Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 2

De nitya-dharma van de jiva is zuiver en eeuwig

De volgende ochtend kreeg Sannyāsī Mahāśaya geen gelegenheid om iets aan Premadāsa Bābājī te vragen, want deze was innerlijk verzonken in vraja-bhāva, de zoete smaken van liefdedienst in de stemming van de inwoners van Vraja. Rond het middaguur, nadat ze aalmoezen van de dorpsbewoners hadden geaccepteerd, zaten ze samen onder het lommerrijke afdak, śrī-mādhavī-mālatī maṇḍapa. Toen begon Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya vol mededogen te spreken, “O beste onder de bhakta’s, welke conclusies heb je getrokken na de discussie van gisteren over het onderwerp dharma?”


Sannyāsī Ṭhākura werd zich de allerhoogste zegen (paramānanda) gewaar en vroeg, “Prabhu, als de jīva oneindig klein is, hoe kan zijn eeuwige dharma dan volmaakt en zuiver zijn? En als de natuurlijke functie van de jīva pas wordt gevormd op het moment, dat hij wordt samengesteld, hoe kan zijn functie dan eeuwig zijn?”

Toen Paramahaṁsa Bābājī deze twee vragen hoorde, mediteerde hij op de lotusvoeten van Śrī Śacīnandana en zei glimlachend, “Geachte heer, hoewel de jīva oneindig klein is, is zijn dharma volmaakt en nitya (eeuwig). Zijn nietigheid is slechts een kenmerk, waarmee hij wordt geïdentificeerd. Parabrahma Śrī Kṛṣṇacandra is de ene en enige oneindige substantie (bṛhad-vastu) en de jīva’s zijn Zijn ontelbaar vele atomische deeltjes. Als vonken, die ontspringen uit een onverdeeld vuur, komen de jīva’s voort uit Kṛṣṇa, die de belichaming is van onveranderlijk bewustzijn. Zoals iedere vonk over het kwalitatieve vermogen van het hele vuur beschikt, zo is ook iedere jīva in staat om de complete functie van het totale bewustzijn te vertonen. Als een enkele vonk voldoende brandstof heeft, kan het een laaiend vuur aanwakkeren, dat de hele wereld aansteekt. Zo kan zelfs een enkele jīva een grote golf van liefde teweeg brengen door Śrī Kṛṣṇacandra te bereiken, die het enige ware object van liefde is. Zolang de jīva er niet in slaagt contact te leggen met het ware object van zijn spirituele taak (dharma-viṣaya), is de oneindig kleine, bewuste jīva niet in staat om de natuurlijke ontwikkeling van die functie tentoon te spreiden. In werkelijkheid komt alleen de identiteit van zijn dharma aan het licht, wanneer de jīva met zijn object in verbinding staat.

“Wat is de nitya-dharma, of eeuwige, wezenlijke functie van de jīva? Over deze vraag moet je zorgvuldig nadenken. Transcendentale, bovenzinnelijke liefde voor Kṛṣṇa (prema) is de nitya-dharma van iedere jīva. De jīva is een substantie, die transcendentaal is aan wereldse zaken en bewustzijn is hetgeen, waaruit hij bestaat. Zijn eeuwige functie is goddelijke liefde en de aard van die zuivere prema staat in dienst van Kṛṣṇa. Dus de constitutionele functie van de jīva is de liefdedienst aan Kṛṣṇa, hetgeen de aard en de natuur is van prema.

“De jīva’s existeren in twee condities: als śuddha-avasthā, in de zuivere bevrijde staat; of als baddha-avasthā, in de geconditioneerde staat. In de bevrijde staat is de jīva volkomen spiritueel (cinmaya) en heeft geen verbinding met wereldse zaken. Maar zelfs in de bevrijde staat is de jīva een oneindig kleine entiteit.

“De jīva kan een wijziging in zijn conditie ondergaan, want hij heeft de kwaliteit van nietigheid. Kṛṣṇa daarentegen ondergaat nooit een wijziging in Zijn conditie, want volgens Zijn hele natuur is Hij het wezen van de onbegrenste gewaarwording. Door Zijn wezenlijke constitutie als een vastu (een feitelijk bestaande entiteit) is Hij supreem, de allerhoogste, volkomen zuiver en eeuwig, terwijl de jīva door zijn wezenlijke constitutie als vastu nietig is, een onderdeeltje, onderhevig aan besmetting en aan herhaalde mutaties. Echter, bij de gratie van de jīva’s dharma, of onvervalste spirituele functie, is hij groot, onverdeeld, zuiver en eeuwig. Zolang de jīva zuiver is, vertoont zijn dharma een smetteloos karakter. Wanneer hij echter wordt vervuild door betrokken te zijn in de wereld van māyā, raakt zijn ware natuur geperverteerd en wordt hij onzuiver, gaat hij in gebreke van een toevluchtsoord en wordt geteisterd door aards geluk en verdriet. De koers van het materiële bestaan van de jīva wordt pas effectief, zodra hij zijn dienstverlenende houding aan Kṛṣṇa uit het oog verliest.

“Zolang de jīva zuiver blijft, houdt hij zijn identiteit en zijn zelfbeeld in overeenstemming met zijn onvervalste spirituele functie (sva-dharma) in stand. Zijn oorspronkelijke, aangeboren egoïsme is daarom geworteld in de idee, dat hij een dienaar is van Kṛṣṇa. Dat zuivere egoïsme echter wordt gereduceerd en neemt vele verschillende vormen aan, zodra hij door associatie met māyā wordt verontreinigd. De grofstoffelijke en subtiele lichamen bedekken zijn zuivere wezensaard en als gevolg daarvan ontstaat in het subtiele lichaam (liṅga-śarīra) een ander soort egoïsme. Wanneer dit egoïsme een combinatie aangaat met de identificatie van de ziel met het grofstoffelijk lichaam (sthūla-śarīra), ontwaakt een derde vorm van egoïsme. In zijn zuiver spirituele vorm is de jīva uitsluitend een dienaar van Kṛṣṇa. Wanneer de jīva zich identificeert met het subtiele lichaam (intelligentie, verstand, vals-ego), wordt zijn oorspronkelijke, zuivere egoïsme als dienaar van Kṛṣṇa afgedekt en denkt hij, dat hij zich de vruchten van zijn ondernemingen kan laten welgevallen. Op dat moment krijgt hij een grofstoffelijk lichaam en denkt, ‘Ik ben een brāhmaṇa; ik ben een koning; ik ben arm; ik ben ellendig; ik word overweldigd door ongemak en treurnis; ik ben een vrouw; ik ben heer en meester over deze persoon en die persoon’. Op die manier identificeert hij zich met een grote hoeveelheid verschillende typen grofstoffelijke figuraties.

“Als de jīva betrokken raakt bij deze verschillende soorten vals egoïsme wordt zijn wezenlijke functie misbruikt. De intrinsieke, grondrechtelijke functie (sva-dharma) van de jīva is onvermengde, onbaatzuchtige prema. Op een geperverteerde wijze manifesteert deze prema zich in het subtiele lichaam van weten, denken en voelen in de vorm van geluk en verdriet, voorkeur en afkeer, enzovoorts. Deze mentale corrumpering wordt in hogere concentraties in het grofstoffelijk lichaam aangetroffen als de genoegens van eten, drinken en contacten met zintuigobjecten. Je moet goed onthouden, dat de eeuwige functie van de jīva, nitya-dharma geheten, zich alleen manifesteert in zijn zuivere staat. De dharma, die zich in de geconditioneerde staat voordoet, heet naimittika, incidenteel. Nitya-dharma is van nature compleet, zuiver en eeuwig. Bij een volgende gelegenheid zal ik naimittika-dharma grondig uitleggen.

“De onvermengde vaiṣṇava-dharma, die in Śrīmad-Bhāgavatam wordt beschreven, is eeuwige religie (nitya-dharma). De uiteenlopende soorten dharma, die in de wereld worden gepropageerd, kunnen in drie categorieën worden onderverdeeld: nitya-dharma (permanente religie), naimittika-dharma (incidentele religie) en anitya-dharma (onbestendige religie). Anitya-dharma is religie, die zich niet uitspreekt over het bestaan van Īśvara en de eeuwigheid van de ziel. Naimittika-dharma bevestigdt het bestaan van Īśvara en de eeuwigheid van de ziel wel, maar doet pogingen om de zegen van Īśvara te krijgen door middel van voorlopige methoden. Nitya-dharma streeft ernaar de liefdedienst van Bhagavān te verkrijgen door middel van onvermengde prema.

Nitya-dharma doet zich voor onder verschillende namen in overeenstemming met verschillende landen, rassen en talen. Nitya-dharma is echter één en is het gunstigste van alles. Het ideale voorbeeld van nitya-dharma is vaiṣṇava-dharma, die de voorkeur heeft in India. De ongeschonden staat van vaiṣṇava-dharma is die dharma, welke Bhagavān Śacīnandana, de Heer van ons hart, aan de wereld heeft onderwezen. Dit is de reden, dat grote persoonlijkheden, die zijn verzonken in de zegen van goddelijke liefde, deze leringen hebben aanvaard en de hulp van deze leringen hebben ingeroepen.”

Op dat moment zei Sannyāsī Ṭhākura met gevouwen handen, “Prabhu, ik ben voortdurend getuige van de superuitzonderlijkheid van de smetteloze vaiṣṇava-dharma, die Śrī Śacīnandana heeft geopenbaard en ik heb de weerzinwekkende aard van Śaṅkarācārya’s monistische doctrine gerealiseerd. Toch komt er iets in mijn verstand naar boven, wat ik volgens mij aan u moet vragen; ik wil dit niet verhullen. Ik begrijp, dat mahābhāva, die door Śrī Caitanya werd vertoond, de hoogste staat van geconcentreerde prema is. Is deze anders dan het bereiken van de perfectie van absolute eenheid (advaita-siddhi)?”

Toen Paramahaṁsa Bābājī de naam van Śrī Śaṅkarācārya hoorde, bood hij languit zijn eerbetuigingen aan de ācārya aan en zei, “Geachte heer, śaṅkaraḥ śaṅkaraḥ sākṣāt, ‘Śaṅkarācārya is niemand minder dan Mahādeva-Śaṅkara, of Śivajī’. Dit moet je altijd goed onthouden. Śaṅkara is de guru voor de Vaiṣṇava’s en om deze reden heeft Mahāprabhu naar hem verwezen als ācārya (geestelijk stichter). Śrī Śaṅkara was in zichzelf een volmaakte Vaiṣṇava.

“Toen Śrī Śaṅkara in India verscheen was er een grote behoefte aan een guṇa-avatāra zoals hij, een incarnatie, die over de geaardheden van de materiële natuur (goedheid, hartstocht, onwetendheid) heerst. De studie van de Vedische śāstra en de beoefening van varṇāśrama-dharma was in India onder invloed van śūnyavāda (leegteleer), de nihilistische filosofie van de Boeddhisten, praktisch verdwenen. Śūnyavāda is volslagen tegengesteld aan het concept van de persoonlijke Bhagavān. Hoewel deze leer het principe van het levende wezen met de identiteit van een bewuste, spirituele ziel (jīvātmā) gedeeltelijk heeft aanvaard, is het voidisme een extreem voorbeeld van anitya-dharma (onbestendige religie). De brāhmaṇa’s van die tijd hadden de Vedische dharma achterwege gelaten en waren als gevolg daarvan allemaal Boeddhist geworden. Op dat moment verscheen Śaṅkarācārya als een uitermate krachtige incarnatie van Mahādeva. Hij herstelde het gezag van de Vedische literatuur en leidde de śūnyavāda-doctrine van de leegte om naar de brahmavāda-doctrine van nirviśeṣa (ongedifferentieerd) brahma. Dit was een buitengewoon staaltje van deskundigheid en India zal Śrī Śaṅkarācārya voor zijn enorme bijdrage altijd dank verschuldigd blijven.

“Alle activiteiten in deze wereld vallen in één van beide categorieën: sommige zijn gerelateerd aan een bepaalde periode en sommige zijn altijd van toepassing. Het werk van Śaṅkarācārya was gerelateerd aan een bepaalde periode en heeft grote vruchten afgeworpen. Śaṅkarācārya heeft het fundament gelegd, waarop grote ācārya’s, zoals Śrī Rāmānujācārya, het gebouw van zuivere vaiṣṇava-dharma hebben opgericht. Het gevolg was, dat Śaṅkarāvatāra een grote vriend en hoeder was, die de weg heeft gebaand voor vaiṣṇava-dharma.

“Vaiṣṇava’s oogsten nu de vruchten van de filosofische grondbeginselen van Śaṅkarācārya. Onder de jīva’s, die door materie zijn gebonden, bestaat een grote behoefte aan sanbhandha-jñāna, kennis over de betrokkenheid van de ziel in de materiële natuur en over de relatie met Bhagavān. Zowel Śaṅkarācārya als de Vaiṣṇava’s aanvaarden, dat de cognitieve levende wezens in dit materiële universum volkomen anders zijn en afgescheiden van hun grofstoffelijke en subtiele lichamen; dat de jīva’s een spiritueel bestaan hebben; en dat bevrijding (mukti) betekent, dat men alle contacten met deze materiële wereld verbreekt. Hierdoor bestaat er een grote overeenkomst tussen de doctrine van Śaṅkara en de Vaiṣṇava-ācārya’s tot het punt van bevrijding. Śaṅkara heeft zelfs geleerd, dat de verering van Śrī Hari de methode is, waarmee men het hart kan zuiveren en bevrijding kan bereiken. Hij heeft zich alleen niet uigesproken over de extrasuperspeciale bestemming van de jīva ná zijn bevrijding.

“Śaṅkara wist heel goed dat, indien de jīva’s konden worden aangemoedigd naar bevrijdig te streven door de verering van Hari, zij geleidelijk gehecht zouden raken aan de vreugde van bhajana en op die manier śuddha-bhakta’s, zuivere toegewijden, konden worden. Daarom stippelde hij eenvoudig het pad uit en liet zich verder niet uit over vertrouwelijke informatie van vaiṣṇava-dharma. Degenen, die de commentaren van Śaṅkara grondig hebben bestudeerd, kunnen zijn intentie doorschouwen, maar degenen, die zich alleen richten op de uiterlijke aspecten van zijn leringen, blijven verre van slechts het begin van vaiṣṇava-dharma.

“In één bepaald opzicht lijkt de perfecte staat van absolute eenheid (advaita-siddhi) identiek aan prema. Echter, de povere interpretatie van absolute eenheid verschilt enorm van de betekenis van prema. Wat is prema? Je moet goed begrijpen, dat prema de onvervalste functie is, waarbij twee bovenzinnelijke wezens spontaan tot elkaar worden aangetrokken. Prema kan zich niet voordoen zonder de afzonderlijke existenties van twee transcendentale wezens. Kṛṣṇa-prema is de dharma, waarmee alle transcendentale wezens eeuwigdurend door de allerhoogste, transcendentale Entiteit, Śrī Kṛṣṇacandra, worden aangetrokken. De ideologie van prema is gebaseerd op de duurzaam gevestigde feiten, dat Kṛṣṇacandra Zijn eigen, eeuwige, afzonderlijke bestaan heeft en dat de jīva’s ook hun eigen, eeuwige, afzonderlijke bestaan hebben en Zijn leiderschap volgen (ānugatya); en dat deze prema-tattva een eeuwig, volmaakt feit (nitya-siddha-tattva) is. De gescheiden aanwezigheid van drie afzonderlijke ingrediënten – de genieter, het genoten object en de daad van het genieten – is een feit. Als de proever van prema en het object één en dezelfde zijn, kan prema geen eeuwige realiteit zijn.

“We kunnen zeggen, dat absolute eenheid, of advaita-siddhi, hetzelfde is als prema, indien we advaita-siddhi definiëren als de zuivere, bovenzintuiglijke staat van een transcendentaal wezen, die geen relatie heeft met onbewuste materie. Dit begrip van advaita-siddhi impliceert eenheid in die zin, dat alle spirituele wezens in hun spirituele natuur en functie (cid-dharma) één zijn geworden. Moderne wetenschappers echter, die de doctrine van Śaṅkara hebben aangenomen, zijn met dit concept niet erg tevreden en hebben getracht te bevestigen, dat spirituele wezens, cid-vastu, zelf onafscheidelijk, één en dezelfde zijn geworden. Hiermee hebben zij het zuiver Vedische begrip van non-dualisme veronachtzaamd en hebben een vervalste versie in de plaats gezet. Vaiṣṇava’s hebben verklaard, dat deze filosofie is tegengesteld aan de Veda’s, omdat zij de eeuwigheid van prema ontkent.

“Śaṅkarācārya beschreef de staat van ‘niet-verschillend’ eenvoudig als de onvervalste hoedanigheid van spirituele substantie. Echter zijn huidige volgelingen konden zijn innerlijke motieven niet begrijpen en hebben vervolgens hun guru’s reputatie in discrediet gebracht door een zwaar vervalste doctrine genaamd Māyāvāda te onderwijzen, die de achtereenvolgende stadia van prema naar het rijk der fabelen verwijst.

“Māyāvādī’s ontkennen vanaf het begin, dat er iets bestaat behalve de ene spirituele substantie (brahma) en ze ontkennen ook, dat de functie van prema binnen die spirituele substantie bestaat. Ze eigenen zich toe, dat brahma buiten de invloed van māyā existeert, zolang het in een staat van eenheid verblijft en at brahma wordt overweldigd door māyā, wanneer het in verscheidene gedaanten belichaamd raakt en de vorm van jīva’s aanneemt. Het resultaat is, dat ze geloven, dat de vorm van Bhagavān een manifestatie van de illusie is. In werkelijkheid echter is Zijn vorm eeuwigdurend zuiver, die bestaat uit geconcentreerd bewustzijn. Om deze reden hebben de māyāvādī’s besloten, dat prema en zijn verscheidene manifestaties bedrog is en dat de kennis van non-dualisme (advaita-jñāna) zich buiten de invloedsfeer van māyā bevindt. Hun foutieve begrip van advaita-siddhi, of eenheid, kan nimmer met prema worden vergeleken.

“Śrī Caitanyadeva leerde de wereld het proeven van prema en Hij onderwees het persoonlijk door Zijn bovenzinnelijk gedrag en activiteiten voor de leven. Deze prema is volslagen ontstegen aan de jurisdictie van māyā en is de hoogste trede van ontwikkeling in de onvermengde staat van volmaakte eenheid (advaita-siddhi). De staat van mahābhāva is een bijzondere transformatie van deze prema, waarin premānanda buitengewoon sterk is. Hierdoor worden zowel de afgescheidenheid als de intieme relatie van de geliefde en de liefhebber naar een ongekende staat getransporteerd. De inconsequente theorie van Māyāvāda is zinloos om zich enig begrip te vormen van de materie van prema in één van zijn stadia.”

Sannyāsī Ṭhākura zei met groot respect, “O Prabhu, mijn hart wordt diep doorboord met de realisatie, dat de māyāvādadoctrine geen enkele betekenis heeft. U hebt vandaag al mijn twijfels op genadevolle wijze opgelost. Ik heb een sterk verlangen om dit gewaad van māyāvāda-sannyāsa op te geven.”

Bābājī Mahāśaya zei, “O Mahātmā, ik geef nooit advies omtrent uiterlijke verschijning. Zodra de dharma of de spirituele functie van het hart wordt gezuiverd, komt de uiterlijke verschijningsvorm moeiteloos en op natuurlijke wijze tot stand. Daar waar teveel belangstelling is voor uiterlijk vertoon, is geen aandacht voor de innerlijke taak van de ziel. Zodra je hart zuiver wordt, ontwikkel je automatisch een smaak voor het uiterlijke gedrag van Vaiṣṇava’s en dan schuilt er geen kwaad in om ook je uiterlijk aan te passen. Absorbeer je hart volkomen in de poging om de leringen van Śrī Kṛṣṇa Caitanya te volgen. Later kun je de externe attributen van vaiṣṇava-dharma overnemen, waartoe je dan automatisch bent geneigd. Je moet altijd de volgende instructie van Śrīman Mahāprabhu onthouden (Caitanya-caritāmṛta, Madhya, 16.238-9):

markaṭa-vairāgya nā kara loka dekhāñā
yathāyogya viṣaya bhuñja’ anāsakta haña
antare niṣṭhā kara, bāhye loka-vyavahāra
acirāt kṛṣṇa tomāya karibe uddhāra

Voer nooit markaṭa-vairāgya (uiterlijke, aapachtige onthechting) uit om alleen het gewone publiek te imponeren. Je moet zonder gehecht te zijn alle zintuigobjecten, die zinvol zijn voor de instandhouding van je toegewijde bezigheden, en alle materiële verlangens in je hart opgeven. Ontwikkel innerlijk een vast vertrouwen in Śrī Kṛṣṇa en voer uiterlijk je wereldse plichten op een dusdanige manier uit, dat niemand je inwendige gevoel kan ontdekken. Als je zo handelt, zal Śrī Kṛṣṇa je heel snel uit je materiële bestaan bevrijden.

Sannyāsī Ṭhākura begreep de diepe betekenis van dit gesprek en deed verder geen nadere suggesties omtrent het wijzigen van zijn uiterlijk. Hij vouwde zijn handen en zei, “Prabhu, omdat ik nu uw leerling ben en ik mijn toevlucht heb genomen aan uw lotusvoeten, zal ik alle instructies, die u geeft, zonder argumenteren ter harte nemen. Ik heb uit uw lessen begrepen, dat onvervalste kṛṣṇa-prema de enige vaiṣṇava-dharma is. Deze liefde voor Kṛṣṇa is de nitya-dharma van de jīva’s en is compleet, zuiver en natuurlijk. Maar hoe moet ik de uiteenlopende dharma’s begrijpen, die de voorkeur in verschillende landen genieten – hoe moet ik deze verschillende religies beschouwen?”

Bābājī Mahāśaya zei, “O Mahātmā, dharma is één – niet twee of meer. De jīva’s hebben slechts één dharma en dat heet vaiṣṇava-dharma. Verschillen in taal, land of ras kunnen geen verschil in dharma veroorzaken. Jaiva-dharma is de wezensfunctie van de jīva. Mensen kunnen het verschillende namen geven, maar ze kunnen geen andere wezensfunctie creëren. Jaiva-dharma is de ongecorrumpeerde spirituele liefde, die het oneindig kleine wezen koestert voor de Oneindige Entiteit. Het lijkt uiteen te vallen in verscheidene aardse vormen, omdat de jīva’s verschillende materiële naturen hebben. Daarom is de naam vaiṣṇava-dharma gebruikt voor het identificeren van de zuivere vorm van jaiva-dharma. De mate van vaiṣṇava-dharma, of dharma, in elke religie is de maatstaf voor haar zuiverheid.

“Enige tijd geleden heb ik aan de lotusvoeten van de vertrouwelijke metgezel van Śrīman Mahāprabhu, Śrī Sanātana Gosvāmī, in Śrī Vraja-dhāma gezeten en heb hem een vraag voorgelegd. Ik vroeg of het woord iśhqh in de Islamitisch religieuze traditie onvervalste liefde betekent, of iets anders. Sanātana Gosvāmī was een geleerde van alle śāstra en zijn kennis van de Arabische talen en Farsi in het bijzonder kende zijn weerga niet. Śrī Rūpa Gosvāmī, Śrī Jīva Gosvāmī en andere verheven spirituele voorgangers waren in dat gezelschap aanwezig. Śrī Sanātana Gosvāmī beantwoordde mijn vraag alsvolgt.

‘Ja, het woord iśhqh betekent liefde. Aanhangers van de Islam gebruiken het woord iśhqh in relatie tot de verering van Īśvara, maar het woord betekent over het algemeen liefde in de gewone betekenis van het woord. De Islamitisch religieuze voorgangers zijn niet in staat geweest om de ware betekenis van de zuiver spirituele entiteit, of śuddha-cid-vastu, te begrijpen. Dit wordt duidelijk in het poëtisch geschrift over de toegewijde geliefden Lailā en Majnūn en in de literaire beschrijvingen van iśhqh door de grote dichter Hāfiz. Zij hebben naar iśhqh verwezen als fysieke liefde, die betrekking heeft op het grofstoffelijke lichaam, of als emotionele liefde in relatie tot het subtiele lichaam (intelligentie, verstand, vals-ego). Ze kunnen dus geen ervaring hebben gehad met onvervalste, goddelijke liefde of prema voor Bhagavān. Ik heb deze soort prema in de religieuze teksten van de moslimleraren nog nooit aangetroffen; ik heb het alleen gezien in de Vaiṣṇava śāstra. Hetzelfde geldt voor het Arabische woord rūh, dat ziel of spirit betekent. Het lijkt er niet op, dat Islamitische leraren het woord rūh hebben gebruikt in de betekenis van śuddha-jīva (de bevrijde ziel); ze hebben het woord rūh juist gebruikt in de betekenis van baddha-jīva, de door materie geconditioneerde ziel.

‘Ik heb gen onvervalste liefde voor Kṛṣṇa onderwezen gezien in andere religies, terwijl beschrijvingen van kṛṣṇa-prema schering en inslag zijn in de geshriften over vaiṣṇava-dharma. In de tweede śloka van Śrīmad-Bhāgavatam, is kṛṣṇa-prema helder beschreven in de uitspraak, projjhita-kaitava-dharma: “Deze Śrīmad-Bhāgavatam omvat de hoogste waarheid, waar alle pretentieuze religiositeit is geweerd”. Niettemin ben ik vol vertrouwen, dat Śrī Kṛṣṇa Caitanya de eerste was, die volledige instructies gaf over de religie van onvermengde kṛṣṇa-prema. Als je mij op mijn woord gelooft, kun je deze conclusie overnemen.’ Toen ik deze instructies had gehoord, bood ik keer op keer languit mijn eerbetuigingen aan Sanātana Gosvāmī aan.”

Toen Sannyāsī Ṭhākura deze uitleg van Bābājī Mahārāja hoorde, bood hij onmiddellijk zijn daṇḍavat-praṇāma aan. Daarna zei Paramahaṁsa Bābājī, “O beste van alle bhakta’s, nu zal ik je tweede vraag beantwoorden. Luister alsjeblieft aandachtig. De woorden ‘creatie’ en ‘formatie’ worden, indien ze worden toegepast op de jīva, altijd in een materiële context gebruikt. De spraak van deze wereld functionert nu eenmaal door voorbeelden te halen uit ervaringen met materiële verschijningsvormen. De tijd, die we gewaar worden, is verdeeld in drie fasen van verleden, heden en toekomst. Dit is materiële tijd (jaḍīya-kāla), die verbonden is met de materiële energie, māyā. In het spirituele domein bestaat spirituele tijd, cit-kāla, die eeuwigdurend in het heden afspeelt zonder de onderverdelingen van verleden en toekomst. De jīva’s en Kṛṣṇa existeren in die spirituele tijd, dus de jīva is eeuwig en bestaat altijd.

“De functies van creatie, formatie en verval hebben plaats onder invloed van de materiële tijd en ze worden gebruikt om de jīva te beschrijven, nadat hij in deze materiële wereld gebonden is geraakt. Zelfs al is de jīva oneindig klein, hij is een eeuwig, spiritueel wezen en zijn fundamentele wezensstaat bestond al, voordat hij dit materiële universum binnenging. Aangezien verleden en toekomst in de spirituele wereld niet bestaan, speelt al datgene, wat binnen dat geestelijke tijdraam plaatsvindt, eeuwigdurend in het heden af. In werkelijkheid zijn de jīva en zijn wezensstaat beiden altijd zowel actueel als permanent.

“Ik heb dit allemaal in woorden aan je uitgelegd, maar je kunt de ware betekenis alleen begrijpen, naarmate je het onvermengde, geestelijke veld hebt ervaren en gerealiseerd. Ik heb je een glimp gegeven; je moet nu proberen de betekenis van wat ik heb gezegd door cit-samādhi, spirituele meditatie, te realiseren. Je zal niet in staat zijn deze onderwerpen met wereldse logica of argumenten te vatten. Hoe meer je het denken kunt losmaken van je ervaringen binnen de materiële conditioneringen, hoe meer je in staat zal zijn het spirituele domein te ervaren.

“Eerst moet je de realisatie van je zuivere, geestelijke identiteit en het zuiver chanten van śrī-kṛṣṇa-nāma cultiveren, voordat je geestelijke taak, jaiva-dharma, op heldere wijze zal worden geopenbaard. Geestelijke realisatie en ervaring kunnen niet volledig worden gezuiverd met behulp van het achtvoudige pad van yoga, dat we kennen als āṣṭāṅga-yoga of brahma-jñāna, dat kennis cultiveert van het allesdoordringende vormloze brahma.

“Je moet het chanten van hari-nāma voortdurend en met groot enthousiasme beoefenen. Deze discipline is de ware geestelijke cultuur. Door regelmatig hari-nāma te chanten ontwikkel je in korte tijd een ongekende gehechtheid aan śrī-kṛṣṇa-nāma en krijg je directe waarnemingen uit het geestelijke veld. Het chanten van śrī-hari-nāma is het belangrijkste onderdeel van alle takken van bhakti en levert het snelst resultaat op. Dit wordt door Śrī Mahāprabhu’s instructies in Śrī Kṛṣṇadāsa Kavirāja’s grote werk, Śrī Caitanya-caritāmṛta (Antya 4.70-1) bevestigd:

bhajanera madhye śreṣṭha nava-vidhā bhakti
’kṛṣṇa-prema’, ‘kṛṣṇa’ dite dhare mahā-śakti
tāra madhye sarva-śreṣṭha nāma-saṅkīrtana
niraparādhe nāma laile pāya prema-dhana

Van alle verschillende typen geestelijke disciplines zijn de negen vormen van bhakti (śravaṇam, kīrtanam, enzovoort) de beste, want ze hebben een enorme kracht om Kṛṣṇa en kṛṣṇa-prema te genereren. Van deze negen vormen is nāma-saṅkīrtana de allerbeste. Door śrī-kṛṣṇa-nāma zonder overtredingen te chanten krijgt men prema van onschatbare waarde.

“Mahātmā, als je me vraagt hoe je een Vaiṣṇava herkent, kan ik je zeggen, dat een Vaiṣṇava iemand is, die alle overtredingen heeft opgegeven en die met grote liefde śrī-kṛṣṇa-nāma chant. Er zijn drie categorieën Vaiṣṇava’s: de kaniṣṭha (neofiet, beginneling), de madhyama (gevorderde) en de uttama (meest verheven). Een kaniṣṭha Vaiṣṇava chant de naam van Kṛṣṇa bij gelegenheid; een madhyama Vaiṣṇava chant de naam van Kṛṣṇa voortdurend; en een uttama Vaiṣṇava veroorzaakt door zijn aanwezigheid, dat anderen śrī-nāma chanten. Volgens Mahāprabhu’s instructies hebben we geen andere criteria nodig om te ontdekken wie een Vaiṣṇava is.”

Sannyāsī Ṭhākura was diep in de nectar van Bābājī Mahārāja’s instructies ondergedompeld en begon te dansen toen hij śrī-kṛṣṇa-nāma chantte: ‘Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare’. Die dag ervoer hij ruci, een natuurlijke smaak voor hari-nāma. Terwijl hij languit eerbetuigingen aan zijn guru bracht, bad hij, “Prabhu! O vriend van de behoeftigen! Laat uw genade op deze arme ziel neerdalen”.

 

 

Aldus eindigt het Tweede Hoofdstuk van Jaiva-dharma getiteld
”De nitya-dharma van de jīva is zuiver en eeuwig”

 

Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________

 

Vorige: Hoofdstuk 1 – "De eeuwige en tijdelijke dharmas van de jiva"

Volgende: Hoofdstuk 3 – "Naimittika-dharma dient te worden opgegeven"

Inhoud: Inhoud



Top



© 2006-2017 Jayaradhe.nl