Menu:   Nederlands   Engels


Herinneringen in afgescheidenheid

14 januari 2022


śrī śrī guru gaurāṅgau jayataḥ!

Rays of The Harmonist

Tweemaandelijkse Centenaire Publicatie, Uitgave No. 14


Ter ere van het honderdste verschijningsjaar van
nitya-līlā praviṣṭa oṁ viṣṇupāda

Śrī Śrīmad Bhaktivedānta Vāmana Gosvāmī Mahārāja



Opgedragen aan en geïnspireerd door
nitya-līlā praviṣṭa oṁ viṣṇupāda

Śrī Śrīmad Bhaktivedānta Nārāyaṇa Gosvāmī Mahārāja





vamana

“Bewaar sterk enthousiasme en verdraagzaamheid in jouw hart. Als je de glimlach op het gezicht van śrī gurudeva en de Vaiṣṇava’s in jouw hoofd houdt en denkt aan hun instructies en lessen, zal je te allen tijde en onder alle omstandigheden rust in jouw geest vinden.”


Śrī Śrīmad Bhaktivedānta Vāmana Gosvāmī Mahārāja
Brief gedateerd 21 september 1979
In: A True Servant, a True Master  (Brief 53)



Herinneringen in afgescheidenheid

Een eerbetoon door Śrī Śrīmad
Bhakti Vijñāna Bhāratī Gosvāmī Mahārāja


vamana

Een oprechte en bescheiden Vaiṣṇava

Śrīḷa Bhaktivedānta Vāmana Mahārāja kwam in de maṭha van Śrīla Prabhupāda [Bhaktisiddhānta] wonen, toen hij nog heel jong was. Ook al zat hij nog op school, hij deed de afwas voor Ṭhākurajī en verleende allerlei andere diensten. Śrīla Prabhupāda merkte zijn dienstbare houding op en gaf hem op genadevolle wijze harināma inwijding. Śrīla Vāmana Mahārāja was van nature uiterst zacht van karakter en maakte nooit ruzie. Hij had tijdens zijn leven in de maṭha het geluk om Śrīla Prabhupāda en al zijn metgezellen te dienen. Hij nam vooral de verantwoording voor bewoners van de maṭha, die ziek waren geworden. Als hij met mijn Guru Mahārāja (Śrīla Bhakti Dayita Mādhava Gosvāmī Mahārāja) ging prediken, was hij de kok en verleende hij diverse diensten.

Gehecht aan transcendente kennis

Hij had een helder begrip van de diepe siddhānta (filosofische conclusies) van verscheidene geschriften en in zijn hart koesterde hij bijzondere eerbied voor de instructies van guru, Vaiṣṇava’s en śāstra. Hij was sterk verankerd in de kennis van de ślokas van Śrīmad-Bhāgavatam. En toch, ondanks dat zijn kennis zo uitgestrekt was, merkte ik, dat hij nooit de neiging had zichzelf op de voorgrond te plaatsen om kathā te spreken of lezingen te geven om prestige te oogsten. En ik heb hem nooit over zijn eigen glorie horen spreken, nadat hij zijn discussie had afgerond.

Śrīla Vāmana Mahārāja was para-vidyānurāgi, gehecht aan transcendente kennis. Hij was bedreven in zijn kennis van de filosofische waarheden van de bhakti śāstras. Hij was verbazingwekkend tolerant, hij was toegewijd aan bhajana en hij was verstoken van trots. Hij las graag en als hij een bepaald boek niet had, ging hij het ergens lenen.

Zijn onverwoestbare en onwankelbare vertrouwen

Na het verdwijnen van Śrīla Prabhupāda hing er over de Gaḍīya Maṭha een enorm dikke, donkere wolk. Veel zogenaamde zwaargewicht discipelen van Śrīla Prabhupāda raakten verstrengeld in lustbevrediging, velen keerden terug naar hun voorgaande āśrama en velen gaven hun saffrane kleding op, trokken witte kleding aan en gingen trouwen. Śrīla Vāmana Mahārāja was in die tijd nog erg jong, maar als een toegewijde, die zich had overgegeven, vertoonde hij een onwankelbare niṣṭhā en een geduld, die zo hoog waren als een bergtop.

na tathā hy aghavān rājan / pūyeta tapa-ādibhiḥ
yathā kṛṣṇārpita-prāṇas / tat-puruṣa-niṣevayā

Śrīmad-Bhāgavatam  (6.1.16)

[O Koning, iemand die doordrenkt is van zondige activiteiten, kan worden gezuiverd, als hij Kṛṣṇa’s zuivere vertegenwoordiger, de bonafide guru dient en op die manier leert zich te wijden aan Kṛṣṇa’s lotusvoeten. Dergelijke zuivering is niet mogelijk door het uitvoeren van soberheden en boetedoeningen, door het praktiseren van het celibaat of door andere reinigingsprocessen.]

Śrīla Vāmana Mahārāja beschikte over een enorme toewijding aan Bhagavān, zoals in deze śloka is beschreven. Hij gaf Śrīla Bhakti Prajñāna Keśava Gosvāmī Mahārāja eindeloze dienstverlening samen met de toegewijden rondom hem, zoals Śrī Narahari Sevāvigraha Prabhu, toen ze in de gevangenis zaten. Hij raakte zijn vertrouwen niet kwijt, hij werd niet onrustig, hij verliet de maṭha niet en werd geen gṛhastha.

Verscheidene mensen probeerden hem er echter van te overtuigen, dat hij moest ophouden hen te dienen. “O broeder, je bent hier naartoe gekomen om hari-bhajana te doen. Wat heb je eraan om aan mensen in de gevangenis diensten te verlenen?”

Maar hij had een verbazingwekkende realisatie. Hij antwoordde het volgende,

asat-saṅga-tyāga, —ei vaiṣṇava-ācāra
śtrī-saṅgī’ —eka asādhu, ‘kṛṣṇābhakta’ āra

Śrī Caitanya-caritāmṛta (Madhya-līlā 22.87)

[De Vaiṣṇava gedraagt zich zodanig, dat hij geheel afziet van asat-saṅga. Dit verwijst naar het gezelschap van degenen, die materieel gehecht zijn, zoals degenen, die zich ophouden met vrouwen voor lustbevrediging en degenen, die geen toegewijden zijn van Śrī Kṛṣṇa. Geen van hen is geheiligd.]

“Dit heb ik geleerd van het exemplarische leven van Śrīla Prabhupāda. Daarom neem ik uitsluitend vaiṣṇava-saṅga. Ik verleen diensten alleen aan Vaiṣṇava’s, zelfs al zitten ze in de gevangenis.”

Iemand anders wierp tegen, “Maar als ze Vaiṣṇava’s zijn, waarom zitten ze dan in het huis van bewaring?” Hierop antwoordde Śrīla Vāmana Mahārāja, “Als je een stukje goud in het gouden kaf van graan vindt, neemt de waarde er daardoor dan van af?”

Ze bleven op die manier proberen zijn vertrouwen te breken, totdat hij uiteindelijk het volgende zei,

dekhiyā nā dekhe jata abhaktera gaṇa
ullūke nā dekhe jena sūryera kiraṇa

Śrī Caitanya-caritāmṛta (Ādi-līlā 3.86)

[Niet-toegewijden kunnen de transcendente kwaliteiten van de Vaiṣṇava’s niet waarnemen, zoals een uil de stralen van de zon niet kan zien, ook al heeft hij een paar ogen.]

Toen ze zijn sterke vertrouwen bemerkten, deed iedereen er het zwijgen toe.

Zijn gehechtheid aan het prijzen van Vaiṣṇava’s

Toen Śrīla Bhakti Prajñāna Keśava Gosvāmī Mahārāja uit deze wereld verdween, hebben we zijn viraha-mahotsava bijgewoond, de bijeenkomst gehouden in afgescheidenheid van hem. Mijn Guru-pādapadma, oṁ viṣṇupāda Śrī Śrīmad Bhakti Dayita Gosvāmī Mahārāja, was voorzitter (sabhāpati) van die bijeenkomst. Hij erkende toen in die tijd Śrīla Vāmana Mahārāja als een voorbeeldige guru-sevaka, die altijd bezig was met het prediken van śuddha-bhakti. Bij gelegenheid was hij getuige van zijn intense gehechtheid aan de lofprijzingen van Hari, Guru en Vaiṣṇava’s.

In 1994 werd de viraha-mahotsava van Śrīla Bhakti Jīvana Janārdana Mahārāja in Khadagpur gehouden. Op dat moment bevond Śrīla Vāmana Mahārāja zich in Madras voor een medische behandeling. Hem was gevraagd de bijeenkomst als sabhāpati voor te zitten en moest daartoe van Madras naar Khadagpur reizen. Maar helaas was de trein vertraagd. Toen hij niet op tijd aanwezig was, werd ik aangewezen als sabhāpati. Tegen de tijd dat hij arriveerde, hadden reeds vijf of zes Vaiṣṇava’s een voordracht gegeven.

Ik verzocht hem te spreken en hij vroeg me hem een tijdslimiet te geven. Ik antwoordde, “Mahārāja, jij bent eigenlijk de sabhāpati van deze bijeenkomst, dus voor jou geldt geen tijdslimiet.” Hij was ziek, maar hij sprak maar door. Zijn dienaren hielden de klok omhoog om te laten zien, dat hij moest stoppen, maar hij keek niet eens in hun richting. Hij sprak hari-kathā zonder de minste inachtneming van de noden van zijn lichaam en toonde daarmee zijn gehechtheid aan het verheerlijken van Śrī Hari, Guru en Vaiṣṇava’s.

Een perfecte candidaat voor genade

Genade komt niet naar iemand toe, die erom smeekt in de vorm van lippendienst, maar komt automatisch naar degene, die sevā verricht. Je kunt mensen horen zeggen, “Mahārāja, geef me alstublieft uw genade”, “Schenk me uw zegen, Mahārāja”. Maar ze weten niet, dat je geen genade krijgt door er eenvoudig om te vragen. Bovendien ben je niet in staat de genade vast te houden, tenzij je over de nodige fundering beschikt, zelfs niet als degene, die de genade geeft, het aan jou wil geven.

Er kwam eens een man bij Gaura Kiśora dāsa Bābājī Mahārāja, die hem herhaaldelijk om genade smeekte. Bābājī Mahārāja trok zijn kaupīna uit en bood hem deze aan.*) De man ging op de vlucht. Anderzijds komt genade vanzelf naar de persoon, die gewijd is aan sevā, niet naar iemand, die een vertoning maakt van smeekbeden. Het verhaal van Bhilanī Śabarī van rāma-līlā illustreert dit punt. Vanaf zeer jonge leeftijd had ze de gewoonte om naar het oerwoud te gaan om hout te sprokkelen en gaf dan op de terugweg naar huis een paar houtjes aan een oude, hulpeloze Bābājī. Dit heeft ze jaren lang volgehouden. Op zekere dag hield de Bābājī haar tegen en zei, “Ik ben arm en er is niets in deze wereld, dat ik jou kan geven in ruil voor jouw dienstverlening aan mij, maar als je een bad neemt en bij me terugkomt, kan ik jou een mantra geven, die jou de darśana van Śrī Rāmacandra geeft.”

___________________

*) Kaupīnas worden gedragen door degenen, die de wereldverzakende levensorde hebben aanvaard. Met andere woorden, Śrīla Bābājī Mahārāja gaf hem de zegen om een bedelmonnik te worden.

Dit verhaal toont aan, dat de genade van śuddha-bhaktas aan iemand met een dienstverlenende houding (sevonmukha) automatisch toevalt. We kunnen dit zien in het leven van Śrīla Vāmana Mahārāja.

Zijn volkomen beheersing over de drang tot spreken

Zijn spraakgebruik was vol ernst; we hebben nooit lichtzinnige woorden uit zijn mond horen komen. Diverse keren heb ik hem horen zeggen, “Dekhibe, śunibe, bolibe nā – kijk, luister, maar geef geen commentaar.” Hij heeft dit ideaal in zijn leven volmaakt en volkomen in praktijk gebracht. Hij zou nimmer maryādā, het juiste Vaiṣṇava gedrag, overschrijden.

Naar het gevoel van Śrīla Prabhupāda zou hij nooit iemand commanderen. Dit had betrekking op alle Vaiṣṇava’s, zelfs op zijn eigen leerlingen en dienaren. Als hij hen instructies gaf, zei hij nooit, “doe dit” en “doe dat”. Hij gebruikte daarentegen juist vriendelijke, zachte taal. “Mahāprabhu heeft deze instructies gegeven, zodat wij ze allemaal kunnen volgen” zei hij dan. “We doen ons voordeel door ze te volgen. Dit is het advies van Hari, Guru, Vaiṣṇava’s.” Ik heb hem nooit horen zeggen, “Ik wil het zo hebben. Iedereen moet doen wat ik zeg.”

Associatie door afgescheidenheid

Sādhu-saṅga met een gevoel van volkomen overgave (śaraṇāgati) neemt onze voorgaande, geconditioneerde natuur weg. Eigenlijk neemt sādhu-saṅga plaats in afgescheidenheid.

Er kwamen eens toegewijden naar onze maṭha in Purī voor parikramā van Purī-dhāma. Een van de moeders liet haar kind in de maṭha achter en ging op parikramā. Śrīpāda Madanaseṭha Prabhu, die daar toen voor de matha moest zorgen, ging het kind malpurā, sandeśa en andere snoepjes voeren. Het jongetje pakte de snoepjes, die hem met genegenheid werden aangeboden, vol enthousiasme aan. Hij pakte ze zelfs van Madanaseṭha af.

De parikramā groep keerde tenslotte terug naar de matha, maar zijn moeder was iets op de markt gaan kopen en kwam niet met de groep terug. Het jongetje merkte de afwezigheid van zijn moeder op en begon keihard te huilen. Hij raakte zo overstuur, dat niemand hem tot bedaren kon brengen. De toegewijden gaven hem met veel liefde snoepjes, maar hij smeet ze op de grond, terwijl hij eerder dezelfde snoepjes had vastgegrepen en opgegeten.

Dit is viraha. Dat jongetje raakte ontevreden met de beste dingen. Met zijn intense gevoelens van viraha wilde hij alleen zijn moeder terug – niets en niemand anders. Dit is de manier om associatie te nemen. En de manier, waarop hij huilde, “Mama, mama!” is ware nāma. Men kan afgescheidenheid van Hari, Guru en Vaiṣṇava’s ervaren in de mate, waarin men zijn energie heeft geïnvesteerd in het geven van plezier aan hen en het dienen van hen.

Verering van het Godsbeeld, pūjā, harināma enzovoort kunnen nooit succesvol worden uitgevoerd, tenzij ze worden vergezeld van een gevoel van afgescheidenheid. We worden verheven door gevoelens van afgescheidenheid van Hari, Guru en Vaiṣṇava’s en als we treuren om iets in deze wereld worden we gedegradeerd. Onze enige aanwinsten zijn herinneringen aan de Vaiṣṇava’s. Herinneringen aan deze wereld worden onze rampspoed. Śrīla Vāmana Mahārāja’s ideale voorbeeld van de manier, waarop zuivere toegewijden behoren te worden gediend, is mijn gebeden en lofprijzing zeker waard.

In het Engels vertaald door het Team van Rays of The Harmonist

In: Rays of The Harmonist  No. 15, Kārtika 2005
“Jewels from the Ocean of Separation”



cc by-sa.png Dit artikel "Herinneringen in afgescheidenheid" kan worden gedeeld met insluiting van de licentie Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Unported (CC BY-SA) onder vermelding van auteur, Sri Srimad Bhakti Vijnana Bharati Gosvami Maharaja, Rays of The Harmonist, Tweemaandelijkse Centenaire Publicatie, No. 14 en Pro Deo Uitgever Jaya Radhe, Nederlandse vertaling: Indira dasi.

www.creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.nl
www.purebhakti.com/resources/harmonist-monthly/112-srila-bhaktivedanta-vamana-gosvami-maharaja/1733-memories-in-separation
www.jayaradhe.nl/harmonist_herinneringen-in-afgescheidenheid.htm




TOP


DIT DOCUMENT IS BESCHIKBAAR ALS PDF

title=""