Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 5

Vaidhi-bhakti is nitya, niet naimittika-dharma

Lāhirī Mahāśaya had een huis in Śāntipura. Zijn twee zonen waren alletwee hoog opgeleid. Zijn oudste zoon, Candranātha, was vijfendertig, zamindar (grootgrondbezitter) en regelde alle zaken binnen zijn huishouden. Hij was medicus. Candranātha onderging nooit ontberingen omwille van geestelijke vooruitgang, maar dwong de brahmaanse gemeenschap enorm veel respect af. Hij had dienaren, kamermeisjes, deurwachters en andere werklieden in dienst. Kortom, hij had zijn huishouden comfortabel en presticieus ingericht.


Zijn jongste zoon, Devīdāsa, had vanaf zijn kindertijd de śāstra’s over logica (nyāya-śāstra) bestudeerd, die de codes van het religieuze ritueel (smṛti-śāstra) vertegenwoordigen. In dezelfde straat tegenover zijn ouderlijk huis had hij een pāṭha-śālā geopend, een school gewijd aan de studie van de vier Veda’s en vier vakken: Sanskriete grammatica, redenaarskunst, logica en filosofie. Daar onderwees hij een groepje van tien tot vijftien studenten en had de titel Vidyāratna (juwelen studiehoofd).

Op zekere dag deed in Śāntipura een gerucht de ronde, dat Kālīdāsa Lāhirī Mahāśaya het kleed van de asceet had aangetrokken en een Vaiṣṇava was geworden. Het nieuws deed overal de ronde – bij de ghāṭa’s (badplaatsen), op de markt en op straat.

De één zei, “Die oude man is dement geworden. Hij was altijd een man van goud, maar nu is hij gek geworden.”

De ander zei, “Wat is dat voor een ziekte? Hij heeft in zijn huis al het geluk van de wereld; hij is brāhmaṇa van geboorte en zijn zonen en gezinsleden zijn hem gehoorzaam. Welk lijden kan zo iemand ertoe drijven het leven van een bedelaar op zich te nemen?”

Weer iemand anders zei, “Dit is het kwade noodlot van degenen, die overal rondzwerven en roepen, ‘Dit is dharma ! Dit is dharma !’”

Een deugdzaam persoon zei, “Kālīdāsa Lāhirī Mahāśaya is een hele vrome ziel. Hij is materieel welvarend en op zijn hoogtepunt heeft hij de liefde voor hari-nāma opgevat.”

Terwijl al die mensen roddelden en uiteenlopende geruchten verspreidden, ging iemand naar Devīdāsa Vidyāratna om te vertellen, wat hij allemaal had gehoord.

Vidyāratna maakt zich ernstig zorgen en ging bij zijn oudere broer te rade. “Broer,” zei hij, “het ziet ernaar uit, dat we grote moeilijkheden met Vader hebben. Hij zit in Godruma in Nadiyā onder het voorwendsel van een medisch advies, maar hij is daar in slecht gezelschap gevallen. Het is niet langer mogelijk om de geruchten in het dorp over het hoofd te zien.”

Candranātha zei, “Broertje, ik heb die geruchten ook gehoord. Onze familie staat in hoog aanzien, maar nu kunnen we ons gezicht niet meer laten zien vanwege de activiteiten van onze vader. We hebben de nakomelingen van Advaita Prabhu altijd gekleineerd, maar wat is nu van ons eigen huis geworden? Kom, we gaan naar binnen. We zullen deze zaak met Moeder bespreken en dan beslissen we, wat we moeten doen.”

Even daarna zaten Candranātha en Devīdāsa op de veranda van de tweede verdieping aan hun maaltijd, die door een brāhmaṇīweduwe werd geserveerd. Hun moeder zat bij hen. Candranātha zei, “Moeder, hebt u iets van Vader gehoord?”

Moeder zei, “Hoezo? Het gaat toch goed met hem, of niet? Hij zit in Śrī Navadvīpa en is helemaal gek geworden van hari-nāma. Waarom halen jullie hem niet op?”

Devīdāsa zei, “Moeder, met Vader gaat het goed, maar volgens de berichten, die wij horen, kunnen we niet langer op hem vertrouwen. In tegendeel, als we hem hier naartoe halen, zouden wij ook uit de gratie vallen.”

Moeder raakte enigszins in de war en vroeg, “Wat is er met hem gebeurd? Ik ging laatst naar de oever van de Gaṅgā en had een lang gesprek met de vrouw van één van de leidende Gosvāmī’s. Ze vertelde, ‘Je man heeft het grootste geluk gevonden. Hij heeft een enorm respect onder de Vaiṣṇava’s verdiend.’

Devīdāsa verhief zijn stem een beetje en zei, “Hij heeft zeker respect verdiend, maar ten koste van ons! Dacht je, dat hij op zijn oude dag was thuis gebleven en onze service had geaccepteerd? Nee. Kijk nu eens! Hij is bezig om onze presticieuze familie te schaden door te leven van de restanten van bedelaars in lompen uit verschillende kasten. O wee! Dit is het tragische gevolg van het tijdperk van Kali. Hij was een ervaren man, maar wat is er met zijn intelligentie gebeurd?”

Moeder zei, “Breng hem nu hier naartoe en houd hem schuil, tot je hem ervan hebt overtuigd zijn gedachten te veranderen.”

Candranātha zei, “Wat kunnen we anders doen? Devī, ga met twee of drie anderen stiekem naar Godruma en breng Vader hier naartoe.”

Devīdāsa zei, “Jullie beiden weten heel goed, dat Vader voor mij geen enkel respect heeft, omdat hij me als een atheïst beschouwt. Ik ben bang, dat hij niet eens tegen me zal spreken, als ik naar hem toe ga.”

Devīdāsa had een neef van moeders zijde, Śambhunātha, die bij Lāhirī Mahāśaya heel geliefd was. Hij had lange tijd met hem samengewoond en had veel voor hem gedaan. Er werd besloten, dat Devīdāsa en Śambhunātha samen naar Godruma gingen. Dezelfde dag nog werd een dienaar naar het huis van een brāhmaṇa in Godruma vooruit gestuurd om hun verblijf daar te regelen.

Toen Devīdāsa en Śambhunātha de volgende dag hun lunch hadden gebruikt, vertrokken ze naar Godruma. Toen ze hun logeerplaats hadden bereikt, stapten ze uit hun draagstoel en gaven de dragers toestemming om te gaan. Een brahmaanse kok en twee dienaren waren al wat eerder aangekomen.

Tegen het vallen van de avond gingen Devīdāsa en Śambhunātha op weg naar Śrī Pradyumna-kuñja. Toen ze arriveerden zagen ze Lāhirī Mahāśaya met zijn ogen dicht op een bladeren mat op Surabhiterras zitten. Hij chantte hari-nāma op zijn tulasī-mālā en zijn lichaam was op twaalf plaatsen met tilaka versierd. Devīdāsa en Śambhunātha klommen langzaam het terras op en gaven hun praṇāma aan zijn voeten.

Door de voetstappen, die hij hoorde, opende Lāhirī Mahāśaya zijn ogen en was verbaasd de twee mannen te zien. “Śambhu!” riep hij uit, “wat brengt je hier naartoe? Hoe gaat het met je?”

“Met uw zegen gaat het ons goed,” antwoordden ze beleefd.

“Blijven jullie vanavond eten?” vroeg Lāhirī Mahāśaya.

“We hebben al iets geregeld voor vandaag,” antwoordden ze. “U hoeft zich om ons geen zorgen te maken.”

Op dat moment, was er uit de mādhavī-mālatī-hut van Śrī Premadasa Bābājī een luid chanten van Śrī Hari’s naam te horen. Vaiṣṇava dāsa Bābājī kwam uit zijn kuṭīra en en vroeg aan Lāhirī Mahāśaya, “Waarom kwam er zo een hard geluid van hari-nāma uit Paramahaṁsa Bābājī’s bladerenhut?”

Lāhirī Mahāśaya en Vaiṣṇava dāsa Bābājī gingen kijken en troffen een grote groep Vaiṣṇava’s aan, die om Bābājī Mahāśaya heen liepen en de naam van Śrī Hari zongen. Beiden gingen deelnemen aan het gezelschap. Iedereen bood zijn daṇḍavat-praṇāma aan Paramahaṁsa Bābājī Mahārāja aan en ging op het terras om hem heen zitten. Devīdāsa en Śambhunātha zaten er ook aan één zijde van het terras als kraaien bij een groep zwanen.

Eén van de Vaiṣṇava’s zei, “We zijn uit Kaṇṭaka-nagara (Kattwa) gekomen. Ons enige doel is darśana van Śrī Navadvīpa-Māyāpura te nemen en het stof van de lotusvoeten van Paramahaṁsa Bābājī Mahārāja te krijgen.”

Paramahaṁsa Bābājī Mahārāja voelde zich verlegen worden en zei, “Ik ben een groot zondaar. Jullie zijn gekomen om juist mij te zuiveren.”

Enige tijd later bleek, dat deze Vaiṣṇava’s allemaal heel goed bhajana’s (devotionele liederen) konden zingen om Śrī Hari te eren. Er werden meteen mṛdaṅga (drum) en karatāla’s (handcimbalen) gebracht en een ouder lid van het gezelschap begon een bhajana uit Prārthanā te zingen.

“śrī kṛṣṇa caitanya prabhu nityānanda
godāī advaita-candra gaura-bhakta-vṛnda

O Śrī Kṛṣṇa Caitanyacandra! O Prabhu Nityānanda! O Gadādhara! O Advaitacandra! O Gaura’s bhakta’s.

apāra karuṇa-sindhu vaiṣṇava ṭhākura
mo hena pāmara dayā karaha pracura

O Vaiṣṇava Ṭhākura, u bent een oneindige oceaan van genade. Geeft u alstublieft uw overvloedige genade aan een zondig schepsel zoals ik.

jāti-vidyā-dhana-jana-made matta jane
uddhāra kara he nātha, kṛpā-vitaraṇe

O meester, weest u alstublieft genadig en bevrijdt u deze persoon, die is vergiftigd met de trots van een hoge geboorte, opvoeding, rijkdom en gehechtheid aan vrouw, kinderen en familieleden.

kanaka-kāminī-lobha, pratiṣṭhā-vāsanā
chāḍāiyā śodha more, e mora prārthanā

Reinigt u me alstublieft van de lust voor vrouwen, rijkdom en het verlangen naar prestige. Dit is mijn gebed.

nāme ruci, jīve dayā, vaiṣṇave ullāsa
dayā kari’ deha more, ohe kṛṣṇa-dāsa

O dienaar van Śrī Kṛṣṇa, weest u genadig en geeft u me een smaak voor śrī-nāma en mededogen voor alle jīva’s – en laat u me genoegen scheppen in het gezelschap van de Vaiṣṇava’s.

tomāra caraṇa-chāyā eka-mātra āśā
jivane maraṇe mātra āmāra bharasā

De schaduw van uw lotusvoeten is mijn enige hoop, mijn enige toevlucht in het leven en in de dood.”

Toen deze bhajana was beëindigd, zongen de Vaiṣṇava’s een gebed gecomponeerd door Kālīdāsa Lāhirī Mahāśaya, dat betoverend was en vol poëtische emotie.

“miche māyā-vaśe, saṁsāra-sāgare, paḍiyā chilāma āmi
karuṇa kariyā, diyā pada-chāyā, āmāre tārila tumi

Ik viel in de oceaan van saṁsāra en raakte verslaafd aan onbenullige bezigheden onder invloed van māyā. U was genadig en bevrijdde me door me de schaduw van uw lotusvoeten te schenken.

śuna śuna vaiṣṇava ṭhākura
tomāra caraṇe, sampiyāchi māthā, mora duḥkha kara dūra

O Vaiṣṇava Ṭhākura, hoort u me alstublieft. Ik heb mijn hoofd aan uw voeten gelegd. Neemt u mijn ellende alstublieft weg.

jātira gaurava, kevala raurava, vidyā se avidyā-kalā
śodhiyā āmāya, nitāi-caraṇe, sampahe – jāuka jvāla

Trots zijn op afkomst is een vreselijke hel. Materiële kennis is slechts een aspect van onwetendheid. Zuivert u me alstublieft en leg me aan de voeten van Nitāi. Blust u alstublieft die ondraaglijke pijn.

tomāra kṛpāya, āmāra jihvāya, sphuruka yugala-nāma
kahe kālīdāsa, āmāra hṛdaye, jaguka śrī-rādhā-śyāma

Door uw genade mag de heilige naam van Śrī Yugala op mijn tong en Śrī Rādhā-Śyāma in mijn hart verschijnen. Dit is het gebed van Kālīdāsa.

Terwijl ze deze bhajana samen zongen, werden ze allemaal gek van plezier. Op het eind herhaalden ze de regel, jaguka śrī-rādhā-śyāma. “Mogen Śrī Rādhā-Śyāma in mijn hart verschijnen” zongen ze keer op keer en begonnen uitbundig te dansen. Al dansend vielen een paar bhāvuka Vaiṣṇava’s flauw. Er ontstond een buitengewone atmosfeer en terwijl Devīdāsa dit allemaal observeerde, begon hij te denken, dat zijn vader diep was verzonken in het zoeken naar de spirituele waarheid en dat het heel moeilijk zou zijn om hem mee terug naar huis te nemen.

Toen de bijeenkomst ten einde liep was het rond middernacht. Iedereen wisselde daṇḍavat-praṇāma met elkaar uit en keerde terug naar zijn respectievelijke verblijfplaats. Devīdāsa en Śambhunātha vroegen hun vader toestemming om terug te gaan naar hun logeeradres.

De volgende dag gingen Devī en Śambhu na de lunch naar de kuṭīra van Lāhirī Mahāśaya. Devīdāsa Vidyāratna bood Lāhirī Mahāśaya praṇāma aan en zei, “Beste Vader, ik wil u een verzoek doen. Komt u alstublieft met ons mee om in Śāntipura te wonen. Ieder van ons zal heel gelukkig zijn om u thuis te verzorgen. We kunnen ook zorgen voor een vrijstaande kuṭīra voor u, als u ons dat toestaat.”

Lāhirī Mahāśaya antwoordde, “Dat is een goed idee, maar in Śāntipura kan ik niet het soort sādhu-saṅga krijgen, die ik hier heb. Devī, je kent de mensen in Śāntipura; ze zijn zo goddeloos en zo dol op kwaadspreken over anderen, dat een fatsoenlijk mens daar amper kan leven. Ik geef toe, dat er veel brāhmaṇa’s wonen, maar hun intelligentie is verkromd door hun associatie met oppervlakkig denkende materialisten, zoals de wevers. Luxe kleding, prachtige woorden en heiligschennis van Vaiṣṇava’s zijn de drie eigenschappen van de mensen in Śāntipura. De leerlingen van Advaita Prabhu hebben daar zoveel problemen gehad, dat ze door zulke negatieve associatie bijna vijandig gezind zijn geworden jegens Mahāprabhu. Daarom moet je me toestaan, dat ik hier in Godruma kan blijven. Dat is mijn vriendelijke verzoek.”

Devīdāsa zei, “Beste Vader, het is allemaal waar, wat u zegt. Maar wat hebt u met de mensen van Śāntipura te maken? U blijft solitair in een kluis en kunt al uw dagen besteden aan het cultiveren van uw religieuze discipline, zoals sandhyā-vandanā. Het dagelijks leven van de brāhmaṇa is ook zijn nitya-dharma en het is de plicht van een grote ziel als u om zich op die manier te verdiepen.”

Lāhirī Mahāśaya werd wat ernstiger en zei, “Mijn beste zoon, die dagen zijn voorbij. Nu ik een paar maanden in het gezelschap van sādhu’s heb geleefd en de instructies van Śrī Gurudeva heb gehoord, heeft mijn verstand zich dramatisch gewijzigd. Ik begrijp nu, dat datgene, waaraan jij refereert als nitya-dharma, in werkelijkheid naimittika-dharma is. De enige nitya-dharma is hari-bhakti. Sandhyā-vandanā en andere gebruiken zijn in feite naimittika-dharma.”

Devīdāsa zei, “Vader, ik heb die uitleg nog nooit in een śāstra zien staan. Is sandhyā-vandanā geen hari-bhajana? Als het hari-bhajana is, dan is het ook nitya-dharma. Is er een verschil tussen sandhyā-vandanā en de discipline van vaidhī-bhakti, zoals śravaṇa (horen) en kīrtana (chanten)?”

Lāhirī Mahāśaya zei, “De sandhyā-vandanā van karma-kāṇḍa is aanzienlijk verschillend van vaidhī-bhakti. Sandhyā-vandanā en dergelijke activiteiten worden in karma-kāṇḍa uitgevoerd om bevrijding te bereiken. Maar de activiteiten van hari-bhajana, zoals śravaṇa en kīrtana, hebben geen bijbedoelingen. De śāstra’s beschrijven weliswaar de resultaten van luisteren, chanten en de andere takken van vaidhī-bhakti, maar dat is om mensen te interesseren, die anders niet met deze bezigheden in aanraking waren gekomen. De verering van Śrī Hari levert geen andere vruchten op, dan de liefdedienst aan Śrī Hari. De belangrijkste vrucht van de beoefening van vaidhī-bhakti is het opwekken van prema in hari-bhajana.”

Devīdāsa: Dan geeft u toe, dat de verdeling in aṅga’s van hari-bhajana secundaire resultaten levert.

Lāhirī: Ja, maar de resultaten zijn afhankelijk van de verschillende typen beoefenaars (sādhaka’s). De Vaiṣṇava’s voeren sādhana-bhakti alleen uit om tot de geperfectioneerde fase van toewijding te komen, siddha-bhakti. Als niet-Vaiṣṇava’s precies dezelfde onderdelen of aṅga’s van bhakti uitvoeren, hebben ze twee belangrijke motieven: het verlangen naar materieel plezier (bhoga) en het verlangen naar bevrijding (mokṣa). Uiterlijk ziet men geen verschil tussen de sādhana van de Vaiṣṇava’s en van niet-Vaiṣṇava’s, maar er is een fundamenteel verschil in niṣṭha (gehechtheid).

Als men Kṛṣṇa vereert met het pad van karma, wordt de geest gezuiverd en kan men materieel gewin boeken, vrijheid van ongemak, of bevrijding verkrijgen. Maar dezelfde verering van Kṛṣṇa via het pad van bhakti vormt alleen prema voor kṛṣṇa-nāma. Als karmī’s, degenen die het pad van karma volgen, gaan vasten voor Ekādaśī, neemt dat hun zonden weg; maar als bhakta’s vasten voor Ekādaśī, versterkt het hun hari-bhakti. Kijk eens, wat een wereld van verschil dat is!

Het subtiele verschil tussen sādhana uitgevoerd als een aspect van karma en sādhana uitgevoerd als een aspect van bhakti kan alleen met de genade van Bhagavān worden gekend. De bhakta’s krijgen het primaire resultaat, terwijl de karmī’s verwikkeld raken in de secundaire resultaten, die grofweg in twee categorieën kunnen worden verdeeld, namelijk bhukti (materiële lustbevrediging) en mukti (bevrijding).

Devīdāsa: Waarom verheerlijken de śāstra’s dan de deugden van de secundaire resultaten?

Lāhirī: Er zijn in deze wereld twee soorten mensen: degenen, die geestelijk zijn ontwaakt en degenen, die geestelijk onbewust zijn. De śāstra’s hebben de secundaire resultaten geprezen voor het welzijn van degenen, die spiritueel onbewust zijn en die geen enkele vrome activiteit uitvoeren, tenzij ze een beloning in het verschiet hebben liggen. De śāstra’s echter hebben niet de intentie om zulke mensen tevreden te laten zijn met secundaire resultaten; hun begerigheid naar secundaire resultaten zou hen eerder moeten uitnodigen om grote daden te verrichten, hetgeen het contact met sādhu’s versnelt. En door de genade van de sādhu’s komen ze de primaire resultaten van hari-bhajana tegen en zal hun smaak voor die resultaten in hen ontwaken.

Devīdāsa: Moeten we daaruit opmaken, dat Raghunandana en de andere auteurs van de smṛti-śāstra’s spiritueel onbewust zijn?

Lāhirī: Nee, maar het systeem, dat ze hebben voorgeschreven, is voor de spiritueel onbewusten. Zelf zoeken ze de primaire resultaten.

Devīdāsa: Sommige śāstra’s beschrijven alleen de secundaire resultaten en maken helemaal geen melding van de primaire resultaten. Waarom is dat?

Lāhirī: Er zijn drie typen śāstra, die overeenkomen met de verschillende adhikāra’s (bekwaamheden) van de mensen: sāttvika, de geaardheid goedheid; rājasika, de geaardheid hartstocht; en tāmasika, de geaardheid onwetendheid. De sātvika-śāstra’s zijn bedoeld voor mensen, die worden aangetrokken door de geaardheid goedheid (sattva-guṇa); de rājasika-śāstra’s zijn voor degenen, die worden gebonden door hartstocht (rajo-guṇa); en de tāmasika-śāstra’s zijn voor degenen, die worden overheerst door onwetendheid (tamo-guṇa).

Devīdāsa: Als dat waar is, hoe kun je dan weten in welke aanwijzingen van de śāstra je vertrouwen kunt hebben? En hoe kunnen degenen met een lagere adhikāra een hogere bestemming bereiken?

Lāhirī: Mensen hebben verschillende naturen en hebben vertrouwen volgens hun verschillende niveau’s van adhikāra. Mensen, die voornamelijk worden voortgedreven door de geaardheid onwetendheid hebben een natuurlijk vertrouwen in de tāmasika-śāstra’s. Degenen, die voornamelijk worden aangetrokken door de geaardheid hartstocht hebben een natuurlijk vertrouwen in de rājasika-śāstra’s en degenen in de geaardheid goedheid hebben een natuurlijk vertrouwen in de sāttvika-śāstra’s. Je geloof in een bepaalde conclusie van de śāstra is natuurlijkerwijs in overeenstemming met je vertrouwen.

Naarmate men de plichten, waarvoor men de adhikāra heeft, trouw uitvoert, kan men in contact komen met sādhu’s en door hun associatie een hogere adhikāra ontwikkelen. Zodra een hogere adhikāra is gewekt, wordt de geaardheid van de persoon verheven naar een hoger niveau en zal het vertrouwen in een hoger ontwikkelde śāstra vanzelf volgen. De auteurs van de śāstra’s hadden onfeilbare wijsheid en componeerden de śāstra’s op een dusdanige wijze, dat men geleidelijk een hogere adhikāra ontwikkelt door de plichten uit te voeren, waarvoor men geschikt is en waarin men natuurlijkerwijs vertrouwen heeft. Daarom zijn in verschillende śāstra’s verschillende aanwijzingen gegeven. Vertrouwen in de śāstra is de basis van alle heil.

Śrīmad Bhagavad-Gītā is de mīmāṁsā-śāstra van alle śāstra’s. Deze siddhānta wordt hierin duidelijk uiteengezet.

Devīdāsa: Ik heb sinds mijn jeugd vele śāstra’s bestudeerd, maar vandaag zie ik door uw genade hun betekenis in een heel ander daglicht.

Lāhirī: Er staat in Śrīmad-Bhāgavatam (11.8.10):

aṇubhyaś ca mahadbhyaś ca śāstrebhyaḥ kuśalo naraḥ
sarvataḥ sāram ādadyāt puṣpebhya iva ṣaṭpadaḥ

Een intelligent persoon neemt van alle śāstra’s de essenties in zich op, of ze groot zijn of klein, zoals een hommel honing verzamelt in een bouquet verschillende bloemen.

Mijn beste zoon, ik heb je altijd een atheïst genoemd. Nu bekritiseer ik niemand meer, want vertrouwen hangt samen met adhikāra. Wat dit betreft, heb ik geen kritiek. Iedereen werkt volgens zijn eigen adhikāra en zal, als de tijd rijp is, geleidelijk vooruitgang maken. Jij bent een geleerde van de śāstra’s handelend over logica en baatzuchtig streven en aangezien jouw stellingen in overeenstemming zijn met je adhikāra, zie ik er geen kwaad in.

Devīdāsa: Tot nu toe dacht ik altijd, dat er in de vaiṣṇava-sampradāya geen geleerden waren. Ik dacht, dat de Vaiṣṇava’s louter fanatici waren, die zich alleen met een deel van de śāstra bezighielden, maar wat u vandaag hebt uitgelegd, heeft mijn misverstanden helemaal opgelost. Nu pas heb ik er vertrouwen in, dat er Vaiṣṇava’s zijn, die echt hebben begrepen, wat de essentie van de śāstra is. Bestudeert u de śāstra’s tegenwoordig onder leiding van een grote ziel?

Lāhirī: Mijn zoon, je mag me nu een fanatieke Vaiṣṇava noemen, of wat je ook wilt. Mijn Gurudeva voert bhajana uit in de kuṭīra naast de mijne. Hij heeft me ingelicht over de essentiële conclusies van alle śāstra’s en ik heb jou zojuist hetzelfde verteld. Als je instructies wilt ontvangen aan zijn lotusvoeten, mag je hem dat in een devotionele gemoedsstemming vragen. Kom maar, ik zal je aan hem voorstellen.

Lāhirī Mahāśaya nam Devīdāsa Vidyāratna mee naar de kuṭīra van Śrī Vaiṣṇava dāsa Bābājī Mahārāja en stelde hem voor aan zijn Gurudeva. Daarna liet hij Devīdāsa met Bābājī Mahārāja alleen en ging terug naar zijn kuṭīra om hari-nāma te chanten.

Vaiṣṇava dāsa: Mijn beste zoon, tot hoever reikt je kennis?

Devīdāsa: Ik heb gestudeerd tot muktipāda en siddhānta-kusumāñjali in de nyāya-śāstra en verder alle boeken van de smṛti-śāstra.

Vaiṣṇava dāsa: Dan heb je behoorlijk gewerkt tijdens je studie van de śāstra. Geef me eens een voorbeeld van hetgeen je hebt geleerd.

atyanta-duḥkha-nivṛttir eva muktiḥ

De beëindiging van alle materiële ellende heet mukti.

Men dient altijd te streven naar mukti, dat in deze uitspraak van Sāṅkhya-darśana (1.1, 6.5) wordt gedefinieerd. Ik zoek naar bevrijding door vol vertrouwen vast te houden aan mijn voorgeschreven plichten, sva-dharma.

Vaiṣṇava dāsa: Ja, evenals jijzelf heb ik ook eens aspiraties gehad voor mukti, nadat ik al die boeken had gelezen.

Devīdāsa: Hebt u nu het pad van mukti opgegeven?

Vaiṣṇava dāsa: Mijn lieve jongen, vertel me eens wat de betekenis van mukti is.

Devīdāsa: Volgens de nyāya-śāstra zijn de jīva en brahma eeuwig van elkaar onderscheiden, dus het is vanuit het gezichtspunt van nyāya niet duidelijk, hoe de beëindiging van alle ellende kan plaatsvinden. Volgens de Vedānta echter, verwijst mukti naar het bereiken van ongedifferentieerd brahma, of in andere woorden, de jīva bereikt de staat van eenheid met brahma. Dit is in één opzicht duidelijk.

Vaiṣṇava dāsa: Mijn beste zoon, ik heb vijftien jaar Śaṅkara's vedānta-commentaren bestudeerd en ik bleef ook een aantal jaren sannyāsī. Ik deed verwoede pogingen om mukti te bereiken. Ik besteedde lange tijd aan meditatie op hetgeen Śaṅkara als de vier principiële uitspraken van de śruti (mahā-vākya's) beschouwde. Uiteindelijk begreep ik, dat het religieuze systeem, dat Śaṅkara voorstond, opnieuw vorm was gegeven, dus ik gaf het op.

Devīdāsa: Waarom beschouwt u het een recent en antagonistisch gezichtspunt?

Vaiṣṇava dāsa: Een ervaren mens kan niet gemakkelijk op anderen overbrengen, wat hij door praktisch onderzoek heeft gerealiseerd. Hoe kunnen degenen, die nog niets hebben meegemaakt, er iets van begrijpen?

Devīdāsa kon zien, dat Vaiṣṇava dāsa een goede wetenschapper was, dat hij eerlijk was en diep was gerealiseerd. Devīdāsa had de Vedānta niet bestudeerd en begon te denken, dat hij dat alsnog kon doen, als Vaiṣṇava dāsa hem genadig was, dus hij vroeg, "Ben ik geschikt om de Vedānta te bestuderen?"

Vaiṣṇava dāsa: Met de deskundigheid, die je door het Sanskriet hebt gekregen, kun je de Vedānta gemakkelijk aan, mits je een gekwalificeerde leraar vindt."

Devīdāsa: Als u mij les geeft, studeer ik onder leiding van u.

Vaiṣṇava dāsa: Het is een feit, dat ik een dienaar ben van de Vaiṣṇava’s; hierbuiten is niets anders voor mij. Paramahaṁsa Bābājī Mahārāja heeft me op genadevolle wijze geleerd om voortdurend hari-nāma te chanten en ik doe precies wat hij zegt. Ik heb zo weinig tijd. Afgezien daarvan, jagad-guru Śrī Rūpa Gosvāmī heeft de Vaiṣṇava’s in het bijzonder verboden om Śaṅkara's Śārīraka-bhāṣya-commentaar op de Vedānta te horen of te lezen, dus ik lees het zelf niet meer en ik leer het ook niet meer aan anderen. Echter, Śrī Śacīnandana, de oorspronkelijke leraar van de hele wereld, zette het ware commentaar op Vedānta-sūtra aan Śrī Sarvabhauma uiteen. Veel Vaiṣṇava's hebben nog handgeschreven kopieën van dat commentaar. Als je het wilt bestuderen, kun je een kopie maken en kan ik je helpen het te begrijpen. Je kunt in het huis van Śrīmad Kavi Karṇapūra in het dorp Kāñcana-pallī gaan vragen, of ze een kopie voor je willen maken.

Devīdāsa: Ik zal het proberen. U bent een groot geleerde van Vedānta. Zegt u eens eerlijk, ben ik in staat de ware betekenis van Vedānta te begrijpen door het vaiṣṇava-commentaar te lezen?

Vaiṣṇava dāsa: Ik heb het commentaar van Śaṅkara bestudeerd en onderwezen en ik heb ook Śrī Rāmānuja's Śrī Bhāṣya en andere commentaren bestudeerd. Ik heb echter geen explicatie van de sūtra's gezien, die superieur is aan die van Mahāprabhu. Dit commentaar werd vastgelegd door Gopīnātha Ācārya en is door de Gauḍīya Vaiṣṇava’s bestudeerd. Er kan geen doctrinair dispuut zijn in Bhagavāns eigen uitleg van de sūtra's, want Zijn commentaar vertegenwoordigt op accurate wijze de volledige strekking van de Upaniṣaden. Als je deze explicatie van de sūtra's in de juiste volgorde aanbiedt, zal deze uitleg in ieder gezelschap van geleerden worden gerespecteerd.

Devīdāsa Vidyāratna was heel blij om dit te horen. Hij bood Śrī Vaiṣṇava dāsa Bābājī vol overtuiging zijn daṇḍavat-praṇāma aan en liep terug naar de kuṭīra van zijn vader, waar hij hem vertelde, wat hij had gehoord.

Lāhirī Mahāśaya was opgelucht en antwoordde, "Devī, je hebt een hele berg onderricht ontvangen, maar nu moet je proberen de hoogste bestemming te bereiken, die voor alle levende wezens tot het hoogste goed leidt."

Devīdāsa: Mijn enige bedoeling was eigenlijk om u naar huis terug te brengen. Gaat u alstublieft nog één keer met ons mee naar huis, zodat iedereen gelukkig is. Moeder is degene, die in het bijzonder uitkijkt naar nog een darśana van uw voeten.

Lāhirī: Ik heb mijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Vaiṣṇava's genomen en ik heb beloofd, dat ik geen huis meer binnenga, waar geen bhakti heerst. Eerst moeten jullie Vaiṣṇava’s worden, dan kunnen jullie me meenemen.

Devīdāsa: Vader! Hoe kunt u dat nu zeggen? Iedere dag vereren we thuis de Heer. We misprijzen het chanten van hari-nāma niet en we ontvangen gasten en Vaiṣṇava’s hartelijk. Worden wij niet als Vaiṣṇava’s beschouwd?

Lāhirī: Jullie bezigheden lijken veel op die van Vaiṣṇava’s, maar jullie zijn in feite geen Vaiṣṇava’s.

Devīdāsa: Hoe kun je dan een Vaiṣṇava worden?

Lāhirī: Je kunt een Vaiṣṇava worden door je tijdelijke, naimittika-taken op te geven en je eeuwige, spirituele dharma aan te nemen.

Devīdāsa: Nu heb ik één twijfel en ik wil u dringend vragen die uitputtelijk op te lossen. De bezigheden van de Vaiṣṇava’s bestaan uit śravaṇam, kīrtanam, smaraṇam, pāda-sevanam, arcanam, vandanam, dāsyam, sakhyam en ātma-nivedanam en ze zijn nauw verbonden met materie. Waarom worden ook zij niet incidenteel, naimittika, genoemd? Ik proef hierin iets van partijdigheid. Activiteiten, zoals de altaardienst voor het Godsbeeld, vasten en verering met materiële ingrediënten zijn allemaal verbonden met grove materie; hoe kunnen ze eeuwig zijn?

Lāhirī: Mijn zoon, het heeft bij mij ook lang geduurd, voordat ik dit punt begreep. Probeer het goed te vatten. Er zijn twee soorten mensen: degenen, wier belangstelling is verbonden met deze materiële wereld (aihika); en degenen, die streven naar superieure doelen in de toekomst (paramārthika). Degenen in de eerste categorie streven alleen naar materieel geluk, reputatie en materiële voorspoed. Degenen in de tweede categorie bestaan uit drie typen: degenen, die zijn toegewijd aan Īśvara (īśānugata); degenen, die zijn gefixeerd op het streven naar monistische kennis gericht op bevrijding (jñāna-niṣṭha); en degenen, die mystieke krachten (siddhi-kāmī) begeren.

De siddhi-kāmī's zijn gehecht aan de resultaten van karma-kāṇḍa en ze willen via hun karma bovennatuurlijke krachten bereiken. De methoden, die ze gebruiken om dergelijke onaardse krachten te verkrijgen, zijn yāga (offers), yajña (vuuroffers) en aṣṭāṅga-yoga (het achtvoudige pad van yoga). Ze aanvaarden het bestaan van Īśvara, maar geloven, dat Hij ondergeschikt is aan de wetten van karma. De materialistische (empiristische) wetenschappers behoren ook tot deze categorie.

De jñāna-niṣṭha's trachten hun identiteit met brahma te verlichten door het cultiveren van onpersoonlijke, monistische kennis. Ze weten niet of Īśvara bestaat en het kan hen niet schelen, of Hij bestaat, maar ze fabriceren in ieder geval een denkbeeldige vorm van Īśvara met het doel om sādhana uit te voeren. Het resultaat van monistische kennis is het realiseren van de eigen identiteit als brahma en de monisten trachten dit uiteindelijk te bereiken door zich voortdurend met de onderdelen van bhakti bezig te houden, die hen gericht houden op hun denkbeeldige vorm van Īśvara. Als ze het resultaat van jñāna hebben bereikt, hebben ze de Īśvara, die ze zich hebben voorgesteld om hun doel te bereiken, niet langer meer nodig. Zodra hun bhakti voor Īśvara vrucht draagt, zetten ze deze om in jñāna. Volgens hun doctrine zijn Bhagavān, noch bhakti voor Bhagavān, eeuwig.

De īśānugata's, degenen, die zijn toegewijd aan Īśvara, zijn de derde categorie van degenen, die hogere doelen in de toekomst zoeken (paramārthika's). Ze zijn feitelijk de enigen, die streven naar paramārtha, het hoogste doel van het leven. Naar hun mening bestaat er maar één Īśvara, die zonder begin en eind is en die de jīva’s en de materiële wereld door Zijn eigen vermogens manifesteert. De jīva’s zijn Zijn eeuwige dienaren en blijven dat, zelfs na hun bevrijding. De eeuwige dharma van de jīva is om eeuwig onder leiding van Īśvara te blijven, want de jīva kan niets op eigen kracht. De jīva kan geen eeuwig heil vinden door het uitvoeren van karma; maar als hij zijn toevlucht zoekt bij Śrī Kṛṣṇa, krijgt hij door Zijn genade alle perfectie.

Degenen, die begerig zijn naar mystieke krachten (siddhi-kāmī's) volgen karma-kāṇḍa en degenen, die monistische kennis cultiveren (jñāna-niṣṭha's) volgen jñāna-kāṇḍa. De īśānugata's zijn de enige toegewijden van Īśvara. De jñāna-kāṇḍi's en karma-kāṇḍī's zijn er trots op in een hoger doel (paramārthika) geïnteresseerd te zijn, maar in feite zoeken ze niet het hoogste doel, maar ze zoeken tijdelijk materieel voordeel en alles, wat ze zeggen over dharma, is naimittika.

De huidige vereerders van Śiva, Durgā, Gaṇeśa en Sūrya worden achtereenvolgens Śaiva's, Śākta's, Gāṇapatya's en Saura's genoemd en volgen allemaal jñāna-kāṇḍa. Ze nemen de aṅga's van bhakti over, zoals śravaṇa en kīrtana, alleen om mukti en uiteindelijk het ongedifferentieerd, onpersoonlijk nirviśeṣa-brahma te bereiken. Degenen, die zich bezighouden met śravaṇa en kīrtana zonder verlangen naar bhukti (materieel plezier) of mukti (materiële bevrijding), zijn betrokken bij de dienst van Śrī Viṣṇu. Van deze vijf godheden is de śrī-mūrti van Bhagavān Śrī Viṣṇu eeuwig, transcendentaal en compleet met alle vermogens. Degenen, die Bhagavān niet als object van verering aanvaarden, houden zich louter bezig met vergankelijke objecten.

Mijn zoon, de dienst, die jullie thuis voor het Godsbeeld van Bhagavān uitvoeren, is geen paramārthika, want jullie accepteren de eeuwigheid van Bhagavān's vorm niet. Daarom kunnen jullie niet onder de īśānugata's worden gerekend. Ik hoop, dat je nu het verschil hebt begrepen tussen nitya en naimittika upāsanā (verering).

Devīdāsa: Ja. Als ik de śri-vigraha (Godsbeeld) van Bhagavān vereer, maar ik accepteer niet, dat de vigraha eeuwig is, is het geen verering van een eeuwig object. Maar kan ik geen tijdelijke methode gebruiken om de eeuwige waarheid te bereiken, die uitermate verschillend is van iedere vergankelijke vorm?

Lāhirī: Zelfs al zou dat het geval zijn, kan zulke verering geen eeuwige dharma worden genoemd. De verering van de eeuwige vigraha, zoals die wordt uitgevoerd in vaiṣṇava-dharma, is nitya-dharma.

Devīdāsa: Maar de śrī-vigraha, die wordt vereerd, is gestalte gegeven door een menselijk wezen, hoe kan hij dan eeuwig zijn?

Lāhirī: De vigraha van de Vaiṣṇava’s is anders. Bhagavān is niet vormloos, zoals brahma. In tegendeel, Hij is de almachtige, geconcentreerde belichaming van eeuwigheid, kennis en vreugde. Die sac-cid-ānanda-ghava-vigraha wordt door de Vaiṣṇava’s vereerd. Bhagavāns bovenzinnelijke vorm van eeuwigheid, vreugde en kennis wordt eerst in het zuivere bewustzijn van de jīva geopenbaard en dan pas wordt Hij in de geest weerspiegeld. De uiterlijke verschijning van het Godsbeeld wordt vormgegeven volgens deze bovenzinnelijke gedaante, die in de geest wordt geopenbaard en door de kracht van bhakti-yoga manifesteert de sac-cid-ānanda-vorm van Bhagavān Zich in het Godsbeeld. Als de toegewijde darśana van het Godsbeeld neemt, verenigt dat Godsbeeld Zich met de bovenzinnelijke vorm van Bhagavān, die de toegewijde in zijn hart ziet.

Het Godsbeeld, dat de jñāni's vereren is echter anders. De jñāni’s denken, dat het Godsbeeld een beeld is, dat is gemaakt van materiële elementen, maar dat de staat van brahma erin aanwezig is, terwijl zij hun verering uitvoeren en dat het weer een gewoon materieel object wordt, nadat zij hun verering hebben voltooid. Nu moet je eens letten op het verschil tussen deze twee voorstellingen van het Godsbeeld en hun respectievelijke methoden van verering. Als je met de genade van en ware guru vaiṣṇava-dīkṣā krijgt, ben je in staat om dit verschil scherp te zien door de resultaten van beide te vergelijken.

Devīdāsa: Ja, nu wordt het me duidelijker. Nu zie ik, dat de Vaiṣṇava’s geen fanatici zijn, die door blind geloof worden gedreven; ze hebben daarentegen een subtiel en onderscheidend inzicht. Er is een kardinaal verschil tussen de verering van de śrī-mūrti en de tijdelijke verering van een denkbeeldige vorm van de Heer, die is overgebracht op een materieel object. Er is geen verschil in de externe procedures van verering, maar er bestaat een groot verschil in het geloof van de twee vereerders. Ik zal hierover een paar dagen nadenken. Vader, vandaag is mijn grootste twijfel opgelost. Nu kan ik van harte zeggen, dat de verering van de jñāni’s louter neerkomt op een poging Śrī Bhagavān te bedriegen. Ik zal deze kwestie op een later tijdstip nog eens aan uw voeten voorleggen.

Nadat hij dit had gezegd, vertrokken Devī Vidyāratna en Śambhu naar hun logeeradres. Laat in de namiddag keerden ze terug naar de kuṭīra van Lāhirī Mahāśaya, maar er was geen gelegenheid meer om over deze onderwerpen door te praten, want op dat tijdstip was iedereen verzonken in hari-nāma-saṅkīrtana.

De volgende middag ging iedereen in de hut van Paramahaṁsa Bābājī zitten en Devī Vidyāratna en Śambhu zaten naast Lāhirī Mahāśaya. Precies op dat moment kwam de Kāzī van het dorp Brāhmaṇa-Puṣkariṇī langs. Toen de Vaiṣṇava’s hem zagen, stonden ze op om hem respect te betuigen en de Kāzī groette de Vaiṣṇava’s ook met groot genoegen en ging tussen hen zitten.

Paramahaṁsa Bābājī zei, "U bent gezegend, want u bent een nakomeling van Chānd Kāzī, die een object voor de zegen van Śrī Mahāprabhu was. Verleent u ons alstublieft uw zegen."

De Kāzī zei, "Door de genade van Śrī Mahāprabhu krijgen we de genade van de Vaiṣṇava’s. Gaurāṅga is de Heer van ons leven. We doen niets zonder eerst Hem onze daṇḍavat-praṇāma aan te bieden."

Lāhirī Mahāśaya had de taal Farsi gestudeerd, de dertig sephārā's van de Qur'ān en vele boeken van de Sufi's. Hij vroeg de Kāzī, "Wat wordt volgens uw ideologie bedoeld met mukti ?"

De Kāzī antwoordde, "Wat u verstaat onder jīva, individuele ziel, noemen wij rūh. Deze rūh wordt in twee hoedanigheden aangetroffen: rūh-mujarrad, de bewuste of bevrijde ziel, en rūh-tarkībī, de geconditioneerde ziel. Wat u verstaat onder spirit (cit) noemen wij mujarrad en wat u onder materie (acit) verstaat, noemen wij jism. Mujarrad ligt voorbij de begrenzingen van ruimte en tijd, terwijl jism ondergeschikt is aan ruimte en tijd. De rūh-tarkībī, of baddha-jīva, heeft een materiële geest en is volkomen onwetend (malphuṭ) en vol verlangens.

De rūh-mujarrad is zuiver en verre van al deze besmettingen en leeft in de spirituele plaats genaamd ālam al-maśhāl.

De rūh wordt zuiver door het geleidelijk ontwikkelen van iśhqh of prema. Er is geen invloed van jism of materie in dat veld, waar Khodā (God) de profeet, Paigambar Sāhib, naartoe bracht. Maar zelfs ook daar blijft de rūh dienaar (bandā) en de Heer is meester. Daarom is de relatie tussen de bandā en Khodā eeuwig en mukti is eigenlijk het bereiken van deze relatie in zijn zuiverste vorm. De Qur'ān en de literatuur van de Sufi's leggen deze conclusies uit, maar niet iedereen kan ze begrijpen. Gaurāṅga Mahāprabhu heeft de Chānd Kāzī al deze punten genadevol onderwezen en sinds die tijd zijn wij Zijn onvervalste bhakta's geworden."

Lāhirī: Wat is de eerste les van de Qur'ān?

Kāzī: Volgens de Qur'ān heet de persoonlijke verblijfplaats van de Heer, die het hoogste doel is in de spirituele wereld, behesht. Er is daar weliswaar geen formele verering, maar het leven zelf is verering (ibāda). De bewoners van die plaats zijn verzonken in transcendentale zegen eenvoudig door de Heer te zien. Dit is precies dezelfde informatie, als Śrī Gaurāṅgadeva gaf.

Lāhirī: Aanvaardt de Qur'ān, dat de Heer een transcendentale vorm heeft?

Kāzī: De Qur'ān zegt, dat God geen vorm heeft. Maar Śrī Gaurāṅgadeva vertelde de Chānd Kāzī, dat zijn lering van de Qur'ān betekent, dat God geen materiële vorm kan hebben. Dit sluit het bestaan van Zijn zuiver spirituele vorm niet uit. Paigambar Sāhib zag de goddelijke, liefdevolle vorm van de Heer in overeenstemming met zijn niveau van bekwaamheid. De transcendentale emoties, die kenmerkend zijn voor de andere rasa's, bleven voor hem verscholen.

Lāhirī: Wat zeggen de Sufi's hierover?

Kāzī: Zij houden zich aan de doctrine van anā al-ḥaqq, wat betekent 'Ik ben Khodā'. De sufidoctrine (āswaph) van de Islam is precies hetzelfde, als de advaita-vāda-doctrine.

Lāhirī: Bent u een Sufi?

Kāzī: Nee, we zijn onvermengde toegewijden. Gaurāṅga is ons leven.

De discussie ging nog lange tijd door en uiteindelijk bood de Kāzī Sāhib zijn respect aan de Vaiṣṇava’s aan en vertrok. Hari-nāma-saṅkīrtana volgde, waarna het gezelschap uit elkaar ging.

 

 

Aldus eindigt het vijfde hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
"Vaidhi-bhakti is nitya, niet naimittika dharma"

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________



Vorige: Hoofdstuk 4 – "Vaisnava-dharma is nitya-dharma"

Volgende: Hoofdstuk 6 – "Nitya-dharma, ras en klasse"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2017 Jayaradhe.nl