperken en het in moreel gedrag te verankeren.

De impliciete bedoeling van de Veda’s om zulke voorschriften te maken is om de mensen uiteindelijk volledig te ontmoedigen zich aan zulke activiteiten over te geven.

In vele andere śāstra’s is de superieuriteit van het pad van onthechting uiteengezet. Op het eind van ieder tiende hoofdstuk van dit boek heeft Śrī Bhaktivinoda Ṭhākura het hierboven genoemde vers van Śrīmad-Bhāgavatam geciteerd en de volgende conclusie getrokken:

“Het is niet de bedoeling van śāstra om het doden van dieren aan te moedigen. De Veda's stellen, mā himsyāt sarvāṇi bhūtāni : ‘Doe geen enkel levend wezen leed aan’. Deze uitspraak verbiedt geweld jegens dieren. Maar zolang iemands natuur sterk wordt beïnvloed door hartstocht en onwetendheid, zal hij een natuurlijke neiging hebben te genieten van sexueel genot, vleeseten en intoxicatie. Zo iemand hoeft niet de goedkeuring van de Veda’s te verwachten om zich met deze zaken bezig te houden. De intentie van de Veda’s is in een middel te voorzien, waarmee mensen, die niet de geaardheid goedheid hebben overgenomen – en daarmee de neiging tot geweld, sexueel genot en intoxicatie hebben afgelegd – zulke neigingen teniet kunnen doen en deze impulsen met behulp van religieuze methoden kunnen bevredigen.

“Mensen, die door deze lagere tendensen worden gedreven, mogen met het andere geslacht associëren door middel van een religieus huwelijk; ze mogen dieren doden alleen middels bepaalde voorgeschreven offermethoden; en ze kunnen bedwelmende middelen gebruiken alleen bij bepaalde gelegenheden en door bepaalde procedures te volgen. Door deze methoden te volgen zullen hun neigingen afnemen en zullen ze deze geleidelijk opgeven.”

Het is in Kali-yuga noodzakelijk de gṛhastha-āśrama binnen te gaan om te worden afgeleid van het pad van baatzuchtig streven en over te gaan op het pad van onthechting. Het is nooit de bedoeling van de auteur geweest om te suggereren, dat degenen, die geschikt zijn voor de hoogste levensorde, gṛhastha’s te laten worden. Verderop in hetzelfde hoofdstuk heeft Śrī Bhaktivinoda Ṭhākura de bedoeling van het huwelijk in de volgende woorden uitgedrukt:

“Men moet geen huwelijk aangaan om kinderen te krijgen of de voorouders te vereren. Men dient te denken, ‘Ik aanvaard deze dienstmaagd van Kṛṣṇa, opdat we in staat zin elkaar te helpen in onze service aan Kṛṣṇa’. Deze houding is gunstig voor bhakti.

Hieruit volgt, dat degenen, die trouwen zonder het verlangen naar kinderen, in feite ware gṛhastha-vaiṣṇava’s zijn. Als een man zijn vrouw werkelijk ziet als een dienstmaagd van Kṛṣṇa, is er geen gelegenheid haar te beschouwen als een object voor zijn eigen genoegen; in plaats daarvan zal zijn houding er een zijn van adoratie. Het is waar, dat er uitspraken zijn, die de kinderwens sanctioneren, zoals putrārthe kriyate bhāryā : “Een vrouw wordt aanvaard met het doel om kinderen te krijgen”, maar dit impliceert, dat men dienaren van Kṛṣṇa wenst te krijgen en geen gewone, wereldse kinderen.

Het woord putra (zoon) is afkomstig van het woord put, dat verwijst naar een bepaalde helse planeet en tra komt van het werkwoord ‘bevrijden’. Dus de traditionele betekenis van het woord putra is het krijgen van een zoon, die je uit de hel kan verlossen door offergaven aan te bieden, nadat je uit de wereld bent vertrokken. Er is echter geen mogelijkheid, dat Vaiṣṇava’s, die regelmatig śrī-hari-nāma chanten, naar de hel genaamd put gaan. Daarom verlangen zij geen putra’s, maar dienaren van Kṛṣṇa.

Over het algemeen verzadigt een man zich, die door materiële conditioneringen is gebonden en het pad van baatzuchtig streven inslaat, in sexuele gemeenschap met een vrouw om zijn gerief te halen. Kinderen worden alleen geboren als bijproducten van dat verlangen. Dit is de reden, dat de mensen van vandaag de dag over het algemeen een wellustige natuur hebben. Zoals men pleegt te zeggen, ātmavat jāyate putraḥ : “De appel valt niet ver van de boom”.

Ofschoon de gṛhastha-āśrama de laagste van de vier āśrama’s is, heeft Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura deze āśrama aangeraden in een verlangen om iedereen in de wereld te begunstigen. Zijn raad is in het bijzonder gericht aan mensen met een mentaliteit, zoals die van het koopliedenechtpaar Caṇḍīdāsa en Damayanti. In feite zullen grote zielen, die natuurlijkerwijs het pad van onthechting gaan onder invloed van de sukṛti, die ze in voorgaande levens hebben opgebouwd, nimmer verstrengeld raken in het huiselijke leven door een huwelijk te aanvaarden. Zulke verheven mensen hebben weliswaar de gelegenheid te vallen, maar wat betekent vallen voor mensen, die al gevallen zijn?

 Als een naiṣṭhika-brahmacāri of een sannyāsī de onderliggende betekenis van de bovengenoemde instructies zou misverstaan en op basis van die woorden zijn brahmacarya of sannyāsa in weerwil van de śāstra zou opgeven door een van zijn leerlingen, een godzuster, of een andere vrouw te trouwen, of een andere brahmacāri of sannyāsī zou adviseren dat te doen, dan zou een dergelijke betreurenswaardige, lage en atheïstische persoon inderdaad zeldzaam zijn in de wereldgeschiedenis.

Een ander punt is, dat het voor ongekwalificeerde mensen uiterst ongepast is om de kleding van brahmacārī’s, tyāgī’s, of sannyāsī’s te dragen om hun gedrag te imiteren en zichzelf gelijkwaardig te achten aan grote persoonlijkheden, die zich in die āśrama’s bevinden. Zulke lieden zijn vergelijkbaar met Śṛgāla Vāsudeva, de jakhals die Śrī Kṛṣṇa imiteerde en wiens verhaal staat beschreven in Śrīmad-Bhāgavatam, Harivaṁsa, Caitanya-Bhāgavata en andere śāstra’s. Mensen, die zich op een lager platform bevinden en gehecht zijn aan het pad van baatzuchtige activiteiten, moeten eerst de deplorabele neiging tot lust zien terug te dringen door wettig te trouwen volgens religieuze principes. Het doel van de śāstra is alle levende wezens naar het pad van onthechting te leiden.

De Brahma-vaivarta Purāṇa (Kṛṣṇa-khaṇḍa 115.112-113) stelt:

aśvamedhaṁ gavālambhaṁ sannyāsaṁ palapaitṛkam
devareṇa sutotpattiṁ kalau pañca vivarjayet

In Kali-yuga zijn vijf activiteiten verboden: het offeren van een paard; het offeren van een koe; het aanvaarden van sannyāsa; het offeren van vlees aan de voorouders; en het krijgen van kinderen bij de broer van een echtgenoot.

Sommige mensen trachten op basis van dit vers vast te stellen, dat het aanvaarden van sannyāsa in Kali-yuga verboden is. Maar deze śloka bevat een verborgen intentie. De bedoeling van deze śloka is niet om sannyāsa totaal te verbieden. Vele grote persoonlijkheden, die in Kali-yuga verschenen, waren inderdaad tyāgī’s of sannyāsī’s, inclusief Śrī Rāmānuja, Śrī Madhva, Śrī Viṣṇu-svāmī en andere ācārya’s, die goed op de hoogte waren met alle śāstra’s en natuurlijk de kroonjuwelen van alle ācārya’s, de Zes Gosvāmī’s, die bhakta’s waren van Śrī Gaura.

De zuivere opvolging van sannyāsī’s continueert zelfs vandaag nog. Het voorschrift tegen het aanvaarden van sannyāsa in Kali-yuga betekent in feite, dat het ongepast is ekadaṇḍa-sannyāsa te aanvaarden, dat voortkwam uit de ongeauthoriseerde lijn van denken gepropageerd door Ācārya Śaṅkara en die wordt uitgedrukt in spreuken als so ‘haṁ (Ik ben die brahma) en ahaṁ brahmāsmi (Ik ben brahma). Het is dit type sannyāsa, dat is verboden.

Tridaṇḍa-sannyāsa is de ware, permanente sannyāsa en deze is van toepassing op alle tijden. Een enkele keer verschijnt tridaṇḍa-sannyāsa uiterlijk in de vorm van ekadaṇḍa-sannyāsa. Ekadaṇḍa-sannyāsī’s van dit type, die in feite grote zielen zijn, aanvaarden de eeuwigheid van tridaṇḍa-sannyāsa, die de drie vormen van sevya (het object van de dienst), sevaka (de dienaar) en sevā (dienst) symboliseert. Zulke mensen beschouwen de ekadaṇḍa-sannyāsa gepropageerd door Śaṅkara als volkomen ongeauthoriseerd en niet onderbouwd door śāstra. Hierbij is aangetoond, zelfs op basis van de Brahma-vaivarta Purāṇa śloka geciteerd door smārta ācārya’s, dat het logisch is voor sādhaka’s, die nivṛtti-mārga volgen, om sannyāsa te aanvaarden.

 

 

Aldus eindigt het Zevende Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
”Nitya-dharma en het materiële bestaan”

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________



Vorige: Hoofdstuk 6 – "Nitya-dharma, ras en klasse"

Volgende: Hoofdstuk 8 – "Nitya-dharma en Vaisnava-etiquetten"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl