Home

Jaiva Dharma


Śrī Śrī Guru Gaurāṅgau Jayataḥ




Inleiding



(geschreven voor de tweede Hindi uitgave)

door Śrī Śrīmad Bhakti Prajñāna Keśava Gosvāmī Mahārāja



BhaktiPrajnana

Praktisch alle religieuze tradities in de wereld hebben diverse methoden gebruikt om hun betreffende idealen te propageren. Met dit idee in het hoofd publiceren ze hun literatuur in verschillende talen. Het spreekt vanzelf, dat het seculiere onderwijs is onderverdeeld in lager, middelbaar en hoger en in eenvoudiger en complexer kennisgebieden. Zo is het ook vanzelfsprekend – en degenen, die belezen zijn en grondige kennis hebben van de vergelijkende godsdienstwetenschappen, geven dat unaniem toe – dat er gradaties van kennisontwikkeling bestaan in de metafysische leringen van de verschillende religieuze tradities. Van al deze religieuze ideologieën vormen de instructies van Śrī  Caitanya Mahāprabhu voor de religie van prema (zuivere liefde) in alle opzichten de hoogste openbaring. Als 's werelds onafhankelijke denkers eenmaal met deze sublieme kennis op de hoogte komen, zullen ze dit feit unaniem aanvaarden.


Iedereen wil worden geïnspireerd door het hoogste ideaal en de hoogste lering, maar hoe kan dit gunstige verlangen vrucht gaan dragen? Met deze gedachte vestigde de grote, bevrijde geest en het kroonjuweel van de ontwikkelde elite, Śrīla Ṭhākura Bhaktivinoda, het hoogste ideaal van het spirituele leven door zijn persoonlijke voorbeeld te geven en door vele boeken in verschillende talen over vaiṣṇava-dharma  te schrijven. In deze boeken treft men een diepgaande beschrijving in eenvoudige taal aan van de instructies van Śrī  Caitanya Mahāprabhu. Van alle boeken van de auteur wordt deze Jaiva-Dharma door 's werelds religieuze denkers als de kern beschouwd.


De deze wereld zijn de Veda's de oudste geschriften. Werken, die er direct uit zijn voortgekomen, zoals de Upaniṣaden en andere literatuur, die door Śrī  Vedavyāsa zijn samengesteld (bijvoorbeeld de Vedānta-sūtra, Mahābhārata en Śrīmad-Bhāgavatam), zijn allemaal volmaakte literaire werken. Door de tijd heen is een variëteit aan boeken verschenen, die allemaal zijn geïnspireerd op de idealen, die in dat literaire corpus worden uitgesproken. Ze hebben in ruime mate gecirculeerd en hebben een brede belangstelling geoogst. In deze boeken treffen we niet alleen gradaties in het denken aan, zich onderscheidende kenmerken en tegenovergestelde gezichtpunten, maar we nemen ook wederzijdse exclusiviteit, polarisatie van doctrines en speculatieve filosofie waar. Het gevolg was, dat zich in het religieuze domein tot vandaag de dag ophef en calamiteiten voordoen.


Onder zulke penibele omstandigheden verscheen de oorspronkelijke Allerhoogste Heer, Svayaṁ Bhagavān, die de Absolute Waarheid is, ongeveer vijfhonderd jaar geleden in de belangrijkste van de zeven heilige plaatsen, Śrīdhāma-Māyāpura, Navadvīpa-Dhama, om de geconditioneerde levende wezens vrij te maken. In die tijd bekrachtigde de Heer in het bijzonder enkele van Zijn geliefde metgezellen om omvangrijke boeken samen te stellen, die de ware betekenis en essentie van alle śāstra's bevatten. Via deze literatuur wilde de Heer bhakti, dat de wortel is van divya-jñāna (transcendentale kennis), in de harten van de mensen vestigen. Met uitzondering van drie of vier waren al deze boeken in het Sanskriet geschreven.


Śrī  Rūpa en Sanātana Gosvāmī's bevonden zich onder de meest verheven en vertrouwelijke metgezellen van Śrī  Caitanya Mahāprabhu. Śrīla Jīva Gosvāmī was Śrī  Rūpa en Sanātana zo dierbaar, dat hij praktisch hun identieke manifestatie was. Śrīla Jīva Gosvāmī onttrok de essentie aan alle śāstra’s  en componeerde de Ṣaṭ-sandarbha's en andere Sanskriete boeken. Door deze poging manifesteerde Svayaṁ Bhagavān Zijn confidentiële verlangen om Zijn līlā van het bevrijden van jīva's uit te voeren.


Sommige mensen, die niet in staat zijn om de ware betekenis van de śāstra’s  vast te stellen, worden gedwongen ze volgens hun relatieve begripsvermogen te interpreteren. In sommige gevallen begrijpen zulke mensen slechts een deel van de śāstra ; in andere gevallen benevelen hun interpretaties de ware betekenis, en in weer andere gevallen verlaten ze zich op een gezichtspunt, dat volledig is tegengesteld aan de oorspronkelijke bedoeling. Śrīla Jīva Gosvāmī behoort niet tot deze categorieën. De instructies die uit zijn pen vloeiden zijn de absolute en beslissende instructies van Śrīman Mahāprabhu. Het zijn de instructies van de Veda's, de Upaniṣaden, de Mahābhārata en Śrīmad-Bhāgavatam. Gesteund door de foutloze en volledige betekenis van deze instructies is Jaiva-Dharma in een verbijsterende vorm gecomponeerd. Om de lezers het gebruik en het belang van dit boek te laten inzien, geven we nu een analyse van de titel.


De auteur heeft dit boek Jaiva-Dharma genoemd. Aangezien we allemaal een bepaald begrip van dharma (wezenlijke of grondrechtelijke taak of religie) hanteren, is het niet noodzakelijk hierover verder uit te weiden, ook al gezien de beperkte ruimte. Als in het Sanskriet het tweede achtervoegsel aṇ aan het woord jīva (levend wezen) wordt toegevoegd, wordt de middelste klinker versterkt, waardoor de in het achtervoegsel wordt weggelaten en we het woord jaiva overhouden. Het woord jaiva betekent 'van of gerelateerd aan de jīva'. Dus Jaiva-Dharma betekent de dharma van de jīva, of de kenmerkende functie, die aan de jīva is gerelateerd. Maar wat wordt met het woord jīva in deze context bedoeld? De auteur van dit boek beantwoordt deze vraag uitputtend, maar toch denk ik, dat het essentieel is om in het kort één of twee punten voor te leggen.


Het woord jīvana (leven) komt van het woord jīva, dat betekent 'iemand die het leven heeft'. Met andere woorden, alle levende wezens heten jīva's. De auteur heeft dus de term 'jaiva-dharma' gebruikt om aan te geven wat de grondrechtelijke functie van de jīva is. Śrī  Caitanya Mahāprabhu heeft de jīva’s  via Zijn uitermate toegewijde volgelingen, de Zes Gosvāmī's – voorgegaan door Śrī  Rūpa, Sanātana en Jīva Gosvāmī – instructies gegeven met betrekking tot het soort dharma dat ze dienen te aanvaarden en dienen te volgen. Ongeveer vierhonderd jaar later verscheen de auteur van dit boek, Śrīla Ṭhākura Bhaktivinoda, die bekend staat als de Zevende Gosvāmī, niet ver van Śrīdhāma-Māyāpura, de geboorteplaats van Śrī  Gaurāṅga. Omdat hij een zeer zachtmoedig persoon was en meevoelde met de plicht van de jīva's, schreef hij Jaiva-Dharma in het Bengaals.


Omdat Bhagavān het wil, vatte Śrī  Kṛṣṇa dāsa  Kavirāja Gosvāmī, een geliefd metgezel van Śrī  Gaurāṅga, de essentie van Bhagavān Śrī  Gauracandra's instructies in Śrī Caitanya-caritāmṛta samen. Dit wordt in de volgende śloka uitgedrukt:

jīvera svarūpa haya kṛṣṇera nitya dāsa 
kṛṣṇera taṭasthā-śakti bhedābheda prakāśa

De jīva 's natuurlijke hoedanigheid is een dienaar van Kṛṣṇa te zijn. De jīva vormt het marginale vermogen van Kṛṣṇa en een manifestatie, die zowel overeenkomt met Kṛṣṇa als verschillend is van Hem. (Śrī Caitanya-caritāmṛta, Madhya 20.108)

De auteur heeft Jaiva-Dharma op deze śloka gebaseerd, de bīja-mantra (basisvers) van alle instructies voor Gauḍīya Vaiṣṇava’s. Daarom is dit boek heilzaam en aanvaardbaar voor alle mensen ongeacht het onderscheid van ras, klasse, levensfase, tijd, plaats of persoon. Maar dit is niet alles. Het is zelfs heilzaam voor jīva’s, die in andere levensvormen worden geboren, zoals stenen, zoogdieren, vogels, insecten, waterwezens en andere bewegende en niet-bewegende entiteiten.


Er zijn veel voorbeelden van niet-menselijke wezens, die jaiva-dharma hebben aanvaard en die het verdienen te worden vermeld. Ahalyā is een voorbeeld in het lichaam van een steen; de tweeling Yamalārjuna's en de zeven tāla's in de belichamingen van bomen; Koning Nṛga in het lichaam van een hagedis; Bharata Mahārāja in het lichaam van een hert; Surabhī in het lichaam van een koe; Gajendra in een olifantenlichaam; Jāmavanta in een berenlichaam; en Aṅgada en Sugrīva in het lichaam van een aap. De regelgever van het totale universum, Brahmā, bad tot Svayaṁ Bhagavān Śrī  Kṛṣṇa om de liefdedienst aan Zijn lotusvoeten, zelfs als dat zou betekenen, dat hij geboren moest worden onder de grassoorten, de struiken, de zoogdieren of de vogels. Het volgende staat in Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.30):

tad astu me nātha sa bhūri-bhāgo
bhave 'tra vānyatra tu vā tiraścām
yenāham eko 'pi bhavaj janānāṁ
bhūtvā niṣeve tava pāda-pallavam

Lieve Heer, ik bid U dat U mij zegent met het grootste fortuin om als één van Uw bhakta´s te worden beschouwd en me volledig te wijden aan de liefdevolle toegewijde dienst aan Uw lotusvoeten, hetzij in dit leven als Brahmā, hetzij in het volgende, al zou ik een geboorte in het dierenrijk moeten aanvaarden.

Prahlāda Mahārāja, de keizer der bhakta's, drukte de aspiratie om jaiva-dharma in de vorm van toewijding aan Bhagavān te verkrijgen nog helderder uit, zelfs al zou het betekenen als een dier te worden geboren, of in de vorm van duizenden andere soorten:

nātha yoni-sahasreṣu yeṣu vrajāmy aham
teṣu teṣv acalā bhaktir acyutāstu sadā tvayi

O Acyuta, in welke van de duizenden levenssoorten ik kan worden gedwongen te leven, alsjeblieft, laat me altijd onverstoord aan Jou zijn toegewijd.

>

De auteur, Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura, heeft op overeenkomstige wijze in zijn boek Śaraṇāgati gebeden:

kīṭa janma hau yathā tuyā dāsa
bahir-mukha bahmā-janme nāhi āśa

Laat me desnoods als een insect worden geboren, waar Uw bhakta's zich ook mogen bevinden. Ik wil niet worden geboren als Brahmā, die onverschillig is jegens U. (Śaraṇāgati, Ātma-nivedana Lied 3)

De instructies van Jaiva-Dharma zijn dus voor alle jīva’s aanbevelenswaardig en aanvaardbaar. Door deze instructies ter harte te nemen kunnen alle levende wezens blijvende verlossing van de onoverwinnelijke ketenen der illusie bereiken en van de begoochelingen van onbeduidend en onecht plezier. Zulke zielen zullen worden ondergedompeld in de zegen van Bhagavān's liefdedienst en geschikt worden gemaakt om de allerhoogste vrede en het ultieme bovenzinnelijke plezier te ervaren.


Vroeger werd aangegeven, dat er hogere en lagere standaarden van instructie op het gebied van seculiere kennis bestaan. Zo wordt ook aanvaard, dat er hogere en lagere standaarden van instructie bestaan op het gebied van religieuze waarheid. Alleen hoger gekwalificeerde mensen kunnen het ideaal aanvaarden, dat in gevorderde leringen besloten ligt. Dit impliceert, dat mensen suprerieur zijn aan alle andere levenssoorten. Behalve de mens bestaan er vele verschillende levenssoorten. Het woord prāṇī (dat wat ademt, dat wat leeft) of jīva, wijst op een bewuste entiteit. We houden ons hier niet bezig met onbewuste objecten of inerte materie. De natuurlijke levenstaak van een bewuste entiteit wordt dharma genoemd, hetgeen de functie van bewustzijn impliceert, of de geaardheid die voortkomt uit de eigen, ware identiteit. Het begrip dharma is onafscheidelijk van cetana (bewustzijn).


In het Zestiende Hoofdstuk van dit boek staat een nauwgezette analyse van de systematische ontwikkeling van bewustzijn, die consistent is met de moderne wetenschappen. Bewuste wezens, die door illusie zijn geconditioneerd, worden in vijf condities aangetroffen: (1) ācchādita-cetana (bedekt bewustzijn); (2) saṅkucita-cetana (belemmerd bewustzijn); (3) mukulita-cetana (ontluikend bewustzijn); (4) vakasita-cetana (bloeiend bewustzijn); (5) pūrṇa-vikasita-cetana (volledig tot bloei gekomen gewustzijn). Zulke bewuste wezens heten jīva’s, of prāṇī. Deze vijf stadia van de levende wezens worden ondergebracht in twee categorieën: niet-bewegende entiteiten (sthāvara); en bewegende entiteiten (jaṅgama).


Bomen, struiken, klimplanten, stenen en andere immobiele wezens hebben, naar men zegt, een bedekt bewustzijn (ācchādita-cetana). De andere vier soorten bewuste wezens kunnen zich bewegen, echter deze niet, omdat hun bewustzijn volledig is bedekt. Zoogdieren, vogels, insecten en waterdieren hebben een belemmerd bewustzijn (saṅkucita-cetana). Jīva's die in andere dan menselijke levensvormen worden geboren leven in belemmerde staten van bewustzijn. Jīva's van de menselijke soort treffen we met de ontluikende, bloeiende en volledig tot bloei gekomen bewustzijnsstaten aan. Hoewel cognitieve wezens in deze drie laatste staten van gewaarwording allemaal volgens hun fysieke verschijning mens zijn, worden ze gekwalificeerd volgens hun bewustzijn. Met deze gradatie in gedachten wordt het menselijk bewustzijn beschouwd als te zijn ontwikkeld in een beginstadium, in een middenstadium en in een gevorderd ontwikkelingsstadium. Niettemin zijn bomen, struiken, klimplanten, zoogdieren, vogels en mensen allemaal jīva’s en hun enige dharma is Bhagavān te eren. Toch zijn menselijke wezens superieur aan alle andere vanwege hun ontwikkelde bewustzijn, en hun speciale dharma wordt jaiva-dharma genoemd, dat bestaat uit de verering van Bhagavān.


De functie van het bewustzijn is gelaagd naarmate kennis of gewaarwording bedekt is. Het lijdt geen twijfel, dat mensen superieur zijn aan alle andere aardse levensvormen, maar het is essentieel te begrijpen, waaraan die superieuriteit wordt ontleend. We kunnen niet volhouden, dat de mens superieur is aan bomen, klimplanten, insecten, zoogdieren, vogels en waterdieren wat betreft vorm en verschijning, kracht en moed, schoonheid en charme. Mensen zijn in alle opzichten echter superieur aan alle andere soorten wat betreft hun cerebrale capaciteit, de ontwikkeling van het intellect en hun bewustzijnsverruiming. Dit bijzondere dharma nu wordt in Jaiva-Dharma geanalyseerd. Hoewel in algemene zin jaiva-dharma van alle levende wezens is, dient het te worden beschouwd als de specifieke dharma van de menselijke soort, want de speciale kwalificatie voor de hoogste dharma wordt alleen onder jīva 's met een hoog ontwikkelde gewaarwording aangetroffen.


De vraag kan worden gesteld waarom dit boek Jaiva-Dharma heet en niet Mānava-Dharma of Manuṣya-Dharma (de religie van mensen). Als we ernaar zoeken, komen we erachter, dat de ware functie van een mens alleen in dharma wordt aangetroffen; dharma of religie wordt niet aangetroffen in andere levenssoorten. Dit is over het algemeen de regel. Bomen, klimplanten, stenen, wormen, insecten, vissen, schildpadden, zoogdieren, vogels, slangen en andere levende wezens worden onder de jīva’s gerekend, maar zij vertonen geen religieuze neiging, die wordt gekenmerkt door de aspiratie om mokṣa (bevrijding) of verering van Bhagavān te bereiken.


Sommige filosofen zijn van mening, dat levende wezens, die alleen dierlijke attributen hebben, zoals dwaasheid en genadeloosheid, in wezen dieren zijn. We zien dat sommige jīva’s uit deze dierlijke klasse een aangeboren, natuurlijke intuïtie hebben. Tot op zekere hoogte lijkt deze natuurlijke intuïtie op de menselijke aard. In werkelijkheid echter, is dit geen menselijke aard, want de menselijke kwaliteit wordt alleen zichtbaar wanneer dierlijkheid wordt gecombineerd met kennis of rationaliteit. Degenen, die deze menselijke kwaliteit hebben, heten mensen.


Onze Āryan heiligen hebben de dierlijke levenshouding beschreven in vier dwingende neigingen: āhāra (eten), nidrā (slapen), bhaya (vrezen) en maithuna (paren). De menselijke levenshouding wordt alleen manifest, als men deze dierlijke neigingen teboven komt en rationaliteit (dharma-vṛtti) ontwikkelt. Westerse filosofen hebben ook gezegd, dat mensen rationele wezens zijn. Het is echter belangrijk om te weten, dat de betekenis van rationaliteit in de westerse filosofie aanzienlijk beperkt is.


In de Āryan filosofie is het woord dharma uitermate veelomvattend. Binnen slechts een enkel aspect van zijn betekenis omvat dharma het westers filosofische concept van rationaliteit en strekt zich ver daarbuiten uit en omvat de tendens om God te vereren. Dharma is het ware, identificerende kenmerk van de menselijk aard; de levende wezens, die van dharma in gebreke gaan, worden als dieren aangeduid. In de Hitopaseśa (25) wordt gezegd:

āhāra-nidrā-bhaya-maithunañ ca
sāmānyam etat paśubhir narāṇām
dharmo hi teṣām adhiko veśeṣo
dharmeṇa hīnāḥ paśubhiḥ samānāḥ

Menselijke wezens zijn gelijk aan dieren wat betreft hun bezigheden rond eten, slapen, vrezen en paren. Toch is religie uniek voor menselijke wezens. Zonder religie, zijn ze niet beter dan dieren.

De betekenis van deze śloka is, dat de natuurlijke aanleg van levende wezens bestaat uit het bevredigen van hun zintuigen door middel van activiteiten als eten, slapen, sex en vechten. Deze neigingen worden in gelijke mate aangetroffen in menselijke wezens en in alle andere soorten; daarover is geen andere mening mogelijk. Menselijke wezens echter kunnen alleen dan werkelijk aan hun menselijke status voldoen, wanneer in hen de neiging om religieus te zijn wordt aangetroffen. De woorden dharmo hi teṣām adhiko viśeṣaḥ betekenen, dat dharma de speciale kwaliteit is, die de mens onderscheidt van dieren en andere levenssoorten. Degenen, in wie dharma volkomen afwezig is, kunnen niet met recht mensen worden genoemd. De woorden dharmeṇa hīnaḥ paśubhiḥ samānāḥ betekenen, dat mensen, die in gebreke gaan van dharma, zijn als dieren. Dat is de reden waarom in ons land mensen, die in gebreke gaan van dharma, nara-paśu (dierlijke mensen) worden genoemd.


Het is opmerkelijk, dat de mensen tegenwoordig hun dharma hebben opgegeven en geheel in beslag worden genomen door eten en verscheidene andere vormen van lustbevrediging. Deze lustbevrediging is de neiging van dieren, of van soorten, die anders zijn dan menselijke wezens. Onder invloed van Kali-yuga raakt de mensheid geleidelijk in verval en keert terug naar haar dierlijkheid. Volgens de śāstra kunnen op dit moment slechts weinig mensen als mensen worden geclassificeerd. Als de auteur dit boek Manuṣya-Dharma (de religie van de mens) had genoemd, dan waren de meesten volgens de schriftuurlijke definitie van de mensheid voor deze beoefening gediskwalificeerd geweest. Dit is de reden waarom Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura, die het welzijn van iedereen wenste, dit boek de brede titel van Jaiva-Dharma heeft gegeven en op die manier de conventies van śāstra geheel in tact heeft gelaten. Dharma, of de verering van Śrī  Bhagavān, wordt alleen in mensen aangetroffen en niet in zoogdieren, vogels en andere soorten. Mensen, de meest gevorderde soort, zijn speciaal gekwalificeerd voor de hoogste leerstellingen, of dharma. Jaiva-Dharma is vooral bedoeld om door hen te worden bestudeerd.


Śrī  Caitanya Mahāprabhu's unieke kwaliteit is, dat Hij zelfs genadig is voor de meest gevallen mensen en hen geschikt maakt voor Zijn hoogste leerstellingen. Die genade werd door geen andere avatāra ooit gegeven. Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft Śrīman Mahāprabhu dan ook in zeer betekenisvolle bewoordigen in zijn toneelwerk, Vidagdha-mādhava (1.2) verheerlijkt:

anarpita-carīṁ cirāt karuṇayāvatīrṇaḥ kalau
samarpayitum unnatojjvala-rasāṁ sva-bhakti-śriyam
hariḥ puraṭa-sundara-dyuti-kadamba-sandīpitaḥ
sadā hṛdaya-kandare sphuratu vaḥ śacī-nandanaḥ

Mag Śrī Śacīnandana Gaurahari, die een uitstraling heeft, die glorieuzer is dan goud, altijd aanwezig zijn in het diepst van ons hart. Uit Zijn grondeloze genade is Hij in het tijdperk van Kali verschenen om de wereld de rijkdom van Zijn eigen bhakti te geven, de allerhoogste, stralende beminnelijkheid, ujjvala-rasa, de meest vertrouwelijke gemoedstoestand van liefdedienst aan Rādhā en Kṛṣṇa in Hun amoureuze relatie. Dit zeldzame geschenk is zeer lange tijd niet meer gegeven. De mensen, die dit geschenk ontvangen, kunnen heel gemakkelijk voor altijd vrij worden van de gebondenheid aan māyā en in groot geluk kṛṣṇa-prema ontvangen.

De auteur van deze śloka heeft de specialiteit van Śrīman Mahāprabhu heel effectief weten te omvatten.


In het Elfde Hoofdstuk van Jaiva-Dharma heeft de auteur door middel van de conversatie tussen Mullah Sāhib en de Vaiṣṇava’s vastgesteld, dat alle mensen geschikt zijn voor vaiṣṇava-dharma. Deze conclusie heeft hij met logische analyses en met sterk bewijs uit de śāstra onderbouwd. Degenen, die Urdu, Farsi, Engels of een andere taal spreken, kunnen Vaiṣṇava’s worden; het is niet beperkt tot alleen diegenen, die Sanskriet spreken. We kunnen in feite zien, dat veel mensen, die Hindi, Bengaals, Oriya, Assamees, Tamil, Telegu en andere Indiase talen spreken, reeds de verheven status van Vaiṣṇava hebben bereikt. Mensen van praktisch alle sociale en religieuze achtergronden zijn hiervoor geschikt. Diversiteit van talen is volstrekt geen diskwalificatie.


Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura heeft de bovenzinnelijke instructies van Śrīman Mahāprabhu in diverse talen verspreid en heeft zich niets aangetrokken van de mening van diegenen, die misschien vooroordelen over de taal koesteren. Hij heeft ongeveer honderd boeken geschreven in Sanskriet, Bengaals, Oriya, Hindi, Urdu en Engels. De namen van sommige van de meer belangrijke werken staan hieronder vermeld met de datum van publicatie:

1.           Hari-kathā : Verhalen over Heer Hari, 1850

2.           Śumbha-Niśumbha-yuddha, 1851

3.           Poriade, 1857-58

4.           Kloostertempels van Orissa, 1860

5.           Vijana-grāma, 1863

6.           Sannyāsī, 1863

7.           Onze noden, 1863

8.           Vālide Rejiṣṭrī, 1866

9.           Lezing over Gautama, 1866

10.        De Bhāgavat: Zijn filosofie, Zijn ethiek en Zijn theologie, 1869

11.        Garbha-stotra-vyākhyā, 1870

12.        Reflecties, 1871

13.        Ṭhākura Haridāsa, 1871

14.        De tempel van Jagannātha in Purī, 1871

15.        De kloosters van Purī, 1871

16.        De Persoonlijkheid Gods, 1871

17.        Een baken van licht, 1871

18.        Sāragrāhī Vaiṣṇava, 1871

19.        God liefhebben, 1871

20.        De Atibaḍi's van Orissa, 1871

21.        Het Bengaalse huwelijk, 1871

22.        Vedāntādhikaraṇa-mālā, 1872

23.        Datta-kaustubham, 1874

24.        Datta-vaṁśa-mālā, 1876

25.        Bauddha-vijaya-kāvyam, 1878

26.        Śrī  Kṛṣṇa-saṁhitā, 1880

27.        Śrī  Sajjana-toṣaṇī, (maandblad) 1881

28.        Kalyāṇa-kalpataru, 1881

29.        Bezinning op Nitya-rūpa-saṁsthāpanam, 1883

30.        Viśva-Vaiṣṇava-Kalpāṭari, 1885

31.        Daśopaṇiṣad-cūrṇikā, 1886

32.        Bhāvāvali (commentaar), 1886

33.        Rasika-Rañjana, (commentaar op Bhagavād Gītā), 1886

34.        Śrī  Caitanya Śikṣāmṛta, 1886

35.        Prema-pradīpa, 1886

36.        Uitgegeven Śrī  Viṣṇu-sahasra-nāma, 1886

37.        Manaḥ-Śikṣā (vertaling en commentaar), 1886

38.        Śrī  Caitanya-Upaniṣad (commentaar), 1887

39.        Śrī  Kṛṣṇa-vijaya (uitgegeven), 1887

40.        Vaiṣṇava-siddhānta-mālā, 1888

41.        Śrī  Āmnāya-sūtram, 1890

42.        Siddhānta-darpaṇam (Bengaalse vertaling), 1890

43.        Śrī  Navadvīpa-dhāma-mahātmya, 1890

44.        Śrī  Godruma Kalpatari (artikelen over nāma-haṭṭa), 1891

45.        Vidvad-rañjana (commentaar op Bhagavād Gītā), 1891

46.        Śrī  Harināma, 1892

47.        Śrī  Nāma, 1892

48.        Śrī  Nāma-tatva-śikṣāṣṭaka, 1892

49.        Śrī  Nāma-mahimā, 1892

50.        Śrī  Nāma-pracāra, 1892

51.        Śrīman Mahāprabhura Śikṣa, 1892

52.        Tattva-vikekaḥ of Śrī Saccidānandānubhūtiḥ, 1893

53.        Śaraṇāgati, 1893

54.        Gītāvalī, 1893

55.        Gītāmālā, 1893

56.        Śoka-śātana, 1893

57.        Nāma Bhajana, 1893

58.        Tattva-sūtram, 1894

59.        Vedārka-dīdhiti (commentaar op Śrī  Īśopaniṣad), 1894

60.        Tattva-muktāvalī of Māyāvāda-śatadūṣaṇī (vertaald en gepubliceerd), 1894

61.        Amṛta-pravāha-bhāṣya (commentaar op Caitanya caritāmṛta), 1895

62.        Śrī  Gaurāṅga-līlā-smaraṇa-maṅgala-stotram, 1896

63.        Śrī  Rāmānuja Upadeśa, 1896

64.        Jaiva-Dharma, 1896

65.        Śrī  Caitanya Mahāprabhu, Zijn leven en principes, 1896

66.        Brahma-saṁhitā (commentaar), 1897

67.        Śrī  Goloka-māhātmya (Bengaalse vertaling van Bṛhad Bhāgavatāmṛta), 1898

68.        Śrī  Kṛṣṇa-karṇāmṛtam (vertaling), 1898

69.        Pīyūṣa-varṣiṇī-vṛtti (commentaar op Upadeśāmṛta), 1898

70.        Śrī  Bhajanāmṛtam (vertaling en commentaar), 1899

71.        Śrī  Navadvīpa-bhāva-taraṅga, 1899

72.        De Hindoeïdolen, 1899

73.        Śrī  Harināma-cintāmaṇi, 1900

74.        Śrī  Bhāgavata Arka-marīci-mālā, 1901

75.        Śrī  Saṅkalpa-kalpadrumā (Bengaalse vertaling), 1901

76.        Śrī  Bhajana-rahasya, 1902

77.        Śrī  Prema-vivarta (gepubliceerd), 1906

78.        Svaniyama-dvādaśakam, 1907

 

Degene die deze lijst ziet begrijpt, dat de auteur breed onderlegd was in diverse talen. Ik geloof, dat het nu noodzakelijk is om wat licht te werpen op een speciaal kenmerk van het leven van de auteur. Ofschoon hij een vooraanstaand geleerde was van het westerse denken, was hij volkomen vrij van westerse invloeden. De westerse onderwijzers zeggen, "Volg mij niet, maar mijn woorden". Anders gezegd, "Doe niet wat ik doe; maar doe wat ik zeg". Het leven van Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura weerlegt dit principe, want hij demonstreerde en paste alle instructies van zijn boek in zijn eigen leven toe. Daarom heten zijn instructies en wijze van bhajana "Bhaktivinoda dhārā" ("het bhaktivinodamodel"). Er is geen enkele instructie in zijn boeken, die hij niet persoonlik voorleefde. Er is dus geen onderscheid tussen zijn schrijven en zijn leven, tussen zijn woorden en daden. Ze zijn in alle opzichten één.


Het spreekt vanzelf, dat lezers nieuwsgierig zijn naar een grote persoonlijkheid met zulk een uitzonderlijk karakter. Moderne lezers vooral, die meer willen weten over een of ander onderwerp, hebben geen vertrouwen in een auteur, als ze hem niet kennen. Daarom voeg ik hier een paar woorden toe over Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura.


Als we spreken over het leven van mahā-puruṣa's (grote, zelfgerealiseerde persoonlijkheden, die zijn ontstegen aan het sterfelijke bestaan), zou het verkeerd zijn om hun geboorte, leven en dood te beschouwen als die van gewone sterfelingen, want mahā-puruṣa's zijn geboorte en dood voorbij. Zij bevinden zich in een eeuwig bestaan en hun komen en gaan op deze wereld is volstrekt een kwestie van hun eigen wens tot verschijnen en verdwijnen.


Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura verscheen op zondag, 2 september 1848, en verlichtte de hemel van het Gauḍīya Vaiṣṇavisme. Hij nam een geboorte in een familie uit een hoge klasse in een dorp genaamd Vīra-nagara (ook bekend als Ulāgrāma of Ulā), wat gelegen is in het district Nadiyā in West-Bengalen, niet ver van Śrīdhāma-Māyāpura, de verschijningsplaats van Śrī Gaurāṅga. In Calcutta verdween hij uit deze wereld op 23 juni 1914. Op dat uur ging hij het middagspel binnen van Śrī Śrī  Gāndharvikā-Giridhārī, de meest vererenswaardige objecten voor de Gauḍīya Vaiṣṇava's.


In zijn korte levensduur van zesenzeventig jaar heeft hij de wereld instructies gegeven door de plichten van de vier āśrama's (stadia van het spirituele leven) na te volgen: brahmacārya (celibatair studentenleven), gṛhastha (religieus huishoudelijk leven), vānapraṣtha (terugtrekking uit wereldse plichten), en sannyāsa (formele onthechting). Hij onderging eerst brahmacārya en kreeg verscheidene verheven instructies. Daarna ging hij het leven van gṛhastha binnen en gaf een ideaal voorbeeld door familieleden met eerlijke middelen te onderhouden. Alle huisvaders zouden dit voorbeeld dienen te volgen.


Tijdens zijn gṛhastha-leven reisde Śrīla Bhaktivinoda door heel India als een hooggeplaatste overheidsofficier van het Paleis van Justitie van de Britse regering. Door zijn vlijmscherpe onderscheidingsvermogen en zijn bestuurlijke deskundigheid kreeg deze grote persoonlijkheid het voor elkaar orde te brengen in staten, die berucht waren om hun wetteloosheid. Temidden van zijn familieverplichtingen verbaasde hij al zijn tijdgenoten met het religieuze ideaal, dat hij voorleefde. Ofschoon hij betrokken was bij dwingende verantwoordelijkheden, schreef hij vele boeken in verschillende talen. We hebben de data van de composities in onze boekenlijst opgenomen. Als de lezer deze data bestudeert, kan hij daaruit Bhaktivinoda's onstuitbaar creatief vermogen afleiden.


Toen hij met pensioen ging, ging Śrīla Bhaktivinoda de levensfase van vānaprastha binnen en intensiveerde zijn spirituele beoefening. In die periode stichtte hij een āśrama in Surabhi-kuñja, Godrumadvīpa, één van de negen districten van Navadvīpa. Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura bleef daar en voerde gedurende een aanzienlijke tijd zijn bhajana uit.


Daarna aanvaardde hij het leven van de asceet en verbleef in Svānanda-sukhada-kuñja, dat er in de buurt lag. Daar vestigde hij de verschijningsplaats van Śrī Caitanyadeva en vele andere plaatsen van gaura-līlā. Hierin volgde hij de Zes Gosvāmī's, die de geboorteplaats en andere plaatsen van het spel en vermaak van Śrī  Kṛṣṇa hadden blootgelegd. Als Śrīla Ṭhākura Bhaktivinoda niet in deze wereld was verschenen, waren de plaatsen van Kṛṣṇa's spel en de instructies van Śrī  Gaurāṅga Mahāprabhu van de aardbodem verdwenen. De hele wereld van Gauḍīya Vaiṣṇava's zal hem daarom voor altijd verschuldigd blijven. Dit is de reden waarom hem in de vaiṣṇavagemeenschap de hoogste eer wordt toegekend door hem de Zevende Gosvāmī te noemen.


Deze mahā-puruṣa instrueerde de wereld zowel met het ideale voorbeeld van zijn persoonlijke leven, als door boeken in vele verschillende talen te schrijven. Er is bovendien nog een ander uniek geschenk, dat hij gaf, en ik zou me van mijn kant ondankbaar tonen door het niet te noemen. Śrīla Ṭhākura Bhaktivinoda bracht een grote persoonlijkheid ter wereld, de hoofdcommandant van het propageren van de dharma, zoals deze was geopenbaard door Śrī  Caitanya Mahāprabhu. Deze grote persoonlijkheid is mijn geliefde Gurudeva en hij wordt in de hele wereld geëerd als Jagad-guru Oṁ Viṣṇupāda Paramahaṁsa-kula-cūḍāmaṇi Aṣṭottara-śata Śrī Śrīmad Bhaktisiddhānta Sarasvatī Gosvāmī Ṭhākura. Het was een onvergelijkbare en ongekende voltooiing van de zijde van Śrīmad Bhaktivinoda Ṭhākura om deze mahā-puruṣa naar de wereld te halen. De vaiṣṇavagemeenschap eert Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura met de kortere titel Śrīla Prabhupāda en hierna zal ook ik refereren aan deze bevrijde mahā-puruṣa als Śrīla Prabhupāda.


Śrīla Prabhupāda verscheen als Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura’s zoon en geestelijk opvolger. In de hele wereld heeft hij de schitterende banier geheven van Śrī Madhva Gauḍīya Vaiṣṇava dharma, dat door Śrīman Mahāprabhu, Śrī Caitanyadeva, werd beoefend en gepropageerd. Door dit te doen bracht hij een enorme welvaart en verheffing in het religieuze domein. Zelfs westerse landen, zoals Amerika, Engeland, Duitsland, Frankrijk, Zweden, Zwitserland en landen uit het Verre-Oosten en Birma ontbreekt het niet aan Zijn genade. Hij vestigde vierenzestig Gauḍīya Maṭha predikcentra in India en de rest van de wereld, van waaruit hij de lessen van Śrī Caitanya propageerde. Hij liet ook alle boeken van Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura circuleren en vestigde op die wijze zijn ongeëvenaarde roem in de wereld.


Onder invloed van de tijd en de aanslagen van het Kali-tijdperk waren diverse soorten corruptie en valse doctrines in de Gauḍīya Vaiṣṇava dharma binnengeslopen. Het gevolg hiervan was, dat er dertien splintergroeperingen (apasampradāya’s) ontstonden, die in de volgende śloka worden opgesomd:

āola bāola barttābhajā neḍā arveś sāī
sahajiyā sakhī-bhekī smārtta jāti-gosāī
atibāḍī cūḍādhārī gaurāṅga-nāgarī
totā kahe e teraha saṅga nāhi kari

Totā zegt, dat Hij niet associeert met de dertien apasampradāya’s: āola, bāola, karttābhajā, neḍā, darveśa, sāī, sahajiyā, sakhī-bhekī, smārtta, jāti-gosāī, atibāḍī, cūḍādhārī en gaurāṅga-nāgarī.

Śrīla Prabhupāda heeft de schadelijke activiteiten van deze apasampradāya’s door zijn predikwerk en door de boeken van Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura te publiceren aanzienlijk ingeperkt. Ondanks alles echter, lijken onder invloed van Kali eten, vrije tijd en materiële zekerheid bovenaan de ranglijst van willekeurige religieuze secten te staan. In werkelijkheid zijn al deze zaken slechts andere namen voor dierlijke neigingen, of uitbreiding van dierlijke ondernemingen. Hierover hebben we eerder gesproken.


Jaiva-Dharma bevat een diepgaande discussie over de aard van dharma, onze relatie met dharma, het resultaat van het volgen van dharma, de juiste betekenis van dharma, het feit, dat zogenaamde religies, die worden gedreven door Kali, niets met dharma te maken hebben en over vele andere onderwerpen meer. Men kan de betekenis van alle śāstra’s in een beknopte vorm leren kennen door eenvoudig dit compacte boek te bestuderen, dat een vergelijkende analyse bevat van alle religies van de wereld in de vorm van vraag en antwoord. In het kort kan ik zeggen, dat dit kleine boek als een oceaan in een aarden pot is gevuld met de essentie van alle śāstra’s van India. Ik overdrijf niet, als ik zeg, dat, tenzij religieus geïnteresseerden dit boek lezen, er zeker een gebrek aan filosofische kennis met betrekking tot spirituele waarheid in het leven zal zijn.


Ik nodig de lezers uit voor de reeks belangrijke onderwerpen de inhoudsopgave in te zien. De auteur heeft de śāstra-maryādā (schriftuurlijke conventie) gehanteerd door de waarheid in relatie tot drie onderdelen: sambandha, abhidheya en prayojana uit te leggen. Geestelijke onderwerpen moeten altijd worden gespresenteerd in deze volgorde beginnend met sambandha (het vestigen van kennis over de relatie met Śrī Kṛṣṇa), dan abhidheya (activiteiten om liefde voor Śrī Kṛṣṇa te wekken) en tenslotte prayojana (het bereiken van het doel van de liefde voor Śrī Kṛṣṇa). Sommige onervaren schrijvers overtreden deze regel en bespreken prayojana-tattva eerst gevolgd door sambandha-tattva en abhidheya-tattva. Dit is volkomen tegengesteld aan de conclusies van de Veda’s, Upaniṣaden, Purāṇa’s, Mahābhārata en vooral Śrīmad-Bhāgavatam, het kroonjuweel van alle spirituele kennis.


In het eerste deel van het boek is een analyse van nitya-dharma, eeuwigdurende religieuze plichten in relatie tot de ware natuur van de ziel, en naimittika-dharma, gelegenheids- of tijdelijke religieuze plichten gerelateerd aan de morele verplichtingen van deze wereld. In het tweede deel wordt een diepgaande beschrijving gegeven van sambandha, abhidheya en prayojana, die stevig gevestigd zijn op bewijsmateriaal uit de śāstra.


Volgens de gedachtenlijn van Śrīla Prabhupāda zou men geen kennis moeten nemen van rasa-vicāra (een beschouwing van de vertrouwelijke, bovenzinnelijke, zoete smaken van bhakti), totdat men een hogere kwalificatie heeft. Een ongekwalificeerde sādhaka kan zijn vooruitgang hinderen in plaats van stimuleren, als hij een onbevoegde poging doet om rasa-vicāra binnen te gaan. Śrīla Prabhupāda heeft hierop duidelijk gewezen in talloze artikelen, zoals Bhāī Sahajiyā (Mijn broer, die de heiligheid van het spirituele leven ontwijdt door zijn materiële instincten met spirituele emoties overeen te laten komen) en Prākṛta-rasa-śata-dūṣaṇī (Honderd weerstanden tegen geperverteerde materiële genoegens). Dat is de reden waarom men met deze materie voorzichtigheid dient te betrachten.


De oorspronkelijke Jaiva-Dharma is in het Bengaals geschreven. Het boek echter maakt extensief gebruik van Sanskriet, want het bevat veel citaten uit śāstra. Er zijn reeds in zeer korte tijd tenminste twaalf grote oplagen van dit boek in het Bengaals gepubliceerd, waaruit blijkt hoe populair het is. De huidige hindiuitgave van Jaiva-Dharma is gedrukt volgens het systeem, dat wordt gebruikt voor de meest recente Bengaalse editie van Jaiva-Dharma, en wordt door de Gauḍīya Vedānta Samiti dan ook in een nieuw formaat gepubliceerd. Tridaṇḍi Svāmī Śrī Śrīmad Bhaktivedānta Nārāyaṇa Mahārāja, de uiterst competente redacteur van het spirituele hindimaandblad Śrī Bhāgavata Patrikā, spaarde kosten noch moeite om dit boek in het Hindi te vertalen en publiceerde het in een reeks artikelen over een periode van zes jaar. Op verzoek van vele getrouwe lezers heeft hij deze artikelen nu voor het religieuze deel van de Hindi sprekende bevolking in boekvorm uitgegeven.


In dit verband voel ik me genoopt op te merken, dat Hindi de moedertaal is van onze uiterst gedistingeerde vertaler en dat hij Bengaals heeft geleerd om dit boek te kunnen bestuderen. Toen hij zowel de taal als het onderwerp grondig beheerste, heeft hij de moeilijkheidsgraad en het aanzienlijke werk aanvaard om het in Hindi te vertalen. Innerlijk ben ik er zeer mee ingenomen, dat hij de strenge filosofie, de diepgaande analyse van rasa en de edele en subtiele gemoedsstemmingen van het oorspronkelijke boek op deskundige wijze heeft bewaard. De Hindi sprekende wereld zal hem voor dit monumentale werk verschuldigd blijven. Vooral Śrīla Prabhupāda en Bhaktivinoda Ṭhākura zullen hem ongetwijfeld voor zijn onvermoeibare dienst zeer genadig zijn.


Ik moet bovendien zeggen, dat de sādhaka’s, die betrokken waren bij de productie van dit boek, mij enig respect geven, waardoor mijn naam in verband met de redactie van dit boek is gebruikt. In werkelijkheid echter, is het de vertaler en uitgever, Tridaṇḍi Svāmī Śrī Śrīmad Bhaktivedānta Nārāyaṇa Mahārāja, die al het redactionele werk heeft verzet en mijn speciale genegenheid en zegen verdient.


Ik heb er vol vertrouwen in, dat door dit boek te bestuderen zowel het trouwe publiek als de geleerden van dit land kennis zullen nemen van de fundamentele waarheden van sambandha, abhidheya en prayojana, die werden gepraktiseerd en uitgedragen door Śrī Caitanya Mahāprabhu. Hierdoor zullen zij bekwaam worden om de prema-dharma van Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa en Śrī Caitanya Mahāprabhu binnen te gaan. Tenslotte bid ik, dat de lezers ons hun overvloedige zegeningen zullen geven door dit boek heel zorgvuldig te lezen.



Śrī Keśavajī Gauḍīya Maṭha,
Mathurā, U.P., 1966
Śrīla Prabhupāda Kiṅkara Tridaṇḍi-bhikṣu
Śrī Bhakti Prajñāna Keśava


Nederlandse vertaling: 2006-2017 Indirā dāsī
Publicatie: jayaradhe.nl


_________________________________________


Vorige: Voorwoord door Sri Srimad B.V. Narayana Gosvami Maharaja


Volgende: Hoofdstuk 1 - "De eeuwige en tijdelijke dharmas van de jiva"


Inhoud: Inhoud



Top



© 2017 Jayaradhe.nl