Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 3

Naimittika-dharma dient te worden opgegeven

Op een avond kort na tien uur zat Sannyāsī Mahārāja op een aarden verhoginkje in een afzonderlijk gedeelte onder zijn bladerendak in Śrī Godruma hari-nāma te chanten. Hij staarde naar het noorden en zag, dat de maan juist opkwam en een ongewone gloed over Śrī Navadvīpa-maṇḍala verspreidde. Plotseling werd een goddelijke manifestatie van het nabijgelegen Śrī Māyāpura voor zijn ogen zichtbaar.


Sannyāsī Mahārāja riep uit, “Oh! Wat een buitengewoon gezicht! Ik zie een uitermate verbluffende en vreugdevolle heilige plaats! Torenhoge paleizen van juwelen, tempels en gebeeldhouwde triomfbogen verlichten de oever van de Jāhnavī Rivier met hun glinsterende glans. Het tumult van hari-nāma-saṅkīrtana reist uit boven vele plaatsen, alsof het dwars door de hemel heen gaat. Honderden Vaiṣṇava’s, zoals Nārada met zijn vīṇā, chanten śrī-nāma en dansen daarbij.

“Aan één kant staat de lichtgekleurde Mahādeva met zijn ḍamarū (kleine drum) in zijn hand. Hij roept, ‘O Viśvambhara, geef me Uw genade!’ Als hij dit zegt, danst hij op een wilde manier de tāṇḍava-nṛtya en valt bewusteloos op de grond. Aan de andere zijde zit Brahmā met vier gezichten in een gezelschap van ṛṣi’s, die goed op de hoogte zijn met de Vedische traditie. Hij reciteert de volgende Vedische mantra en verklaart de betekenis op heldere wijze:

mahān prabhur vai puruṣaḥ sattvasyaiṣaḥ pravartrakaḥ
sunirmalām imāṁ prāptim īśāno jyotir avyayaḥ
                                                     Śvetāśvatara Upaniṣad (3.12)

"Die Persoonlijkheid is ongetwijfeld mahān, de allerhoogste, en Hij is prabhu, meester. Hij geeft de aanzet tot de intelligentie en door Zijn genade kan een persoon de allerzuiverste en transcendentale vrede bereiken. De persoon Mahāprabhu Śrī Caitanya is puruṣa, de Allerhoogste Persoon. Hij is īśāna, de Allerhoogste Bestuurder. Hij is jyoti-svarūpa, uit Zichzelf gemanifesteerd en beschikt over een luisterrijke gloed van de gouden uitstraling van Zijn ledematen. Hij is avyaya, de onvergankelijke Heer."

“Ergens anders staan Indra en andere deva’s te springen van extase en roepen, ‘Jaya Prabhu Gauracandra! Jaya Nityānanda!’ De vogels op de takken van de bomen roepen, ‘Gaura! Nitāi!’ Grote zwarte bijen zoemen overal in de bloementuinen rond en ze zijn dronken van het drinken van gaura-nāma-rasa, de vloeibare essentie van de hielige naam van Gaura. Prakṛti-devi (de geluksgodin) is gek van gaura-rasa en spreidt haar gigantische fluïdum overal in de rondte uit. Dit is wonderbaarlijk! Ik heb diverse keren Śrī Māyāpura bij het volle daglicht gezien, maar zoiets als dit heb ik nog nooit eerder gezien. Wat zie ik toch?”

Sannyāsī Mahārāja herinnerde zich zijn Gurudeva en zei, “O Prabhu, nu begrijp ik waarom u me vandaag uw genade hebt getoond door me een visioen te geven van het transcendentale (aprākṛta) aspet van Māyāpura. Vanaf vandaag noem ik mezelf een volgeling van Śrī Gauracandra. Ik zag, dat iedereen in dit heilige land van Navadvīpa een halssnoer van tulasī-kralen draagt met tilaka (een teken van rivierklei) op het voorhoofd en de letters van śrī-nāma op het lichaam gestempeld. Ik ga hetzelfde doen.”

Toen hij dit zei, viel Sannyāsī Mahārāja in een staat van bewusteloosheid. Na korte tijd kwam hij weer in zijn externe bewustzijn terug en begon te wenen, “Ik ben inderdaad buitengewoon fortuinlijk, want door de genade van mijn guru heb ik een kort visioen gehad van het heilige land van Śrī Navadvīpa.”

De volgende ochtend wierp hij zijn ekadaṇḍa-staf in de rivier. Daarna versierde hij zijn hals met een snoer van drie strengen tulasī-kralen en zijn voorhoofd met het ūrddhva-puṇḍra-tilaka-teken, terwijl hij ‘Hari! Hari!’ zong en begon te dansen.

Toen de Vaiṣṇava’s van Godruma Sannyāsī Mahārāja’s uitzonderlijke gemoedtoestand en zijn nieuwe verschijning zagen, boden zij hem languit hun eerbetuigingen aan en zeiden, “Je bent gezegend! Je bent gezegend!” Hierdoor raakte hij in verlegenheid en zei, “Oh, ik heb deze Vaiṣṇava-outfit aanvaard om de genade van de Vaiṣṇava’s te krijgen, maar nu loop ik tegen een nieuw probleem aan. Ik heb uit Gurudeva’s mond diverse keren de volgende uitspraak gehoord:

tṛṇād api sunīcena taror api sahiṣṇunā
amāninā mānadena kīrtanīyaḥ sadā hariḥ
                                                           Śrī Śikṣāṣṭaka 3

Terwijl men zichzelf onbeduidender acht dan een grasspriet en toleranter is dan een boom, terwijl men vrij is van al het verlangen naar persoonlijke prestige en anderen al zijn respect aanbiedt, dient men onafgebroken in hari-kīrtana te zijn verzonken.

“Dezelfde Vaiṣṇava’s, die ik als mijn guru beschouw, bieden mij nu hun eerbetoon aan. Wat moet er van mij terecht komen?” Hierover liep hij na te denken, toen hij Paramahaṁsa Bābājī naderde en hem languit zijn eerbetuigingen aanbood, waarna hij met gebogen hoofd opstond.

Bābājī Mahāśaya zat in het mādhavī-paviljoen hari-nāma te chanten. Toen hij de totale transformatie van zijn uiterlijk zag en zijn ontwakende bhāva voor śrī-nāma, omarmde hij hem en baadde hem met tranen van liefde en zei, “O Vaiṣṇava dāsa, door jouw heilzame lichaam aan te raken ben ik vandaag succesvol.”

Met die uitspraak werd de voorgaande naam van Sannyāsī Mahārāja gepasseerd. Hij liet dus zijn Māyāvāda-sannyāsa outfit en zijn prestigieuze sannyāsa-naam en de verheven ideeën, die hij over zichzelf had, achterwege.

Die namiddag kwamen vele Vaiṣṇava’s uit Śrī Godruma en Śrī Madhyadvīpa naar Śrī Pradyumna-kuñja om Paramahaṁsa Bābājī een bezoek te brengen.

Ze zaten allemaal om hem heen en chantten hari-nāma met de tulasī-mālā in hun hand. Ze riepen uit, “Ha Gaurāṅga Nityānanda! Ha Sītānātha! Jaya Śacīnandana!” en hun ogen vulden zich met tranen. De Vaiṣṇava’s bespraken de vertrouwelijke liefdedienst van hun īṣṭa-deva (meest eerwaardige Godheid) en boden elkaar na het omcirkelen van Tulasī-devī hun eerbiedige eerbetuigingen aan. Ook Vaiṣṇava dāsa liep enkele keren om Śrī Vṛndā-devī heen en rolde in het stof van de lotusvoeten van de Vaiṣṇava’s.

Sommigen van de Vaiṣṇava’s fluisterden tegen de ander, “Is dat niet Sannyāsī Mahārāja? Wat heeft hij vandaag een bijzondere uitstraling!”

Vaiṣṇava dāsa rolde voor de Vaiṣṇava’s over de grond en zei, “Vandaag is mijn leven geslaagd, want ik heb het stof van de lotusvoeten van de Vaiṣṇava’s gekregen. Het stof van de voeten van de Vaiṣṇava’s, het badwater van hun voeten en de nectar, die van hun lippen stroomt – deze drie dingen zijn het medicijn en de levenswijze voor de patiënt, die is verziekt door het materiële bestaan. Ze vormen de remedie tegen het totale materiële complex van de natuur en zijn tevens de bron van bovenzinnelijk plezier voor de gezonde ziel, die reeds geheel vrij is van deze aandoening.

“O Vaiṣṇava’s, denken jullie alsjeblieft niet, dat ik met mijn studie sta te pronken. Nu is mijn hart vrij geworden van al dat egoïsme. Ik nam een geboorte in een vooraanstaande brāhmaṇa-familie, studeerde alle śāstra’s en ging de sannyāsa āśrama binnen, het vierde platform van de maatschappelijke orde. Het gevolg was, dat ik van verwaandheid naast mijn schoenen liep. Maar toen ik werd aagetrokken door de vaiṣṇavaprincipes, werd er een zaad van nederigheid in mijn hart geplaatst. Door de genade van al jullie Vaiṣṇava’s ben ik in staat geweest om de valse trots van mijn nobele geboorte geleidelijk van mij af te gooien, de trots van mijn intellectualisme en de arrogantie van mijn maatschappelijk aanzien.

“Nu weet ik, dat ik een behoeftige en onbetekenende jīva ben. Ik werd geruïneerd door mijn vals-ego van brāhmaṇa, door mijn wetenschappelijke kennis en mijn positie als sannyāsī. Dit alles leg ik in alle eenvoud aan uw lotusvoeten. U kunt met deze dienaar doen wat u goeddunkt.”

Toen de Vaiṣṇava’s de nederige woorden van Vaiṣṇava dāsa hadden aangehoord, zeiden velen van hen, “O beste van alle bhāgavata’s ! Wij zijn erg begerig naar het stof van de voeten van Vaiṣṇava’s zoals jij. Schenk ons alsjeblieft de genade van je lotusvoeten. Je bent de speerpunt van Paramahaṁsa Bābājī’s zegen. Zuiver ons door ons je metgezellen te maken. De śāstra zegt, dat bhakti wordt verkregen door associatie met bhakta’s zoals jij:

bhaktis tu bhagavad-bhakta-saṅgena parijāyate
sat-saṅgaḥ prāpyate puṁbhiḥ sukṛtaiḥ pūrva-sañcitaiḥ
                                                               Bṛhan-Nāradīya-Purāṇa (4.33)

Bhakti wordt gewekt wanneer men met bhakta’s van Śrī Bhagavān associeert. Associatie met śuddha-bhakta’s kan alleen worden verkregen door de accumulatie van bovenzinnelijke, vrome activiteiten, die in vele levens ten uitvoer zijn gebracht.

“Wij hadden een flinke voorraad vrome activiteiten aangelegd, die bhakti (bhakti-poṣaka-sukṛti) in zich bergen en zo hebben we jouw gezelschap bereikt. Door de kracht van die associatie hebben we nu de aspiratie voor hari-bhakti.”

Toen de Vaiṣṇava’s wederzijds respect en nederigheid hadden uitgewisseld, ging Vaiṣṇava dāsa aan de zijkant van het gezelsschap zitten en behield daarmee zijn waardigheid. De hari-nāma-mālā in de hand stond hem schitterend.

Die dag zat er een fortuinlijke heer in het gezelschap van de Vaiṣṇava’s. Hij was geboren in een aristocratische brāhmaṇa-familie en was tevens zamindar (grootgrondbezitter). Hij had vanaf zijn jeugd Arabisch en Farsi gestudeerd en had in het land een aanzienlijk reputatie opgebouwd, want hij was aan diverse hoven van Islamitische vorsten geweest en was bedreven in groepsdynamica en politieke diplomatie. Hoewel hij jarenlang van zijn positie en weelde had genoten, hadden ze hem geen geluk gebracht. Ten einde raad had hij de discipline van hari-nāma saṅkīrtana opgepakt.

In zijn kinderjaren was deze heer in de Indiase klassieke muziek opgeleid door de meest prestigieuze muziekleraren van Delhi. Vanwege zijn opleiding was hij sterk genoeg om zich tijdens uitvoeringen van hari-nāma saṅkīrtana als voorzanger in het daglicht te plaatsen. De Vaiṣṇava’s hielden niet van zijn gepolijste, klassieke zangstijl; tijdens saṅkīrtana stal hij de show met zijn muzikale artisticiteit en keek telkens vol verwachting om zich heen om erkenning te krijgen. Hij bleef een aantal dagen de kīrtana’s leiden en begon langzaam maar zeker wat plezier in saṅkīrtana te krijgen.

Na enige tijd kwam hij naar Śrī Godruma om de kīrtana-programma’s van de Navadvīpa Vaiṣṇava’s te volgen en vestigde zich in de āśrama van een Vaiṣṇava, die daar woonde. Deze speciale dag was hij vergezeld van die Vaiṣṇava, was naar Pradyumna-kuñja gekomen en zat in het mālatī-mādhavī-paviljoen (kuñja). Toen hij de nederige houding van de Vaiṣṇava’s onderling zag en hij de woorden van Vaiṣṇava dāsa hoorde, begon hij sterk te twijfelen. Als een deskundig redenaar legde hij brutaalweg de volgende vraag aan het gezelschap van Vaiṣṇava’s voor: “De Manu-smṛti en andere dharma-śāstra’s stellen, dat de brahmaanse kaste de hoogste is. Volgens deze śāstra’s worden religieuze riten, zoals sandhyā-vandanā (het chanten van Vedische mantra’s, zoals brahma-gāyatrī bij zonsopgang, middaguur en zonsondergang) beschouwd als nitya-karma (permanente plichten) voor de brāhmaṇa’s. Als deze activiteiten verplicht zijn, waarom is het gedrag van Vaiṣṇava’s hieraan dan tegengesteld?”

Vaiṣṇava’s hebben geen smaak voor geschoolde argumenten en academisch debat. Als de vraag was gesteld door een twistzieke brāhmaṇa, hadden ze geen antwoord gegeven uit vrees bij een woordenslag betrokken te raken. Maar omdat ze zagen, dat deze ondervrager regelmatig hari-nāma kwam zingen, zeiden ze allemaal, “We zouden het zeer op prijs stellen, als Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya uw vragen zou beantwoorden.”

Toen Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya het verzoek van de Vaiṣṇava’s hoorde, bood hij zijn eerbetuigingen aan en zei, “O grote ziel, zoals je wilt zal de gerespecteerde bhakta, Śrī Vaiṣṇava dāsa, deze vraag in zijn geheel beantwoorden.” Alle Vaiṣṇava’s stemden in met dit voorstel.

Toen Vaiṣṇava dāsa de woorden van zijn Gurudeva hoorde, beschouwde hij zichzelf zeer gelukkig en zei nederig, “Ik ben ellendig en zonder betekenis. Het is voor mij volkomen opgepast om iets te zeggen in zulk geleerd gezelschap als dit. Niettemin dien ik altijd de verzoeken van mijn Gurudeva op mijn hoofd te dragen. Ik heb de nectar gedronken van de spirituele instructies, die uit de lotusmond van mijn guru stromen. Ik zal ze trachten te herinneren en uitspreken voor zover mijn vermogen reikt.” Nadat hij zijn hele lichaam met het stof van de lotusvoeten van Paramahaṁsa Bābājī had ingesmeerd, stond hij op en begon te spreken.

“Śrī Kṛṣṇa Caitanya is de bron van alle verschillende typen expansies en avatāra’s. Hij is direct Bhagavān Zelf, vol bovenzinnelijke vreugde. Het allesdoordringend, ongedifferentieerd nirviśeṣa-brahma is de uitstraling van Zijn ledematen en Paramātmā, die in het hart van alle jīva’s verblijft, is Zijn gedeeltelijke expansie. Laat Hij er genoegen in scheppen ons van binnenuit te verlichten.

Manu-saṁhitā en andere dharma-śāstra’s worden in de hele wereld gerespecteerd, omdat zij de gedragscodes en restricties bevestigen, die de lijn volgen van de Vedische śruti-śāstra’s. De menselijke natuur kent twee tendensen met betrekking tot de religieuze speurtocht; de eerste heet vaidhī, de natuur, die ons dwingt om de regels van śāstra te volgen; en de tweede is rāgānugā, de natuur, die ons aanzet om de spontane aantrekkingskracht tot Kṛṣṇa te volgen. Zolang onze intelligentie onder controle is van māyā, dient de menselijke natuur te worden gereguleerd door regulerende principes. In deze hoedanigheid zal dus de vaidhī-natuur zeker effectief zijn. Zodra de intelligentie is bevrijd van de conditioneringen van māyā echter, hoeft de menselijke natuur niet langer te worden begeleid door regulerende principes; zij wordt nog eerder aangezet door spontane liefde. In deze hoedanigheid blijft de vaidhī-tendens niet langer gehandhaafd en wordt de rāgānuga-neiging manifest. Deze spontane rāgānuga-neiging is de onvermengde natuur van de jīva. Het is de geperfectioneerde staat van het zelf (svabhāva-siddha), transcendentaal (cinmaya) en vrij van gebondenheid aan dode materie (jaḍa-mukta).

“De zuiver spirituele relatie van de jīva met de materiële wereld is volledig beëindigd, als Śrī Kṛṣṇa het wil. Tot die tijd kan de relatie van de jīva met de materiële natuur slechts neigen naar uiteindelijke beëindiging (kṣayonmukha). In het kṣayonmukha-stadium wordt de intelligentie van de jīva vrij van materie tot het punt van svarūpataḥ jaḍa-mukti, maar niet tot het punt van vastutaḥ jaḍa-mukti.

“Als men het stadium van vastutaḥ jaḍa-mukti bereikt, ontwaakt in de zuivere jīva de rāgātmika-vṛtti, of de stemming van de rāgātmikā’s, zowel in termen van zijn innerlijke, spirituele identiteit (svarūpa) als in termen van zijn constitutionele wezensstaat (vastu). Deze rāgātmikā-prakṛti is de natuur van de eeuwige residenten van Vraja. De jīva, die in zijn kṣayonmukha-stadium het spoor van de rāgātmikā-natuur volgt, wordt rāgānugā genoemd, iemand die het pad van rāga (hartstocht) volgt. Deze conditie van rāgānugā dient door de jīva’s hartstochtelijk te worden nagestreeft.

“Zolang deze conditie afwezig blijft, wordt de menselijke intelligentie spontaan aangetrokken tot aardse objecten. Vanwege zijn nisarga, zijn onrechtmatig verkregen natuur, beschouwt de verwarde jīva zijn gehechtheid aan aardse zaken als zijn natuurlijke, spirituele gehechtheid (svābhāvika-anurāga). Op dat moment is zijn natuurlijke, zuivere gehechtheid aan geestelijke objecten afwezig.

“De objectiveringen ‘ik’ en ‘mijn’ zijn twee soorten egoïsme, wier invloed in de aardse sfeer erg prominent zijn en die ons laten denken, ‘Ik ben dit lichaam’ en ‘Alle zaken in relatie tot dit lichaam zijn van mij’. Door deze waandenkbeelden voelt men zich natuurlijkerwijs aangetrokken door mensen en dingen, die het materiële lichaam plezier geven en men voelt een afkeer van mensen en dingen, die het materiële, zintuiglijke plezier ondermijnen. Zodra de verwarde jīva ten prooi valt aan dergelijke gehechtheid en afkeer, beschouwt hij ook anderen als vrienden en vijanden en vertoont liefde en haat op drie manieren: śārīrika, in relatie tot het materiële lichaam en zijn attributen; sāmājika, in relatie tot de samenleving en sociale ideeën; naitika, in relatie tot moraal en ethiek. Met andere woorden, hij neemt deel aan de strijd om het materiële bestaan.

“De valse voorkeur voor kanaka, goud, en de dingen, die met geld te koop zijn, en kāminī, degenen, die onze geperverteerde lustgevoelens bevredigen, brengen ons in de ban van het vergankelijke geluk en verdriet. Dit heet saṁsāra, een staat, waarin men kriskras door het materiële universum heen zwerft en alleen geboorte, dood, de vruchten van karma en uiteenlopende levensstandaarden aantreft – sommige hoger, andere lager.

“De jīva’s, die op deze manier zijn gebonden, hebben grote moeite met het begrijpen van een spirituele voorkeur (cid-anurāga) en kunnen ook geen realisatie of ervaring van iets dergelijks hebben. In werkelijkheid is deze spirituele gehechtheid de ware functie (sva-dharma) van de jīva en zijn eeuwige natuur. Maar hij vergeet dit echter en raakt verzonken in de verlokking van de materie, hoewel hij eigenlijk een deeltje louter bewustzijn is. Zodoende lijdt hij aan verval. Hoewel dit een miserabele conditie is, zijn er nauwelijks jīva’s te vinden, die in saṁsāra zijn verstrengeld en er zo over denken.

“De jīva’s, die door māyā zijn geconditioneerd, zijn volledig onbekend met de rāgānugā-natuur, om niet te spreken van rāgātmikā. De rāgānugā-natuur kan in het hart van de jīva’s reeds ontwaakt zijn en incidenteel alleen door de genade van sāddhu’s. Het gevolg is, dat deze rāgānugā-natuur zeldzaam te vinden is en moeilijk is te verkrijgen en degenen, die tot over hun oren in saṁsāra verstrengeld zitten, worden door māyā om de tuin geleid.

“Bhagavān echter is alwetend en genadevol. Hij zag, dat de jīva’s, die door māyā worden geboeid, in hun spirituele neigingen voor de gek worden gehouden. Hoe willen zij een fortuin oogsten? Op welke manier kan de herinnering aan Kṛṣṇa in de harten van de jīva’s worden opgewekt, als ze zodanig door māyā worden geboeid? Alleen door de omgang met sādhu’s zijn jīva’s in staat te begrijpen, dat ze dienaren zijn van Kṛṣṇa. Maar aangezien er geen voorschrift bekend is, dat men moet associëren met sādhu’s, kan men zich afvragen, of er nog hoop is, dat sādhu-saṅga, het gezelschap van heilige toegewijden, over het algemeen wel mogelijk is of gemakkelijk toegankelijk is voor iedereen. Het spreekt vanzelf, dat er geen gunstige tekenen zijn voor de mensen in het algemeen, die niet het pad van regels en principes (vidhi-mārga) volgen.

“De śāstra’s rezen op in de harten van de Āryan ṛṣi’s (zieners) uit de Oudheid en gaven opheldering omtrent alle regels en principes, die door de bevolking dienen te worden nageleefd.

“In het begin was er de Veda-śāstra. Eén deel van de Veda-śāstra leert vrome activiteiten gericht op het bereiken van materiële baten (karma); een ander deel leert kennis gericht op bevrijding (jñāna); en een derde deel leert devotie met liefde en genegenheid voor Bhagavān (bhakti). De jīva’s, die zijn geïnfecteerd met een smaak voor māyā worden in veel verschillende hoedanigheden aangetroffen. Sommigen zijn compleet stupide, anderen hebben een klein beetje kennis en weer anderen zijn op de hoogte met velerlei onderwerpen. De śāstra voorziet in verschillende soorten instructies, die consistent zijn met de verschillende mentale hoedanigheden van de jīva’s. Deze differentiatie heet adhikāra, bekwaamheid of geschiktheid.

“Er zijn ontelbaar veel individuele jīva’s en ze hebben een oneindig aantal adhikāra’s, die met betrekking tot hun voornaamste kenmerken in drie grote groepen zijn onderverdeeld: karma-adhikāra, de bekwaamheid voor vrome actitiviteiten, welke leiden tot materieel gewin;  jñāna-adhikāra, de bekwaamheid voor kennis, die leidt tot bevrijding; en prema-adhikāra, de bekwaamheid voor onvermengde liefdedienst aan Bhagavān. De Veda-śāstra specificeert deze drie typen bekwaamheid en bevestigt de juiste gedragsregels voor degenen in ieder van de drie groepen. De dharma, die de Veda’s op deze manier hebben voorgeschreven, heet vaidhi-dharma.

“De neiging, waardoor een persoon zich geroepen voelt om deze vaidhi-dharma over te nemen, heet vaidhi-pravṛtti, de aandrang om de religieuze codes van śāstra te volgen. Degenen, die in gebreke gaan van de neiging om de regels van śāstra te volgen, zijn diepgaand avaidha, in verzet tegen de dringende verzoeken van de śāstra. Zij houden zich bezig met zondige activiteiten en hebben hun leven overgegeven aan avaidha-karma, activiteiten, die de regulerende principes van de śāstra tarten. Zullke mensen worden uitgesloten van de jurisdictie van de Veda’s en heten mleccha’s, mensen, die behoren tot een onbeschaafd, niet-Āryan (niet-nobel) mensentype.

“De plichten van de leden in de drie groepen van bekwaamheid van de Veda’s worden nog uitgebreider besproken in de saṁhitā-śāstra’s van de ṛṣi’s, die talrijke śāstra’s componeerden, die de strekking van de Veda’s volgen. De plichten van degenen, die bekwaam zijn voor karma, worden in twintig dharma-śāstra’s beschreven, die zijn samengesteld door Manu en andere paṇḍita’s (schriftgeleerden); degenen, die belezen waren in de verschillende filosofische systemen, beschreven de functies van degenen, die geschikt zijn voor jñāna in śāstra’s handelend over logica en filosofie; tenslotte de instructies voor mensen, die bekwaam zijn voor bhakti, werden vastgesteld door degenen, die de purāṇa’s en de zuivere tantra’s kenden. Al deze literatuur wordt Vedisch beschouwd, omdat ze de grondbeginselen van de Veda volgt.

“Moderne pseudofilosofen van deze śāstra’s, die geen enkel inzicht hebben in de onderliggende betekenis van alle śāstra’s, hebben getracht de superieuriteit van één enkele śāstra te vestigen. Dit heeft ontelbaar veel mensen in de val van argumentatie en twijfel gestort. Bhagavad-gītā, de ongeëvenaarde beschouwing op al deze śāstra’s, zegt duidelijk, dat karma, dat niet is gericht op jñāna, atheïstisch is en dient te worden afgewezen. Karma-yoga en jñāna-yoga, die niet zijn gericht op bhakti, zijn ook vormen van bedrog; in werkelijkheid vormen karma-yoga, jñāna-yoga en bhakti-yoga één enkel yoga-systeem. Dit is de Vedische Vaiṣṇava-siddhānta (conclusie).

“De jīva, die door māyā wordt begoocheld, wordt eerst gedwongen het pad van karma te volgen; dan moet hij karma-yoga aanvaarden gevolgd door jñāna-yoga en tenslotte bhakti-yoga. Als hem echter niet wordt uitgelegd, dat al deze vormen van yoga verschillende stappen van dezelfde ladder zijn, kan de geconditioneerde jīva niet opstijgen tot de tempel van bhakti.

“Wat betekent het om het pad van karma op te gaan? Karma bestaat uit de activiteiten, die men in de loop van zijn leven met het lichaam of het verstand uitvoert. Er zijn twee soorten karma : gunstig (śubha) en ongunstig (aśubha). De resultaten, die de jīva krijgt door het uitvoeren van śubha-karma, zijn gunstig, terwijl datgene, wat hij krijgt door aśubha-karma, ongunstig is. Aśubha-karma wordt ook wel zonde (pāpa) genoemd, of verboden activiteiten (vikarma). Het niet uitvoeren van śubha-karma heet akarma. Zowel vikarma als akarma zijn slecht, terwijl śubha-karma goed is.

“Er zijn drie soorten śubha-karma : verplichte dagelijkse riten (nitya-karma); incidentele plichten (naimittika-karma); en ceremonies die worden uitgevoerd met een verlangen voor persoonlijk gewin (kāmya-karma). Kāmya-karma is volkomen zelfzuchtig en dient te worden afgewezen. De śāstra’s leiden ons naar nitya-karma en naimittika-karma. De śāstra’s hebben in overweging genomen wat geschikt is om te volgen en wat beter is om achterwege te laten en hebben nitya-karma, naimittika-karma en kāmya-karma als karma geclassificeerd, terwijl akarma en kukarma (ongunstige activiteiten) niet in deze categorie worden ondergebracht. Hoewel kāmya-karma als karma geldt, is het onwenselijk en dient het te worden opgegeven; dus alleen nitya-karma en naimittika-karma gelden werkelijk als karma.

Nitya-karma is karma dat gunstig is voor het lichaam, de geest en de samenleving en het resulteert na de dood in de promotie naar andere planeten. Iedereen is verplicht om nitya-karma uit te voeren, zoals het chanten van de brahma-gāyatrī-mantra op de drie hoogtepunten van de dag (sandhyā-vandanā), het opzenden van gebeden, eerlijke middelen gebruiken om zichzelf en de samenleving in stand te houden, zich waarheidsgetrouw te gedragen en te zorgen voor familieleden en ondergeschikten. Naimittika-karma is karma, dat men onder bepaalde omstandigheden uitvoert, of bij bepaalde gelegenheden, bijvoorbeeld het uitvoeren van de riten voor de ziel van overleden ouders, het zuiveren van zonden, enzovoort.

“De auteurs van de śāstra’s hebben eerst de aard van de menselijke wezens en hun natuurlijke aanleg bestudeerd en hebben daarop varṇāśrama-dharma gevestigd, de plichten voor de sociale klassen en de geestelijke orden. Hun bedoeling was een systeem te beschrijven, waarin nitya-karma en naimittika-karma in deze wereld op een excellente wijze konden worden uitgevoerd. De essentie van de ordening is, dat er natuurlijkerwijs vier typen mensen bestaan, die worden geclassificeerd volgens het werk, waarvoor ze geschikt zijn: brāhmaṇa’s, leraren en priesters; kṣatriya’s, bureaucraten en krijgers; vaiśya’s, agrariërs en kooplieden; śūdra’s, kunstenaars, ambachtslieden en arbeiders. De mensen gaan ook door vier levensstadia, āśrama’s, heen: brahmacārī, celibatair studentenleven; gṛhastha, gezinsleven; vānaprastha, zich terugtrekken uit de economie en uit de verantwoordelijkheden van het gezinsleven; en sannyāsa, het onthechte leven van de asceet. Degenen, die zich graag overgeven aan akarma en vikarma, heten antyaja (out-caste) en zijn in geen enkele āśrama gevestigd.

“De verschillende varṇa’s worden bepaald volgens de natuur, de geboorte, de activiteiten en de eigenschappen van de mens. Als varṇa louter was gebaseerd op geboorte, was de oorspronkelijke betekenis van varṇāśrama verloren gegaan. De āśrama wordt vastgesteld door de verschillende levensfasen; of men is getrouwd, of niet, of men het gezelschap van de andere sexe heeft verbannen. Het getrouwde leven heet gṛhastha āśrama en het ongehuwde leven heet brahmacārī āśrama. Het verlaten van gezin en kleinkinderen is kenmerkend voor de vānaprastha en sannyāsa āśrama’s. Sannyāsa is de hoogste van alle āśrama’s en de brāhmaṇa’s zijn de hoogsten van alle varṇa’s (beroepsgroepen).

“Deze conclusie wordt bevestigd door het kroonjuweel van alle śāstra’s, Śrīmad-Bhāgavatam (11.17.15-21):

varṇānām āśramāṇāñ ca janma-bhūmy-anusāriṇīḥ
āsan prakṛtayo nṛṇāṁ nīcair nīcottamottamāḥ

De varṇa’s en āśrama’s van de mensheid hebben hogere en lagere naturen in overeenstemming met de hogere en lagere plaatsen op het universele lichaam van Śrī Bhagavān, waaruit zij voortkwamen.

śamo damas tapaḥ śaucaṁ santoṣaḥ kṣāntir ārjavaṁ
mad-bhaktiś ca dayā satyaṁ brahma-prakṛtayas tv imāḥ

De natuurlijke kwaliteiten van de brāhmaṇa’s zijn beheersing van de geest, beheersing van de zintuigen, soberheid, reinheid, tevredenheid, grootmoedigheid, eenvoud, devotie voor Śrī Bhagavān, mededogen voor het lijden van anderen en waarheidslievendheid.

tejo balaṁ dhṛtiḥ śauryaṁ titikṣaudāryam udyamaḥ
sthairyaṁ brahmaṇyam aiśvaryaṁ kṣatra-prakṛtayas tv imāḥ

De natuurlijke eigenschappen van de kṣatriya’s zijn dapperheid, lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie, vriendelijkheid, groot doorzettingsvermogen, standvastigheid, toewijding aan de brāhmaṇa’s en soevereiniteit.

āstik yaṁ dāna-niṣṭhā ca adambho brahma-sevanam
atuṣṭir arthopacayair vaiśya-prakṛtayas tv imāḥ

De natuurlijke aanleg van de vaiśya’s is theïsme, zich wijden aan liefdadigheid, vrij zijn van trots, dienstverlening aan de brāhmaṇa’s en in een onverzadigbaar verlangen hunkeren naar rijkdom.

śuśrūṣaṇaṁ dvija-gavāṁ devānāñ cāpy amāyayā
tatra labdhena santoṣaḥ śūdra-prakṛtayas tv imāḥ

De natuurlijke eigenschappen van de śūdra’s zijn oprechte dienstverlening aan de deva’s (halfgoden), brāhmaṇa’s en koeien, en tevreden zijn met de mate van rijkdom, die deze dienstverlening oplevert.

aśaucam anṛtaṁ steyaṁ nāstik yaṁ śuṣka-vigrahaḥ
kāmaḥ krodhaś ca tarṣaś ca sa bhāvo ‘ntyāvasāyinām

De natuurlijke kenmerken van degenen in de laagste klassen en degenen, die zijn vervreemd van het varṇāśrama-stelsel, zijn: vervuiling, oneerlijkheid, diefstal, wantrouwen van de Vedische dharma en van het bestaan van een volgend leven, zinloos geruzie, lust, woede en hebzucht naar materiële objecten.

ahiṁsā satyam asteyam akāma-krodha-lobhatā
bhūta-priya-hitehā ca dharmo ‘yaṁ sārva-varṇikaḥ

De plichten voor de leden van alle varṇa’s zijn: geweldloosheid, eerlijkheid, afzien van diefstal, vrijheid van lust, woede en hebzucht, en zich inzetten voor het plezier en het welzijn van alle levende wezens.

“Iedereen in dit erudite gezelschap kent de betekenis van het Sanskriete woord śloka’s, dus ik zal ze niet allemaal vertalen. Ik wil alleen zeggen, dat het systeem van varṇa en āśrama de basis vormt van vaidha-jīvana, het leven, dat in overeenstemming wordt gebracht met religieuze principes. De mate van vroomheid van een land wordt gemeten in de mate, waarin het varṇāśrama-systeem afwezig is.

“Laten we nu eens kijken in hoeverre de woorden nitya (eeuwig) en naimittika (incidenteel) in relatie tot het woord karma zijn gebruikt. Als we de diepere betekenis van de śāstra’s in ogenschouw nemen, zien we, dat deze twee woorden niet zijn gebruikt om te verwijzen naar karma in de zin van paramārthika, dat betrekking heeft op de allerhoogste spirituele waarheid. Ze zijn daarentegen wel gebruikt op een routinematige (vyavahārika) manier, of in figuurlijke (aupacārika) zin.

“Eigenlijk zou je moeten zeggen, dat de woorden nitya-dharma, nitya-karma en nitya-tattva alleen kunnen worden gebruikt om de zuiver spirituele conditie van de jīva te beschrijven. Daarom wordt bij algemeen gebruik van het woord nitya-karma het woord nitya toegepast op het woord karma in figuurlijke of bijvoeglijke zin, want karma is in deze wereld een middel tot een doel en wijst slechts op grote afstand naar de eeuwige waarheid. Karma is eigenlijk nooit eeuwig. Karma en jñāna mogen slechts indirect als nitya worden beschouwd, indien karma is gericht op jñāna met behulp van karma-yoga en indien jñāna is gericht op bhakti. Het chanten door de brāhmaṇa’s van de brahma-gāyatrī-mantra, of sandhyā-vandanā, wordt soms beschreven als nitya-karma. Dit is geldig in die zin, dat disciplines, die zich op grote afstand richten op bhakti door middel van fysieke activiteiten, nitya genoemd mogen worden, maar alleen, omdat ze zich richten op nitya-dharma. In werkelijkheid zijn ze niet nitya. Dit heet een uitdrukking in figuurlijke zin (upacāra).

“In feite is kṛṣṇa-prema voor de jīva’s het enige ware nitya-karma. In ontologische termen wordt naar dit ware nitya-karma verwezen als onvermengde spirituele cultivering (viśuddha-cid-anuśīlana), of activiteiten gericht op het herinstalleren van zijn zuivere, transcendentale bewustzijn. De fysieke activiteiten, die van nature moeten worden uitgevoerd om deze cid-anuśīlana te verkrijgen, ondersteunen nitya-karma, dus het is rechtmatig om ze nitya-karma te noemen. Vanuit het absolute perspectief echter zou het beter zijn om naar zulke activiteiten te verwijzen als naimittika, in plaats van nitya. De verdeling van karma in nitya en naimittika wordt alleen gezien vanuit een relatief gezichtspunt en niet vanuit het absolute, spirituele perspectief.

“Gezien de essentiële wezensaard der dingen is de nitya-dharma van de jīva’s een onvermengde spirituele discipline; alle andere soorten dharma zijn naimittika. Dit geldt voor varṇāśrama-dharma (voorgeschreven plichten voor de klassen en levensorden van de menselijke civilisatie); aṣṭāṅga-yoga (het achtvoudige yoga-systeem); sāṅkhya-jñāna (kennis met betrekking tot analytisch onderzoek naar de aard van geest en materie); en tapasyā (ascetisme).

“Dit is allemaal naimittika-dharma, omdat de jīva deze dharma’s niet nodig zou hebben, als hij niet gebonden was geweest. De geconditioneerde staat in de betovering van māyā is een incidenteel verschijnsel op zich en de functie of taak, die door een gelegenheidsoorzaak wordt gestimuleerd, heet naimittika-dharma. Daarom zijn ze – gezien vanuit het absolute, spirituele perspectief – allemaal naimittika-dharma.

Naimittika-dharma sluit de superieuriteit van de brāhmaṇa’s, hun sandhyā-vandanā en hun aanvaarding van sannyāsa na te zijn onthecht, van alle karma uit. Al deze activiteiten worden in de dharma-śāstra’s sterk aanbevolen en ze zijn heilzaam, doordat ze onderscheid maken tussen verschillende maten van bekwaamheid zonder enige statuur te hebben in relatie tot nitya-karma.

viprād dvi-ṣaḍ-guṇa-yutād aravinda-nābha-
pādāravinda-vimukhāt śvapacaṁ variṣṭham
manye tad-arpita-mano-vacanehitārtha-
prāṇaṁ punāti sa kulām na tu bhūrimānaḥ
                                                     Śrīmad-Bhāgavatam (7.9.10)

Naar mijn inschatting is een bhakta, die is geboren in een familie van hondenvleeseters, maar die zijn verstand, woord, activiteiten en rijkdom wijdt aan de lotusvoeten van Śrī Kṛṣṇa, verhevener dan een brāhmaṇa, die over alle twaalf brahmaanse kwaliteiten beschikt, maar afwijkt van de lotusvoeten van Śrī Padmanābha. Zulk een bhaka, kan – hoewel hij laag is geboren – zichzelf en zijn hele familie zuiveren, terwijl de trotse brāhmaṇa zichzelf niet eens kan zuiveren.

“De twaalf eigenschappen van brāhmaṇa’s zijn: eerlijkheid, beheersing van de zintuigen, soberheid, vrij zijn van wrok, bescheidenheid, tolerantie, vrij zijn van afgunst, het brengen van offers, liefdadigheid, standvastigheid, studie van de Veda’s en het doen van geloften. Brāhmaṇa’s, die over deze twaalf kwaliteiten beschikken, zijn in deze wereld zeker eerbiedwaardig. Maar als een caṇḍāla een bhakta wordt, is hij verhevener dan de brāhmaṇa’s, die al deze eigenschappen wel bezitten zonder kṛṣṇa-bhakti te hebben. Het betekent, dat een geboren caṇḍāla, die is gezuiverd door de saṁskāra (indrukken) opgedaan in sādhu-saṅga en in de jīva’s nitya-dharma van zuiver spirituele cultivering, verhevener is dan een brāhmaṇa, die is gevestigd in naimittika-dharma, maar afziet van de nitya-dharma van onvermengde spirituele discipline.

“Er zijn twee soorten mensen in deze wereld: degenen, die geestelijk ontwaakt zijn (udita-viveka) en degenen, die geestelijk onbewust zijn (anudita-viveka). De meeste mensen op deze aarde zijn geestelijk onbewust;  degenen, die geestelijk zijn ontwaakt zijn schaars. Van al degenen, die geestelijk onbewust zijn, zijn brāhmaṇa’s de besten en de brāhmaṇa’s nitya-karma, zoals sanhyā-vandanā, is de beste van alle plichten, die voor verschillende varṇa’s worden voorgeschreven.

“Een andere naam voor degenen, die geestelijk zijn ontwaakt, is ‘Vaiṣṇava’; hun gedrag is noodzakelijkerwijs anders dan het gedrag van degenen, die geestelijk onbewust zijn. Het gedrag van de Vaiṣṇava’s is niet in strijd met het doel van de smṛti-principes, die zijn opgesteld om die mensen te reguleren, die geestelijk onbewust zijn. Het uiteindelijke doel van alle śāstra’s is altijd één.

“Degenen, die spiritueel onbewust zijn, worden genoodzaakt om zich te houden aan een bepaald gedeelte van de rigide en rudimentaire regelgeving van śāstra, terwijl degenen, die geestelijk zijn ontwaakt de onderliggende essentie van śāstra als een boezemvriend ontvangen. Deze twee groepen mensen voeren verschillende activiteiten uit, maar hun doel is hetzelfde. Onbekwame mensen kunnen denken, dat het gedrag van degenen, die geestelijk ontwaakt zijn, is tegengesteld aan het gedrag van mensen in het algemeen, maar in werkelijkheid is het fundamentele doel van deze verschillende gedragspatronen eender.

“Gezien vanuit het gezichtspunt van degenen, die spiritueel zijn ontwaakt, zijn in principe alle mensen bekwaam voor de instructies voor naimittika-dharma. Naimittika-dharma is echter in wezen asampūrṇa (incompleet), miśra (gecorrumpeerd), acirasthāyī (impermanent) en heya (geschikt om op te geven).

Naimittika-dharma is niet direct een geestelijke discipline; het bestaat eerder uit tijdelijke, materiële activiteiten, die worden uitgevoerd om zuiver spirituele disciplines te verkrijgen. Het is dan ook louter een middel tot een doel. Het middel is nimmer compleet, want zijn taak is beëindigd, zodra het doel wordt bereikt. Het is daarom eenvoudig een fase op het pad naar het uiteindelijke doel. Per consequentie is naimittika-dharma nimmer volmaakt (sampūrṇa).

“Bijvoorbeeld, het chanten van sandhyā-vandanā (Vedische mantra’s, zoals gāyatrī-mantra) evenals diverse andere brahmaanse plichten, is een tijdelijke discipline en is onderhevig aan bepaalde regels. Deze activiteiten zijn niet afkomstig van een natuurlijke, spirituele aanleg. Nadat deze voorgeschreven plichten langdurig zijn uitgevoerd, komt men in het gezelschap van śuddha-bhakta’s (sādhu-saṅga) en ontwikkelt men een smaak voor hari-nāma. Op dat moment is sandhyā-vandanā niet langer een tijdelijk voorgeschreven plicht gericht op materiële doeleinden (karma). Hari-nāma is een complete spirituele discipline, terwijl sandhyā-vandanā en andere zulke gebruiken slechts middelen zijn om dit principiële doel te bereiken en ze kunnen nooit de volkomen realiteit omvatten.

Naimittika-dharma is aanbevelenswaardig, omdat het is gericht op de waarheid, maar het is uiteindelijk bedoeld te worden vergeten (heya), bovendien is het vermengd met onwenselijke resultaten (miśra); alleen spirituele realiteit is waarlijk heilzaam. Ofschoon de jīva de materie en alles wat ermee samenhangt juist achter zich zou moeten laten, is in naimittika-dharma het materialisme prominent. Naimittika-dharma produceert een dermate overvloed aan irrelevante resultaten, dat de jīva er onherroepelijk in verstrengeld raakt.

“Bijvoorbeeld, de verering van Īśvara is heilzaam, maar de brāhmaṇa kan gemakkelijk gaan denken, ‘Ik ben een brāhmaṇa en anderen zijn ondergeschikt aan mij’. Het gevolg van dergelijk vals egoïsme is, dat zijn verering vergankelijke resultaten oplevert. Een ander voorbeeld is de discipline van het achtvoudige pad van yoga, waarvan de bijverschijnselen mystieke krachten zijn, die voor de jīva’s zeer ongunstig uitpakken. De twee onvermijdelijke gezelschapsvrienden van naimittika-dharma zijn mukti (bevrijding) en bhukti (materieel plezier), maar de jīva moet zich verre houden van de trekpleisters van mukti en bhukti, indien hij zijn ware doel wil bereiken, de cultuur van zuiver spirituele realiteit (cid-anuśīlana). Naimittika-dharma behelst dus veel, dat voor de jīva’s van geringere waarde is.

Naimittika-dharma is niet permanent (acirasthāyī), want het kan niet onder alle omstandigheden worden toegepast. De geestelijke plichten van de brāhmaṇa’s bijvoorbeeld, de bestuurlijke of militaire plichten van de kṣatriya’s en meer van dergelijke incidentele bezigheden, worden om een bepaalde reden veroorzaakt en zijn beëindigd, zodra de oorzaak ophoudt te bestaan. Als een brāhmaṇa in zijn volgende leven wordt geboren als een caṇḍāla, zijn de brahmaanse maatschappelijke verplichtingen niet langer zijn sva-dharma. Hier gebruik ik het woord sva-dharma (eigen plicht) in figuurlijke zin. De naimittika-dharma van de jīva wijzigt zich bij iedere geboorte, maar zijn nitya-dharma verandert nooit. De ware sva-dharma van de jīva is nitya-dharma, terwijl naimittika-dharma tijdelijk is.

“Men kan zich afvragen, ‘Wat is vaiṣṇava-dharma?’ Het antwoord is, ‘Vaiṣṇava-dharma is de nitya-dharma van de jīva’. Wanneer de Vaiṣṇava – de jīva – bevrijd is van de materie, voedt hij kṛṣṇa-prema in zijn zuiver spirituele vorm. Alvorens dit stadium is bereikt, wanneer de Vaiṣṇava nog aan de materie is gebonden, maar wel geestelijk is ontwaakt, aanvaardt hij alleen objecten en associatie, die gunstig zijn voor zijn spirituele discipline en wijst datgene af, wat ongunstig is. Hij is dus nooit een blinde volgeling van de geboden en verboden van de śāstra’s. Hij aanvaardt de instructies en voorschriften van de śāstra’s met gratie, maar alleen als ze gunstig zijn voor de beoefening van hari-bhajana. Als ze niet gunstig zijn, wijst hij ze af.

“Een Vaiṣṇava is de enige ware vriend van de wereld en hij verspreidt goedheid voor alle jīva’s. Tot zover heb ik in alle nederigheid doorgegeven, wat ik vandaag wilde zeggen in deze bijeenkomst van Vaiṣṇava’s. Wilt u mijn fouten en overtredingen vergeven?”

Nadat hij had gesproken bood Vaiṣṇava dāsa sāṣṭāṅga-praṇāma aan het gezelschap van Vaiṣṇava’s aan en trok zich aan één zijde van de groep terug. Op dat moment vulden de ogen van de Vaiṣṇava’s zich met tranen en in koor riepen ze uit, “Goed gedaan! Goed gedaan! Je bent gezegend!” De bossen van Godruma gaven deze woorden in een echo als antwoord terug.

De brāhmaṇa-zanger, die de vraag had gesteld, kon de diepe waarheid inzien van de vele onderwerpen, die in de uiteenzetting werden aangeroerd. Op sommige punten was twijfel bij hem gerezen, maar het zaad van vertrouwen in vaiṣṇava-dharma was in zijn hart overvloedig gevoed. Hij vouwde zijn handen en zei, “O grote zielen, ik ben geen Vaiṣṇava, maar ik word een Vaiṣṇava door voortdurend naar hari-nāma te luisteren. Als u zo goed bent mij instructies te geven, kan ik al mijn twijfels teniet doen.”

Śrī Premadāsa Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya zei vriendelijk, “Je kunt van tijd tot tijd Śrīman Vaiṣṇava dāsa gezelschap houden. Hij is een wetenschapper, die alle śāstra’s kent. Hij heeft vroeger in Vārāṇasī gewoond, waar hij sannyāsa aanvaardde, nadat hij de vedānta-śāstra’s diepgaand had bestudeerd. Śrī Kṛṣṇa Caitanya, de meest geliefde Heer van ons hart, heeft zijn oneindige genade betoond en trok hem hier tot Śrī Navadvīpa aan. Nu is hij geheel op de hoogte met alle waarheden van de vaiṣṇavafilosofie en heeft tevens een diepe liefde voor hari-nāma ontwikkeld.”

De man, die de vraag had gesteld heette Śrī Kālīdāsa Lāhirī. Toen hij de woorden van Bābājī Mahāśaya hoorde, accepteerde hij Vaiṣṇava dāsa in zijn hart als zijn guru. Hij dacht, “Vaiṣṇava dāsa werd in een brahmaanse familie geboren en aanvaardde de sannyāsa-āśrama, dus hij is geschikt om een brāhmaṇa instructies te geven. Bovendien ben ik getuige geweest van zijn buitengewone kennis van de waarheden van de Vaiṣṇava’s. Van hem kan ik veel leren over vaiṣṇava-dharma.” Terwijl hij zo dacht, bood hij zijn daṇḍavat-praṇāma aan Vaiṣṇava dāsa’s lotusvoeten aan en zei, “O grote ziel, geef me alstublieft uw zegen.” Vaiṣṇava dāsa bood hem op zijn beurt ook zijn eerbetuigingen aan en antwoordde, “Als u mij uw genade geeft, zal ik volkomen succesvol zijn.”

Toen de schemering inviel keerde iedereen terug naar zijn respectievelijke verblijfplaats.

Lāhirī Mahāśaya’s huis stond onder een bladerendak in een afgelegen deel van het dorp. In het midden van de kuñja stond een natuurlijke bossage van mādhavī-klimranken bij een verhoogd platform voor Tulasī-devī. Er waren twee kamers aan iedere kant van de kuñja. De binnenplaats werd omringd door een afrastering van citā-planten en zijn schoonheid werd verhoogd door verschillende bomen, zoals bael, nīma en andere bomen, die vruchten en bloemen droegen. De eigenaar van dat hof was Mādhava dāsa Bābājī.

Aanvankelijk was Mādhava dāsa Bābājī een man van onberispelijk gedrag geweest, maar de immorele associatie met een vrouw had zijn vaiṣṇavakarakter bezoedeld en beknotte zijn beoefening van bhajana. Hij was nogal verarmd en dekte met moeite zijn onkosten door op diverse plaatsen te bedelen en een kamer aan Lāhirī Mahāśaya te verhuren.

Dezelfde nacht werd Lāhirī Mahāśaya rond middernacht in zijn rust gestoord. Hij lag te denken over de essentiële betekenis van hetgeen Vaiṣṇava dāsa Bābājī uiteen had gezet, toen hij buiten een geluid hoorde. Hij ging zijn kamer uit en zag Mādhava dāsa Bābājī op de binnenplaats met een vrouw staan praten. Toen de vrouw Lāhirī Mahāśaya zag, verdween ze meteen, terwijl Mādhava dāsa onthutst en bewegingsloos voor hem stond.

“Bābājī, wat is er aan de hand?” vroeg Lāhirī Mahāśaya.

“Dit is mijn kwade noodlot”, antwoordde Mādhava dāsa met tranen in zijn ogen. “Wat kan ik nog zeggen? Ach, en dan te bedenken, wat ik in het verleden was en wat er nu van me is geworden! Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya had zoveel vertrouwen in me. Nu voel ik me beschaamd om hem te ontmoeten.”

“Vertel me dan wat er is, zodat ik het kan begrijpen,” vroeg Lāhirī Mahāśaya.

Mādhava dāsa antwoordde, “De vrouw, die je zojuist zag was mijn echtgenote, toen ik een huishouden had. Kort nadat ik de wereldverzakende levensorde van bābājī had aanvaard, ging ze naar Śrīpāṭ Śāntipura, waar ze een hut bouwde en op de oever van de Gaṅga ging wonen. Na geruime tijd kwam ik toevallig in Śrīpāṭ Śāntipura en zag haar daar. Ik vroeg haar, ‘Waarom heb je je huishouden in de steek gelaten?’ en ze vertelde, ‘Het gezinsleven trekt me niet langer aan, sinds ik de dienst aan je voeten moet ontberen. Ik ben op deze tīrtha (heilige plaats) gaan wonen en houd mezelf met aalmoezen in leven.’

“Ik keerde naar Godruma terug zonder een woord tegen haar te zeggen. Na enige tijd kwam ze ook naar Godruma en ging in het huis van een koeherder wonen. Ik kwam haar iedere dag overal tegen en hoe meer ik haar probeerde te ontwijken, hoe dichterbij ze kwam. Nu woont ze in een āśrama, die ze zelf heeft gebouwd en probeert me te ruïneren door hier midden in de nacht langs te komen. Mijn slechte reputatie is overal bekend en mijn bhajana is door mijn associatie met haar vreselijk achteruit gegaan. Ik ben in discrediet gebracht bij de familie van de dienaren van Śrī Kṛṣṇa Caitanya. Sinds Choṭa Haridāsa werd bestraft ben ik de volgende, die straf verdient. Door hun mededogen hebben de bābājī’s van Śrī Godruma me nog niet op het matje geroepen, maar ze hebben geen enkel vertrouwen meer in me.”

Toen Lāhirī Mahāśaya dit hoorde zei hij, “Mādhava dāsa Bābājī, wees alsjeblieft voorzichtig” en ging terug naar zijn kamer. Bābājī ging naar zijn zitplaats.

Lāhirī Mahāśaya kon niet slapen. Telkens weer dacht hij, “Mādhava dāsa Bābājī is gevallen door weer naar het huishoudelijke leven terug te gaan, nadat hij het formeel had afgezworen. Ik kan hier niet langer blijven. Al zal het me niet direct in slecht gezelschap storten, deze plek zal zeker mijn reputatie schaden, zodat de zuivere Vaiṣṇava’s me niet langer in vertrouwen nemen.”

De volgende ochtend vroeg ging hij naar Pradyumna-kuñja, groette Śrī Vaiṣṇava dāsa met gepast respect en vroeg naar een andere woning in de kuñja. Toen Vaiṣṇava dāsa dit nieuws aan Paramahaṁsa babaji Mahāśaya vertelde, gaf hij de instructie hem een plaats te geven in een kuṭīra langs de zijkant van de kuñja. Vanaf die tijd woonde Lāhirī Mahāśaya in die kuṭīra en had met een brāhmaṇa-gezin, dat vlakbij woonde, een regeling getroffen om hem van prasāda te voorzien.

 

Aldus eindigt het Derde Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
”Naimittika-dharma dient te worden opgegeven”

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________

 

Vorige: Hoofdstuk 2 – "De eeuwige en tijdelijke dharmas van de jiva"

Volgende: Hoofdstuk 4 – "Vaisnava-dharma is nitya-dharma"

Inhoud: Inhoud



Top



© 2017 Jayaradhe.nl