Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 6

Nitya-dharma, ras en klasse


Devīdāsa Vidyāratna was een leraar, die langetijd overtuigd was geweest, dat de brāhmaṇas de meest vooraanstaanden waren van alle varṇa's (klassen). Hij dacht, dat niemand behalve brāhmaṇas geschikt waren om het hoogste levensdoel te bereiken en dat de jīva, tenzij hij in een brahmaanse familie werd geboren, geen mukti kon bereiken. Hij dacht ook, dat geboorte in zo'n familie de enige oorzaak kon zijn om de typische eigenschappen van een brāhmaṇa te ontwikkelen. Toen hij de gesprekken hoorde tussen de Vaiṣṇavas en de nakomelingen van de Chānd Kāzī, werd hij heel bedroefd. Hij kon de stellingen van Kāzī Sāhib niet begrijpen, want ze waren vol diepe, fundamentele waarheden.


Terwijl zijn hart oversloeg dacht Devīdāsa Vidyāratna, "Het moslimras is een vreemd verschijnsel en je kunt er nooit van opaan, wat Moslims zeggen. Vader heeft natuurlijk Farsi en Arabisch geleerd en heeft langetijd de religie bestudeerd, maar waarom geeft hij zoveel respect aan de Moslims? Een Hindu is verplicht een bad te nemen om zichzelf te zuiveren van het aanraken van zoiets als een Moslim, dus wat kon Paramahaṁsa Bābājī Mahārāja gedacht hebben, toen hij een dergelijk persoon uitnodigde om bij het gezelschap te komen zitten en hem zoveel eerbied gaf?"

Diezelfde nacht zei Devīdāsa, "Śambhu! Ik kan hierover niet langer zwijgen. Ik ga een vurig debat over logica provoceren en dit ketterse gezichtpunt in de as leggen. Het was in Navadvīpa, waar geleerden, zoals Sārvabhauma en Śiromaṇi over de nyāya-śāstra spraken en Raghunandana karnde de achtentwintig waarheden van de smṛti-śāstra. Hoe komt het, dat de Hindoe's en de Moslims zich nu in hetzelfde Navadvīpa vermengen? Misschien hebben de leraren van Navadvīpa hiervan nog geen hoogte gekregen." Vidyāratna wijdde zich voor een aantal dagen met heel zijn hart aan zijn taak.

Bij de dageraad was een lichte motregen gevallen. Halverwege de ochtend was de zon nog door de wolken bedekt en was niet in staat geweest een enkele blik op de aarde te werpen. Devī en Śambhu hadden vr tien uur een maaltijd van khichrī gegeten en hadden het gevoel, dat ze nu de tijd mee hadden. In Śrī Godruma hadden de Vaiṣṇavas vertraging in hun mādhukarī opgelopen. Bijna iedereen echter had nu de prasāda geerd en zat in een grote kuṭīra aan n zijde van de mādhavi-mālatī-bossage.

Paramahaṁsa Bābājī, Vaiṣṇava dāsa, Paṇḍita Ananta dāsa uit het dorp Śrī Nṛsiṁha-pallī, Lāhirī Mahāśaya en Yādava dāsa uit Kuliyā begonnen hari-nāma op hun tulasī-mālā te chanten en raakten verzonken in paramānanda (hoogste vreugde). Op dat moment kwamen de bekende paṇḍita, Kṛṣṇa Cūḍāmaṇi, samen met Vidyāratna Mahāśaya, Caturbhuja Padaratna uit Samudragarh, Cintāmaṇi Nyāyaratna uit Kāśī en Kālīdāsa Vācaspati uit Pūrva-sthālī aangelopen. De Vaiṣṇavas boden hun eerbiedige eerbetuigingen aan de geleerde brāhmaṇas aan en gaven hen een zitplaats.

Paramahaṁsa Bābājī zei, "Men zegt, dat een bewolkte dag ongunstig is, maar deze dag is voor ons uiterst gunstig geworden. Vandaag hebben de brāhmaṇa-paṇḍita's van de dhāma onze kuṭīra met het stof van hun voeten gezuiverd."

Vaiṣṇavas beschouwen zichzelf natuurlijkerwijs onbeduidender dan gras, dus allen boden praṇāma aan en zeiden, vipra-caraṇebhyaḥ namaḥ : "Alle eer aan de voeten van de brāhmaṇas." De brāhmaṇa-paṇḍita's, die zichzelf respectabele geleerden beschouwden, beantwoordden de Vaiṣṇavas door hen hun zegen te geven en gingen daarna zitten. De brāhmaṇas, die Vidyāratna voor een debat had voorbereid, boden hun eerbetuigingen aan Lāhirī Mahāśaya aan, want hij was de oudste onder hen. Lāhirī Mahāśaya, die inmiddels met de vertrouwelijke conclusies van de śāstras bekend was, gaf onmiddellijk zijn praṇāma's aan de paṇḍita's.

Van alle paṇḍita's, was Kṛṣṇa Cūḍāmaṇi het meest welsprekend. Hij had over de betekenis van de śāstra met vele andere paṇḍita's gedebatteerd in Kāśī, Mithilā en talrijke andere plaatsen en had al zijn tegenstanders weten te pareren. Hij was klein van stuk met een glanzend donkere gelaatskleur en was ernstig en beheerst en had ogen, die blonken als een paar sterren. Nu begon hij een discussie met de Vaiṣṇavas.

Cūḍāmaṇi zei, "We zijn vandaag gekomen om darśana van de Vaiṣṇavas te nemen. Hoewel we niet al jullie doen en laten steunen, hebben we grote bewondering voor jullie uitzonderlijke toewijding. Śrī Bhagavān Zelf zegt in Bhagavad-Gītā (9.30):

api cet su-durācāro bhajate mām ananya-bhāk
sādhur eva sa mantavyaḥ samyag vyavasito hi saḥ

Zelfs als iemand een vreselijke zondaar is, maar uitsluitend Mij vereert met toewijding, dient hij als een sādhu te worden beschouwd, want zijn intelligentie is sterk verankerd in de juiste overtuiging.

"Deze uitspraak in de Bhagavad-Gītā is ons bewijs en vanwege deze conclusie zijn we vandaag gekomen om darśana van de sādhu's te nemen. Maar we hebben n probleem. Waarom associeert u met Moslims onder het voorwendsel van bhakti? We willen hierover met u spreken. Degene onder u, die het meest bedreven is in het debatteren, mag naar voren komen."

De Vaiṣṇavas waren van streek door de woorden van Kṛṣṇa Cūḍāmaṇi en Paramahaṁsa Bābājī zei heel nederig, "Wij zijn een stel gekken. Wat weten wij nu van het debat? Wij handelen eenvoudig in overeenstemming met het doen en laten, dat de voorgaande mahājana's vertoonden. U allen bent geleerden, dus u mag de instructies van de śāstra reciteren en wij zullen in stilte luisteren."

Cūḍāmaṇi zei, "Hoe kunt u volgens die uitspraak handelen? U staat onder gezag van de hindoemaatschappij en als u de disciplines en leerstellingen volgt, die zijn tegengesteld aan de śāstra, zal de wereld in elkaar storten. 'Wij oefenen en prediken tegen śāstra en tegelijkertijd eisen wij op, dat we op het pad zijn van de mahājana's.' Wat is dit voor prietpraat? Wat is een mahājana? Men is alleen een echte mahājana, als zijn gedrag en leerstellingen in overeenstemming zijn met śāstra. Welk voordeel heeft de wereld erbij, als we eenvoudig iedereen, die we aardig vinden, een mahājana gaan noemen en vervolgens het citaat aanhalen, mahājano yena gataḥ sa panthāḥ : 'Men dient het pad van de mahājana's te volgen'?"

De woorden van Cūḍāmaṇi werden voor de Vaiṣṇavas ondraaglijk, waardoor ze wegliepen en elkaar in een andere kuṭīra om raad gingen vragen. Ze besloten, dat ze, omdat de mahājana's van fouten werden beschuldigd, werden gedwongen de aanklachten, voor zover dat in hun macht lag, te weerleggen. Paramahaṁsa Bābājī koos ervoor om niet in het debat te participeren. Paṇḍita Ananta dāsa Bābājī was een geleerde van de nyāya-śāstra, maar iedereen vroeg Śrī Vaiṣṇava dāsa Bābājī het debat te leiden. De Vaiṣṇavas wisten onmiddellijk, dat Devīdāsa Vidyāratna dit vuur had aangestoken. Lāhirī Mahāśaya was ook aanwezig en hij voegde eraan toe, "Devī is uitermate trots. Zijn verstand raakte in de war op de dag, dat hij getuige was van ons gedrag met de Kāzī Sāhib en daarom heeft hij nu al deze brāhmaṇa-paṇḍita's meegebracht."

Vaiṣṇava dāsa nam het stof van Paramahaṁsa Bābājī's voeten op zijn hoofd en zei, "Ik zal de orders van de Vaiṣṇavas op mijn hoofd dragen. De kennis, die ik heb opgedaan, zal vandaag zeker vrucht dragen."

Nu was de hemel opgeklaard. Er werd een grote zitplaats onder de mālatī-mādhavī-bossages uitgelegd en de brāhmaṇa-paṇḍita's gingen aan n zijde zitten en de Vaiṣṇavas aan de andere zijde. Alle brāhmaṇas en paṇḍita's van Śrī Godruma en Madhyadvīpa waren daar bijeen geroepen en ook een aantal studenten en schriftgeleerden uit de buurt kwamen bij het gezelschap zitten; het was dus in geen geval een kleine bijeenkomst. Ongeveer honderd brāhmaṇa-paṇḍita's zaten aan de ene zijde en ongeveer tweehonderd Vaiṣṇavas aan de andere. Vaiṣṇava dāsa Bābājī was kalm en beheerst; hij zat op verzoek van de Vaiṣṇavas aan het hoofd van het gezelschap. Op dat moment had een verbazingwekkend incident plaats een tros mālatī-bloesems viel op het hoofd van Vaiṣṇava dāsa uit de klimranken boven hem. Dit gaf de Vaiṣṇavas moed en inspireerde hen om de naam van Hari hardop uit te spreken. "Dit kan worden begrepen als de zegen van Śrīman Mahāprabhu," verklaarden ze.

Aan de andere zijde trok Kṛṣṇa Cūḍāmaṇi een grimas en zei, "Jullie kunnen dat wel denken, maar met bloemen kom je er niet. De boom wordt herkend aan zijn vruchten."

Vaiṣṇava dāsa veranderde van onderwerp en begon, "Deze bijeenkomst, die vandaag in Navadvīpa plaats heeft, lijkt op de gezelschappen, die plaats hebben in Vārāṇasī, hetgeen mij veel plezier doet. Hoewel ik een inwoner van Bengalen ben, heb ik vele jaren besteed aan studie en doceren in Vārāṇasī en andere plaatsen, dus ik ben niet gewend om Bengaals te spreken. Ik doe het verzoek om voor de vragen en antwoorden in het gezelschap van vandaag Sanskriet te spreken."

Cūḍāmaṇi had de śāstra heel nauwgezet bestudeerd, maar kon geen vloeiend Sanskriet spreken, afgezien van sommige śloka's, die hij in de loop der tijd aan zijn geheugen had toevertrouwd. Hij was door het voorstel van Vaiṣṇava dāsa enigszins ontdaan en zei, "Waarom? We komen in Bengalen bij elkaar, dus het is het beste om Bengaals te spreken. Ik spreek geen Sanskriet, zoals de paṇḍita's van de westelijke provincies."

Iedereen begreep, gezien ieders stemming, dat Cūḍāmaṇi bevreesd raakte om met Vaiṣṇava dāsa in debat te gaan. Iedereen vroeg Vaiṣṇava dāsa Bengaals te spreken en daar legde hij zich bij neer.

Cūḍāmaṇi bracht het eerste verweer te berde door te vragen, "Is jāti, of kaste, nitya (onveranderlijk)? Zijn de Hindoe's en Moslims geen verschillende kasten? Vallen de Hindoe's niet van hun geloof door met Moslims te associren?"

Vaiṣṇava dāsa Bābājī antwoordde, "Volgens de nyāya-śāstra is jāti (een term, die verwijst naar ras, kaste en levenssoort) onveranderlijk. De term jāti-bheda (kastenonderscheid), die hier wordt genoemd, verwijst niet naar het verschil van kaste onder mensen, die in verschillende landen zijn geboren. Deze term verwijst naar het verschil van levenssoort, zoals die tussen koeien, geiten en mensen."

Cūḍāmaṇi zei, "Ja, wat u zegt is heel waar. Maar betekent dat, dat er geen jāti-bheda (kastenonderscheid) bestaat tussen Hindoe's en Moslims?"

Vaiṣṇava dāsa zei, "Ja, er is een verschil tussen de kasten, maar dat type jāti is niet eeuwigdurend. Mensen hebben maar n jāti, wat in dit geval betekent 'levenssoort'. Binnen de menselijke levenssoort zijn heel veel verschillende jāti, of kasten, uitgevonden, die zijn gebaseerd op de verschillen van taal, land, kledingstijl en huidskleur."

Cūḍāmaṇi: Is er geen verschil in termen van geboorte? Of bestaat het verschil tussen Hindoe's en Moslims uit niets anders dan het verschil in kledingstijl en dat soort dingen?

Vaiṣṇava dāsa: Vaiṣṇavas zijn degenen, die zuivere bhakti hebben en alle menselijke wezens zijn candidaten voor vaiṣṇava-dharma. Moslims zijn niet geschikt om de plichten uit te voeren, die in het varṇāśrama-systeem voor de verschillende varṇa's worden beschreven, want hun geboorte diskwalificeert hen. Niettemin hebben ze ieder recht om te participeren in de beoefening van bhakti. Niemand kan volhouden, dat hij de werkelijke betekenis van de śāstras kent, tenzij hij de subtiele verschillen tussen karma-kāṇḍa, jāna-kāṇḍa en bhakti-kāṇḍa nauwgezet heeft bestudeerd.

Cūḍāmaṇi: Goed dan, als iemand zijn voorgeschreven karma uitvoert, wordt zijn hart geleidelijk gezuiverd, zodat hij geschikt wordt voor jāna. Onder de jānis zijn sommigen nirbheda-brahmavādī's, die het ongedifferentieerd, onpersoonlijk brahma aanprijzen, terwijl de anderen Vaiṣṇavas zijn, die de persoonlijke vorm van Bhagavān met transcendentale attributen (saviśeṣa-vāda) aanvaarden. Volgens deze gedachtengang kan niemand ooit een Vaiṣṇava worden zonder eerst zijn bekwaamheid voor karma te voltooien. Moslims zijn zelfs niet geschikt om het voorgeschreven karma van het varṇa-systeem uit te voeren, want ze zijn outcastes (onaanraakbaren), dus hoe kunnen zij geschikt worden voor bhakti?

Vaiṣṇava dāsa: Onaanraakbaren hebben al het recht om bhakti te beoefenen. Alle śāstras aanvaarden dit en Bhagavān Zelf heeft in Śrīmad Bhagavad-Gītā (9.23) gezegd:

māṁ hi pārtha vyapāśritya ye 'pi syuḥ pāpa-yonayaḥ
striyo vaiśyās tathā śūdrās te 'pi yānti parāṁ gatim

O Pārtha, vrouwen, vaiśya's, śūdra's en degenen, die laag zijn geboren in zondige families, kunnen de allerhoogste bestemming bereiken door hun toevlucht te nemen tot Mij.

Hier verwijst het woord āśritya, zijn toevlucht nemen tot, naar bhakti. Dit wordt onderbouwd in de Skanda Purāṇa, Kāśī-khaṇḍa 21.63):

brāhmaṇaḥ kṣatriyo vaiśyaḥ śūdro vā yadi vetaraḥ
viṣṇu-bjakti-samāyukto jeyaḥ sarvottamaś ca saḥ
in: Hari-bhakti-vilāsa (10.106)

Of men nu een brāhmaṇa, kṣatriya, vaiśya, śūdra of een outcaste is, als men zijn toevlucht heeft genomen tot viṣṇu-bhakti, wordt men aan allen superieur beschouwd.

In de Nāradīya Purāṇa wordt gezegd,

śvapaco 'pi mahīpāla viṣṇu-bhakto dvijādhikaḥ
viṣṇu-bhakti-vihīno yo yatiś ca śvapacādhikaḥ
in: Hari-bhakti-vilāsa (10.87)

O Koning, een toegewijde van Śrī Viṣṇu is beter dan een brāhmaṇa, zelfs al is hij geboren in een familie van hondenvleeseters; terwijl een sannyāsī, die onkundig is van viṣṇu-bhakti zelfs verachtelijker is dan een caṇḍāla.

Cūḍāmaṇi: U kunt wel zoveel citaten uit śāstra als bewijs aanvoeren; het gaat erom in te zien wat het onderliggende principe in deze overweging is. Hoe kan het defect van een gedegradeerde geboorte worden weggenomen? Kan een defect gerelateerd aan geboorte worden weggenomen zonder een volgende geboorte te nemen?

Vaiṣṇava dāsa: Het defect van een lage geboorte is het resultaat van prārabdha-karma, voorgaande activiteiten, die zijn begonnen pas in dit leven vrucht te dragen en dit prārabdha-karma kan worden vernietigd door de naam van Bhagavān uit te spreken. Het bewijs hiervoor staat in Śrīmad-Bhāgavatam (6.16.44):

yan-nāma sakṛc chravaṇāt pukkaśo 'pi vimucyate saṁsārāt

Zelfs een laaggeboren hondenvleeseter kan uit zijn materile bestaan worden bevrijd door eenvoudig Uw heilige naam eenmaal te horen.

Er staat ook in Śrīmad-Bhāgavatam (6.2.46):

nātaḥ paraṁ karma-nibandha-kṛntanaṁ
mumukṣatāṁ tīrtha-padānukīrtanāt
na yat punaḥ karmasu sajjate mano
rajas-tamobhyām kalilaṁ tato 'nyathā

Degenen, die bevrijding wensen uit de conditionering van het materile bestaan, hebben geen andere manier om hun zonden te ontwortelen, dan door het chanten van de heilige namen van Bhagavān, die zelfs de heilige plaatsen zuivert door ze louter met Zijn lotusvoeten aan te raken. De reden is, dat de geest geen aandacht meer geeft aan karma, wanneer men nāma-saṅkīrtana uitvoert, terwijl de geest weer wordt gecontamineerd door de materile kwaliteiten van hartstocht en onwetendheid, wanneer men andere methoden tot zuivering gebruikt, want de neigingen om zonden te begaan waren nog niet tot aan de wortel uitgeroeid.

Weer staat in Śrīmad-Bhāgavatam (3.33.7),

aho vata śvapaco 'to garīyān
yaj-jahvāgre vartate nāma tubhyam
tepus tapas te juhuvuḥ sasnur āryā
brahmānucūr nāma gṛṇanti ye te

Oh! Wat kan nog meer worden gezegd over de grootheid van de persoon, die de heilige naam van Śrī Hari chant? Een persoon, die Uw heilige naam uitspreekt is superieur aan iedereen, zelfs als hij is geboren in een familie van hondenvleeseters. Zijn brahmaanse status was al in zijn voorgaande geboorte gevestigd. Die fortuinlijke jīvas, die śrī-hari-nāma chanten hebben reeds boetedoening ondergaan, hebben vuuroffers gebracht, hebben in de heilige plaatsen gebaad, hebben de geciviliceerde gedragsregels gevolgd en hebben de Veda's grondig bestudeerd.

Cūḍāmaṇi: Waarom wordt dan een caṇḍāla, die hari-nāma chant, wel uitgesloten van het uitvoeren van yaja's en andere brahmaanse activiteiten?

Vaiṣṇava dāsa: Om yaja's en dergelijke activiteiten uit te voeren, dient men te worden geboren in een brahmaanse familie en zelfs iemand, die in een brahmaanse familie wordt geboren, moet worden gezuiverd door de inwijdingsceremonie met de heilige draad, voordat hij bevoegd is om de taken van een brāhmaṇa uit te voeren. Op dezelfde manier kan een caṇḍāla zijn gezuiverd door hari-nāma te gaan beoefenen, maar hij is nog niet bevoegd om yaja's uit te voeren, totdat hij een seminale geboorte in een brahmaanse familie krijgt. Maar hij kan wel de aṅga's (onderdelen) van bhakti uitvoeren, die oneindig groter zijn dan yaja's.

Cūḍāmaṇi: Wat is dit nu voor een conclusie? Hoe kan iemand, die wordt gediskwalificeerd voor een gewoon voorrecht, worden gekwalificeerd voor iets dat veel hoger is? Bestaat hiervoor enig samenvattend bewijs?

Vaiṣṇava dāsa: Er zijn twee soorten menselijke activiteiten: materile activiteiten, die betrekking hebben op het praktische bestaan (vyāvahārika) en spirituele activiteiten, die betrekking hebben op de ultieme waarheid (paramārthika). Iemand kan een spirituele kwalificatie hebben bereikt, maar dat kwalificeert hem niet noodzakelijkerwijs voor bepaalde materile activiteiten. Bijvoorbeeld, iemand die van geboorte Moslim is, kan de geaardheid en alle kwaliteiten van een brāhmaṇa hebben, zodat hij in spiritueel opzicht een brāhmaṇa is, maar toch blijft hij onbevoegd voor bepaalde materile activiteiten, zoals de dochter van een brāhmaṇa trouwen.

Cūḍāmaṇi: Waarom is dat? Wat maakt het uit, als hij het toch doet?

Vaiṣṇava dāsa: Als men de sociale omgangsvormen overtreedt, is men schuldig aan vyāvahārika-doṣa, seculiere ongepastheid. De leden van de samenleving, die trots zijn op hun sociaal aanzien, vergeven zulke activiteiten niet. Daarom mag men ze niet plegen, zelfs al is men spiritueel gekwalificeerd.

Cūḍāmaṇi: Vertelt u me alstublieft eens, wat de oorzaak van de bekwaamheid voor karma is en wat de oorzaak van de bekwaamheid voor bhakti is.

Vaiṣṇava dāsa: 'Tat-tat-karma-yogya-svabhāva-janma' aard, geboorte en dergelijke, vyāvahārika, of praktische oorzaken, die iemand geschikt maken voor een bepaald type werk, zijn de bronnen van bekwaamheid voor karma. De bron van bekwaamheid voor bhakti is tāttvika-śraddhā, vertrouwen, dat is verankerd in de Absolute Waarheid.

Cūḍāmaṇi: Probeert u me niet te intimideren met de taal van Vedānta. Legt u duidelijk uit, wat u bedoelt met 'tat-tat-karma-yogya-svabhāva'.

Vaiṣṇava dāsa: De kwaliteiten, die langs natuurlijke weg in een brāhmaṇa worden aangetroffen zijn: śama (beheersing over de zintuigen), dama (beheersing over de geest), tapah (soberheid), śauca (reinheid), santoṣa (tevredenheid), kṣamā (vergevingsgezindheid), saralatā (eenvoud), īśa-bhakti (toewijding aan Bhagavān), dayā (genade) en satya (waarheidslievendheid). De natuurlijke kwaliteiten van een kṣatriya zijn teja (uitstraling), bala (lichaamskracht), dhṛti (doortastendheid), śaurya (heldhaftigheid), titikṣā (tolerantie), udāratā (grootmoedigheid), udyama (doorzettingsvermogen), dhīratā (ernst), brahmaṇyatā (toewijding aan de brāhmaṇas) en aiśvarya (rijkdom). De kwaliteiten, die de vaiśya's kenmerken zijn āstikya (thesme), dāna (liefdadigheid), niṣṭhā (vertrouwen), adāmbhikatā (afwezigheid van trots) en artha-tṛṣṇā (begerigheid naar rijkdom). De natuurlijke kwaliteiten van een śūdra zijn dvija-go-deva-sevā (dienstverlening aan de brāhmaṇas, de koeien en de hemelse halfgoden) en yathā-lābha-santoṣa (tevredenheid met datgene, wat wordt verkregen met dat werk). De kwaliteiten in de geaardheid van een antyaja (outcaste) zijn aśaucam (onreinheid), mithyā (oneerlijkheid), caurya (diefstal), nāstikatā (athesme), vṛthā kalaha (zinloos geruzie), kāma (lust), krodha (woede) en indriya-tṛṣṇā (hunkering naar zintuiglijke bevrediging).

De śāstras schrijven voor, dat de varṇa dient te worden vastgesteld volgens deze verschillende naturen. De bepaling van varṇa op basis van geboorte alleen is een recent gebruik. De aanleg van een individu voor een specifiek soort werk en zijn deskundigheid daarin, komen alletwee voort uit deze naturen. De geaardheid van een persoon geeft aanleidng voor zijn neiging en smaak voor bepaalde activiteiten en het is juist deze bepaalde geaardheid (svabhāva), die we kennen als de natuurlijke aanleg voor bepaalde typen werk (tat-tat-karma-yogya-svabhāva).

In sommige gevallen is geboorte de belangrijkste factor bij de bepaling van iemands natuur en in andere gevallen is associatie de belangrijkste factor. Geaardheid wordt gevormd door associatie, die begint bij de geboorte, dus geboorte is zeker n van de oorzaken, die de ontwikkeling van de natuurlijke aanleg en het gedrag bepalen. Geaardheid ontwikkelt zich inderdaad vanaf het moment van de geboorte, maar dat betekent niet, dat geboorte de enige oorzaak is van een natuur en de aanleg voor een bepaald soort werk. Het is een grote fout om zo te denken, want er zijn vele andere oorzaken. Daarom schrijven de śāstras voor, dat men de natuur van een persoon moet bestuderen, wanneer men zijn bekwaamheid voor werk beoordeelt.

Cūḍāmaṇi: Wat wordt bedoeld met tāttvika-śraddhā, geloof in de Absolute Waarheid?

Vaiṣṇava dāsa: Tāttvika-śraddhā is zuiver vertrouwen in Bhagavān, dat aanleiding geeft tot een spontane poging Hem te bereiken. Atāttvika-śraddhā (onheus geloof) is datgene, wat is gebaseerd op een misvatting over het concept Bhagavān, dat bij het zien van wereldse activiteiten in een onzuiver hart opborrelt en dat aanleiding geeft tot zelfzuchtige ondernemingen geworteld in trots, aanzien en wereldse verlangens. Sommige mahājana's heben tāttvika-śraddhā beschreven als śāstrīya-śraddhā, vertrouwen in de śāstras. Het is deze tāttvika-śraddhā, die de oorzaak is van de bekwaamheid voor bhakti.

Cūḍāmaṇi: Laten we ons voorstellen, dat sommige mensen geloof hebben ontwikkeld in de śāstras, ofschoon hun natuur niet bepaald verheven is. Zijn zulke mensen ook geschikt voor bhakti?

Vaiṣṇava dāsa: Śraddhā is de enige oorzaak van de bekwaamheid voor bhakti. Natuur is de oorzaak van de bekwaamheid voor karma, maar niet voor bhakti. Dit wordt duidelijk gesteld in de volgende śloka's uit Śrīmad-Bhāgavatam (11.20.27-28):

jāta-śraddho mat-kathāsu nirviṇṇaḥ sarva-karmasu
veda duḥkhātmakān kāmān parityāge 'py anīśvaraḥ
tato bhajeta māṁ prītaḥ śraddhālur dṛḍha-niścayaḥ
juṣamāṇaś ca tān kāmān duḥkhodarkāṁś ca garhayan

Een sādhaka, die vertrouwen heeft ontwikkeld in de verhalen over Mij en walgt van allerlei baatzuchtige activiteiten, kan desondanks niet in staat blijken te zijn om materieel plezier en het verlangen ernaar op te geven. Omdat hij weet, dat zulk zogenaamd plezier in feite een bron van ellende is, zou hij zichzelf moeten vervloeken op het moment, dat hij probeert te genieten. In de loop der tijd zal hij in staat zijn Mij met liefde, vertrouwen en vastberadenheid te dienen.

proktena bhakti-yogena bhajato māsakṛn muneḥ
kāmā hṛdayyā naśyanti sarve mayi hṛdi sthite
bhid yate hṛdaya-granthiś chidyante sarva-saṁśayāḥ
kṣīyante cāsya karmāṇi mayi dṛṣṭe 'khilātmanī
Śrīmad-Bhāgavatam (11.20.29-30)

Als de sādhaka Mij voortdurend vereert met de methode van bhakti-yoga, die Ik heb voorgeschreven, kom Ik in zijn hart zitten. Zodra Ik daar ben gevestigd, worden alle materile verlangens en saṁskāra's, de indrukken, waarop de materile verlangens zijn gebaseerd, vernietigd. Als de sādhaka Mij rechtstreeks ziet als Paramātmā in het hart van alle levende wezens, valt de knoop van vals-ego in zijn hart uiteen, worden al zijn twijfels aan stukken gegooid en worden zijn verlangens naar baatzuchtige activiteiten volledig uitgewist.

yat karmabhir yat tapasā jāna-vairāgyataś ca yat
yogena dāna-dharmeṇa śreyobhir itarair api
sarvaṁ mad-bhakti-yogena mad-bhakti labhate 'jasā
svargāpavargaṁ mad-dhāma kathacid yadi vāchati
Śrīmad-Bhāgavatam (11.20.32-33)

Alle resultaten, die met baatzuchtige activiteiten onder moeilijke omstandigheden worden verkregen, zoals soberheid, kennis, onthechting, beoefening van yoga, liefdadigheid, religieuze plichten en alle andere gunstige typen sādhana, worden door Mijn bhakta's gemakkelijk verkregen door de kracht van bhakti-yoga. Hoewel Mijn bhakta's vrij zijn van ambitie, zouden ze gemakkelijk promotie naar de hemelse planeten kunnen maken, of bevrijding kunnen krijgen, of een woonplaats in Vaikuṇṭha, als ze zulke zaken zouden ambiren.

Dit is de systematische ontwikkeling van bhakti-yoga, die voortkomt uit śraddhā (vertrouwen).

Cūḍāmaṇi: En als ik het gezag van Śrīmad-Bhāgavatam niet aanvaard?

Vaiṣṇava dāsa: Dit is de conclusie van alle śāstras. Als u de Bhāgavatam niet aanvaardt, krijgt u problemen met alle andere śāstras. Ik hoef niet veel verschillende śāstras te citeren. U hoeft alleen maar te kijken, wat in de Bhagavad-Gītā wordt gezegd en dat wordt aanvaard door de aanhangers van alle filosofische systemen. Alle instructies zijn in feite aanwezig in de Gītā śloka, die u uitsprak, toen u hier vanmorgen voor het eerst arriveerde (Gītā 9.30):

api cet su-durācāro bhajate mām ananya-bhāk
sādhur eva sa mantavyaḥ samyag vyavasito hi saḥ

Als men geen ander object van devotie heeft dan Mij en zijn vertrouwen is uitsluitend op Mij gericht, blijft men geabsorbeerd in het vereren van Mij door hari-kathā te horen en hari-nāma te chanten. Die persoon is het pad van de sādhu's ingeslagen en zou daarom als een sādhu moeten worden beschouwd, zelfs als hij zich door een afschuwlijke en vervallen natuur haaks ten opzichte van het pad van karma gedraagt.

Het betekent, dat het systeem van varṇāśrama, dat tot karma-kāṇḍa behoort, n type pad is; het proces van kennis en onthechting, dat tot jāna-kāṇḍa behoort, is een tweede type pad; en vertrouwen in hari-kathā en hari-nāma, die zich ontwikkelen in sat-saṅga, is een derde type pad. Soms worden deze drie typen als een enkel yoga-systeem bij elkaar genomen, dat ofwel karma-yoga heet, jāna-yoga, of bhakti-yoga. Ze worden soms ook als aparte systemen beoefend. De beoefenaren van deze verschillende systemen heten karma-yogī's, jāna-yogī's en bhakti-yogī's. Van al deze yogī's zijn de bhakti-yogī's de beste, want bhakti-yoga is oneindig gunstig en is ongevenaard in zijn suprematie. Deze conclusie wordt onderbouwd in een uitspraak van de Gītā (6.47):

yoginām api sarveṣāṁ mad-gatenāntarātmanā
śraddhāvān bhajate yo māṁ sa me yuktatamo mataḥ

O Arjuna, van alle yogī's beschouw Ik de allerbeste yogī diegene, die Mij voortdurend met groot vertrouwen eert en met zijn geest diep is verzonken in liefdevolle genegenheid voor Mij.

De Gītā (9.31-32) legt verder uit:

kṣipraṁ bhavati dharmātmā śaśvac-chāntiṁ nigacchatī
kaunteya pratijānīhi na me bhaktaḥ praṇaśyati
māṁ hi pārtha vyapāśritya ye 'pi syuḥ pāpa-yonayaḥ
striyo vaiśyās tathā śūdrās te 'pi yānti parāṁ gatim

Het is van wezenlijk belang, dat je de betekenis van de śloka, kṣipraṁ bhavati dharmātā, begrijpt. Gelovige mensen, die het pad van ananya-bhakti, exclusieve toewijding, hebben genomen, worden in hun natuur en gedrag snel van alle fouten gezuiverd. Dharma volgt overal waar bhakti gaat, want Bhagavān is de wortel van alle dharma en Hij wordt gemakkelijk door bhakti overwonnen. Zodra Bhagavān in het hart is gevestigd, is māyā, die de jīvas in begoocheling houdt, onmiddellijk verdwenen. Een andere methode van sādhana is niet nodig. Zodra men een bhakta wordt verschijnt dharma en maakt het hart van de bhakta deugdzaam. Vanaf het moment, dat iemands verlangens naar wereldse zinsbevrediging zijn verdwenen, heerst er vrede in zijn hart. Daarom belooft Śrī Kṛṣṇa, "Mijn bhakta zal nooit ten ondergaan". De karmī's en jānis kunnen in de loop van hun sādhana ten prooi vallen aan slecht gezelschap, want zij zijn onafhankelijk, maar de bhakta's vallen niet, omdat de invloed van Bhagavāns aanwezigheid hen tegen slecht gezelschap beschermt. De bhakta heeft de allerhoogste bestemming in zijn greep, of hij nu in een zondige familie of in het huis van een brāhmaṇa werd geboren.

Cūḍāmaṇi: Kijk eens, de voorzieningen in onze śāstras om kaste bij de geboorte te bepalen lijken me de beste. Iemand, die is geboren in een brāhmaṇa-familie komt door het regelmatig beoefenen van sandhyā-vandanā op het platform van kennis en op het eind is hij ervoor bestemd om bevrijding te krijgen. Ik begrijp niet, hoe śraddhā zich kan ontwikkelen. Bhagavad-Gītā en Śrīmad-Bhāgavatam leggen uit, dat bhakti voortkomt uit śraddhā, maar ik zou duidelijk willen weten, wat de jīva moet doen om deze śraddhā te verkrijgen.

Vaiṣṇava dāsa: Śraddhā is de nitya-svabhāva (eeuwige natuur) van de jīva, maar vertrouwen in de plichten van varṇāśrama komt niet voort uit deze eeuwige natuur; dit vertrouwen komt voort uit naimittika-svabhāva (de incidentele of tijdelijke natuur). In de Chāndogya Upaniṣad (7.19.1) wordt gezegd:

yadā vai śraddadhāty atha manute, nāśraddadhan manute,
śraddadhad eva manute, śraddhā tv eva vijijāsitavyeti
śraddhāṁ bhagavo vijijāsa iti

Sanat-kumāra zei, "Als iemand śraddhā ontwikkelt, kan hij over een onderwerp nadenken en het begrijpen, terwijl iemand zonder śraddhā dat niet kan. Alleen iemand, die śraddhā heeft, kan over wt dan ook reflecteren. Daarom moet je over śraddhā heel specifieke informatie hebben." Nārada zei, "O Meester, ik wil vooral over deze śraddhā worden ingelicht."

Sommige mensen, die de conclusies van de śāstras hebben geleerd, hebben uitgelegd, dat het woord śraddhā betekent vertrouwen hebben in de Veda's en in het woord van śrī-guru. Deze uitleg is niet verkeerd, maar is niet helemaal helder. In onze sampradāya wordt de betekenis van het woord śraddhā alsvolgt weergegeven:

śraddhā tv anyopāya-varjaṁ
bhakty-unmukhī citta-vṛtti-viśeṣaḥ

Śraddhā is de kenmerkende eigenschap van het hart, dat streeft naar bhakti alleen, dat geheel in gebreke gaat van karma en jāna en dat niets anders verlangt dan uitsluitend het plezier van Kṛṣṇa. (Āmnāya-sūtra 57)

Bij de sādhaka, die in het gezelschap van śuddha-bhakta's regelmatig de instructies van sādhu's hoort, ontwikkelt in zijn hart de overtuiging, dat hij zijn eeuwig welzijn niet kan bereiken met de methoden van karma, jāna, yoga, enzovoort, en dat hij geen enkele kans van slagen heeft, tenzij hij uitsluitend zijn toevlucht neemt aan de lotusvoeten van Śrī Hari. Zodra hij deze overtuiging krijgt, kan worden aangenomen, dat zich śraddhā in het hart van de sādhaka heeft genesteld. De aard van śraddhā wordt alsvolgt omschreven:

sā ca śaraṇāpatti-lakṣaṇā

(Āmnāya-sūtra 58)

Śraddhā wordt gekenmerkt door zijn uiterlijke symptoom van śaraṇāgatī, overgave aan Śrī Hari.

Śaraṇāgatī wordt alsvolgt omschreven:

ānukūlyasya saṅkalpaḥ prātikūlyasya varjanaṁ
rakṣīṣyatīti viśvāso goptṛtve varaṇaṁ tathā
ātma-nīkṣepa-kārpaṇye ṣaḍ-vidhā śaraṇāgatiḥ
(Hari-bhakti-vilāsa 11.47)

Er zijn zes symptomen van zelfovergave. De eerste twee zijn ānukūlyasya saṅkalpa en prātikūlyasya varjanam: "Ik doe alleen wat gunstig is voor onvermengde bhakti en ik wijs af wat ongunstig is." Dit heet saṅkalpa of pratijā, een plechtige gelofte. Het derde symptoom is rakṣiṣyatīti viśvāso, vertrouwen in Bhagavān als beshermer: "Bhagavān is mijn enige beschermer. Ik heb helemaal niets aan jāna, yoga en dergelijke bezigheden." Dit is een uiting van vertrouwen (viśvāsa). Het vierde symptoom is goptṛtve varaṇam, vrijwillige acceptatie van Bhagavān als instandhouder: "Ik kan op eigen kracht niets bereiken, of zelfs niet mezelf onderhouden. Ik zal Bhagavān dienen, voor zover ik dat kan, en Hij zal voor me zorgen." Dit wordt afhankelijkheid (nirbharatā) genoemd. Het vijfde symptoom is ātma-nikṣepa, overgave: "Wie ben ik? Ik ben de Zijne. Het is mijn plicht om aan Zijn wensen te voldoen." Dit is overgave van het zelf (ātma-nivedana). Het zesde symptoom is kārpaṇye, bescheidenheid: "Ik ben ellendig, onbeduidend en materieel behoeftig." Dit wordt met nederigheid (kārpanya of dainya) bedoeld.

Als deze gevoelens in het hart gevestigd raken, krijgt men een neiging, die śraddhā heet. Een jīva, die deze śraddhā heeft, is geschikt voor bhakti en dit is het eerste stadium in de ontwikkeling van de svabhāva, zoals die van de zuivere jīvas, die eeuwigdurend in een bevrijde staat leven. Daarom is dit de nitya-svabhāva van de jīvas en alle andere svabhāva's zijn naimittika (incidenteel).

Cūḍāmaṇi: Ik begrijp het. Maar u hebt nog steeds niet uitgelegd hoe śraddhā zich ontwikkelt. Als śraddhā zich ontwikkelt uit sat-karma, deugdzaam handelen, dan is mijn argument zelfs sterker, want śraddhā kan niet ontstaan zonder de sat-karma en de svadharma van varṇāśrama uit te voeren. Moslims voeren geen sat-karma uit, dus hoe kunnen zij ooit geschikt zijn voor bhakti?

Vaiṣṇava dāsa: Het is een feit, dat śraddhā voortkomt uit sukṛti, vrome daden. Er staat in de Bṛhan-Nāradīya-Purāṇa (4.33):

bhaktis tu bhagavad-bhakta-saṅgena parijāyate
sat-saṅgaḥ prāpyate puṁbhiḥ sukṛtaiḥ pūrva-sacitaiḥ

De aandrang tot bhakti wordt gewekt door de associatie van Bhagavāns bhakta's. De jīva krijgt de associatie van śuddha-bhakta's door het verzamelde effect van vrome, spirituele activiteiten verricht over vele levens.

Er zijn twee soorten sukṛti: nitya en naimittika. De sukṛti, waarvoor men sādhu-saṅga en bhakti krijgt, is nitya-sukṛti. De sukṛti, waarmee men materieel plezier en onpersoonlijke bevrijding bereikt, is naimittika-sukṛti. Sukṛti, die eeuwigdurend vruchten draagt, is nitya-sukṛti. Sukṛti, die tijdelijke resultaten boekt, welke van een oorzaak afhankelijk zijn, is naimittika of anitya-sukṛti.

Alle soorten materieel plezier zijn niet-eeuwig, omdat ze duidelijk wijzen op een oorzaak. Er zijn heel veel mensen, die denken, dat mukti eeuwig is, maar dit is alleen, omdat ze niet weten, wat de werkelijke aard van mukti is. De individuele ātmā (ziel) is śuddhā (zuiver), nitya (eeuwig) en sanātana (ongerept). De oorzaak (nimitta) van de gebondenheid van de jīvātmā is de associatie met māyā en mukti is de totale opheffing van deze gebondendheid. De daad van bevrijding, of het loslaten van gebondenheid, wordt bewerkstelligd in een enkel ogenblik, dus de daad van bevrijding is in zichzelf geen eeuwige activiteit. Alle overwegingen van mukti zijn beindigd, zodra emancipatie is bereikt; mukti is dus niets meer dan de vernietiging van een materile oorzaak. Omdat mukti slechts de ontkenning is van een tijdelijke, materile oorzaak, is mukti ook naimittika, oorzakelijk en tijdelijk.

Rati, of gehechtheid voor de voeten van Śrī Hari daarentegen, houdt nooit op, als het ooit in het hart van de jīva was gevestigd. Daarom is deze rati, of bhakti, nitya-dharma en als we de disciplines (aṅga's) goed bekijken, kan van geen enkele worden gezegd, dat het naimittika is. Het soort bhakti, dat is beindigd op het punt, waar het mukti schenkt, is slechts een soort naimittika-karma, terwijl bhakti, die vr, tijdens en n mukti aanwezig is, een andere en eeuwige waarheid is, namelik de nitya-dharma van de jīvas. Mukti is slechts een onbelangrijk, secundair, bijverschijnsel van bhakti. In de Muṇḍaka Upaniṣad (1.2.12) wordt gezegd:

parīkṣya lokān karma-citān brāhmaṇo
nirvedam āyān nāsty akṛtaḥ kṛtena
tad-vijānārthaṁ sa gurum evābhigacchet
samit-pāṇiḥ śrotriyaṁ brahma-niṣṭham

Een brāhmaṇa, die de śāstras uitputtelijk heeft bestudeerd, raakt zijn belangstelling in het uitvoeren van karma kwijt door zorgvuldig de tijdelijke, onzuivere en miserabele natuur van Svarga-loka en andere hemelse planeten te onderzoeken, die bereikbaar zijn door vrome daden in het materile veld uit te voeren. Dit is het geval, omdat de nitya-vastu, Bhagavān, niet kan worden bereikt met werelds karma, want Hij bevindt Zich boven het bereik van karma. Om feitelijke kennis en realisatie van die eeuwige, allerhoogste Persoon te verkrijgen, dient men een gekwalificeerde guru te vinden, die de Veda's kent, die stevig is verankerd in de dienst van Bhagavān en die de Absloute Waarheid kent. Die guru dient men te benaderen met hout om een heilige vuur aan te maken en men dient hem nederig en vol vertrouwen lichaam, geest en woorden te offeren.

Karma, yoga en jāna produceren allemaal naimittika-sukṛti. Bhakta-saṅga, de associatie van bhakta's, en bhakti-kriyā-saṅga, contact met toegewijde activiteiten, produceren nitya-sukṛti. Alleen iemand, die gedurende vele levens nitya-sukṛti heeft verzameld, kan śraddhā ontwikkelen. Naimittika-sukṛti produceert vele verschillende resultaten, maar leidt niet tot de ontwikkeling van vertrouwen in onvermengde bhakti.

Cūḍāmaṇi: Wilt u alstublieft uitleggen, wat u bedoelt met bhakta-saṅga en bhakti-kriyā-saṅga (contact met toegewijde activiteiten). Uit welk type sukṛti komen ze voort?

Vaiṣṇava dāsa: Bhakta-saṅga betekent praten met śuddha-bhakta's, hen dienen en naar hun betogen luisteren. Śuddhā-bhakta's voeren de activiteiten van bhakti uit, zoals openbare samenzang van śrī-nāma. Deelname aan deze activiteiten, of ze zelf uitvoeren, wordt bhakti-kriyā-saṅga genoemd, contact met devotionele activiteiten.

In de śāstras worden activiteiten, zoals het schoonmaken van de tempel van Śrī Hari, een lampoffer aan Tulasī brengen en het in acht nemen van Hari-vāsara (Ekādaśī, Janmāṣṭāmī, Rāma-navamī en andere feestdagen) bhakti genoemd. Zelfs al voert men ze per ongeluk uit, of zonder zuivere śraddhā, ze zullen toch bhakti-poṣaka sukṛti produceren, de deugdzaamheid, die devotie voedt.

Hieraan moet worden toegevoegd, dat iedere vastu, substantie, een bepaald vermogen heeft, dat vastu-śakti heet, de inherente capaciteit van die substantie. De capaciteit om bhakti te voeden wordt alleen aangetroffen in de activiteiten van bhakti. Deze activiteiten produceren sukṛti, zelfs als ze op onverschillige wijze worden uitgevoerd, om niet te spreken van het uitvoeren in vol vertrouwen. Dit wordt in de Prabhāsa-khaṇḍa geciteerd en in Hari-bhakti-vilāsa (11.451) alsvolgt uitgedrukt:

madhura-madhuram etan maṅgalaṁ maṅgalānāṁ
sakala-nigama-vallī-sat-phalaṁ cit-svarūpaṁ
sakṛd api parigītaṁ śraddhayā helayā vā
bhṛgu-vara nara-mātraṁ tārayet kṛṣṇa-nāma

Śrī-kṛṣṇa nāma is de zoetste van alles wat zoet is en het allerbeste van alles wat goed is. Het is de eeuwige, tot volle rijpheid gekomen, spirituele vrucht van de wensboom van de Veda's. O beste van de Bhṛgu's, als iemand maar n keer zonder overtredingen śrī-kṛṣṇa nāma onverschillig of met vertrouwen chant, bevrijdt śrī-kṛṣṇa nāma die persoon onmiddellijk van de oceaan van het materile bestaan.

Dus alle typen sukṛti, die bhakti voeden, zijn nitya-sukṛti. Als deze sukṛti sterk wordt, ontwikkelt men geleidelijk śraddhā in ananya-bhakti (onvermengde bhakti) en men krijgt sādhu-saṅga. Geboorte in een moslimfamilie is het resultaat van naimittika-duṣkṛti, of tijdelijke goddelozen daden, terwijl vertrouwen in ananya-bhakti het resultaat is van nitya-sukṛti, eeuwige godbewuste daden. Wat is hieraan zo vreemd?

Cūḍāmaṇi: Dit bedoelde ik met mijn vorige vraag. Als er zoiets is als bhakti-poṣaka-sukṛti (de deugd die toewijding voedt), moet het uit een ander soort sukṛti voortkomen. Maar Moslims hebben geen ander soort sukṛti, dus het is voor hen ook niet mogelijk om bhakti-poṣaka-sukṛti te krijgen.

Vaiṣṇava dāsa: Dat is niet waar. Nitya-sukṛti en naimittika-sukṛti worden apart geclassificeerd, ze zijn dus niet van elkaar afhankelijk. Er was eens een zondige jager, die veel kwaad aanrichtte, maar die het geluk had te vasten tijdens Śiva-rātrī en wakker te blijven gedurende die nacht. Vanwege de nitya-sukṛti, die hij hiervan kreeg, ontwikkelde hij een bekwaamheid voor hari-bhakti. In de Śrīmad-Bhāgavatam (12.13.16) staat, vaiṣṇavānāṁ yathā śambhuḥ : "Van alle Vaiṣṇavas is Śivajī de beste." Uit deze uitspraak blijkt, dat Mahādeva de meest gewaardeerde Vaiṣṇava is en men krijgt hari-bhakti door een belofte te doen, die hem plezier doet.

Cūḍāmaṇi: Wilt u zeggen, dat nitya-sukṛti door toeval komt?

Vaiṣṇava dāsa: Alles komt bij goed geluk. Dit is ook het geval op het pad van karma. Onder welke omstandigheden kwam de jīva voor het eerst in de cyclus van karma? Kan het iets anders zijn dan een toevallige gebeurtenis? De mimāṁsa-filosofen hebben karma beschreven als anādi (zijnde zonder begin), maar in werkelijkheid heeft karma een wortel. De toevallige gebeurtenis, die iemands oorspronkelijke karma in gang zet, is onverschilligheid jegens Bhagavān (bhagavad-vimukhatā).

Zo lijkt nitya-sukṛti ook een toevallige gebeurtenis. In de Śvetāśvatara Upaniṣad (4.7) wordt gezegd:

samāne vṛkṣe puruṣo nimagno 'nīśayā śocati muhyamānaḥ
juṣṭaṁ yadā paśyaty anyam īśam asya mahimānam eti vīta-śokaḥ

De jīva en de inwonende Paramātmā zitten beiden in dezelfde boom, namelijk het materile lichaam. De jīva wordt aangetrokken door materile lustbevrediging en is daarom weggezonken in lichaamsbewustzijn. Omdat hij wordt begoocheld door māyā, kan hij geen weg naar bevrijding vinden en klaagt hij. Maar door de invloed van sukṛti verkregen over vele levens kan hij de zegen krijgen van Īśvara of van Zijn śuddha-bhakta's. Op dat moment ziet hij in zijn hart, dat er een tweede individu in de boom van zijn lichaam zit. Dit is Īśvara, die eeuwigdurend wordt gediend door Zijn onvervalste bhakta's. Als de jīva getuige wordt van de ongewone glorie van Śrī Kṛṣṇa, is hij vrij van iedere beklagenswaardigheid.

In Śrīmad-Bhāgavatam (10.51.53) staat:

bhavāpavargo bhramato yadā bhavej
janasya tarhy acyuta sat-samāgamaḥ
sat-saṅgamo yarhi tadaiva sad-gatau
parāvareśe tvayi jāyate ratiḥ

O Śrī Acyuta, U bent eeuwigdurend in Uw oorspronkelijke, spirituele gedaante gesitueerd. De jīva heeft rondgedraaid in de kringloop van geboorte en dood sinds onheuglijke tijden. Wanneer het moment van zijn bevrijding uit deze cyclus nadert, krijgt hij sat-saṅga en hierdoor raakt hij sterk gehecht aan U, die het allerhoogste doel is voor de sādhu's en de bestuurder is van zowel geest als materie.

En (3.25.25):

satāṁ prasaṅgān mama vīrya-samvido
bhavanti hṛt-karṇa-rasāyaṇāḥ kathāḥ
taj-joṣaṇād āśv apavarga-vartmani
śraddhā ratir bhaktir anukramiṣyati

In het gezelschap van śuddhā-bhakta's zijn de recitaties en discussies over Mijn glorieuze activiteiten, spel en vermaak zowel plezierig voor het hart als voor de oren. Door kennis op deze wijze te cultiveren komt men op het pad van bevrijding en krijgt men achtereenvolgens śraddhā, dan bhāva en uiteindelijk prema-bhakti.

Cūḍāmaṇi: In uw opvatting is er dus geen verschil tussen een Āryan en een Yavana?

Vaiṣṇava dāsa: Er zijn twee soorten verschillen: paramārthika, die welke betrekking hebben op de absolute realiteit en vyāvahārika, die welke betrekking hebben op praktische ervaring. Er is geen paramārthika-verschil tussen Āryans en Yavana's, maar er bestaat een vyāvahārika-verschil.

Cūḍāmaṇi: Waarom dringt u herhaaldelijk de show van uw geleerdheid in Vedānta op? Wat bedoelt u met een vyāvahārika-verschil tussen Āryans en Yavana's?

Vaiṣṇava dāsa veronachtzaamde Cūḍāmaṇi's onbeleefdheid en antwoordde, "De term vyāvahārika verwijst naar wereldse gebruiken. In het huiselijke leven worden Yavana's als onaanraakbaar beschouwd, dus hun associatie is ongepast vanuit het gezichtspunt van vyāvahārika, of het praktische oogpunt. Āryans mogen geen water en voedsel aanraken, dat door een Yavana is aangeraakt. Het lichaam van een Yavana heeft geen betekenis en is onaanraakbaar vanwege zijn onfortuinlijke geboorte."

Cūḍāmaṇi: Hoe kan er dan vanuit het absolute gezichtspunt mogelijkerwijs geen verschil zijn tussen Āryans en Yavana's? Legt u dit eens duidelijk uit.

Vaiṣṇava dāsa: De śāstras hebben dit opgehelderd. Bhṛgu-vara-nara-mātraṁ tārayet kṛṣṇa-nāma : "O beste Bhṛgu, śrī-kṛṣṇa-nāma bevrijdt alle mensen." Volgens deze śloka hebben Yavana's en alle andere mensen gelijke kansen om het allerhoogste doel van het leven te bereiken. Degenen, die geen nitya-sukṛti hebben, heten dvi-pada-paśu, tweebenige (bipedale) dieren, want ze hebben geen vertrouwen in kṛṣṇa-nāma. Zulke mensen hebben geen menselijke kwaliteiten, zelfs al hebben ze een menselijke geboorte gekregen. In de Mahābhārata staat:

mahāprasāde govinde nāma-brahmaṇi vaiṣṇave
svalpa-puṇyavatāṁ rājan viśvāso naiva jāyate

O Koning, iemand wiens vrome werken in het verleden erg schamel waren, kan geen vertrouwen opbrengen in mahāprasāda, in Śrī Govinda, in śrī-kṛṣṇa-nāma of in de Vaiṣṇavas.

Nitya-sukṛti is grote sukṛti, die de jīva zuivert. Naimittika-sukṛti heeft geen betekenis, want het heeft niet de kracht om śraddhā voor transcendentale objecten te wekken. Er zijn in deze materile wereld vier transcendentale objecten, die spiritueel bewustzijn oproepen: mahāprasāda, Kṛṣṇa, kṛṣṇa-nāma en Vaiṣṇavas.

Cūḍāmaṇi had een flauwe glimlach op zijn gezicht. Hij zei, "Wat is dit een vreemd idee! Dit is gewoon het fanatisme van de Vaiṣṇavas. Hoe kunnen rijst, dahl en groenten cinmaya, spiritueel, zijn? Er is niets, dat jullie Vaiṣṇavas niet kunnen."

Vaiṣṇava dāsa: Wat u ook doet, bekritiseer niet de Vaiṣṇavas, alstublieft. Dit wil ik u nederig vragen. In een discussie, moet men spreken over de vragen in kwestie. Wat heeft het voor zin om de Vaiṣṇavas te bespotten? In deze materile wereld is mahāprasāda het enige voedsel, dat geschikt is om te accepteren, want het prikkelt het spirituele bewustzijn en lost de materialistische natuur op. Vandaar, dat Śrī Īśopaniṣad (1) zegt:

īśāvāsyam idaṁ saraṁ yat kica jagatyāṁ jagat
tena tyaktena bhujīthā mā gṛdhaḥ kasyasvid dhanam

Alles in het universum, dat beweegt en niet beweegt, bevindt zich in Īśvara en wordt ook door Hem doordrongen. Daarom mag men in een onthechte levenshouding alleen aanvaarden, wat noodzakelijk is voor de instandhouding, waarbij men alle zaken als restanten van Īśvara beschouwt. Niemand mag gehecht raken aan andermans rijkdom en zichzelf als de genieter beschouwen.

Alles wat in het universum bestaat, staat in verband met het vermogen van Bhagavān. Men kan de wereldse mentaliteit van genieten opgeven, indien men alles in relatie tot Bhagavāns cit-śakti, spirituele vermogen, beschouwt. Een naarbinnen gekeerde jīva is niet gevallen, als hij alleen die aardse zaken accepteert, die nodig zijn om zijn lichaam in stand te houden, waarbij hij ze bschouwt als overblijfselen van Bhagavān; in tegendeel, zijn neiging tot spirituele vooruitgang wordt gewekt. De voedselrestanten en andere aan Bhagavān geofferde artikelen heten mahāprasāda. Jullie zijn heel onfortuinlijk door geen vertrouwen te hebben in dergelijke buitengewone objecten.

Cūḍāmaṇi: We laten dit onderwerp even rusten en gaan terug naar het eerste punt van de discussie. Wat is het juiste gedrag tussen de Yavana's en uw mensen?

Vaiṣṇava dāsa: Zolang iemand een Yavana blijft, zijn we onverschillig jegens hem. Maar, als iemand, die vroeger een Yavana was, een Vaiṣṇava wordt onder invloed van nitya-sukṛti, beschouwen we hem niet langer als een Yavana. Dit wordt heel duidelijk in de stelling van de Padma Purāṇa :

śūdraṁ vā bhagavad-bhaktaṁ niṣādaṁ śvapacaṁ tathā
vīkṣate jāti-sāmānyāt sa yāti narakaṁ dhruvam
in: Hari-bhakti-vilāsa (10.119)

Als men een toegewijde van Bhagavān als een lid van de laagste van de vier kasten (śūdra) beschouwt, of als een lid van een inheemse jagersstam (niṣāda), of als een buiten de wet levende hondenvleeseter (śvapaca), louter omdat de toegewijde in zulke families is geboren, is zonder twijfel bestemd voor de hel.

De Ītihāsa-samuccaya zegt eveneens:

na me priyaś catur-vedi mad-bhaktaḥ śvapacaḥ priyaḥ
tasmai deyaṁ tato grāhyaṁ sa ca pūjyo yathā hy aham
in: Hari-bhakti-vilāsa (10.127)

Een brāhmaṇa, die de vier Veda's heeft bestudeerd, maar geen bhakti heeft, is Mij niet geliefd, terwijl Mijn bhakta Mij erg dierbaar is, zelfs al komt hij uit een familie van hondenvleeseters. Zo een bhakta verdient het om liefdadigheid te ontvangen en al datgene, wat hij aanbiedt, dient te worden geaccepteerd. Zowaar, hij verdient evenveel eer als Ik.

Cūḍāmaṇi: Ik begrijp het. Kan een gṛhastha-vaiṣṇava een huwlijkse relatie aangaan met een yavana-familie?

Vaiṣṇava dāsa: In het algemeen blijft een Yavana in de ogen van het publiek een Yavana tot hij zijn lichaam verlaat. Maar in absoluut opzicht wordt hij, als hij eenmaal bhakti heeft bereikt, niet langer als een Yavana gezien. Het huwelijk is n van de tien sociale gebruiken (smārta-karma). Als een gṛhastha-vaiṣṇava een Āryan is, met andere woorden, als hij binnen de vier varṇa's opereert, dient hij alleen binnen zijn eigen varṇa te trouwen.

Zelfs al zijn de religieuze plichten, die zijn gerelateerd aan de vier kasten, naimittika van aard, ze worden voor de instandhouding van het huiselijke leven toch aangeraden. Niemand wordt een Vaiṣṇava door eenvoudig de sociale gebruiken van de vier varṇa's op te geven. Vaiṣṇavas moeten dat doen, wat gunstig is voor bhakti en iemand kan de plichten van de varṇa's alleen opgeven, als hij door ware onthechting is gekwalificeerd. Dan kan men de plichten van de vier varṇa's en alles, wat ermee samenhangt, opgeven.

Varṇa-dharma kan gemakkelijk worden opgegeven, als het ongunstig wordt voor bhajana. Zo heeft ook een Yavana, die vertrouwen in bhakti heeft opgevat, het recht om de associatie met de yavana-gemeenschap op te geven, als deze ongunstig wordt voor bhajana. Stel, dat n Vaiṣṇava Āryan is en gekwalificeerd om de vier varṇa's op te geven en een andere Vaiṣṇava is Yavana, die ook is gekwalificeerd om zijn gemeenschap op te geven. Wat is dan het verschil tussen hen? Beiden hebben vyāvahāra opgegeven, datgene wat tot het gewone leven behoort en beiden zijn broeders geworden, wat betreft paramārtha, spirituele realiteit.

Het principe van het opgeven van varṇa-dharma kan niet worden toegepast op gṛhastha-vaiṣṇava's. Een gṛhastha-vaiṣṇava mag zijn huiselijk leven niet opgeven, zelfs als het ongunstig is voor bhajana, tot hij volledig is gekwalificeerd om dat te doen. De wereldse samenleving daarentegen kan hij gemakkelijk opgeven, zodra een sterke aantrekkingskracht en een grote genegenheid in zijn hart ontwaakt voor datgene, wat gunstig is voor bhajana. In Śrīmad-Bhāgavatam (11.11.32) staat:

ājāyaivaṁ guṇān doṣān mayādiṣṭān api svakān
dharmān santyajya yaḥ sarvān māṁ bhajet sa tus sattamaḥ

Śrī Kṛṣṇa zegt, "In de Veda's heb ik de mensen plichten gegeven, die uitleggen welke positieve bijdragen zijn en welke verkeerde zijn. De beste sādhu is degene, die dit allemaal weet en zijn plichten verzaakt om uitsluitend Mij te dienen met de vaste overtuiging, dat alle perfectie wordt bereikt door alleen bhakti."

Dit sluit aan bij de hoogste conclusie van de Bhagavad-Gītā (18.66):

sarva-dharmān pariyajya mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja
ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ

Laat alle variteiten van naimittika-dharma, zoals karma en jāna, achterwege en geef je volledig over aan Mij. Maak je geen zorgen, want Ik bevrijd je van alle reacties, die volgen op het achterwege laten van je voorgeschreven plichten.

Dit wordt verder onderbouwd door Śrīmad-Bhāgavatam (4.29.46):

yadā yasyānugṛhṇāti bhagavān ātma-bhāvitaḥ
sa jahāti matiṁ loke vede ca pariniṣṭhitām

Bhagavān stort Zijn zegen uit over een jīva, in wie Hij genoegen schept vanwege zijn zelfovergave of, die Hem in complete overgave van zijn geestelijke vermogens service verleent. Op dat moment geeft de jīva zijn gehechtheid op aan alle sociale gebruiken en religieuze rituelen, die door de Veda's worden voorgeschreven.

Studamani: Kunt u eten, water drinken en dat soort dingen met een Yavana, die een echte Vaiṣṇava is geworden?

Vaiṣṇava dāsa: Een onthechte Vaiṣṇava, die onverschillig is jegens alle sociale restricties heet nirapekṣa (zonder enige behoefte of benodigdheden) en met zo een Vaiṣṇava kan ik mahāprasāda eren. Een gṛhastha-vaiṣṇava kan in de context van gewone sociale of familieaangelegenheden niet met hem aan n tafel zitten, maar er is geen bezwaar om samen Viṣṇu of vaiṣṇava-prasāda te eren; in feite is dat zijn plicht.

Cūḍāmaṇi: Waarom wordt yavana-vaiṣṇava's dan niet toegestaan om de Godsbeelden in de Vaiṣṇavatempels te vereren en te dienen?

Vaiṣṇava dāsa: Het is een overtreding om aan een Vaiṣṇava als Yavana te refereren, alleen maar omdat hij in zo'n familie is geboren. Alle Vaiṣṇavas hebben het recht om Kṛṣṇa te dienen. Als een gṛhastha-vaiṣṇava het Godsbeeld dient op een manier, die de regels breekt van varṇāśrama, wordt het vanuit het wereldse gezichtspunt als een fout beschouwd. Nirapekṣa-vaiṣṇava's zijn niet verplicht om het Godsbeeld te vereren, want dat zou hun vrijheid van externe verplichtingen en afhankelijkheden (nirapekṣatā) verhinderen. Ze blijven zich bezighouden met het dienen van Śrī Rādhā-Vallabha met service, die wordt uitgevoerd door hun spirituele vorm, die innerlijk wordt waargenomen (mānasi-sevā).

Cūḍāmaṇi: Ik begrijp het. Vertelt u me nu eens, wat u vindt van de brāhmaṇas.

Vaiṣṇava dāsa: Er zijn twee typen brāhmaṇas: brāhmaṇas van nature (svabhāva-siddha) en brāhmaṇas van geboorte (jāti-siddha). Degenen, die brāhmaṇa van nature zijn, dienen te worden gerespecteerd door de aanhangers van alle filosofische systemen, want ze zijn in praktisch opzicht Vaiṣṇavas. Degenen, die alleen brāhmaṇas van geboorte zijn, worden traditioneel door iedereen respect verleend en dat wordt ook door Vaiṣṇavas goedgekeurd. De conclusie van dit onderwerp van śāstra wordt in Śrīmad-Bhāgavatam (7.9.10) alsvolgt uitgedrukt:

viprād dvi-ṣaḍ-guṇa-yutād aravinda-nābha-
pādāravinda-vikukhāt śvapacaṁ variṣṭham
manye tad-arpita-mano-vacanehitārtha-
prāṇaṁ punāti sa kulaṁ na tu bhūrimānaḥ

Een bhakta, die is geboren in een familie van hondenvleeseters, maar die zijn geest, woorden, activiteiten en rijkdom aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa wijdt, is superieur aan een brāhmaṇa, die over alle twaalf brahmaanse kwaliteiten beschikt, maar die zich afkeert van de lotusvoeten van Bhagavān, wiens navel de vorm heeft van een lotus. Die bhakta kan zichzelf en zijn hele familie zuiveren, terwijl de brāhmaṇa, die met valse trots is opgeblazen, niet eens zichzelf kan zuiveren. Dat is mijn opvatting.

Cūḍāmaṇi: Śūdra's zijn niet geschikt om de Veda's te bestuderen, maar hoe kan een śūdra dan de Veda's bestuderen, als hij een Vaiṣṇava wil worden?

Vaiṣṇava dāsa: Vanuit het absolute gezichtspunt krijgt iemand automatisch de status van brāhmaṇa, wanneer hij ongeacht de kaste, waartoe hij behoort, een zuivere Vaiṣṇava wordt. De Veda's zijn in twee secties verdeeld: instructies met betrekking tot karma, het uitvoeren van voorgeschreven plichten, en instructies met betrekking tot tattva, de Absolute Waarheid. Degenen, die in wereldse zin als brāhmaṇas zijn gekwalificeerd, zijn bekwaam om de Veda's te bestuderen, die karma voorschrijven, en degenen, die brāhmaṇas zijn door spirituele kwalificatie, zijn bekwaam om de Veda's te bestuderen, die tattva promoten. Zuivere Vaiṣṇavas mogen studeren en de Veda's onderwijzen, die spirituele kennis promoten, ongeacht in welke kaste ze zijn geboren en we maken in de praktijd mee, dat ze dat ook doen. In de Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (4.4.21) wordt gezegd:

tam eva dhīro vijāya prajāṁ kurvīta brāhmaṇaḥ

Een brāhmaṇa is een nuchter en spiritueel verlicht persoon, die precies weet wie para-brahma is en Hem dient door middel van prema-bhakti, die een manifestatie is van de hoogste kennis.

Ook staat in de Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (3.8.10):

yo vā etad akṣaraṁ gārgy aviditvāsmāl lokāt praiti sa kṛpanaḥ
atha ya etad akṣaraṁ gārgi viditvāsmāl lokāt praiti sa brāhmaṇaḥ

O Gārgi, degene, die deze wereld verlaat zonder te weten wie het allerhoogste onvergankelijke wezen, Śrī Viṣṇu, is, is een zielige gierigaard, terwijl degene, die deze wereld uitgaat in de wetenschap van het allerhoogste wezen, wordt erkend als een brāhmaṇa.

Manu heeft het volgende gezegd met betrekking tot diegenen, die brāhmaṇas door vyāvahārika, of sociale overwegingen, zijn.

yo 'nadhītya dvijo vedam anyatra kurute śramam
sa jīvann eva śūdratvam āṣu gacchati sānvayaḥ
Manu-smṛti (2.168)

Een brāhmaṇa, kṣatriya en vaiśya worden tweemaal geboren door initiatie met de heilige draad en dit bereidt hen voor op de studie van de Veda's. Als een dvija er niet in slaagt de Veda's te bestuderen, nadat hij de heilige draad heeft ontvangen en in plaats daarvan andere onderwerpen bestudeert, zoals economie, wetenschap of logica, vervallen zijn familieleden in hetzelfde leven nog tot de status van śūdra's.

Śvetāśvatara Upaniṣad (6.23) legt de bekwaamheid uit om de Veda's, die spirituele kennis bevatten, te bestuderen:

yasya deve parā bhaktir yathā deve tathā gurau
tasyaite kathitā hy arthāḥ prakāśante mahātmanaḥ

Alle vertrouwelijke kennis beschreven in deze Upaniṣad wordt aan die grote ziel onthuld, die dezelfde exclusieve, ononderbroken, transcendentale toewijding (parā-bhakti) voor zijn guru heeft, als hij voor Śrī Bhagavān heeft.

Het woord parā-bhakti in de śloka hierboven betekent śuddhā-bhakti (zuivere bhakti). Ik wil nu niet langer bij dit onderwerp blijven stilstaan. U zult zelf moeten proberen dit te begrijpen. Kortom, degenen, die vertrouwen hebben in ananya-bhakti, zijn geschikt om de Veda's te bestuderen, welke tattva, spirituele kennis, bevatten en degenen, die ananya-bhakti al hebben bereikt, zijn bekwaam om de Veda's te onderwijzen.

Cūḍāmaṇi: Zeggen jullie dan, dat de Veda's, die tattva promoten, alleen vaiṣṇava-dharma leren en geen andere religie?

Vaiṣṇava dāsa: Dharma is n, niet twee, en heet ook nitya-dharma of vaiṣṇava-dharma. Alle andere vormen van naimittika-dharma, die in de Veda's worden geleerd, zijn eenvoudig opstapjes naar die eeuwige religie. Śrī Bhagavān heeft gezegd:

kālena naṣṭā pralaye vāṇīyaṁ veda-samjitā
mayādau brahmaṇe proktā dharmo yasyāṁ mad-ātmakaḥ
Śrīmad-Bhāgavatam (11.14.3)

Śrī Bhagavān zei, "De Veda's bevatten instructies voor bhāgavata-dharma. Ten tijde van de vernietiging was die boodschap onder invloed van de tijd verloren gegaan. Bij het begin van de volgende creatie genaamd Brāhma-kalpa heb Ik dezelfde Vedische boodschap wederom aan Brahmājī verteld."

De Kaṭha Upaniṣad (1.3.9) stelt:

sarve vedā yat padam āmananti
tat te padaṁ saṅgraheṇa bravīmi
tad viṣṇoḥ paramaṁ padaṁ sadā

Ik zal je nu in het kort die ultieme waarheid beschrijven, die alle Veda's herhaaldelijk hebben beschreven als het allerhoogst bereikbare object. De verblijfplaats van Viṣṇu (de alomtegenwoordige Paramātmā, Vāsudeva) is de enige, allerhoogste bestemming.

Op dit punt van de discussie zagen de gezichten van Devī Vidyāratna en zijn gezelschap bleek en verwelkt en het enthousiasme van de leraren was in stukken gevallen. Het was bijna vijf uur in de namiddag, dus iedereen was het ermee eens de discussie van de dag te schorsen en de bijeenkomst te beindigen.

De brāhmaṇa-paṇḍita's vertrokken onder enthousiaste lofprijzingen van Vaiṣṇava dāsa en de Vaiṣṇavas liepen naar hun respectievelijke verblijfplaatsen en zongen luid de namen van Hari.

 

 

Aldus eindigt het Zesde Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Nitya-dharma, ras en klasse"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________



Vorige: Hoofdstuk 5 "Vaidhi-bhakti is nitya, niet naimittika-dharma"

Volgende: Hoofdstuk 7 "Nitya-dharma en het materile bestaan"

Inhoud: Inhoud



Top

2017 Jayaradhe.nl