Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Hoofdstuk 1

De eeuwige en tijdelijke dharmas van de jiva

In dit universum is het eiland Jambūdvīpa het meest voortreffelijk. In Jambūdvīpa is het land Bhārata-varṣa het meest vooraanstaand en in Bhārata-varṣa is de allerhoogste plaats Gauḍa-bhūmi. In Gauḍa-bhūmi zijn de negen eilanden van Śrī  Navadvīpa-maṇḍala van het grootste belang en in één deel van Śrī  Navadvīpa-maṇḍala op de oostelijke oever van de Rivier Bhāgīrathī ligt eeuwigdurend een prachtig plaatsje gesitueerd, Śrī  Godruma.


In de Oudheid leefden vele trouwe beoefenaars van bhajana in de omgeving van Śrī  Godruma. Daar heeft ook Śrī Surabhi, een koe van goddelijke oorsprong, geleefd, die de Allerhoogste Heer, Bhagavān Śrī Gauracandra, vereerde in haar eigen kuñja, een lommerrijk paviljoen met de geur van bloeiende klimplanten. Op enige afstand van deze kuñja ligt Pradyumna-kuñja. Hier nu leefde Śrī Premadāsa Paramahaṁsa Bābājī, een śikṣā (leerling) van Pradyumna Brahmacārī, de beste metgezel van Śrī Gauracandra, in een kuṭira (hut) onder een dicht bladerdak van wingerds. Hij bracht zijn tijd door in constante overgave aan de goddelijke vervoering van bhajana.

Śrī Premadāsa Bābājī was een onderscheiden geleerde, die volledig op de hoogte was met alle conclusies van de śāstra’s. Met een éénpuntige overtuiging had hij zijn toevlucht genomen in het bos van Śrī Godruma, omdat hij wist, dat deze plaats in essentie niet verschillend was van Śrī Nandagrāma. Bābājī Mahārāja zong tweehonderdduizend heilige namen als dagelijkse routine en maakte honderden buigingen voor alle Vaiṣṇava’s. Hij hield zich in leven door aalmoezen van herdersgezinnen te accepteren. Zodra hij een ogenblik van deze bezigheden vrij was, besteedde hij zijn tijd niet aan loze kletspraat, maar las het boek Prema-vivarta geschreven door Śrī Jagadānanda, een vertrouwelijke metgezel van Śrī Gaurasundara [Gauracandra].

Op die momenten verzamelden naburige Vaiṣṇava’s zich met grote toewijding rondom Bābājī, die met betraande ogen voorlas. En waarom zouden ze niet komen luisteren? Deze goddelijke verhandeling, Prema-vivarta, staat vol met conclusies over rasa, de gecondenseerde, vloeibare essentie van geïntegreerde, transcendentale emoties. Bovendien werden de Vaiṣṇava’s ondergedompeld in de golven van Bābājī’s zoete, diepe stem, die het boosaardige vuur van zinnelijkheid in hun hart als een fontein van nectar doofde.

Op een namiddag, nadat hij het chanten van śrī-hari-nāma had volbracht, zat Bābājī Mahāśaya overschaduwd door wingerds van mādhavī en jasmijn in zijn boshut en raakte verzonken in een oceaan van bovenzinnelijke emoties. Op dat moment kwam een bedelmonnik in de wereldverzakende levensorde naderbij, viel aan zijn voeten en bleef geruime tijd in het stof geknield. Aanvankelijk bleef Bābājī Mahāśaya in de zegen van zijn transcendentale extase geabsorbeerd, maar even later, toen hij terugkeerde naar zijn externe gewaarwording, zag hij de sannyāsī mahātmā uitgestrekt voor hem liggen. Bābājī, die zichzelf waardelozer en onbetekenender dan een grasspriet beschouwde, viel voor de sannyāsī neer en begon te wenen, terwijl hij uitriep, “O Caitanya! O Nityānanda! Weest u deze gevallen ellendeling alstublieft genadig.” De sannyāsī zei toen, “Prabhu, ik ben uitermate weerzinwekkend en behoeftig. Waarom bespot u mij op deze manier?”

De sannyāsī kwam naar voren om het stof van Bābājī Mahāśaya’s voeten naar zijn hoofd te brengen en ging daarna voor hem zitten. Bābājī Mahāśaya bood hem een zitplaats van bananenschors aan en ging naast hem zitten. Hij sprak met een door liefde gebroken stem, “Prabhu, wat kan deze waardeloze figuur voor u doen?”

De sannyāsī zette zijn bedelnap naast zich neer en begon met gevouwen handen te spreken. “O Meester, ik ben heel onfortuinlijk. Ik heb mijn tijd in Kāśī en andere heilige plaatsen doorgebracht om over de analytische conclusies van de religieuze teksten te debatteren, zoals sāṅkhya, pātañjala, nyāya, vaiśeṣika, pūrva-mīmāṁsā en uttara-mīmāṁsā – en om de Upaniṣaden en andere Vedānta-śāstra’s uitputtelijk te bestuderen. Ongeveer twaalf jaar geleden heb ik de wereldverzakende levensorde van Śrī Saccidānanda Sarasvatī aanvaard. Toen ik de staf van de wereldverzakende levensorde had aanvaard ben ik naar alle heilige plaatsen gereisd en waar ik ook in India ging, ik hield mij altijd op met sannyāsī’s, die de doctrine van Śrī Śaṅkara aanhingen. Na verloop van tijd passeerde ik de eerste drie stadia van de wereldverzakende levensorde – kuṭicaka, bahūdaka en haṁsa – en bereikte de hoogste status van paramahaṁsa, waarin ik enige tijd heb verkeerd. In Vārāṇasī [Benares] legde ik mezelf de zwijgplicht op en hield me aan de stellingen, die Śrī Śaṅkarācārya als de mahā-vākya (belangrijkste axiomata) van de Veda’s uitriep: ahaṁ brahmāsmi, prajñānaṁ brahma en tat tvam asi. Maar het geluk en de spirituele genoegdoening, die ik dacht te vinden, bleven uit.

“Op zekere dag kwam ik een Vaiṣṇava sādhu tegen, die hardop liep te zingen over het spel van Śrī Hari. Ik keek eens goed naar hem en zag, dat hij baadde in een tranenvloed en dat het haar op zijn lichaam in zijn extatische vervoering recht overeind stond. Met een gebroken stem chantte hij de namen “Śrī Kṛṣṇa Caitanya, Prabhu Nityānanda!” en als hij danste gleden zijn voeten weg, waardoor hij telkens weer op de grond viel. Toen ik hem zo zag en ik zijn gezang hoorde, vulde mijn hart zich met een onbeschrijflijke extase. Hoewel die mystieke ervaring zo overweldigend was, sprak ik de sādhu niet aan, want ik wilde mijn status als paramahaṁsa geen geweld aandoen. Ach! Wat heb ik aan mijn positie en status! Mijn vervloekte noodlot! Ik weet niet waarom, maar sinds die dag wordt mijn hart aangetrokken door de lotusvoeten van Śrī Kṛṣṇa Caitanya.

“Korte tijd later raakte ik geobsedeerd door het verlangen om die Vaiṣṇava sādhu te gaan zoeken, maar ik kon hem nergen meer vinden. Nooit eerder had ik zo iets als een onbevlekte zegen ervaren, die ik voelde, toen ik deze sādhu zag en de heilige naam uit zijn mond hoorde komen. Na ampele overwegingen besloot ik, dat het mijn hoogste goed was om mijn toevlucht te nemen tot de lotusvoeten van de Vaiṣṇava’s.

“Ik verliet Kāśī en vertrok naar het prachtige, heilige land van Śrī Vṛndāvana-dhāma. Daar zag ik veel Vaiṣṇava’s, die de namen zongen van Śrī Rūpa, Sanātana en Jīva Gosvāmī’s in een zeer droevige stemming. Ze waren verzonken in meditatie op het spel van Śrī Rādhā-Kṛṣṇa en ze rolden over de grond, terwijl ze de naam van Śrī Navadvīpa zongen. Toen ik dit zag en hoorde, kwam een enorm verlangen in me op om de prachtige, heilige dhāma van Navadvīpa te zien. Ik liep de honderdachtenzestig vierkante mijl van Śrī Vraja-dhāma rond en kwam enkele dagen geleden in Śrī Māyāpura aan. In de stad Māyāpura hoorde ik over uw roem en vandaag kom ik mijn toevlucht nemen aan uw lotusvoeten. Vervult u alstublieft de aspiratie van mijn leven door deze dienaar tot het object van uw genade te maken.”

Paramahaṁsa Bābājī Mahāśaya nam een grasspriet tussen zijn tanden en wenend zei hij, “O Sannyāsī Ṭhākura, ik ben volstrekt waardeloos. Ik heb mijn leven eindeloos gesleten met het vullen van mijn maag, met slapen en met zinloze kletspraat. Het is waar, dat ik mijn residentie heb genomen in deze heilige plaats, waar Śrī Kṛṣṇa Caitanya Zijn spel speelde, maar naarmate de dagen vervliegen, zie ik, dat ik niet in staat ben datgene te proeven, dat kṛṣṇa-prema wordt genoemd. Jij bent gelukkig, want jij hebt die heilige liefde geproefd door een ogenblik een Vaiṣṇava te zien. Je hebt de genade van Kṛṣṇa Caitanyadeva gekregen. Ik zal je heel dankbaar zijn, als je zo goed bent je deze gevallen ellendeling te herinneren, wanneer je die prema proeft, want dan zal mijn leven een succes worden.”

Toen hij dit zei, omarmde Bābājī de sannyāsī en doordrenkte hem met zijn tranen. Toen Sannyāsī Mahārāja vervolgens de ledematen van de Vaiṣṇava aanraakte, ervoer hij in zijn hart een ongekende zegen. Hij begon te dansen en te wenen en al dansend zong hij:

(jaya) śrī kṛṣṇa-caitanya śrī prabhu nityānanda
(jaya) premadāsa guru jaya bhajanānanda

Alle eer aan Śrī Kṛṣṇa Caitanya en Prabhu Nityānanda. Alle eer aan mijn heilige meester Premadāsa en aan de zegen van bhajana.

Premadāsa Bābājī en Sannyāsī Maharāja dansten en voerden lange tijd kīrtana uit. Toen zij ophielden spraken ze samen over vele onderwerpen. Uiteindelijk zei Premadāsa Bābājī uiterst nederig, “O Mahātmā, blijf alsjeblieft een paar dagen hier in Pradyumna-kuñja om me te zuiveren.”

De sannyāsī zei, “Ik heb mijn lichaam aan uw lotusvoeten overgegeven. Waarom spreekt u slechts van enkele dagen? Ik bid hardgrondig dat ik u mag blijven dienen, totdat ik dit lichaam voorgoed opgeef.”

Sannyāsī Ṭhākura was een academisch geleerde van alle śāstra’s. Hij wist heel goed, dat men in het huis van de guru op natuurlijke wijze instructies van hem ontvangt, dus hij vestigde zich met groot genoegen in dat lommerrijke paviljoen.

Na enkele dagen zei Paramahaṁsa Bābājī tegen de verheven sannyāsī, “O Mahātma, Śrī Pradyumna Brahmacārī heeft me op genadige wijze een toevlucht aan zijn lotusvoeten geboden. Hij woont op het ogenblik in het dorp Śrī Devapallī aan de rand van Śrī Navadvīpa-maṇḍala, waar hij in de verering van Śrī Nṛsiṁhadeva is verzonken. Laten we vandaag, nadat we aalmoezen hebben gecollecteerd, daar naartoe gaan en darśana van zijn lotusvoeten nemen.”

Sannyāsī Ṭhākura antwoordde, “Ik volg alle instructies op, die u me geeft.”

Na twee uur lopen staken ze de Rivier Alakānandā over en kwamen aan in Śrī Devapallī. Daarna staken ze de Rivier Sūryaṭīlā over en namen darśana van de lotusvoeten van Śrī Caitanya Mahāprabhu’s metgezel, Śrī Pradyumna Brahmacārī, in de tempel van sri Nṛsiṁhadeva. Reeds op grote afstand viel Paramahaṁsa Bābājī gestrekt ter aarde en bood zijn eerbetuigingen aan zijn guru aan. Pradyumna Brahmacārī kwam juist uit de tempel met een hart, dat smolt van genegenheid voor zijn leerling. Terwijl hij Paramahaṁsa Bābājī met beide handen optilde en hem liefdevol omarmde, informeerde hij naar zijn welbevinden. Nadat ze enige tijd hadden gesproken over onderwerpen met betrekking tot bhajana, stelde Paramahaṁsa Bābājī Sannyāsī Ṭhākura voor aan zijn guru.

Brahmacārī Ṭhākura zei met grote eerbied, “Mijn beste broeder, je hebt een zeer gekwalificeerde guru gekregen. Je moet het boek Prema-vivarta onder leiding van Premadāsa bestuderen.

kibā vipra kibā nyāsī śūdra kene naya
jei kṛṣṇa-tattva-vettā sei guru haya

Of men nu een brāhmaṇa, een sannyāsī, of een śūdra is, als men volledig op de hoogte is met alle waarheden over de transcendentale kennis van Śrī Kṛṣṇa, kan men een guru zijn (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 8.128).

Sannyāsī Ṭhākura bood zijn nederige eerbetuigingen aan de lotusvoeten van zijn parama-guru aan en zei, “Prabhu, u bent een metgezel van Śrī Caitanyadeva en u kunt honderden arrogante sannyāsī’s, zoals ik, zuiveren door eenvoudig uw genadige blik op hen te werpen. Geeft u mij alstublieft uw zegen.”

Sannyāsī Ṭhākura had geen ervaring met het uitwisselen van omgangsvormen tussen Vaiṣṇava’s. Hij accepteerde eenvoudig de wederzijdse onderhandelingen, die hij had gezien tussen zijn guru en parama-guru als de sad-ācāra (juiste etiquetten), die hijzelf moest volgen. Vanaf die dag gedroeg hij zich jegens zijn eigen guru zonder een spoor van dubbelzinnigheid. Toen de avond-āratī was beëindigd, keerden de guru en de śiṣya terug naar Śrī Godruma.

Na enkele dagen verblijf in de kuñja werd Sannyāsī Ṭhākura benieuwd naar de spirituele waarheden van Paramahaṁsa Bābājī. Tegen die tijd had de sannyāsī alle gebruiken van de Vaiṣṇava’s overgenomen, behalve zijn kledij. In zijn voorgaande training had Sannyāsī Ṭhākura volledige controle over zijn zintuigen bereikt en was sterk overtuigd van het non-dualisme, het allesdoordringende Absolute (brahma-niṣṭhā). Daarbij had hij nu een vast vertrouwen bereikt in het bovenzinnelijke spel van Parabrahma Śrī Kṛṣṇa en was uitermate nederig geworden.

Op een ochtend na de offeringen bij het aanbreken van de dag zat Paramahaṁsa Bābājī in het paviljoen van mādhavī-ranken hari-nāma op zijn tulasi-mālā te chanten. Op dat moment manifesteerde niśānta-līlā (Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa Yugala’s spel kort voor de dageraad) zich geleidelijk in zijn hart. Omdat dit het moment was, dat Śrī Śrī Rādhā en Kṛṣṇa elkaars gezelschap in de kuñja verlaten en naar Hun respectievelijke huizen terugkeren, ervoer Paramahaṁsa Bābājī de grote pijn van afgescheidenheid, waarbij voortdurend tranen van liefde over zijn wangen stroomden. Terwijl hij was verzonken in meditatie op dit spel, verrichtte hij in zijn volmaakte, spirituele vorm de innerlijke liefdedienst, welke voor die periode van de dag was bedoeld;  hij had dus alle gewaarwording van zijn fysieke lichaam verloren. Sannyāsī Ṭhākura was geboeid door Bābājī’s gemoedstoestand en zat naast hem te kijken naar zijn sāttvika-bhāva’s, de bovenzinnelijke symptomen van extase.

Plotseling zei Paramahaṁsa Bābājī tegen hem, “O sakhī, breng Kakkhaṭī (Śrīmatī Rādhikā’s aap) onmiddellijk tot zwijgen, anders wekt ze Rādhā-Govinda uit Hun goddelijke slaap van plezier; dan raakt Lalitā-sakhī van streek en geeft ze mij een standje. Kijk daar! Anaṅga Mañjarī gebaart, dat jij dit moet doen. Jij bent Ramaṇa Mañjarī en dit is jouw aangewezen dienstverlening. Wees, wat dit betreft, oplettend.”

Nadat hij deze woorden had gesproken raakte Paramahaṁsa Bābājī bewusteloos. Vanaf dat moment was Sannyāsī Mahārāja bekend met zijn spirituele identiteit en liefdedienst en hield zich er overeenkomstig mee bezig. Toen brak de dag aan en het ochtendlicht spreidde zijn glans in het oosten. In iedere richting begonnen vogels melodieus te fluiten en er stond een zachte bries. De uitzonderlijke schoonheid van het mādhavī-paviljoen van Pradhyumna-kuñja, dat werd verlicht door de karmozijnrode stralen van de opkomende zon, was werkelijk onbeschrijflijk.

Paramahaṁsa Bābājī zat op een kussen van bananenschors. Naarmate hij zijn externe bewustzijn terugkreeg, begon hij śrī-nāma op zijn kralen te chanten. Toen bood Sannyāsī Ṭhākura languit zijn eerbetuigingen aan de voeten van Bābājī aan, ging naast hem ziten en sprak in grote nederigheid met gevouwen handen, “Prabhu, O Meester, deze wanhopige ziel zou u een vraag willen stellen. Wilt u zo goed zijn antwoord te geven en de pijn in zijn hart te kalmeren? Moge u er genoegen in scheppen mijn hart, dat is verschroeid door het vuur van brahma-jñāna (kennis gericht op het onpersoonlijk Absolute zonder vorm, kwaliteiten en activiteiten), met vraja-rasa te bezielen.”

Bābājī antwoordde, “Jij bent een geschikte candidaat. Welke vraag je ook stelt, ik zal hem – voor zover ik daartoe in staat ben – beantwoorden.”

Sannyāsī Ṭhākura zei, “Prabhu! Ik heb lange tijd over de voortreffelijkheid van de dharma gehoord. Bij talrijke gelegenheden heb ik zoveel mensen de vraag gesteld, ‘Wat is dharma?’ Ik ben er niet op gerust, dat de antwoorden van die mensen elkaar tegenspreken. Wilt u me alstublieft vertellen, welke de ware, grondrechtelijke dharma van de jīva’s is? En waarom zoveel leraren de aard van dharma op zoveel verschillende manieren uitleggen? Als dharma één is, waarom cultiveren alle geleerde onderwijzers dan niet die ene, universele dharma, die zonder gelijke is?”

Paramahaṁsa Bābājī mediteerde op de lotusvoeten van Bhagavān Śrī Kṛṣṇa Caitanya en begon te spreken: “O meest fortuinlijke, ik zal je de principes van dharma uiteenzetten voor zover mijn kennis me toestaat. Een willekeurig object wordt een vastu genoemd en zijn eeuwige natuur heet nitya-dharma. Die aard of natuur komt voort uit de elementaire structuur van een object (ghaṭana). Als een object vorm krijgt, wordt, omdat Kṛṣṇa het wil, een bepaalde natuur als een eeuwige, bijkomende factor in de structuur inherent. Deze natuur is de nitya-dharma van het object.

“De natuur van een bepaald object verandert, of wordt verstoord, wanneer er een wijziging plaats vindt, zowel onder invloed van omstandigheid als wegens contact met andere objecten. Na verloop van tijd wordt deze verstoorde natuur in het object vastgelegd en krijgt de schijn permament te zijn, alsof het de eeuwige natuur van het object betrof. Deze verstoorde natuur is niet de svabhāva (ware natuur); het wordt nisarga genoemd, de natuur welke wordt verkregen door langdurig contact. Deze nisarga neemt de plaats in van de eigenlijke natuur en wordt geïdentificeerd als de svabhāva.

“Water bijvoorbeeld is een object en zijn svabhāva is vloeibaarheid. Wanneer water wegens bepaalde omstandigheden vaste vorm aanneemt en in ijs verandert, neemt de aangenomen aard van soliditeit (vastheid) de plaats in van de inherente natuur (vloeibaarheid). In werkelijkheid is deze verkregen natuur niet eeuwig; het is eerder incidenteel of tijdelijk. Zij ontstaat door een of andere oorzaak en, zodra die oorzaak niet langer effectief is, verdwijnt de verkregen natuur automatisch. Echter, de svabhāva is eeuwig. Deze kan verstoord raken, maar blijft toch onafscheidelijk verbonden aan zijn object. De oorspronkelijke natuur wordt op het juiste tijdstip en onder de juiste omstandigheden stellig weer zichtbaar.

“De svabhāva van een object is de nitya-dharma (eeuwige functie), terwijl de verkregen natuur de naitmittika-dharma (incidentele functie) is. Degenen met de juiste kennis van objecten (vastu-jñāna) kennen ook het verschil tussen een eeuwige en een incidentele functie, terwijl degenen, die deze kennis niet hebben, de verkregen natuur als de ware natuur beschouwen, waardoor ze ook de tijdelijke dharma aanzien voor de eeuwige dharma.”

“Wat is datgene, wat vastu wordt genoemd, en wat is de betekenis van svabhāva?” vroeg Sannyāsī Ṭhākura.

Paramahaṁsa Bābājī zei, “Het woord vastu is afkomstig van het Sanskriete stamwoord vas, dat ‘bestaan’ of ‘verblijven’ betekent. Het stamwoord wordt een zelfstandig naamwoord door het achtervoegsel tu. Dus vastu betekent ‘dat wat bestaat of vanzelfsprekend is’. Er zijn twee soorten vastu: vāstava en avāstava. De term ‘waarlijk blijvende substantie’, vāstava-vastu, verwijst naar datgene, wat is gevestigd in transcendentie. Tijdelijke objecten, avāstava-vastu, zijn dravya (vaste objecten), guṇa (kwaliteiten of geaardheden), enzovoorts. Echte objecten bezitten een eeuwig bestaan. Onechte objecten hebben slecths een schijn van bestaan, dat soms werkelijk is en soms onwerkelijk. 

“In de Śrīmad-Bhāgavatam (1.1.2) wordt gezegd,

vedyaṁ vāstavam atra vastu śivadaṁ

Alleen een waarlijk duurzame substantie, die is gerelateerd aan de Allerhoogste Absolute Waarheid, en die uiterst gunstig is, is het waard om te worden gekend.

“Uit deze verklaring blijkt duidelijk, dat de enige ware substantie datgene is, wat is gerelateerd aan de Allerhoogste Transcendentie. Śrī Bhagavān is de enige ware Entiteit (vāstava-vastu). Het levend wezen (jīva) is een onderscheiden of individueel deel van die Entiteit, terwijl māyā – het vermogen dat verwarring sticht – de energie is van die Entiteit. Vandaar dus, dat het woord vastu verwijst naar drie fundamentele principes: Bhagavān, de jīva, en māyā. De kennis over de wederzijdse relatie tussen deze drie principes heet zuivere kennis (śuddha-jñāna). Er bestaan ontelbaar veel schijnbare representaties van deze drie principes en ze worden allemaal als avāstava-vastu, onwerkelijke substantie, aangemerkt. De classificatie van verschijnselen in verscheidene categorieën, zoals dravya (objecten) en guṇa (kwaliteiten), die door de vaiśeṣikafilosofie wordt opgesteld, is louter een beschouwing over de aard van avāstava-vastu, vergankelijke objecten.

“De bijzondere eigenschap (viśeṣa-guṇa) van iedere, waarlijk duurzame substantie is haar feitelijke natuur. De jīva is een echte entiteit en zijn eeuwige karakteristieke eigenschap is zijn ware natuur.”

Sannyāsī Mahārāja zei, “Prabhu, ik wil dit onderwerp heel goed onder de knie krijgen.”

Bābājī Mahāśaya antwoordde, “Śrīla Kṛṣṇadāsa Kavirāja Gosvāmī, die een brandpunt was van de genade van Śrī Nityānanda Prabhu, liet me een manuscript van zijn eigen hand zien. Śrīman Mahāprabhu heeft ons over dit onderwerp instructies gegeven in het boek Śrī Caitanya-caritāmṛta (Madhya 20.108):

jīvera svarūpa haya kṛṣṇera nitya-dāsa
kṛṣṇera taṭasthā-śakti bhedābheda-prakāśa

De wezenlijke natuur van de jīva is eeuwig dienaar van Śrī Kṛṣṇa zijn. Hij is het marginale vermogen van Kṛṣṇa en is een manifestatie, die gelijktijdig één en verschillend is van Hem.

kṛṣṇa bhūli seī jīva anādi-bahirmukha
ataeva māyā tāre deya saṁsāra-duḥkha

De jīva, die Kṛṣṇa is vergeten, heeft zich sinds onheuglijke tijden met de externe energie beziggehouden. De consequentie is, dat Kṛṣṇa’s begoochelende energie (māyā) hem ellende bezorgt in de vorm van het materiële bestaan.

“Kṛṣṇa is de volkomen transcendentale substantie (cid-vastu). Hij wordt dikwijls vergeleken met de zon in het spirituele veld en de jīva’s worden vergeleken met de atomisch kleine lichtdeeltjes van die zon. Er zijn ontelbaar veel jīva’s. Als wordt gezegd, dat ze individuele deeltjes van Kṛṣṇa zijn, betekent dat niet, dat ze lijken op de stukjes steen, die een berg vormen. Hoewel er ontelbaar veel jīva-deeltjes uit Śrī Kṛṣṇa voortkomen, verliest Hij hierdoor geen enkele kracht. Om deze reden hebben de Veda’s de jīva’s in één opzicht vergeleken met de vonken, die een vuur uitspringen. Maar eigenlijk kan er geen adequate vergelijking worden gemaakt. Geen enkele vergelijking – of het nu vonken zijn van een laaiend vuur, atomische deeltjes in de zonnestralen, of goud gemaakt van krachtige, mystieke edelstenen – is volledig toereikend. De ware natuur van de jīva wordt gemakkelijk in het hart geopenbaard, mits het wereldse idee van de vergelijkingen wordt opgegeven.

“Kṛṣṇa is oneindige, spirituele substantie (bṛhat-cid-vastu), terwijl de jīva’s oneindig kleine, spirituele substanties (aṇu-cid-vastu) zijn. De eenheid van Kṛṣṇa en de jīva’s ligt in hun spirituele natuur (cid-dharma), maar ze zijn ongetwijfeld ook verschillend, want hun naturen zijn respectievelijk volkomen en onvolkomen. Kṛṣṇa is de eeuwige Heer van de jīva’s en de jīva’s zijn Kṛṣṇa’s eeuwige dienaren. Deze onderlinge relatie is natuurlijk. Kṛṣṇa is degene, die aantrekt, en de jīva’s zijn degenen, die worden aangetrokken. Kṛṣṇa is de allerhoogste bestuurder en de jīva’s worden bestuurd. Kṛṣṇa is de waarnemer en de jīva’s worden waargenomen. Kṛṣṇa is het totale geheel en de jīva’s zijn armzalig en onbetekenend. Kṛṣṇa beschikt over alle vermogens en de jīva’s gaan in gebreke van ieder vermogen. Dus de eeuwige svabhāva of dharma van de jīva is kṛṣṇa-dāsya, eeuwig dienaarschap en gehoorzaamheid aan Kṛṣṇa.

“Kṛṣṇa beschikt over onbegrensde vermogens. Zijn volkomen vermogen (pūrṇā-śakti) wordt waargenomen in de manifestatie van de spirituele wereld, cit-jagat. Op dezelfde manier wordt Zijn taṭasthā-śakti, of marginale vermogen, geobserveerd in de manifestatie van de jīva’s. Een speciaal vermogen verbindt de oneindige wereld (apūrṇa-jagat); dat vermogen heet taṭasthā-śakti. De marginale energie creëert een wezen (vastu), dat tussen de bewegende objecten (cid-vastu) en niet-bewegende objecten (acid-vastu) leeft en dat een relatie kan onderhouden met de spirituele en de materiële werelden. Zuiver transcendentale entiteiten zijn van nature het tegenovergestelde van onbeweeglijke objecten en hebben daarom geen enkele verbinding met hen. Hoewel de jīva een beweeglijk spiritueel deeltje is, is hij in staat een relatie te hebben met onbeweeglijke materie door de invloed van aiśī-śakti, een goddelijk vermogen, dat taṭasthā-śakti heet.

“Het grensgebied tussen het land en het water van een rivier heet taṭa of oever. Deze taṭa kan zowel land als water worden beschouwd; met andere woorden, hij ligt tussen beide in. De goddelijke aiśī-śakti, die in het grensgebied is gesitueerd, is voorzien van de eigenschappen van zowel land als water, als het ware, in één bestaande entiteit. De aard van de jīva is spiritueel, maar zijn samenstelling is zodanig, dat hij door jaḍa-dharma, de inerte (niet-spirituele) natuur, kan worden beheerst. Daarom is de baddha-jīva (geconditioneerde of gebonden ziel) niet vrij van alle verbindingen met de materie, evenals de jīva’s in het spirituele domein. Niettemin is hij anders dan dode materie wegens zijn beweeglijke, spirituele natuur. Omdat de jīva van nature verschillend is van zowel de zuiver spirituele wezens als de dode materie, wordt hij als een afzonderlijk principe geclassificeerd. Daarom moet de eeuwige distinctie tussen Bhagavān en de jīva worden aanvaard.

“Bhagavān is de allerhoogste besturder van māyā (Zijn externe vermogen, dat verwarring creëert), die geheel onder Zijn controle staat. De jīva daarentegen kan onder bepaalde omstandigheden door māyā worden beheerst, want hij is onderhevig aan haar invloed. Deze drie principes – Bhagavān, de jīva en māyā – zijn waarlijk echt (paramārthika satya) en eeuwig. Van deze drie is Bhagavān het allerhoogste, eeuwige principe en het fundament van alle andere principes. De volgende uitspraak in Śrī Kaṭha Upaniṣad (2.2.13) bevestigt dit.

nityo nityānāṁ cetanaś cetanānām

Hij is het allerhoogste, eeuwige wezen onder alle eeuwige wezens (en het fundamentele wetende wezen onder alle wetende wezens).

“De jīva is van nature zowel een eeuwige dienaar van Kṛṣṇa als een vertegenwoordiger van Zijn marginale energie. Dit toont aan, dat de jīva verschillend is van Bhagavān en tegelijkertijd toch niet van Hem is afgescheiden. Hij is daarom een manifestatie, die zowel verschillend als niet-verschillend is (bhedābheda-prakāśa). De jīva is onderhevig aan de overheersing van māyā, terwijl Bhagavān māyā onder controle heeft. Hierin ligt een eeuwig onderscheid tussen de jīva en Bhagavān. Aan de ene kant is de jīva volgens zijn essentiële natuur een bovenzinnelijk wezen, cid-vastu, en Bhagavān is ook van nature cid-vastu. Bovendien vormt de jīva een bijzonder vermogen van Bhagavān. Waar eeuwig onderscheid en eenheid op hetzelfde ogenblik worden aangetroffen, neemt het onderscheid de overhand.

“De nitya-dharma van de jīva staat in dienst van Kṛṣṇa. Als hij dit vergeet, is hij vanaf dat moment van Kṛṣṇa afgeleid en komt hij onder de tirannie van māyā te staan. De val van de jīva heeft niet plaats in de context van de materiële tijd. Dienovereenkomstig worden de woorden anādi-bahirmukha gebruikt, die betekenen, dat de jīva reeds sinds een tijd zonder begin is ontspoord. Vanaf het moment van zijn ontsporing en de jīva’s toetreding tot māyā raakt zijn nitya-dharma geperverteerd. Door de associatie met māyā ontwikkelt de jīva nisarga, een toegevoegde natuur, die de uitvoering van zijn tijdelijke functie en natuur gegeleidt, de zogenaamde naimittika-dharma. De nitya-dharma (eeuwige functie) is één, ondeelbaar en onfeilbaar in alle verschillende situaties, maar de naimittika-dharma (tijdelijke functie) neemt in verschillende omstandigheden veel verschillende vormen aan en wordt verscheiden door de uiteenlopende manieren van schrijven door mensen met uiteenlopende meningen.”

Toen hij aldus had gesproken, stopte Paramahaṁsa Bābājī en begon śrī-hari-nāma-japa te chanten. Nadat Sannyāsī Ṭhākura de uiteenzetting van spirituele waarheden had gehoord, bood hij languit zijn eerbetuigingen aan en zei, “Prabhu, ik zal vandaag over al deze onderwerpen nadenken. Morgen leg ik eventuele vragen, die zich kunnen voordoen, aan uw lotusvoeten neer.”

 

Aldus eindigt het Eerste Hoofdstuk van Jaiva Dharma getiteld
”De eeuwige en tijdelijke dharma’s van de jīva”


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: www.jayaradhe.nl


_______________________________________________________

Vorige: Inleiding - door B.V. Narayana Maharaja

Volgende: Hoofdstuk 2 – "De nitya-dharma van de jiva is zuiver en eeuwig"

Inhoud: Inhoud



Top



© 2017 Jayaradhe.nl