Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 4

Vaisnava-dharma is nitya-dharma

Lāhirī Mahāśaya’s kuṭīra stond vlak naast die van Vaiṣṇava dāsa. Er stonden ook een paar mango- en jackfruitbomen en het hele terrein was omzoomd met kleine betelnootplantjes. Op de binnenplaats was een groot rond platform, dat er al stond sinds de tijd van Pradyumna Brahmacārī. Sindsdien noemden de Vaiṣṇava’s het ‘t Surabhiterras. Ze liepen er omheen en boden het vol vertrouwen hun daṇḍavat-praṇāma aan.


De schemering was juist in duisternis overgegaan. Śrī Vaiṣṇava dāsa zat in zijn hut op een mat van bladeren en chantte hari-nāma. Er was geen maan te zien en de avond viel in met totale duisternis. Er brandde een lamp in Lāhirī Mahāśaya’s kuṭīra en door het vlakkerende licht zag hij bij de deuropening opeens iets bewegen, dat op een slang leek. Hij zette snel de lamp hoger en pakte een stok om de slang te doden, maar de slang was al verdwenen.

“Pas op!” zei hij tegen Vaiṣṇava dāsa. “Misschien is er juist een slang je kuṭīra ingeslopen.”

“Lāhirī Mahāśaya, waarom wind je je zo op over een slang?” antwoordde Vaiṣṇava dāsa. “Kom in mijn kuṭīra zitten en wees niet bang.”

Lāhirī Mahāśaya kwam de kuṭīra van Vaiṣṇava dāsa binnen en ging op een mat van bladeren zitten, maar hij was nog steeds bezorgd om de slang.

“O grote ziel” zei hij, “ons Śāntipura is wat dat betreft een goede plek, want we hoeven hier niet bang te zijn voor slangen, schorpioenen en dat soort dieren. In Nadiyā loop je altijd het gevaar slangen tegen te komen. Voor een heer van stand is het bijzonder moeilijk om in een bosrijke omgeving als Godruma te wonen.”

Śrī Vaiṣṇava dāsa Bābājī legde uit, “Lāhirī Mahāśaya, het is zinloos om je hoofd met zulke zaken lastig te vallen. Je hebt vast wel gehoord van het verhaal over Mahārāja Parīkṣit in Śrīmad-Bhāgavatam. Hij gaf alle angst voor zijn op handen zijnde dood door een slangebeet op en dronk met een onbevreesd hart de netar van hari-kathā uit Śrī Śukadeva’s mond. Hij onderging de allerhoogste transcendentale zegen. Een slang kan nooit de citta-deha bijten; de enige slang, die het spirituele lichaam kan verwonden, is de slang van afgescheidenheid van de verhalen over Śrī Hari.

“Het materiële lichaam is niet eeuwig en iedereen zal het op zekere dag moeten opgeven. Wat betreft het lichaam, zouden we gewoon het karma moeten uitvoeren, dat noodzakelijk is om het in stand te houden, meer niet. Wanneer het lichaam door de wil van Kṛṣṇa bezwijkt, kan het met geen enkele remedie worden gered. Echter, totdat de aangewezen tijd voor een overlijden daar is, kan ook geen enkele slang de persoon vellen, zelfs al slaapt hij oor aan oor met hem. Daarom mag niemand zich een Vaiṣṇava noemen, die niet zijn angst voor slangen en dergelijke heeft opgegeven. Als je hoofd door zulke vrees opgewonden raakt, hoe kun je het dan gericht houden op de lotusvoeten van Śrī Hari? Dus je moet zeker ophouden bang te zijn voor slangen en ophouden ze uit angst te willen doden.”

Lāhirī Mahāśaya zei met enig vertrouwen, “Als gevolg van je woorden, die een sādhu passen, is mijn hart vrij van alle vormen van angst. Ik heb begrepen, dat je alleen het hoogste goed kunt bereiken, als het hart wordt verheven. Vele grote zielen, die zich bezighouden met de verering van Bhagavān, leven in berggrotten en zijn nooit bang voor het groot wild, dat daar rondloopt. Maar uit angst voor materialistische associatie hebben ze het gezelschap van menselike wezens opgegeven en leven in plaats daarvan liever met de wilde dieren.”

Bābājī Mahāśaya zei, “Als Bhakti-devī, de godin van devotie, in het hart van een persoon verschijnt, wordt dat hart automatisch verheven. Die persoon wordt dierbaar voor alle jīva’s. Iedereen, toegewijden en niet-toegewijden, voelt genegenheid voor de Vaiṣṇava’s en daarom zou ieder mens een Vaiṣṇava moeten worden.”

Zodra Lāhirī Mahāśaya dit hoorde, zei hij, “U hebt mijn vertrouwen in nitya-dharma gewekt. Het schijnt mij toe, dat er een hechte relatie is tussen nitya-dharma en vaiṣṇava-dharma, maar tot nu toe was ik niet in staat om te begrijpen hoe identiek ze zijn.”

Vaiṣṇava dāsa Bābājī antwoordde, “In deze wereld zijn er twee verschillende dharma’s, die vaiṣṇava-dharma heten. De eerste is śuddha (zuiver) vaiṣṇava-dharma; de tweede is viddha (vervuilde) vaiṣṇava-dharma. Hoewel śuddha-vaiṣṇava-dharma in principe één is, heeft het vier takken in overeenstemming met rasa, of de smaak voor de dienst aan Bhagavān in een bepaalde emotie: dāsya (dienstbaarheid), sakhya (vriendschap), vātsalya (ouderlijke en broederlijke liefde), en mādhurya (amoureuze liefde). Eigenlijk is śuddha-vaiṣṇava-dharma één zonder tweede en heet nitya-dharma (eeuwige dharma) of para-dharma (de allerhoogste dharma).

“In de śruti-śāstra, Muṇḍaka Upaniṣad (1.1.3), treffen we de volgende uitspraak aan:

yad vijñāte sarvam idaṁ vijñātaṁ bhavati

Als men die Allerhoogste Waarheid kent, weet men alles.

“Deze uitspraak heeft betrekking op śuddha-vaiṣṇava-dharma. De volledige betekenis hiervan zal je geleidelijk worden uitgelegd.

“Er zijn twee soorten vervuilde vaiṣṇava-dharma: één is vervuild met karma (karma-viddha) en de andere met jñāna (jñāna-viddha). Alle praktijken, die de orthodoxe brāhmaṇa’s (smārta’s) als vaiṣṇava-dharma uitvoeren, zijn eigenlik vaiṣṇava-dharma vervuild met karma. Deze soort vaiṣṇava-dharma vereist initiatie in een Vaiṣṇava mantra, maar Viṣṇu, de alomtegenwoordige Heer van het universum, wordt behandeld als een onderdeel van het proces van karma. Viṣṇu is in feite de bestuurder van alle devatā’s, maar in dit smārta-systeem wordt Hij aangezien als slechts een aspect van karma, dat aan karmische wetten onderhevig is. Met andere woorden, de idee is, dat karma niet ondergeschikt is aan de wil van Viṣṇu, maar dat Viṣṇu ondergeschikt is aan de wil van karma.

“Volgens deze theorie zijn alle vormen van verering en spirituele beoefening, zoals upāsanā, bhajana en sādhana louter onderdelen van karma, want er is geen hogere waarheid dan karma. Deze soort vaiṣṇava-dharma werd beoefend door de antieke mīmāṁsaka-filosofen en is zeer lang in gebruik geweest. Veel mensen, die in India deze doctrine aanhangen, zijn er trots op Vaiṣṇava’s te zijn, maar zijn niet bereid om zuivere Vaiṣṇava’s als Vaiṣṇava’s te erkennen.

Vaiṣṇava-dharma vervuild met jñāna is in India ook wijd verspreid. Volgens deze school van het denken is de allerhoogste waarheid het onbevattelijk, allesdoordringend brahma; en om dit allesdoordringend nirviśeṣa (vormloos, ongedifferentieerd) brahma te bereiken, dient men Sūrya, Gaṇeśa, Śakti, Śiva en Viṣṇu te vereren, die allemaal over vormen beschikken. Als de kennis volwaardig wordt, kan men de verering van vormen opgeven en uiteindelijk de staat van nirviśeṣa-brahma bereiken. Veel mensen aanvaarden deze doctrine en hebben geen respect voor zuivere Vaiṣṇava’s. De volgelingen van dit pañcopāsanā-systeem vereren Viṣṇu, voeren dīkṣā, pūjā en alle andere zaken voor Viṣṇu uit en ze kunnen zelfs Rādhā-Kṛṣṇa vereren. Toch is dit geen śuddha-vaiṣṇava-dharma.

“De śuddha-vaiṣṇava-dharma, die pas komt, nadat je alle vervuilde vormen hebt opgeruimd, is de ware vaiṣṇava-dharma. Onder invloed van het tijdperk van Kali kunnen de meeste mensen niet begrijpen, wat zuivere vaiṣṇava-dharma is en zijn daarom in staat de uiteelopende, vervuilde vormen te aanvaarden als de ware vaiṣṇava-dharma.

“Volgens Śrīmad-Bhāgavatam vertonen mensen met betrekking tot de Absolute Waarheid drie verschillende neigingen: de toegenegenheid tot het alomtegenwoordige brahma (brahma-pravṛtti); de toegenegenheid tot de Allerhoogste ātmā in het hart, Paramātmā, (paramātma-pravṛtti); en de toegenegenheid tot de Allerhoogste Persoon, Bhagavān (bhāgavata-pravṛtti). Door de brahma-pravṛtti krijgen sommige mensen een smaak voor het oneindig, vormloos nirviśeṣa-brahma als het ultieme principe. De methode, die ze gebruiken om deze tussenfase te bereiken heet pañcopāsanā.

“Door de paramātma-pravṛtti krijgen sommige mensen een smaak voor het yoga-principe, dat contact legt met de subtiele vorm van Paramātmā. De methoden, die zij gebruiken om te trachten in trance te raken van Paramātmā (samādhi), heten karma-yoga en aṣṭāṅga-yoga. Deze doctrine vereist, dat karma betekent inwijding in het chanten van viṣṇu-mantra’s, verering van Śrī Viṣṇu, meditatie en andere disciplines. In dit systeem is vaiṣṇava-dharma aanwezig, die is vervuild met karma.

“Door bhāgavata-pravṛtti krijgen fortuinlijke jīva’s een smaak voor het principe van bhakti, dat tracht dienstbaar te zijn aan de zuivere, persoonlijke vorm van Bhagavān, saviśeṣa-bhagavat-svarūpa, die alle kwaliteiten en attributen bezit. Hun bezigheden, zoals de verering van Bhagavān, zijn geen onderdeel van karma of jñāna, maar van śuddha-bhakti (zuivere bhakti). De vaiṣṇava-dharma volgens deze doctrine heet śuddha-vaiṣṇava-dharma. In Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.11) staat:

vadanti tat tattva-vidas tattvaṁ yaj-jñānam advayam
brahmeti paramātmeti bhagavān iti śabdyate

Degenen, die de Absolute Realiteit kennen, beschrijven die ultieme, nondualistische substantie als de Allerhoogste Waarheid. Sommigen kennen dezelfde advaya-jñāna-tattva onder de naam brahma, anderen onder de naam Paramātmā en weer anderen onder de naam Bhagavān.

Bhagavat-tattva is de allerhoogste tattva (waarheid) en is de basis van zowel brahma als Paramātmā. Deze persoonlijke begripsvorming van de waarheid (bhagavat-tattva) is het zuivere begrip van Śrī Viṣṇu. De jīva’s, die dit principe volgen zijn zuivere jīva’s en hun neiging heet bhakti. Toewijding aan Śrī Hari (hari-bhakti) is gevierd onder de namen śuddha-vaiṣṇava-dharma, nitya-dharma, jaiva-dharma (de wezenlijke functie van de jīva’s), bhāgavata-dharma (de religie van verering van de Allerhoogste Persoon), paramārtha-dharma (de religie, die streeft naar het allerhoogste goed) en para-dharma (de allerhoogste functie).

“Alle soorten dharma, die ontstaan uit de toegenegenheid tot brahma en Paramātmā zijn naimittika en niet nitya. De cultivering van nirviśeṣa-brahma (ongedifferentieerd brahma) wordt gemotiveerd door een materiële bedoeling (nimitta) en is daarom naimittika, niet nitya (eeuwig). Zodra een jīva zich zorgen maakt om het bereiken van bevrijding uit zijn gebondenheid aan de materie, wordt zijn gevangenschap de nimitta (oorzaak), die hem ertoe aanzet de naimittika-dharma aan te nemen, welke streeft naar de staat, waarin alle materiële kwaliteiten zijn uitgebannen. Dit streven wordt naimittika (incidenteel) genoemd, omdat het wordt gemotiveerd door een nimitta (materiële oorzaak), namelijk de tijdelijke staat van materiële gebondenheid. Daarom is de dharma van het streven naar brahma niet eeuwig.

“De jīva’s, die de dharma aannemen van het zoeken naar Paramātmā met een verlangen naar het geluk van samādhi, nemen hun toevlucht tot naimittika-dharma, dat wordt gemotiveerd door de impuls naar subitel materieel plezier. Daarom is Paramātmā-dharma ook niet eeuwig. Alleen onvermengde bhāgavata-dharma is eeuwig.”

Toen Lāhirī Mahāśaya dit hoorde, zei hij, “O Mahāśaya, geeft u me alstublieft instructies voor śuddha-vaiṣṇava-dharma. Ik neem op mijn oude dag mijn toevlucht tot uw lotusvoeten. Accepteert u me alstublieft. Ik heb gehoord, dat iemand, die dīkṣā en śikṣā van een ongekwalificeerde guru heeft gekregen, opnieuw moet initiëren, zodra hij een echte guru ontmoet. Ik heb uw zuivere adviezen gedurende een aantal dagen gehoord en mijn vertrouwen in vaiṣṇava-dharma is gewekt. Wilt u me eerst adviseren over vaiṣṇava-dharma en me dan zegenen door initiatie te geven?”

Bābājī Mahāśaya voelde zich licht ongemakkelijk worden en antwoordde, “O Mahāśaya, voor zover ik daartoe in staat ben, wil ik je zeker wel adviseren, maar ik ben niet geschikt als dīkṣā-guru. Niettemin kun je nu je licht opsteken voor śuddha-vaiṣṇava-dharma.

“Śrī Kṛṣṇa Caitanya Mahāprabhu, de oorspronkelijke guru van de totale schepping, heeft uitgelegd, dat er drie fundamentele principes in vaiṣṇava-dharma zijn: sambandha-tattva, kennis over de relatie met Bhagavān; abhidheya-tattva, de methode waarmee het hoogste doel wordt bereikt; en prayojana-tattva, het hoogste doel van kṛṣṇa-prema. Een śuddha-vaisnava of śuddha-bhakta is iemand, die deze drie principes kent en ermee in overeenstemming handelt.

“Het eerste principe, sambandha-tattva, omvat drie aparte segmenten. Het eerste is de materiële wereld (jaḍa-jagat), of de fundamentele waarheid van het vermogen, dat verwarring sticht (māyika-tattva); het tweede is de levende wezens (jīva’s), of de fundamentele waarheid van alle gedomineerde entiteiten (adhīna-tattva); en het derde is Bhagavān, of de fundamentele waarheid over de ene dominante entiteit (prabhu-tattva).

“Bhagavān is één zonder een tweede en beschikt over alle vermogens. Hij is alaantrekkelijk, de meest exclusieve bron van enorme rijkdom en lieftalligheid en is de enige toevlucht voor de jīva’s. En toch is Hij onverschillig en onafhankelijk en existeert in Zijn eigen, meest supreme, onafhankelijke vorm, die oneindig mooi is. De lichtgevende uitstraling van Zijn ledematen strekt zich uit over grote afstand en manifesteert het nirviśeṣa-brahma (ongedifferentieerd brahma). Door middel van Zijn goddelijk vermogen, aiśī-śakti, manifesteert Hij de jīva’s en de materiële universa en gaat die werelden binnen als Paramātmā, Zijn gedeeltelijke expansie. Dit is de fundamentele waarheid omtrent Īśvara, de allerhoogste bestuurder, of Paramātmā, de inwonende Superziel.

“In het gebied van Vaikuṇṭha in de spirituele universa voorbij dit materiële universum manifesteert Hij zich als Nārāyaṇa, Zijn gedaante van majesteit in maximale rijkdom. In Goloka Vṛndāvana, dat voorbij Vaikuṇṭha ligt, manifesteert Hij Zich als Gopījana-vallabha Śrī Kṛṣṇacandra in Zijn verschijning van zoete lieftalligheid. Zijn verscheidene soorten expansies, zoals identieke manifestaties (prakāśa) en spelvormen (vilāsa), zijn eeuwig en onbeperkt. Niets en niemand is aan Hem gelijk, laat staan superieur aan Hem.

“Zijn identieke manifestaties en spelvormen, prakāśa en vilāsa, worden door Zijn superieure vermogen, parā-śakti, gemanifesteerd. Zijn parā-śakti toont Zijn grootheid (vikrama) op velerlei manieren, waarvan alleen drie bekend zijn aan de jīva’s. De eerste is het innerlijke vermogen, cid-vikrama, dat het bovenzinnelijke spel en vermaak van Śrī Hari en alles, wat erop betrekking heeft, uitvoert. Het tweede is het marginale vermogen, jīva- of taṭastha-vikrama, dat ontelbaar veel jīva’s manifesteert en onderhoudt. Het derde is het vermogen, dat verwarring, māyā-vikrama, sticht en dat de materiële tijd, materiële activiteiten en alle niet substantiële objecten van deze wereld creëert.

Sambandha-tattva behelst de relatie van Īśvara met de jīva’s;  de relatie van de jīva’s met de materie en Īśvara; en de relatie van Īśvara en de jīva’s met de materie. Iemand, die deze sambandha-tattva volledig kent, bevindt zich in sambandha-jñāna, en iemand, die niet beschikt over sambandha-jñāna, kan op geen enkele wijze een zuivere Vaiṣṇava worden.”

Lāhirī Mahāśaya zei, “Ik heb van een paar Vaiṣṇava’s gehoord, dat men pas een echte Vaiṣṇava is, als men het pad van toewijding door bhāva (emoties) ervaart; er is dus helemaal geen behoefte aan kennis. Hoeveel waarheid bevat deze uitspraak? Tot nu toe heb ik eenvoudig geen enkele moeite gedaan om sambandha-jñāna te begrijpen.”

Bābājī zei, “Het hoogste resultaat voor de Vaiṣṇava’s is de ontwikkeling van bhāva, de eerste spruit van prema en de de basis voor alle bovenzinnelijke emoties. Die staat van bhāva moet echter zuiver zijn. Degenen, die denken, dat het hoogste doel is hun identiteit te laten samenvallen met het ongedifferentieerd brahma, beoefenen het opwekken van emoties, terwijl ze met een geestelijke discipline bezig zijn om hetzelfde doel te bereiken. Hun emoties en pogingen zijn geen śuddha-bhāva; ze zijn louter imitatie. Zelfs een enkele druppel śuddha-bhāva kan de hoogste aspiratie van de jīva vervullen, maar het vertoon van emoties door diegenen, die zijn vervuild met de jñāna gericht op het bereiken van nirviśeṣa-brahma, betekent een grote calamiteit voor de jīva’s. De devotionele sentimen-ten van mensen, die voelen, dat ze één zijn met brahma, zijn louter bedriegers. Daarom is voor zuivere toegewijden sambandha-jñāna absoluut essentieel.”

Lāhirī Mahāśaya vroeg toen vol vertrouwen, “Is er een waarheid, die hoger is dan brahma? Als Bhagavān de oorsprong is van brahma, waarom geven de jñāni’s hun speurtocht naar brahma dan niet op en waarom gaan ze niet over op de verering van Bhagavān?”

Met een milde glimlach om zijn mond zei Bābājī Mahāśaya, “Brahmā, de vier Kumāra’s, Śuka, Nārada en Mahādeva, de meester van de celestijnen (halfgoden), hebben uiteindelijk allemaal hun toevlucht genomen aan de lotusvoeten van Bhagavān.”

Lāhirī Mahāśaya bracht een twijfel te berde, “Bhagavān heeft een vorm. Aangezien vorm wordt beperkt door ruimtelijke overwegingen, vraag ik me af, hoe Bhagavān de rustplaats kan zijn van het onbeperkt en aldoordringend brahma.”

Bābājī Mahārāja loste zijn twijfel op door te zeggen, “In de materiële wereld is het luchtruim ook onbegrenst; waarom zou brahma belangrijker zijn, louter omdat het onbegrenst is? Bhagavān is ook onbegrenst door het gemanifesteerde vermogen van de uitstraling van Zijn ledematen. Tegelijkertijd bezit Hij ook Zijn eigen transcendentale gedaante. Is er een andere entiteit, die dit ook kan? Vanwege deze ongeëvenaarde natuur is Bhagavān superieur aan het principe van brahma.

“Zijn transcendentale vorm is uiterst aantrekkelijk en diezelfde vorm is geheel en al doordringend, alwetend, almachtig, oneindig genadevol en uiterst vreugdevol. Wat is superieur – een vorm zoals deze, die van alle eigenschappen is voorzien, of een obscuur, allesdoordringende existentie, die leeg is door afwezigheid van kwaliteiten en vermogens? In werkelijkheid is brahma slechts een gedeeltelijke, onpersoonlijke manifestatie van Bhagavān. De onpersoonlijke en persoonlijke verschijningsvormen bestaan tegelijkertijd in volmaakte harmonie in Bhagavān.

Brahma is slechts een aspect van Bhagavān. Degenen met een beperkte spirituele intelligentie worden aangetrokken tot de gedaante van de Allerhoogste, die geen kwaliteiten heeft, geen vorm heeft, onveranderlijk is, onkenbaar en onmeetbaar is. Maar degenen, die wel alles zien (sarva-darśī), voelen zich nergens toe aangetrokken behalve tot de complete Absolute Waarheid. Vaiṣṇava’s hebben geen vertrouwen van betekenis in Śrī Hari’s vormloze, onpersoonlijke natuur, want die is tegengesteld aan hun eeuwige functie van onvermengde prema. Bhagavān Śrī Kṛṣṇacandra is de basis van zowel de persoonlijke als de onpersoonlijke gedaante. Hij is een oceaan van de allerhoogste, transcendentale zegen en Hij trekt alle zuivere jīva’s aan.”

Lāhirī: Hoe kan Śrī Kṛṣṇa’s vorm eeuwig zijn, als Hij wordt geboren, allerlei dingen doet en Zijn lichaam weer opgeeft?

Bābājī: Śrī Kṛṣṇa’s vorm is sac-cid-ānanda – eeuwigdurend, vol kennis en volkomen vreugdevol en zegenrijk. Zijn geboorte, activiteiten en het verlaten van Zijn lichaam hebben niets te maken met de materiële natuur.

Lāhirī: Waarom staan zulke beschrijvingen dan in Mahābhārata en ander śāstra’s?

Bābājī: De eeuwige waarheid verslaat de beschrijving, want deze bevindt zich voorbij het woord. De zuivere ziel ziet de transcendentale vorm en het bovenzinnelijke tijdverdrijf van Śrī Kṛṣṇa in hun spirituele aspecten, maar als hij die allerhoogste realiteit in woorden beschrijft, doet het denken aan een werelds verhaal. Degenen, die in staat zijn de essentie uit de śāstra’s, zoals de Mahābhārata, te halen ervaren Kṛṣṇa’s spel, zoals het is. Maar als mensen met een gemiddelde, wereldse intelligentie deze beschrijvingen horen, begrijpen ze die op allerlei verschillende manieren.

Lāhirī: Als je op de vorm van Śrī Kṛṣṇa mediteert, wordt het beeld, dat in het hart naar voren komt, beperkt door tijd en ruimte. Hoe kun je zulke beperkingen overstijgen en op Kṛṣṇa’s eigenlijke vorm mediteren?

Bābājī: Meditatie is een activiteit van het verstand en zolang dat niet volledig is gespiritualiseerd, kan de meditatie niet spiritueel (cinmaya) zijn. Bhakti zuivert de geest, zodat deze geleidelijk vergeestelijkt en als je mediteert met een verstand, dat op die manier is gezuiverd, wordt zulke meditatie zeker cinmaya. Als bhajanānandī-vaiṣṇava’s Kṛṣṇa’s naam chanten, kan de materiële wereld hen niet aanraken, want ze zijn cinmaya. Innerlijk bevinden ze zich in de geestelijke wereld, als ze op Kṛṣṇa’s dagelijkse tijdverdrijf mediteren, en amuseren zich in de zegen van hun vertrouwelijke liefdedienst.

Lāhirī: Weest u alstublieft genadig en geeft u me een dergelijke spirituele realisatie (cid-anubhāva).

Bābājī: Als je alle materiële twijfels en wereldse logica achterwege laat en jezelf ononderbroken overgeeft aan śrī-nāma, zal de spirituele realisatie snel in jezelf naar boven komen. Hoe meer je je verlaat op wereldse logica, hoe meer je je verstand en geest ondergeschikt maakt aan materiële gebondenheid. Hoe meer je streeft naar het opgangbrengen van de overvloed van nāma-rasa, hoe meer je van je materiële ketenen verlost raakt. De spirituele dimensie zal zich dan in je hart manifesteren.

Lāhirī: Weest u alstublieft genadig en leg mij uit, wat die spirituele ervaring is.

Bābājī: Het verstand wordt tot stilstand gebracht, als het die waarheid in woorden probeert te begrijpen. De waarheid kan alleen worden gerealiseerd door de cultuur van spirituele vreugde (cid-ānanda). Geef alle argumentatie op en chant gewoon een aantal dagen śrī-nāma. Dan neemt de kracht van nāma automatisch al je twijfels weg en je hoeft hierover bij niemand meer te informeren.

Lāhirī Mahāśaya: Ik heb begrepen, dat men de allerhoogste geestelijke zegen krijgt door de vloeibare rasa van śrī-kṛṣṇa-nāma met groot vertrouwen te drinken. Dus ik ga śrī-nāma chanten, als ik de sambandha-jñāna goed heb begrepen.

Bābājī: Dat is de beste manier. Je moet een grondig begrip hebben van sambandha-jñāna.

Lāhirī: Bhagavat-tattva (de fundamentele waarheid omtrent Bhagavān) is nu duidelijk geworden. Bhagavān is de ene Allerhoogste Absolute Waarheid en brahma en Paramātmā zijn ondergeschikt aan Hem. Hoewel Hij overal doordringt, woont Śrī Bhagavān in de geestelijke wereld in Zijn unieke transcendentale vorm, die over alle vermogens beschikt en die de allerhoogste persoon is van geconcentreerd bestaan, kennis en vreugde. Hoewel Hij de meester is van alle vermogens, blijft Hij altijd volkomen in vervoering van de uitbundige associatie met Zijn pleziervermogen (hlādinī-śakti). Wilt u me alstublieft nu alles over jīva-tattva vertellen?

Bābājī: De taṭastha-śakti, of de marginale energie, is één van Śrī Kṛṣṇa’s ontelbaar vele vermogens. Uit dit marginale vermogen komen wezens voort, die tussen de cit-jagat en jaḍa-jagat in staan en die het vermogen hebben met beide te associëren. Deze wezens heten jīva-tattva. De jīva’s zijn cit-paramāṇu van ontwerp, wat betekent, dat ze atomisch kleine entiteiten van zuiver bewustzijn zijn. Deze jīva’s kunnen in de materiële wereld worden gebonden, omdat ze zeer klein zijn, echter omdat ze bestaan uit zuiver bewustzijn, kunnen ze – als ze eenvoudig een beetje geestelijke kracht krijgen – ook eeuwige bewoners van de spirituele universa worden en paramānanda (het allerhoogste bovenzinnelijke plezier) verkrijgen.

Er zijn twee typen jīva’s: mukta (bevrijd) en baddha (gebonden). De jīva’s, die in de geestelijke wereld resideren zijn mukta, terwijl degenen, die door māyā worden geketend en aan deze materiële wereld hechten, baddha zijn. Er zijn twee typen baddha-jīva’s: degenen, die spiritueel ontwaakt zijn (anudita-viveka), zijn de eersten. Vogels, zoogdieren en mensen, die niet hun hoogste geestelijke welzijn zoeken, zijn geestelijk dood, terwijl mensen, die het pad van het Vaiṣṇavisme hebben ingeslagen, geestelijk wakker zijn, want niemand behalve de Vaiṣṇava’s doen ware pogingen om het allerhoogste spirituele doel te bereiken. Daarom hebben de śāstra’s verklaard, dat het dienen van Vaiṣṇava’s en het associëren met hen de beste van alle bezigheden zijn.

Degenen, die geestelijk zijn ontwaakt, ontwikkelen een smaak voor het beoefenen van kṛṣṇa-nāma op basis van hun vertrouwen in śāstra en van daaruit ontwikkelen zij gemakkelijk een affectie met het dienen van Vaiṣṇava’s en het associëren met hen. Degenen echter, die geestelijk onbewust zijn, kunnen hun vertrouwen in śāstra niet opwekken en nemen dus de beoefening van kṛṣṇa-nāma niet over. Ze vereren het Godsbeeld van Kṛṣṇa alleen uit sociale of traditionele gewoonte. De smaak voor de associatie met en het dienen van Vaiṣṇava’s is dan ook niet in hun hart ontwaakt.

Lāhirī: Ik heb kṛṣṇa-tattva en jīva-tattva begrepen. Wilt u nu alstublieft māyā-tattva uitleggen?

Bābājī: Māyā is de materiële functie en is een vermogen van Kṛṣṇa. Dit vermogen staat bekend als de inferieure eigenshap (aparā-śakti), of het externe vermogen (bahirāṅga-śakti). Māyā blijft ver uit de buurt van Kṛṣṇa en kṛṣṇa-bhakti, zoals een schaduw uit de buurt blijft van licht. Māyā manifesteert de elementen aarde, water, vuur, lucht, ruimte, verstand en intelligentie; de veertien planetaire stelsels; en het egoïsme, waarmee men zich met het materiële lichaam identificeert. Zowel de grofstoffelijke als de subtiele lichamen van de baddha-jīva zijn producten van māyā. Als de jīva is bevrijd, is zijn geestelijke lichaam onbesmet door materie. Hoe meer hij verwikkeld raakt in de ketenen van māyā, hoe meer hij van Kṛṣṇa wordt weggetrokken; hoe onverschilliger hij is jegens māyā, hoe meer hij naar Kṛṣṇa wordt toegetrokken. Het materiële universum is gemaakt door de wil van Kṛṣṇa om het materiële plezier van de baddha-jīva’s mogelijk te maken; het is slechts een gevangenis en niet de eeuwige verblijfplaats van de jīva’s.

Lāhirī: Meester, vertelt u me nu alstublieft over de eeuwigdurende relatie, die bestaat tussen māyā, de jīva’s en Kṛṣṇa.

Bābājī: De jīva is een atomisch deeltje bewustzijn (aṇu-cit) en Kṛṣṇa is het complete bewustzijn (pūrṇa-cit); daarom staat de jīva Kṛṣṇa eeuwigdurend ten dienste. Deze materiële wereld is voor de jīva’s een gevangenis. Door de kracht van de associatie met de heiligen in deze wereld, beoefent men regelmatig het chanten van śrī-nāma. Na verloop van tijd krijgt men Kṛṣṇa’s genade en wanneer men wordt gesitueerd in de eigen geperfectioneerde, spirituele gedaante (cit-svarūpa) in de geestelijke wereld, drinkt men de rasa (vloeibare nectar) van Śrī Kṛṣṇa’s dienstverlening. Dit is de vertrouwelijke relatie tussen de drie fundamentele realiteiten (tattva’s). Hoe kun je bhajana uitvoeren zonder deze te kennen?

Lāhirī: Als kennis wordt verkregen door academische studie, moet men dan een geleerde zijn om een Vaiṣṇava te worden?

Bābājī: Er is geen specifieke opleiding noch een bepaalde taal nodig om een Vaiṣṇava te worden. Om de illusie van māyā te doorbreken moet de jīva zijn toevlucht nemen tot de voeten van een ware guru, die een echte Vaiṣṇava is. De vaiṣṇava-guru kan sambandha-jñāna geven via zijn woorden en zijn gedrag. Dit heet dīkṣā en śikṣā.

Lāhirī: Wat moet je doen, nadat je dīkṣā en śikṣā hebt ontvangen?

Bābājī: Je dient je deugdelijke gedrag te handhaven en kṛṣṇa-bhajana uit te voeren. Dit heet abhidheya-tattva, het middel om het hoogste doel van kṛṣṇa-prema te bereiken. Deze tattva wordt nadrukkelijk in de Veda’s en alle śāstra’s beschreven. Śrīman Mahāprabhu heeft aan deze fundamentele waarheid gerefereerd als abhidheya-tattva.

Lāhirī Mahāśaya had tranen in zijn ogen en zei, “O goddelijke Meester, ik neem mijn toevlucht tot uw lotusvoeten. Nu ik uw ambrozijnen woorden heb gehoord, begrijp ik sambandha-jñāna en tot mijn grote verbazing zijn tegelijkertijd alle saṁskāra’s, of diep gewortelde mentale indrukken gerelateerd aan mijn kastenbewustzijn, opleiding en training, door uw genade opgelost. Weest u nu alstublieft zo genadig en leert u me alles over abhidheya-tattva.

Bābājī: Je hoeft niet ongerust te zijn. De nederigheid, die je ontwikkelt, is een teken, dat Śrī Caitanyadeva je Zijn genade toont. Sādhu-saṅga is voor de jīva’s de enige manier om uit deze wereld te worden bevrijd. De sādhu’s en guru geven genadevolle instructies hoe men bhajana dient uit te voeren en door de kracht van bhajana bereikt men het doel (prayojana) geleidelijk. Sādhana-bhakti (toegewijde dienst) wordt abhidheya genoemd.

Lāhirī: Vertelt u me alstublieft hoe je bhagavad-bhajana moet doen.

Bābājī: Hari-bhajana betekent bhakti. Er zijn drie stadia in bhakti: het stadium van beoefening (sādhana); het eerste ontluiken van goddelijke liefde (bhāva); en het rijpe stadium van goddelijke liefde (prema).

Lāhirī: Geeft u me alstublieft instructies. Welke zijn de verschillende soorten sādhana en hoe worden ze uitgevoerd?

Bābājī Mahāśaya: Śrī Rūpa Gosvāmī heeft dit thema heel uitgebreid in zijn boek Śrī Bhakti-rasāmṛta-sindhu behandeld. Ik zal het je in het kort vertellen. Er zijn negen typen sādhana:

śravaṇam kīrtanaṁ viṣṇoḥ smaraṇaṁ pāda-sevanam
arcanaṁ vandanaṁ dāsyaṁ sakhyam ātma-nivedanam

De negen primaire activiteiten van toewijding zijn luisteren, chanten en herinneren; Zijn lotusvoeten dienen; Hem met diverse attributen vereren; gebeden opzenden; Hem dienen in de relatie van een bijzondere dienaar; Hem dienen in de relatie van een intieme vriend; en jezelf aan Hem overgeven.

Deze negen typen sādhana-bhakti worden in Śrīmad-Bhāgavatam (7.5.23) beschreven. Śrī Rūpa Gosvāmī heeft deze negen items weergegeven in termen van hun verschillende delen en onderdelen en heeft een uitgebreide beschrijving gegeven van vierenzestig typen sādhana-bhakti.

Er is één bijzonder kenmerk – sādhana-bhakti bestaat in twee soorten: vaidhī is sādhana opgewekt door de regulerende principes van śāstra en rāgānugā is sādhana opgewekt door spontane liefde. De negen typen bhakti wijzen op vaidhī-sādhana-bhakti. Rāgānugā-sādhana-bhakti bestaat uit innerlijke liefdedienst aan Kṛṣṇa in de gemoedsgesteldheid van de eeuwige bewoners van Vraja, waarbij men uitsluitend vasthoudt aan hun leiding. De sādhaka moet het type sādhana-bhakti beoefenen, waarvoor hij bekwaam is.

Lāhirī: Hoe wordt adhikāra (bekwaamheid) vastgesteld met betrekking tot sādhana-bhakti?

Bābājī: Als de geestelijk leraar vindt, dat een trouwe sādhaka geschikt is om zich aan de regulerende principes van śāstra te houden, geeft hij hem eerst instructies in vaidhī-sādhana-bhakti. Als hij denkt, dat een sādhaka geschikt is voor rāgānugā-bhakti, vertelt hij hem hoe hij bhajana moet uitvoeren volgens de rāga-mārga.

Lāhirī: Hoe wordt adhikāra herkend?

Bābājī: Iemand is geschikt voor vaidhī-bhakti, als hij Bhagavān wil vereren volgens de regels en voorschriften van de śāstra en als hij het principe van spontane hartstocht (rāga) nog niet in zijn ātmā (ziel) heeft ervaren. Iemand is bekwaam voor rāgānugā-bhakti, als een spontane behoefte aan hari-bhajana in zijn ātmā is ontwaakt en hij in zijn verering van Śrī Hari niet ondergeschikt wil zijn aan de voorschriften van śāstra.

Lāhirī: Prabhu, wilt u mijn adhikāra vaststellen, zodat ik de principes van bekwaamheid kan begrijpen? Ik ben nog niet in staat geweest om uw analyse van vaidhī en rāgānugā-bhakti te begrijpen.

Bābājī: Als je in je hart kijkt, jun je je eigen bekwaamheid zien. Denk je, dat bhajana onuitvoerbaar is zonder je aan de richtlijnen van van śāstra vast te houden?

Lāhirī: Ik denk, dat het op zichzelf heel heilzaam zou zijn om zich met sādhana en bhajana volgens de richtlijnen van de śāstra bezig te houden. Maar de laatste tijd is tot me doorgedrongen, dat hari-bhajana een oceaan van rasa is. Door de kracht van bhajana zal ik geleidelijk in staat zijn die rasa te ervaren.

Bābājī: Nu begrijp je, dat de voorshriften van śāstra de voorkeur in je hart hebben. Daarom kun jij het beste vaidhī-bhakti beoefenen. In de loop van de tijd zal het principe van rāga in je hart ontwaken.

Toen hij dit hoorde, raakte Lāhirī Mahāśaya de voeten van Bābājī Mahārāja aan. Met tranen in zijn ogen zei hij, “Weest u alstublieft genadig en geeft u me instructies voor hetgeen ik bekwaam ben. Ik wil niet datgene bespreken of beschouwen, waarvoor ik niet ben gekwalificeerd.”

Bābājī Mahāśaya omarmde hem en zei hem te gaan zitten.

Lāhirī zei toen nederig, “Zegt u me alstublieft duidelijk welk soort bhajana ik moet uitvoeren.”

“Je moet hari-nāma uitvoeren,” antwoordde Bābājī Mahārāja gedecideerd. “Śrī-nāma-bhajana is sterker dan alle andere vormen van bhajana. Er is geen verschil tussen nāma, de heilige naam, en nāmī, Bhagavān, die de eigenaar is van de heilige naam. Als je nāma zonder overtreding chant, bereik je heel snel perfectie. Alle negen vormen van bhajana worden automatisch uitgevoerd, wanneer je nāma-bhajana uitoefent. Iemand, die śrī-nāma uitspreekt, doet twee dingen tegelijk, horen en chanten. Als je chant, herinner je het spel en vermaak van Hari en zo dien je Zijn lotusvoeten in je hoofd, je vereert Hem, je biedt Hem gebeden aan, je dient Hem in de relatie van dienaar, je dient Hem in de relatie van vriend en je geeft jezelf aan Hem over.”

Lāhirī: Mijn hart heeft opeens een groot verlangen gekregen. O Meester, stelt u alstublieft uw genade niet uit.

Bābājī zei tegen hem, “Je moet deze namen altijd zonder overtreding chanten: Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare.” Toen hij deze namen herhaalde, legde Bābājī een tulasī mālā in de hand van Lāhirī Mahāśaya.

Lāhirī Mahāśaya weende, toen hij de namen uitsprak en streelde de kralen van de mālā met meditatieve aandacht. “Prabhu,” zei hij, “ik kan het geluk van vandaag niet beschrijven.” Terwijl hij dit zei, viel hij door de intense vreugde bewusteloos aan Bābājī Mahāśaya’s voeten, maar Bābājī ving hem voorzichtig op. Na een lange tijd kwam Lāhirī Mahāśaya weer bij en zei, “Ik voel me vandaag gezegend. Ik heb nog nooit zo een geluk gehad.”

Bābājī Mahāśaya zei, “O grote ziel, je bent inderdaad gezegend, want je hebt śrī-hari-nāma vol vertrouwen geaccepteerd. Je hebt mij ook gelukkig gemaakt.”

Vanaf die dag was Lāhirī Mahāśaya in staat om in zijn kuṭīra te blijven zitten en begon śrī-nāma op zijn mālā te chanten. Zo gingen er een aantal dagen voorbij. Nu bracht hij tilaka aan op de twaalf delen van het bovenlichaam en at niets meer, dat niet aan Śrī Kṛṣṇa was geofferd. Hij chantte dagelijks twee lakha’s (tweehonderdduizend) namen op zijn japa-mālā. Als hij een zuivere Vaiṣṇava tegenkwam, bood hij onmiddellijk zijn daṇḍavat-praṇāma aan. Voordat hij andere plichten nakwam, bood hij iedere dag zijn daṇḍavat-praṇāma aan Paramahaṁsa Bābājī aan. Hij diende zijn Gurudeva zonder onderbreking en had geen smaak meer voor wereldse gesprekken, noch voor het vertonen van zijn zangkunst. Hij was niet dezelfde Lāhirī Mahāśaya als voorheen; hij was Vaiṣṇava geworden.

Op een dag, nadat hij Vaiṣṇava dāsa zijn daṇḍavat-praṇāma had aangeboden, vroeg Bābājī Lāhirī, “Prabhu, wat is prayojana-tattva?”

Bābājī antwoordde, “Het hoogste doel van de jīva, prayojana-tattva, is kṛṣṇa-prema. Als je constant bezig bent met sādhana, manifesteert bhāva zich uiteindelijk en wanneer bhāva volledig is ontwikkeld en compleet is, wordt het prema genoemd. Prema is de eeuwige functie van de jīva, zijn eeuwige rijkdom en zijn eeuwige doel. Alleen in afwezigheid van prema ondergaat de jīva allerlei lijden in materiële verwikkelingen. Niets is groter dan prema, want Kṛṣṇa wordt alleen door prema beheerst. Prema is de complete, spirituele tattva. Als ānanda, spirituele extase, uiterst dik en gecondenseerd wordt, heet het prema.”

Lāhirī: (weenend), "Ben ik een geschikte candidaat om prema te ontvangen?"

Bābājī omarmde Lāhirī Mahāśaya en zei, “In slechts enkele dagen heb je je sādhana-bhakti getransformeerd in bhāva-bhakti en heel snel zal Kṛṣṇa je Zijn genade geven.”

Toen Lāhirī Mahāśaya dit hoorde, brak zijn stem van vreugde en rolde hij voor de voeten van Bābājī Mahāśaya over de grond en riep uit, “Ach! Er gaat niets boven een guru. O wee! Wat heb ik al die tijd gedaan? Gurudeva! U hebt me genadevol gered uit de duistere poel van lustbevrediging.”

 

 

Aldus eindigt het Vierde Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
”Vaisnava-dharma is nitya-dharma”


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________



Vorige: Hoofdstuk 3 – "Naimittika- dharma dient te worden opgegeven"

Volgende: Hoofdstuk 5 – "Vaidhi-bhakti is nitya, niet naimittika-dharma"

Inhoud: Inhoud



Top

© 2006-2017 Jayaradhe.nl