
“Bewaar sterk
enthousiasme en verdraagzaamheid in jouw hart. Als je de glimlach op het gezicht van
śrī gurudeva en de Vaiṣṇava’s in jouw hoofd houdt
en denkt aan hun instructies en lessen, zal je te allen tijde en onder alle omstandigheden
rust in jouw geest vinden.”
Śrī Śrīmad Bhaktivedānta Vāmana
Gosvāmī Mahārāja
Brief gedateerd 21 september 1979
In: A True Servant, a True Master (Brief 53)
Herinneringen in
afgescheidenheid
Een eerbetoon door Śrī
Śrīmad
Bhakti Vijñāna Bhāratī Gosvāmī Mahārāja
Een oprechte en bescheiden Vaiṣṇava
Śrīḷa Bhaktivedānta Vāmana
Mahārāja kwam in de maṭha
van Śrīla Prabhupāda [Bhaktisiddhānta] wonen, toen hij
nog heel jong was. Ook al zat hij nog op school, hij deed de afwas voor Ṭhākurajī
en verleende allerlei andere diensten. Śrīla Prabhupāda merkte
zijn dienstbare houding op en gaf hem op genadevolle wijze harināma inwijding.
Śrīla Vāmana Mahārāja was van nature uiterst zacht
van karakter en maakte nooit ruzie. Hij had tijdens zijn leven in de maṭha het geluk om
Śrīla Prabhupāda en al zijn metgezellen te dienen. Hij nam
vooral de verantwoording voor bewoners van de maṭha, die ziek waren geworden. Als hij met mijn Guru
Mahārāja (Śrīla Bhakti Dayita Mādhava
Gosvāmī Mahārāja) ging prediken, was hij de kok en verleende
hij diverse diensten.
Gehecht aan transcendente kennis
Hij had een
helder begrip van de diepe siddhānta
(filosofische conclusies) van verscheidene geschriften en in zijn hart
koesterde hij bijzondere eerbied voor de instructies van guru, Vaiṣṇava’s en śāstra. Hij was sterk verankerd in de kennis van de ślokas van Śrīmad-Bhāgavatam. En toch, ondanks dat zijn
kennis zo uitgestrekt was, merkte ik, dat hij nooit de neiging had zichzelf
op de voorgrond te plaatsen om kathā
te spreken of lezingen te geven om prestige te oogsten. En ik heb hem nooit
over zijn eigen glorie horen spreken, nadat hij zijn discussie had afgerond.
Śrīla
Vāmana Mahārāja was para-vidyānurāgi,
gehecht aan transcendente kennis. Hij was bedreven in zijn kennis van de
filosofische waarheden van de bhakti
śāstras. Hij was verbazingwekkend tolerant, hij was toegewijd
aan bhajana en hij was verstoken
van trots. Hij las graag en als hij een bepaald boek niet had, ging hij het
ergens lenen.
Zijn onverwoestbare en onwankelbare vertrouwen
Na het verdwijnen
van Śrīla Prabhupāda hing er over de Gaḍīya Maṭha
een enorm dikke, donkere wolk. Veel zogenaamde zwaargewicht discipelen van
Śrīla Prabhupāda raakten verstrengeld in lustbevrediging,
velen keerden terug naar hun voorgaande āśrama
en velen gaven hun saffrane kleding op, trokken witte kleding aan en gingen
trouwen. Śrīla Vāmana Mahārāja was in die tijd nog
erg jong, maar als een toegewijde, die zich had overgegeven, vertoonde hij een onwankelbare niṣṭhā en een geduld, die
zo hoog waren als een bergtop.
na tathā hy aghavān rājan / pūyeta
tapa-ādibhiḥ
yathā kṛṣṇārpita-prāṇas / tat-puruṣa-niṣevayā
Śrīmad-Bhāgavatam (6.1.16)
[O Koning, iemand die doordrenkt is van zondige
activiteiten, kan worden gezuiverd, als hij Kṛṣṇa’s zuivere
vertegenwoordiger, de bonafide guru
dient en op die manier leert zich te wijden aan Kṛṣṇa’s
lotusvoeten. Dergelijke zuivering is niet mogelijk door het uitvoeren van
soberheden en boetedoeningen, door het praktiseren van het celibaat of door
andere reinigingsprocessen.]
Śrīla
Vāmana Mahārāja beschikte over een enorme toewijding aan Bhagavān,
zoals in deze śloka is beschreven.
Hij gaf Śrīla Bhakti Prajñāna Keśava Gosvāmī
Mahārāja eindeloze dienstverlening samen met de toegewijden rondom
hem, zoals Śrī Narahari Sevāvigraha Prabhu, toen ze in de gevangenis
zaten. Hij raakte zijn vertrouwen niet kwijt, hij werd niet onrustig, hij
verliet de maṭha niet en werd
geen gṛhastha.
Verscheidene
mensen probeerden hem er echter van te overtuigen, dat hij moest ophouden hen
te dienen. “O broeder, je bent hier naartoe gekomen om hari-bhajana te doen. Wat heb je eraan om aan mensen in de gevangenis
diensten te verlenen?”
Maar hij had een
verbazingwekkende realisatie. Hij antwoordde het volgende,
asat-saṅga-tyāga, —ei vaiṣṇava-ācāra
śtrī-saṅgī’ —eka asādhu, ‘kṛṣṇābhakta’
āra
Śrī Caitanya-caritāmṛta (Madhya-līlā 22.87)
[De Vaiṣṇava gedraagt zich zodanig, dat
hij geheel afziet van asat-saṅga.
Dit verwijst naar het gezelschap van degenen, die materieel gehecht zijn,
zoals degenen, die zich ophouden met vrouwen voor lustbevrediging en degenen,
die geen toegewijden zijn van Śrī Kṛṣṇa. Geen van
hen is geheiligd.]
“Dit heb ik geleerd
van het exemplarische leven van Śrīla Prabhupāda. Daarom neem
ik uitsluitend vaiṣṇava-saṅga.
Ik verleen diensten alleen aan Vaiṣṇava’s, zelfs al zitten ze in
de gevangenis.”
Iemand anders
wierp tegen, “Maar als ze Vaiṣṇava’s zijn, waarom zitten ze dan
in het huis van bewaring?” Hierop antwoordde Śrīla Vāmana
Mahārāja, “Als je een stukje goud in het gouden kaf van graan
vindt, neemt de waarde er daardoor dan van af?”
Ze bleven op die
manier proberen zijn vertrouwen te breken, totdat hij uiteindelijk het
volgende zei,
dekhiyā nā dekhe jata abhaktera gaṇa
ullūke nā dekhe jena sūryera kiraṇa
Śrī Caitanya-caritāmṛta (Ādi-līlā 3.86)
[Niet-toegewijden kunnen de transcendente
kwaliteiten van de Vaiṣṇava’s niet waarnemen, zoals een uil de
stralen van de zon niet kan zien, ook al heeft hij een paar ogen.]
Toen ze zijn
sterke vertrouwen bemerkten, deed iedereen er het zwijgen toe.
Zijn gehechtheid aan het prijzen van Vaiṣṇava’s
Toen
Śrīla Bhakti Prajñāna Keśava Gosvāmī
Mahārāja uit deze wereld verdween, hebben we zijn viraha-mahotsava bijgewoond, de bijeenkomst
gehouden in afgescheidenheid van hem. Mijn Guru-pādapadma, oṁ viṣṇupāda Śrī
Śrīmad Bhakti Dayita Gosvāmī Mahārāja, was voorzitter
(sabhāpati) van die bijeenkomst.
Hij erkende toen in die tijd Śrīla Vāmana Mahārāja
als een voorbeeldige guru-sevaka,
die altijd bezig was met het prediken van śuddha-bhakti.
Bij gelegenheid was hij getuige van zijn intense gehechtheid aan de
lofprijzingen van Hari, Guru en Vaiṣṇava’s.
In 1994 werd de viraha-mahotsava van Śrīla
Bhakti Jīvana Janārdana Mahārāja in Khadagpur gehouden.
Op dat moment bevond Śrīla Vāmana Mahārāja zich in
Madras voor een medische behandeling. Hem was gevraagd de bijeenkomst als sabhāpati voor te zitten en moest
daartoe van Madras naar Khadagpur reizen. Maar helaas was de trein vertraagd.
Toen hij niet op tijd aanwezig was, werd ik aangewezen als sabhāpati. Tegen de tijd dat hij
arriveerde, hadden reeds vijf of zes Vaiṣṇava’s een voordracht gegeven.
Ik verzocht hem
te spreken en hij vroeg me hem een tijdslimiet te geven. Ik antwoordde, “Mahārāja,
jij bent eigenlijk de sabhāpati
van deze bijeenkomst, dus voor jou geldt geen tijdslimiet.” Hij was ziek, maar
hij sprak maar door. Zijn dienaren hielden de klok omhoog om te laten zien,
dat hij moest stoppen, maar hij keek niet eens in hun richting. Hij sprak hari-kathā zonder de minste
inachtneming van de noden van zijn lichaam en toonde daarmee zijn gehechtheid
aan het verheerlijken van Śrī Hari, Guru en Vaiṣṇava’s.
Een perfecte candidaat voor genade
Genade komt niet
naar iemand toe, die erom smeekt in de vorm van lippendienst, maar komt automatisch
naar degene, die sevā
verricht. Je kunt mensen horen zeggen, “Mahārāja, geef me alstublieft
uw genade”, “Schenk me uw zegen, Mahārāja”. Maar ze weten niet, dat
je geen genade krijgt door er eenvoudig om te vragen. Bovendien ben je niet
in staat de genade vast te houden, tenzij je over de nodige fundering beschikt,
zelfs niet als degene, die de genade geeft, het aan jou wil geven.
Er kwam eens een
man bij Gaura Kiśora dāsa Bābājī
Mahārāja, die hem herhaaldelijk om genade smeekte.
Bābājī Mahārāja trok zijn kaupīna uit en bood hem deze aan.*) De man ging op de vlucht.
Anderzijds komt genade vanzelf naar de persoon, die gewijd is aan sevā, niet naar iemand, die een
vertoning maakt van smeekbeden. Het verhaal van Bhilanī Śabarī van rāma-līlā illustreert
dit punt. Vanaf zeer jonge leeftijd had ze de gewoonte om naar het oerwoud te
gaan om hout te sprokkelen en gaf dan op de terugweg naar huis een paar
houtjes aan een oude, hulpeloze Bābājī. Dit heeft ze jaren
lang volgehouden. Op zekere dag hield de Bābājī haar tegen en
zei, “Ik ben arm en er is niets in deze wereld, dat ik jou kan geven in ruil
voor jouw dienstverlening aan mij, maar als je een bad neemt en bij me terugkomt,
kan ik jou een mantra geven, die
jou de darśana van
Śrī Rāmacandra geeft.”
___________________
*) Kaupīnas worden
gedragen door degenen, die de wereldverzakende levensorde hebben aanvaard.
Met andere woorden, Śrīla Bābājī Mahārāja
gaf hem de zegen om een bedelmonnik te worden.
Dit verhaal toont
aan, dat de genade van śuddha-bhaktas
aan iemand met een dienstverlenende houding (sevonmukha) automatisch toevalt. We kunnen dit zien in het leven
van Śrīla Vāmana Mahārāja.
Zijn volkomen beheersing over de drang tot spreken
Zijn spraakgebruik
was vol ernst; we hebben nooit lichtzinnige woorden uit zijn mond horen komen.
Diverse keren heb ik hem horen zeggen, “Dekhibe,
śunibe, bolibe nā – kijk, luister, maar geef geen commentaar.”
Hij heeft dit ideaal in zijn leven volmaakt en volkomen in praktijk gebracht.
Hij zou nimmer maryādā,
het juiste Vaiṣṇava gedrag, overschrijden.
Naar het gevoel
van Śrīla Prabhupāda zou hij nooit iemand commanderen. Dit had
betrekking op alle Vaiṣṇava’s, zelfs op zijn eigen leerlingen en
dienaren. Als hij hen instructies gaf, zei hij nooit, “doe dit” en “doe dat”.
Hij gebruikte daarentegen juist vriendelijke, zachte taal. “Mahāprabhu
heeft deze instructies gegeven, zodat wij ze allemaal kunnen volgen” zei hij
dan. “We doen ons voordeel door ze te volgen. Dit is het advies van Hari,
Guru, Vaiṣṇava’s.” Ik heb hem nooit horen zeggen, “Ik wil het zo
hebben. Iedereen moet doen wat ik zeg.”
Associatie door afgescheidenheid
Sādhu-saṅga met een gevoel van volkomen overgave (śaraṇāgati) neemt onze
voorgaande, geconditioneerde natuur weg. Eigenlijk neemt sādhu-saṅga plaats in afgescheidenheid.
Er kwamen eens
toegewijden naar onze maṭha
in Purī voor parikramā
van Purī-dhāma. Een van de moeders liet haar kind in de maṭha achter en ging op parikramā. Śrīpāda
Madanaseṭha Prabhu, die daar toen voor de matha moest zorgen, ging het kind malpurā, sandeśa
en andere snoepjes voeren. Het jongetje pakte de snoepjes, die hem met genegenheid
werden aangeboden, vol enthousiasme aan. Hij pakte ze zelfs van Madanaseṭha
af.
De parikramā groep keerde tenslotte
terug naar de matha, maar zijn
moeder was iets op de markt gaan kopen en kwam niet met de groep terug. Het
jongetje merkte de afwezigheid van zijn moeder op en begon keihard te huilen.
Hij raakte zo overstuur, dat niemand hem tot bedaren kon brengen. De toegewijden
gaven hem met veel liefde snoepjes, maar hij smeet ze op de grond, terwijl
hij eerder dezelfde snoepjes had vastgegrepen en opgegeten.
Dit is viraha. Dat jongetje raakte ontevreden
met de beste dingen. Met zijn intense gevoelens van viraha wilde hij alleen zijn moeder terug – niets en niemand
anders. Dit is de manier om associatie te nemen. En de manier, waarop hij
huilde, “Mama, mama!” is ware nāma.
Men kan afgescheidenheid van Hari, Guru en Vaiṣṇava’s ervaren in de
mate, waarin men zijn energie heeft geïnvesteerd in het geven van plezier aan
hen en het dienen van hen.
Verering van het Godsbeeld,
pūjā, harināma enzovoort kunnen nooit
succesvol worden uitgevoerd, tenzij ze worden vergezeld van een gevoel van
afgescheidenheid. We worden verheven door gevoelens van afgescheidenheid van
Hari, Guru en Vaiṣṇava’s en als we treuren om iets in deze wereld
worden we gedegradeerd. Onze enige aanwinsten zijn herinneringen aan de Vaiṣṇava’s.
Herinneringen aan deze wereld worden onze rampspoed.
Śrīla Vāmana Mahārāja’s ideale voorbeeld van de
manier, waarop zuivere toegewijden behoren te worden gediend, is mijn gebeden
en lofprijzing zeker waard.
In het Engels
vertaald door het Team van Rays of The
Harmonist
In: Rays of The Harmonist No.
15, Kārtika 2005
“Jewels from the Ocean of Separation”
Dit artikel "Herinneringen in afgescheidenheid" kan worden gedeeld met insluiting van de licentie Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Unported (CC BY-SA) onder vermelding van auteur, Sri Srimad Bhakti Vijnana Bharati Gosvami Maharaja, Rays of The Harmonist, Tweemaandelijkse Centenaire Publicatie, No. 14 en Pro Deo Uitgever Jaya Radhe, Nederlandse vertaling: Indira dasi.
www.creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.nl
www.purebhakti.com/resources/harmonist-monthly/112-srila-bhaktivedanta-vamana-gosvami-maharaja/1733-memories-in-separation
www.jayaradhe.nl/harmonist_herinneringen-in-afgescheidenheid.htm
|